← België

Arrest 154511 - - 06/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.511 Rolnummer: A. 132344/XIV-13641 Zaak: Arrest 154511 - - 06/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-07-03 18:26 Fiche Arrest nr 154.511 van 6 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.511 van 6 februari 2006 in de zaak A. 132.344/XIV-13.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat L. WALLEYN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 9 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 11 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 3 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.641-1/22 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. VAN CUTSEM die, loco Advocaat L. WALLEYN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Nepalese nationaliteit, is in België binnengekomen op 13 juli 2001 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. Op 23 augustus 2001 wordt hem het verblijf geweigerd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker gaat tegen deze beslissing in dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die op 22 oktober 2001 beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.
  4. Op 28 augustus 2002 wordt de aanvraag om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 10 september 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 22 oktober 2002 beslist de voorzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “dat het beroep kennelijk ongegrond voorkomt” en dat hij het zelf als alleenrechtsprekend lid zal behandelen. 1.
  7. Op de zitting van 11 december 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer gehoord. 1.
  8. Op 11 december 2002 neemt de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) "Volgens uw verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal bent u een Nepalees afkomstig uit Rachu, gelegen in het district Myagdi. Sedert 2053 (Nepalese jaartelling, stemt overeen met 1996-1997) werkte u in de dorpsschool als leerkracht U sympathiseerde met de Maobadi-partij en trad in uw dorp op als pleitbezorger van hun XIV-13.641-2/22 gedachtegoed. U verspreidde informatie over de Maobadi en voerde in uw dorp openlijk campagne tegen overmatig alcoholgebruik, een strijdpunt van de Maobadipartij. Op 01/01/2057 (13 april 2000) werd u lid van de Maobaoi Twee maanden later verloor u vanwege uw connectie met de Maobadi uw job als leerkracht. Na uw ontslag had u meer tijd en gelegenheid om u voor de Maobadipartij in te spannen en op 01/11/2057 (12 februari 2001) hielp u in uw dorp bij de organisatie van een Maoïtisch getint cultureel programma. Het programma werd evenwel door een inval van de politie verstoord en u werd samen met vier andere aanwezigen gearresteerd. U werd overgebracht naar het politiekantoor en werd er hardhandig ondervraagd over uw engagement voor de Maobadipartij. De volgende ochtend werd u samen met de andere gearresteerden naar het districtspolitiekantoor van Beni overgebracht U werd alleen in een cel opgesloten en kwam pas op 30/11/2057 (13 maart 2001) na bemiddeling van uw vader en de ondervoorzitter van het dorp weer vrij. Bij uw vrijlating betaalde uw vader 28.500 Nepalese roepies borg en werd u verplicht een document te ondertekenen waarin u verdere acties voor de Maobadi afzwoor. Na uw vrijlating ging u echter algauw opnieuw aan de slag voor de Maobadi. U ging omzichtiger te werk en rapporteerde in het geheim over de corrupte praktijken van uw dorpsgenoten. De Maoïtische cel waarvoor u actief was, kwam aan de weet dat de directeur van de plaatselijke school inschrijvingsgelden verduisterde en organiseerde op 10/02/2058 (23 mei 2001) een publieke bestraffing. De politie was evenwel op de hoogte gesteld en dreef de bijeenkomst uiteen. U vluchtte en verschool zich die nacht in een stal in de nabijgelegen jungle. Via een bevriende herder contacteerde u de volgende dag uw vader. Uw vader meldde dat de politie uw huis was binnengevallen en dat tegen u een arrestatiebevel was uitgevaardigd. Uw vader raadde u aan te vluchten en op 12/02/2058 (25 mei 2001) trok u via Parbat naar uw tante in Pokhara. U bleef er één dag en reisde vervolgens via Sunauli naar Delhi, Na een verblijf van vijf weken verliet u Delhi en reisde op 2 juli 2001 naar Amsterdam. U gaf zich uit voor een boeddhistische monnik en reisde door naar een boeddhistisch centrum in Barcelona. U verbleef er tien dagen en trok dan naar België. U vroeg hier asiel aan op 13 juli
  9. Niettegenstaande de initiële beslissing van de Commissaris-generaal dat verder onderzoek noodzakelijk was, dient in deze fase van de procedure vastgesteld te worden dat uw asielaanvraag ongegrond is. Er dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende gegevens aanbrengt waaruit blijkt dat er wat u betreft voldoende aanwijzingen voorhanden zijn om gewag te kunnen maken van een systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U verklaarde weliswaar éénmaal gearresteerd te zijn maar werd na een detentieperiode van één maand op bemiddeling van de ondervoorzitter van uw dorp vrijgelaten zonder dat aan deze arrestatie verdere rechtsgevolgen verbonden waren. Er dient vastgesteld te worden dat de door u ter ondersteuning van uw asielaanvraag aangehaalde problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd, Aangezien uw engagement voor de Maobadi lokaal en kleinschalig was -u was enkel in uw geboortedorp Rachu actief voor de Maobadi (zie verhoorverslag CGVS, ten gronde, p. 4-5), kende slechts een vijftal andere Maobadileden (zie verhoorverslag CGVS, ten gronde, p.5) en uw activiteiten voor de Maobadi waren beperkt tot het verspreiden van informatie en het rapporteren over misstanden in uw dorp -dient te worden vastgesteld dat u niet aannemelijk heeft gemaakt waarom u niet buiten uw regio van herkomst zou kunnen leven zonder risico op vervolging door de Nepalese overheid. Uw moeilijkheden met de autoriteiten situeren zich op lokaal vlak en u bent niet in staat om het arrestatiebevel dat tegen u zou uitgevaardigd zijn, voor te leggen. U draagt geen elementen aan die erop wijzen dat de Nepalese overheid inspanningen onderneemt om u nationaal te laten opsporen. Uit bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blokt namelijk dat sympathisanten en "low-profile Maobadi"geen vrees moeten koesteren voor vervolging op nationaal niveau en zich in een ander district of in grote steden van Nepal kunnen vestigen (Missierapport Nepal dd Maart 2002, p. 28-30, 34 (missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van Cedoca, documentatie en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen) + actualisatie Missierapport Nepal (nota Cedoca; dd. 07/06/02)). U beweerde dat er een arrestatiebevel tegen u zou zijn uitgevaardigd, maar bracht dit niet aan om uw asielaanvraag te ondersteunen. Er dient te worden opgemerkt dat u in de loop van de asielprocedure geen enkel document neerlegde in verband met uw XIV-13.641-3/22 aangehaalde problemen, hoewel u beweerde één maand in het politiekantoor van Beni te hebben doorgebracht en nu te worden gezocht. Uit haar vele contacten met mensenrechtenorganisaties, diplomatieke posten en journalisten kwam het Commissariaat-generaal tot de conclusie dat het hoogst merkwaardig is dat vele van de Nepalese asielzoekers in België geen enkel bewijs kunnen voorleggen van de door hen ingeroepen problemen met de Nepalese overheid (Missierapport Nepal dd Maart 2002, p.25 -28, missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van Cedoca, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Slaatslozen). Ten slotte was u niet in het bezit van enig identiteitsdocument, waardoor uw identiteit niet kon worden nagegaan. Volgens informatie die het Commissariaat-generaal verzamelde tijdens haar missie in Nepal zouden asielzoekers uit Nepal ten minste één identiteitsdocument moeten kunnen neerleggen ter bewijs van hun beweerde identiteit (Missierapport Nepal dd. Maart 2002, p. 16-17, missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van Cedoca, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen). Gezien bovenstaande vaststellingen zijn de door u neergelegde documenten (een instapkaart voor een KLM-vlucht van Delhi naar Amsterdam en een visitekaatje van het hotel waar u verbleef in Delhi) niet van die aard om de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat u niet kan aantonen dat u uit een gegronde vrees in de zin van art. 1, par.A, lid 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 195l uw land heeft verlaten. Overwegende dat appellant reisweg niet aantoont; dat hij weliswaar een instapkaart voorlegt maar voor het overige geen stukken voorlegt; dat het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit en de reisweg geen afdoende grond is om een weigeringsbeslissing te verantwoorden (R.v.St.,S.,nr 79.014, 2 maart 1999); dat het wel een belangrijk element is in de appreciatie van een dossier; Overwegende dat appellant stelt dat de bestreden beslissing van de Commissaris generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen enkel en alleen gesteund is op een missierapport en de actualisatie ervan; dat appellant meent dat enkel een algemene beoordeling aan de grondslag ligt van de beslissing; dat appellant in zijn verzoekschrift dit rapport op de korrel neemt; Overwegende dat appellant ter zitting om de integrale versie van het bedoelde rapport verzoekt, minstens dat het onderdeel dat in het bundel is opgenomen uit de debatten zou worden geweerd; dat hij in zijn verzoekschrift meent dat de onafhankelijkheid van het Commissariaat generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het gedrang komt; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is dat bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen, gericht tegen de beslissingen van de Commissaris generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich dient te baseren op de elementen van het administratief dossier in het licht van de actuele situatie; dat op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de wettelijke plicht rust de bronnen te vermelden waarop haar beslissing steunt (R.v.St., 17 februari 1998, nr.71.867, A.A./Belgische Staat) in die mate dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er niet toe gehouden is algemeen toegankelijke gegevens aan appellant mede te delen (R.v.St., 4 november 1999, nr. 83.282, K.Z./Belgische Staat); dat het appellant in eerste instantie toekomt de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich steunt te weerleggen; dat het niet volstaat te verwijzen naar de mogelijke inhoud van de rest van het rapport; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat- vluchteling die een poging moet ondernemen om in de mate van het mogelijke bewijselementen neer te leggen teneinde zijn relaas te staven (UNHCR, Guide des Procédures et Critères á appliquer pour déterminer le Statut de Réfugié, Genève, januari 1992, p. 53); dat het appellant toekomt in eerste instantie constructief mee te werken bij de beoordeling van het dossier; dat het merkwaardig is dat appellant, bij monde van zijn raadsman op de hoogte is dat p.10 van het bedoelde Cedoca-rapport de openbaarheid van het rapport zou vooropstellen; dat deze bladzijde immers niet aan het dossier werd toegevoegd; dat appellant derhalve over informatie beschikt waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel wordt opgenomen; Overwegende dat ter zitting werd geïllustreerd dat bovenvermelde principes over de verwijzing naar bronnen nauwgezet dienen gerespecteerd te worden; dat dit anders tot XIV-13.641-4/22 absurde gevolgen kan leiden; dat appellant immers ter zitting stelt dat hij geen kennis heeft van het actualisatierapport; dat moet opgemerkt worden dat appellant dit uitvoerig op de korrel neemt in zijn verzoekschrift; dat ter zitting werd opgemerkt dat dit wel degelijk in zijn integraliteit in het bundel werd opgenomen; dat appellant betwist of dit wel integraal is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, in de mate dat het geen algemeen bekende feiten zijn, zich dient te steunen op de elementen die zich in het dossier bevinden; dat het appellant toekomt, zo hij meent dat deze informatie onvolledig of verkeerd zou zijn, andere elementen aan te reiken die dit ondersteunen; dat appellant in gebreke blijft dit te doen; dat hij enkel verwijst naar algemene bronnen zonder hieruit enige concrete informatie te halen die relevant zijn voor zijn verzoek; dat hij het rapport dat in het bundel werd opgenomen betwist maar nergens enige concrete informatie aanreikt waaruit enige twijfel zou kunnen ontstaan omtrent wat in het rapport is vermeld; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling coherent en consistent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die een poging moet ondernemen om in de mate van het mogelijke bewijselementen neer te leggen teneinde zijn relaas te staven; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dienaangaande dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des Procédures et Critères à appliquer pour déterminer le Statut de Réfugié, Genève, januari 1992, p. 53); dat dit in casu niet zo is; dat het relaas niet coherent is en in strijd is met de algemeen bekende feiten; Overwegende dat appellant stelt dat geen enkele tegenstrijdigheid werd weerhouden tussen zijn opeenvolgende verklaringen; dat dit ter zitting niet het geval was; dat appellant in zijn interview op de Dienst Vreemdeiingenzaken stelt dat hij op 1 november 2057 tijdens het culturele programma een badge droeg van de Maobadi (interview Dienst Vreemdelingenzaken, 23 augustus 2001, rubriek 41); dat hij ter zitting, hieromtrent uitdrukkelijk ondervraagd, stelde dat er enkel “vrijwilliger" op vermeld was; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, in het licht van deze gegevens, geen geloof hecht aan de verklaringen van appellant; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing (R.v.St., Munsiensi, nr.46.530, 16 maart 1994; zie eveneens FERNHOUT, R., Erkenning en toelating als vluchteling in Nederland, Kluwer, Deventer, 1990, p.76, nr. 95 ; HATHAWAY, J.C., The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 74-75); dat deze stelling voortvloeit uit de definitie van vluchteling, zoals geformuleerd in het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, waarin het criterium "gegronde vrees voor vervolging" het wezenlijke is; dat determinerend is bij onderzoek van dit criterium of appellant thans een toevluchtsoord nodig heeft voor een te verwachten risico van vervolging in zijn land van oorsprong; Overwegende dat uit bronnen waarover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen beschikt blijkt dat sympathisanten en 'lowprofile-Maobadi' geen vrees moeten hebben voor vervolging op nationaal niveau en ze zich in een ander district of in grote steden van Nepal kunnen vestigen (Missierapport Nepal, dd. maart 2002, missie uitgevoerd door een vertegenwoordiger van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, p. 28-30, 34 + actualisatie Missie-rapport Nepal, nota CEDOCA, dd. 07/06/02).; dat dit rapport opgenomen is in het administratief dossier; dat bovendien kan verwezen worden naar het verslag van de International Bar Association van 26 september 2002 met betrekking tot de problemen en hinder die advocaten ondervinden bij het verdedigen van Maobadi- aanhangers voor de rechtbank; dat deze in Kathmandu hun cliënten zonder problemen van intimidatie kunnen verdedigen (Nepal in crisis: Justice caught in the cross-fire, p. 29, 3.10); dat dit rapport bevestigt dat in grote steden zoals Kathmandu van een vestigingsalternatief sprake is; dat kan verwezen worden naar het 'Nepal Assessment', Country Information and Policy Unit van het Verenigd Koninkrijk, october 2002; dat deze de informatie van de Belgische missie naar Nepal bevestigt; Overwegende dat appellant stelt dat bronnen als Amnesty International niet werden geraadpleegd; dat appellant verwijst naar referenties van verslagen maar deze niet voorlegt; dat het rapport wel degelijk rekening houdt met opmerkingen van Amnesty International (zie bijv. voetnoot 124); XIV-13.641-5/22 Overwegende dat appellant geen enkel element aanbrengt dat enige twijfel zou kunnen doen rijzen voor wat betreft het neergelegde verslag; Overwegende dat de ter zitting neergelegde stukken (identiteitskaart en vier brieven met kopie van citizenshipcard) geen afbreuk doen aan wat hierboven werd uiteengezet; Overwegende dat appellant de feiten die hij aanhaalt niet bewijst; dat hij de motieven van de bestreden beslissing niet weerlegt en deze derhalve als integraal hernomen dient beschouwd te worden; dat na behandeling ter zitting niet blijkt dat het beroep niet kennelijk ongegrond is; dat er geen grond is voor verwijzing naar een drieledige kamer, zoals bepaald in artikel 57/12, derde lid; Overwegende dat de appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Shahi Dal Bahadur de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  11. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel. Schending van artikel 57/19 van de vreemdelingenwet van 15.12.1980, in samenhang met art. 4 van de wet betreffende de openbaarheid bestuur van 11.04.
  12. Waar zowel de Commissaris-generaal als de Vaste Beroepscommissie zelf geweigerd hebben verzoeker inzage te verlenen in het volledige verslag van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, betreffende de missie in Nepal van 21 januari tot 9 februari 2002, Terwijl de vreemdelingenwet uitdrukkelijk voorziet dat het administratief dossier ter kennis moet worden gebracht van de verzoekende partij en de wet betreffende de openbaarheid van bestuur recht geeft op liet raadplegen van een bestuursdocument van elke federale administratieve overheid, mits het volgen van de geëigende procedure, wat in casu het geval, was. Zowel door de Commissaris-generaal (impliciet) als door de alleenzetelende rechter van de Vaste Beroepscommissie (uitdrukkelijk), werd de vraag van verzoeker verworpen tot mededeling van het volledige CEDOCA-rapport. Nochtans blijkt uit de lectuur van de beslissing van de Commissaris-generaal dat de elementen vervat in dit rapport de voornaamste, zoniet enige motieven zijn die de weigering van het statuut rechtvaardigen. De toestand in Nepal wordt door de meeste onafhankelijke bronnen als alarmerend beschouwd op het vlak van mensenrechten, zodat dit CEDOCA-verslag op bepaalde punten afwijkt van hetgeen andere bronnen stellen, voornamelijk daar waar het gaat over de interpretatie van bepaalde feiten. De alleenzetelende rechter oordeelde dat het niet nodig was de integrale versie van het Cedoca-rapport aan verzoeker mede te delen. Het argument dat hiervoor wordt aangehaald is dat “de Vaste Beroepscommissie vaar Vluchtelingen er niet toe gehouden is algemeen toegankelijke gegevens aan appellant mede te delen (RvSt. 4 november 1999, nummer 83.282, K.Z./Belgische Staat)". Het CEDOCA-rapport is echter geen "algemeen toegankelijk gegeven", vermits de mededeling ervan door het CGVS werd geweigerd. Op bladzijde 6 van de bestreden beslissing stelt de Vaste Beroepscommissie uitdrukkelijk dat het Cedoca-rapport "opgenomen is in het administratiefdossier". Stukken uit het administratief dossier kunnen slechts worden verwijderd of gecensureerd in de voorwaarden van artikel 57/19, 3de en 4de lid. De algemene regel is deze van het 1ste lid van dit artikel dat voorziet dat de vreemdeling en de advocaat die hem bij staat, kan kennisnemen van het algehele administratief dossier en dus ook van de volledige stukken die er deel van uitmaken. Verzoeker heeft aan de Beroepscommissie medegedeeld dat hij ervan op de hoogte is dat dit rapport integendeel de vermelding draagt dat het niet vertrouwelijk is. Dit wordt XIV-13.641-6/22 o.m. vermeld op de website van de Britse immigratiedienst in het rapport van oktober 2002 dat in de beslissing zelf wordt geciteerd (voetnoot 14a :Kingdom, of Belgium, Ministry of Interior Affairs, Office of the Commissioner general for Refugees and Stateless Persons (Cedoca), documentation and research department. Mission to Nepal 20.01-09.02.2002 published March 2002, publicly available 26 June 2002.) De bestreden beslissing geeft echter als antwoord hierop "dat appellant derhalve over informatie beschikt waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel wordt opgenomen". Het is duidelijk dat, zelfs wanneer verzoeker of zijn raadsman over bepaalde informatie zou beschikken die het Commissariaat-generaal weigert mee te delen, met name de vermelding van het niet-vertrouwelijk karakter van het verslag, hij daarom nog niet in het bezit is van het volledig rapport, laat staan in de mogelijkheid is zich op de inhoud ervan te steunen. Door zonder afdoende reden de mededeling te weigeren van een verslag dat nochtans aan buitenlandse overheden werd meegedeeld en zelfs uitdrukkelijk bij deze mededeling als "niet-vertrouwelijk" werd bestempeld, werd het recht van verzoeker om kennis te nemen van het administratief dossier, geschonden wat de geldigheid van de hete beroepsprocedure aantast.”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van art. 57/19 van de Vreemdelingenwet, in samenhang met art. 4 van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur van 11.01.
  14. Verzoeker acht de voormelde artikelen geschonden omdat "zowel de Commissaris- generaal als de Vaste Beroepscommissie zelf geweigerd hebben verzoeker inzage te verlenen in het volledige verslag van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, betreffende de missie in Nepal van 21 januari tot 9 februari 2002". De verwerende partij merkt dienaangaande op dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in het eerste middel poneert, het betrokken verslag van CEDOCA wel degelijk integraal in het administratief dossier aanwezig is (zie stuk 71 van het administratief dossier), alsook dat verzoekers naakte en vage kritiek niet van die aard is dat anders te laten vermoeden. In de in casu bestreden beslissing wordt dan ook geheel terecht gesteld dat: - verzoeker blijk geeft over informatie te beschikken waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel werd opgenomen, - verzoeker stelt dat hij geen kennis heeft van het 'actualisatierapport', doch ter zitting werd opgemerkt dat dit rapport integraal in het bundel werd opgenomen, - dat verzoeker betwist dat het 'actualisatierapport' wel integraal is, - dat het de verzoeker toekomt te bewijzen dat de informatie vervat in het dossier onvolledig of verkeerd zou zijn, - verzoeker nergens concrete informatie aanreikt waaruit enige twijfel zou kunnen ontstaan omtrent wat in het rapport is vermeld. Er is derhalve geen sprake van een vermeende schending van "art. 57/19 van de Vreemdelingenwet, in samenhang met art. 4 van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur van 11.01.1994". Verzoekers vage beschouwingen kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen, temeer nu deze veelal niet dienstig zijn ter ondersteuning van het eerste middel en feitelijke grondslag missen. Dienaangaande verwijst de verwerende partij naar verzoekers stelling dat “de elementen in [het actualisatierapport] de voornaamste, zoniet de enige motieven zijn die de weigering van het statuut rechtvaardigen”, terwijl in de in casu bestreden beslissen o.a. wordt gesteld dat: - verzoeker zijn reisweg niet aantoont, - verzoekers relaas niet coherent is en in strijd is met de algemeen bekende feiten, - geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen, - de Vaste Beroepscommissie haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing, XIV-13.641-7/22 - de door de verzoeker aangebrachte stukken geen afbreuk doen aan het voorgaande, - verzoeker de feiten die hij aanhaalt niet bewijst, - geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in verzoekers hoofde. De verwerende partij derhalve de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel niet kan worden aangenomen.”; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Eerste middel Het eerste middel heeft betrekking op zowel de schending van artikel 4 van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur als artikel 57/19 van de Vreemdelingenwet, omdat het administratief dossier van de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen slechts gedeeltelijk werd meegedeeld aan verzoeker tijdens de procedure voor de Vaste Beroepscommissie en dat met name een Cedoca-rapport slechts gedeeltelijk werd meegedeeld. De tegenpartij antwoordt hierop dat het betrokken verslag aanwezig is in haar administratief dossier (stuk 71). Dit argument is uiteraard niet terzake doende. Ook het administratief dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken werd immers niet voorgelegd aan verzoeker. Er kan niet ernstig worden betwist dat verzoeker slechts een gedeelte van dit rapport in mededeling heeft ontvangen. Niet alleen bleef een ingebrekestelling bij aangetekend schrijven van de Commissaris-generaal zonder gevolg, doch de Vaste Beroepscommissie schrijft zelf in haar verslag "dat het merkwaardig is dat appellant, bij monde van zijn raadsman op de hoogte is dat pagina 10 van het bedoelde Cedoca- rapport de openbaarheid van het rapport zou vooropstellen, dat deze bladzijde immers niet aan het dossier werd toegevoegd". De Vaste Beroepscommissie schrijft dus met zoveel woorden in de beslissing dat bepaalde gedeelten van het rapport uit het dossier werden verwijderd. Zelfs indien de raadsman van verzoeker op een andere wijze kennis had gekregen van dit rapport of van gedeelten ervan, wat ten onrechte wordt afgeleid uit de verwijzing naar iets wat op een bepaalde bladzijde wordt vermeld, dan nog doet dit niets af aan de onregelmatigheid van de procedure. Evenmin kan ernstig betwist worden dat het betreffende rapport een belangrijk element was in het tot stand komen van de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal. Zelfs wanneer dit niet zo was, dan nog heeft de Commissaris-generaal, en in de graad van beroep ook de Vaste Beroepscommissie, de wettelijke verplichting dit stuk ter inzage te geven aan de verzoekende partij.”; 2.1.4.
  16. Overwegende dat in het eerste middel de verzoekende partij de artikelen 57/19 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur geschonden acht doordat hem geen volledige inzage of kennisgeving werd verleend van een rapport van Cedoca over Nepal dat werd gebruikt bij het nemen van de bestreden beslissing en waarnaar hij expliciet had gevraagd tijdens de procedure bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; 2.1.4.
  17. Overwegende dat de geschonden geachte artikelen luiden als volgt: “Art. 57/
  18. De vreemdeling, de advocaat die hem bijstaat of vertegenwoordigt en de Minister of diens gemachtigde, kunnen vanaf de vijfde werkdag vóór de dag van de zitting kennis nemen van het administratief dossier. XIV-13.641-8/22 De Koning bepaalt de wijze waarop een afschrift van de stukken van het dossier kan worden verkregen. De voorzitter van de Commissie kan ambtshalve of op verzoek van de Minister of diens gemachtigde, van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van diens adjuncten, van de vreemdeling of van de advocaat die hem bijstaat of vertegenwoordigt, bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld. Hij kan dat ook bevelen wanneer het administratieve dossier stukken bevat die hij, op eigen initiatief of op voorstel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van diens adjuncten, als vertrouwelijk heeft erkend.”; “Art.
  19. Het recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document bestaat erin dat eenieder, volgens de voorwaarden bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen. Voor documenten van persoonlijke aard is vereist dat de verzoeker van een belang doet blijken. De Koning kan de bemiddeling door de gemeentebesturen regelen voor de raadpleging of de verbetering van documenten op grond van deze wet.”; dat in de betreffende wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur een administratieve overheid wordt gedefinieerd als: “een administratieve overheid bedoeld als in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”; dat het huidige beroep een beroep is tegen een beslissing van een administratief rechtscollege, met name de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet van een administratieve overheid; dat moet worden geconcludeerd dat de aangevoerde bepaling uit de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur in casu niet van toepassing is; dat in de mate de aangevoerde schending van deze wet gericht is tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dient vastgesteld dat dit niet de huidige bestreden beslissing is; dat door het hoger beroep tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat de kritiek op de handelwijze van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aldus niet dienend is; dat uit artikel 57/19 van de Vreemdelingenwet blijkt dat de betrokken partijen bij het beroep aanhangig bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vanaf de vijfde werkdag vóór de dag van de zitting kennis kunnen nemen van het administratief dossier; dat uit het middel zoals het wordt ontwikkeld door de verzoekende partij niet blijkt dat zij niet in de mogelijkheid was het administratief dossier zoals het werd neergelegd bij en gebruikt door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te raadplegen; dat integendeel het middel in wezen uitsluitend gericht blijkt te zijn tegen het feit dat er slechts een beperkte weergave van een Cedoca-rapport, dat in de bestreden beslissing wordt gebruikt, in het administratief dossier aanwezig is; dat de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel niet aantoont dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij haar beoordeling van het beroep gebruikt heeft gemaakt van de niet in het administratief dossier aanwezige bladzijden van het betrokken Cedoca-rapport; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-13.641-9/22 2.2.
  20. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel Schending van het tegensprekelijk karakter van de procedure. Waar de Vaste Beroepscommissie in haar beslissing verwijst, ten bewijze van bepaalde feitelijke omstandigheden, naar stukken die zich niet in het administratief dossier bevinden, en evenmin tijdens de debatten aan verzoeker werden medegedeeld. Terwijl het principe van de tegensprekelijke debatten inhoudt dat alle elementen die van belang zijn voor de zaak het voorwerp moeten kunnen uitmaken van een tegensprekelijk debat. De Vaste Beroepscommissie verwijst in de bestreden beslissing naar documenten die zich niet in het administratief dossier bevinden en evenmin ter kennis werden gebracht van verzoeker. De inhoud van deze documenten wordt als een belangrijk element van bewijs aangehaald. Zo verwijst de Vaste Beroepscommissie niet alleen naar het bestreden Cedoca-rapport doch stelt "dat bovendien kan verwezen worden naar het verslag van de International Bar Association van 26 september 2002 met betrekking tot de problemen en hinder die advocaten ondervinden bij het verdédigen van Maobadi- aanhangers voor de rechtbank; dat deze in Kathmandu hun cliënten zonder problemen van intimidatie kunnen verdedigen (Nepal in crisis: Justice caught in the cross-fire, p. 29, 3.10); dat dir rapport bevestigt dat in grote steden zoals Kahtmandu van een vestigingsalternatief sprak is, dat kan verwezen worden naar het “Nepal Assessment", Country Information and Policy Unit van het Verenigd Koninkrijk, oktober 2002; dat deze de informatie van de Belgische missie naar Nepal bevestigt". Deze documenten bevinden zich niet in het administratief dossier, werden niet geciteerd door de Commissaris-generaal en werden evenmin tijdens de debatten voor de Vaste Beroepscommissie medegedeeld door de partijen of door de Vaste Beroepscommissie zelf. De bestreden beslissing verwijst naar een arrest van Uw Raad dat stelt dat de Vaste Beroepscommissie er niet toe gehouden is algemeen toegankelijke gegevens aan appellant mede te delen. Met uitzondering van het CEDOCA-rapport (zie eerste middel) zijn deze stukken inderdaad publiek toegankelijk. Uw Raad oordeelde echter ook dat de Vaste Beroepscommissie “de vreemdeling in staat moet stellen niet enkel de juistheid, doch ook het al dan niet dienstig en zwaarwichtig karakter van de ingewonnen informatie contradictoir voor haar te betwisten; dat door zich te steunen op na de sluiting der debatten ingewonnen inlichtingen zonder verzoeker de kans te geven dienaangaande op nuttige wijze de uitleg te verstrekken die hem gepast voorkomt, de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen de rechten van de verdediging heeft miskend" (RvSt. nummer 93.574, 27 februari 2001, T. Vreemd. 2001, 246, 47 en RvSt. nummer 96.572, 18 juni 2001). Dat in dezelfde arresten tevens wordt gesteld dat desnoods de Vaste Beroepscommissie de debatten dient te heropenen wanneer zij haar beslissing wil gronden op inlichtingen die zij ingewonnen heeft na de sluiting der debatten. In een arrest van 26.06.2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de beroepsinstantie die haar beslissing onder meer steunt op elementen waarvan ze kennis heeft gekregen buiten de debatten, met name door het consulteren van fiches op internet, de partij niet de mogelijkheid heeft gegeven tot tegensprekelijkheid en dat de beslissing die hierop steunt, niet ten genoege van rechten is gemotiveerd. "Que les énonciations de celui-ci fondées sur ces fiches, qui ne peuvent être considérées comme des donnés techniques dont la connaissance générale est notoire, ne sont pas étrangères à l'appréciation des juges d'appel sur la question qui fut débattue devant eux au vu de rapport d'experts ou conseillers techniques (...) Attendu qu'il ne ressort pas des pièces auxquelles la Cour peut avoir égard que les fiches susdites auraient été, à l'instar des dits rapports d'experts ou conseillers techniques, soumises à la contradiction des parties; que la Cour Militaire n'a, dès lors justifié légalement sa décision, Que dans cette mesure le moyen est fondé” (Cass. Section FR, 2de kamer, 26 juni 2002, nummer JC 026 Q2-2) In casu steunt de Vaste Beroepscommissie zich op de niet-meegedeelde stukken om te bevestigen dat de vaststellingen verricht door de interne diensten van het CGVS niet alleenstaan en derhalve voldoende bewijswaarde hebben om de beweringen van verzoeker dat hij ook in Kathmandu gevaar zou lopen, te ontkrachten.”; XIV-13.641-10/22 2.2.
  21. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2 Betreffende een tweede middel van de verzoekende Partij. In een tweede middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van "het tegensprekelijk karakter van de procedure". Ter ondersteuning van het tweede middel stelt de verzoekende partij dat "de Vaste Beroepscommissie in haar beslissing verwijst, ten bewijze van bepaalde feitelijke omstandigheden, naar stukken die zich niet in het administratief dossier bevinden, en eveneens tijdens de debatten aan verzoeker werden medegedeeld', waarbij de verzoekende partij enerzijds net als in het eerste middel poneert dat het verslag van CEDOCA niet in het administratief dossier aanwezig zou zijn en anderzijds kritiek uit op het feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de in casu bestreden beslissing zou verwijzen naar andere documenten die zich niet in het administratief dossier bevinden terwijl deze evenmin tijdens de debatten ter zitting van de Vaste Beroepscommissie werden medegedeeld. De verwerende partij acht het tweede middel niet ontvankelijk. Immers, verzoeker laat na te omschrijven welke wet/wetsbepaling hij door de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dd. 11.12.2002 geschonden acht. Een omschrijving in de laatstvermelde zin is bij elk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State nochtans noodzakelijk opdat er sprake zou kunnen zijn van een middel als bedoeld in art. 20, lid 2, 2/ van het Koninklijk besluit dd. 09.07.2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.CE. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.) en dient nog strikter en nauwgezetter te worden in acht genomen m.b.t. een middel dat wordt aangevoerd ter ondersteuning van een administratief cassatieberoep tegen een beslissing van een administratief rechtscollege, zoals te dezen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (cf. Arbitragehof nr. 14/97, 18.03.1997, B.S. 08.05.1997, 11.276; R.v.St. nr. 49.364, 04.10.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Het administratief cassatieberoep wordt immers beheerst door art. 14, § 2 van de gecoördineerde wetten van 12.01.1973 op de Raad van State, dat is geïnspireerd op art. 608 Gerechtelijk Wetboek (zie Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1960/1) en als zodanig, i.t.t. het daaraan voorafgaande art. 14, § 1, een expliciete verwijzing bevat naar de “overtreding van de wet” die dan uiteraard naar behoren moet zijn aangeduid. Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere bewering van verzoeker dat er sprake zou zijn van een schending van "het tegensprekelijk karakter van de procedure". De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St. nr. 4934, 7.2.1956; R.v.St. nr. 7521, 6.1.1960). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het voorgaande toe laat te stellen dat het tweede middel in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Geheel ten overvloede laat de verwerende partij nog het volgende gelden. Zoals reeds in de repliek op verzoekers eerste middel werd uiteengezet, mist verzoekers vage kritiek aangaande het verslag van CEDOCA feitelijke grondslag nu het betrokken verslag wel degelijk integraal in het administratief dossier aanwezig is (zie stuk 71 van het administratief dossier). De verzoekende partij slaagt er niet in anders aannemelijk te maken. Betreffende de andere documenten waarnaar in de in casu bestreden beslissing is verwezen terwijl deze zich niet in het administratief dossier bevinden en zij evenmin tijdens de debatten ter zitting van de Vaste Beroepscommissie werden medegedeeld merkt de verwerende partij op dat, zelfs indien het zo zou zijn dat de bedoelde informatiebronnen in het specifieke kader van de beroepsprocedure door de Vaste Beroepscommissie niet raadpleegbaar zouden zijn gemaakt, dit aan de regelmatigheid XIV-13.641-11/22 van deze procedure en met name aan de eerbiediging van het "recht op tegenspraak" niet in de weg kan staan, gelet op de aard van die informatiebronnen. Het betreft immers algemene verslagen i.v.m. de situatie op het vlak van de eerbiediging van de mensenrechten in verzoekers land van herkomst of de algemeen heersende situatie aldaar, die publiek worden gemaakt en een ruime verspreiding kennen, zodat ze voor kandidaat-vluchtelingen die over een mogelijkheid tot juridische bijstand beschikken, zoals verzoeker in casu, wel degelijk kenbaar zijn. Verwijzingen naar dergelijke verslagen mogen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in haar beslissingen worden opgenomen zonder dat zij daaromtrent eerst zelf een specifieke mogelijkheid tot inzage en debat zou moeten organiseren binnen het kader van de voor haar aanhangige procedure. Doordat de gegevens die uit dergelijke verslagen blijken publiek kenbaar zijn, schendt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het "recht van tegenspraak" niet door haar beslissing daarop te baseren (cf. R.v.St. nr. 46.286, 25.2.1994, R.A. CE. 1994, z.p.). De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers tweede middel onontvankelijk, minstens ongegrond is.”; 2.2.
  22. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Tweede middel Het tweede middel heeft betrekking op het tegensprekelijk karakter van de procedure. Tegenpartij antwoordt daarop dat in administratieve cassatie een beslissing niet kan verbroken worden omwille van een schending van dit algemene rechtsprincipe omdat dit niet voortvloeit uit een “wetsbepaling”. Wanneer artikel 14 van de wet op de Raad van State verwijst naar een overtreding van de wet, dan wordt dit begrip volgens een constantre rechtsleer en rechtspraak niet beschouwd in zijn materiële zin doch "in zijn meest algemene materiële betekenis” (Mast- Dujardin, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 13de druk, p. 703). Met name kan een beslissing van een adminsitratief rechtscollege verbroken worden op grond van een algemeen rechtsprincipe (Mast, oc. p. 45). Het principe van de tegensprelijkheid van de procedure voor de Vaste Beroepscommissie werd o.m. als vernietigingsgrond aangenomen in het arrest Abu Jaber (RvST. 118.549 van 23 april 2003). "Dat uit het administratief dossier blijkt dat (...) niet aan de partijen is voorgelegd; dat de bestreden beslissing derhalve is gestoeld op een gegeven dat niet aan een tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de rechten van de verdediging slechts worden gewaarborgd wanneer de partijen van alle andere voorgelegde stukken en gegevens kennis kunnen nemen en dienaangaande de uitleg kunnen vestrekken die zij nodig achten". Overigens is de tegensprekelijkheid van de procedure voor de Vaste Beroepscommissie ook een op straf van nietigheid voorgeschreven vormvereiste en met name de mededeling van het adminsitratief dossier wordt opgelegd door artikel 57/19 van de wet. De verwerende partij bewijst overigens niet dat de inhoud van het niet meegedeelde verslag volledig "publiek kenbaar is", wat overigens niet het geval is vermits het met name gaat om persoonlijke contacten met bepaalde personen gelegd door de leden van de Cedoca-missie zelf.”; 2.2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat het middel, gesteund op de schending van het tegensprekelijk karakter van de procedure onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan aanduiding van een geschonden wet of wetsbepaling; dat uit het administratief dossier blijkt dat het missierapport van de Cedoca over Nepal, van maart 2002, als volgt werd opgenomen: pagina’s 16 en 17 (met betrekking tot identiteitsbewijs), pagina’s 25 tot 30 (met betrekking tot bewijsmogelijkheden vervolging, de post en het bestaan van een intern vluchtalternatief) en pagina 34 (besluit); XIV-13.641-12/22 dat bovendien t het actualisatierapport van 7 juni 2002 volledig blijk te zijn opgenomen in het administratief dossier; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat enkel op deze pagina’s van het vermelde missierapport een beroep werd gedaan ter motivering van de beslissing; dat, gelet op het feit dat deze bronnen aanwezig zijn in het administratief dossier en verzoeker niet aanvoert dat hem de inzage in het administratief dossier werd geweigerd er vanuit moet worden gegaan dat hij er ook effectief kennis kon van hebben voorafgaand aan de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat tevens moet worden vastgesteld dat de gegevens waarop de bestreden beslissing is gebaseerd niet ná de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werden ingewonnen, zodat er van een schending van het tegensprekelijk karakter van de procedure geen sprake is; dat het niet de taak is van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de vreemdeling bij te staan in zijn inspanningen om het statuut van vluchteling te bekomen; dat het haar niet toekomt de lacunes en/of de incoherenties in zijn verklaringen op te lossen; dat dit, onder meer, ook inhoudt dat de vreemdeling geacht mag worden op de hoogte te zijn van de algemene toestand in zijn land van herkomst, ook als hij daar niet langer verblijft, zodat hijzelf ten alle tijde zijn noodzaak aan asiel kan beoordelen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  24. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Derde middel Schending van de motiveringsplicht (artikel 57/22 van de wet van 15.12.1980) Waar de Vaste Beroepscommissie aan documenten een inhoud toeschrijft die deze niet bevat, en ook anderzijds bij haar motivering manifeste beoordelingsfouten begaat, Terwijl de verplichting de beslissing met redenen te omkleden met vermelding van de omstandigheden van de zaak inhoudt dat deze omstandigheden waarheidsgetrouw moeten worden weergegeven en dat de motivering steun moet vinden in de gegevens van het dossier. Eerste onderdeel: onjuiste weergave van de inhoud van bepaalde documenten. Herhaaldelijk dicht de Vaste Beroepscommissie aan bepaalde stukken een inhoud toe die manifest onjuist is en zelfs volledig het tegenovergestelde van hetgeen in werkelijkheid uit het document in kwestie blijkt. In verband met het geciteerde document van de International Bar Association heeft verzoeker slechts na kennisname van de beslissing de hand kunnen leggen op dit document dat zelfs niet aan het dossier werd gevoegd en waarvan de vindplaats in de beslissing zelfs niet werd weergegeven. Op pagina 29 van dit rapport wordt in tegenstelling met hetgeen de bestreden beslissing beweert niet vermeld dat advocaten in Kathmandu "hun cliënten zonder problemen van intimidatie kunnen verdedigen". Op deze bladzijde wordt integendeel aangeklaagd dat advocaten die Maobadi- sympathisanten verdedigen hierdoor zelf als verdacht worden beschouwd en dat verschillenden onder hen alleen op basis van dergelijke verdediging werden beschuldigd onder de "Terrorist and Disruptive Activities Ordinance 20OF' en de 'Terrorist and Disruptive Activities Act 2002", dat met name 12 advocaten hiervoor in hechtenis werden genomen voor deze reden en anderen slachtoffer waren van "harassment". Dit verslag stelt op de eigenste bladzijde 29 dat “dat elke persoon, organisatie of groep die direct of indirect betrokken is bij of bijstand verleent aan de activiteiten van de Maoisten, is eveneens tot terrorist verklaard' (punt 3.2.). Onder 3.10 (pagina 30 en niet 29) wordt inderdaad verwezen naar de situatie in Kathmandu. Dit punt vermeldt dat volgens de Nepalese balie in Kathmandu niet alleen verschillende advocaten werden gearresteerd doch dat ook anderen die Maoistische cliënten verdedigden "werden lastiggevallen door de veiligheidskrachten". Een voorbeeld wordt aangehaald van advocaat Bhandari wiens huis om middernacht werd XIV-13.641-13/22 omsingeld door leger en politie en die urenlang werd ondervraagd waarom hij Maoisten verdedigde. Onder punt 3.11 wordt vermeld dat andere advocaten aan de IBA-missie hebben meegedeeld dat zij Maoisten hadden kunnen verdedigen zonder hiervoor gesanctioneerd te worden. Met name werd meegedeeld aan de delegatie dat "advocaten met de “juiste "politieke of familiale connecties niet op dezelfde wijze als verdacht van Maoisme werden beschouwd of gevangengezet door de autoriteiten". Dan gaat het alleen nog over advocaten die ontsnappen aan vervolging, niet over hun cliënten ... De delegatie kon met name Meester Mainali bezoeken in Kathmandu, wiens enige "misdaad" was als juridisch adviseur op te treden van een pro-Maoistische krant (punt 3.19). Dat gesteld wordt dat advocaten van Maosistische sympathisanten hun cliënten vrij kunnen verdedigen is dus gewoon onwaar. In het hele rapport staat nergens dat er "in grote steden zoals Kathmandu van een vestigingsalternatief sprake is" met name niet op bladzijde 29 noch onder het punt 3.10 (blz. 31) zoals verkeerdelijk beweerd. Het enkele feit van in een beslissing van een administratief rechtscollege als bewijs een document te citeren waaraan precies de tegenovergestelde inhoud wordt toegeschreven, is op zich voldoende om een dergelijke beslissing nietig te verklaren. In verband met het tweede document van het Verenigd Koninkrijk, evenmin in het dossier noch de vindplaats geciteerd, dient te worden vastgesteld dat dit verslag afkomstig is van de Britse immigratiediensten (en dus evenmin een neutrale bron als het Cedoca-rapport zelf). Ook hier is het pertinent onwaar dat dit verslag van 2 oktober de vaststellingen van de Belgische missie bevestigt. Wel is het zo dat op de bladzijden 6 en 7 een overzicht wordt gegeven van het Cedoca-rapport dat uitgebreid wordt samengevat. Nergens wordt dit Cedoca-rapport door een ander element bevestigd. Uit de bronnenlijst blijkt integendeel dat het Belgische verslag het meest recente document is waarnaar de Britse immigratiedienst verwijst. Het spreekt vanzelf dat de eenvoudige vermelding van een Belgisch verslag door de Britse collega's de inhoud ervan allerminst "bevestigt". Door documenten niet letterlijk te citeren doch te beweren dat deze bepaalde elementen bewijzen, zonder dat deze beweringen ook effectief steun vinden in deze documenten, gebruikt de Vaste Beroepscommissie een motiveringsmethode die onaanvaardbaar is in het kader van een gerechtelijke beslissing. Een appreciatie van de inhoud van een stuk, die zelfs bij een oppervlakkige consultatie blijkt in totale strijd te zijn met de werkelijke inhoud ervan, doet afbreuk doet aan het principe van de bewijskracht der stukken. Tweede onderdeel: Manifeste beoordelingsfouten. Ook de andere karige argumenten vervat in het verzoekschrift zijn niet van aard tot de conclusie te leiden dat het beroep "kennelijk ongegrond" is. Op de opmerking in het verzoekschrift dat naar andere neutrale rapporten zoals deze van Amnesty International niet werd verwezen in de bestreden beslissing van het Commissariaat-generaal, antwoordde de Vaste Beroepscommissie dat "het rapport wel degelijk rekening houdt met opmerkingen van Amnesty International (zie bijvoorbeeld voetnoot 124)". De voetnoot 124 van het Cedoca-rapport verwijst naar een interview van 30.01.02 met "Amnesty International". Er wordt niet vermeld wie deze persoon van Amnesty zou zijn, doch uit de datum van het interview blijkt dat het om een persoon zou gaan die ter plaatse zou zijn geïnterviewd. Stellen dat het rapport rekening houdt met de vaststellingen van Amnesty, dat vorig jaar een tiental verslagen over Nepal heeft gepubliceerd, in rekening brengt, is dan ook onjuist. Zelfs indien alle beweringen van de zending van het Commissariaat-generaal kritiekloos zouden kunnen worden aanvaard als bewijs, quod non, dan nog kan hieruit niet worden afgeleid dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging zou kunnen hebben. Het verslag heeft het immers alleen over een algemene regel en geeft integendeel zelf op verschillende punten toe (zelfs in het gedeelte waar verzoeker kennis kon van nemen) dat op deze regel ook uitzonderingen bestaan. Met name in het actualisatieverslag wordt vermeld op bladzijde 29 dat op 26.11.2001 de Nepalese regering alle zusterorganisaties van de Nepalese Communistische Partij heeft verboden en individuen die deze partij of haar activiteiten steunen als terroristen beschouwt. Het verslag vermeldt dat het nog te vroeg is, en er onvoldoende objectieve XIV-13.641-14/22 informatie beschikbaar is om uit te maken in welke mate de Nepalese overheid deze zeer veralgemenende profielbeschrijving van "terroristen" zal toepassen. Het verslag stelt dat over de toepassing hiervan door de Nepalese overheid "de contacten konden en wilden hier tijdens de missie van het Commissariaat-generaal geen uitspraken over doen". Eén enkel stelde dat "low profile Maoisten nog gebruik zouden moeten kunnen maken van het interne vluchtalternatief mits zij zich gedeisd zouden houden". In het actualisatieverslag wordt eveneens gesteld in punt 3.3 “de ernstige inbreuken vanwege de Nepalese overheid (met name politie en leger) op de mensenrechten vinden voornamelijk plaats in de meest conflictueuze gebieden". Er wordt gesteld dat er in Kathmandu op één uitzondering na geen buitengerechtelijke executies zijn. Het spreekt vanzelf dat vervolging om politieke redenen niet beperkt is tot buitengerechtelijke executies. De voorbeelden die geciteerd worden ten opzichte van advocaten in het IBA- rapport zijn in dit verband sprekend. Al deze vaststellingen weerleggen dus geenszins de bewering van verzoeker dat hij het risico loopt omwille van zijn Maoistische sympathieën opnieuw te worden aangehouden bij een terugkeer naar Nepal. Door dergelijke niet-pertinente motiveringen te bezigen, begaat de Vaste Beroepscommissie manifeste beoordelingsfouten. In verband tenslotte met de geloofwaardigheid van verzoeker dient te worden vastgesteld dat deze door de beslissing in eerste aanleg niet werd in vraag gesteld en dat met name geen enkele tegenstrijdigheid werd aangehaald in de verklaringen van verzoeker zoals deze werden geacteerd in het dossier. De alleenzetelende rechter oordeelt thans dat op basis van het verhoor ter zitting deze geloofwaardigheid wel in het gedrang zou zijn gekomen omdat verzoeker zichzelf zou hebben "tegengesproken". "Dat appellant in zijn interview op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat hij op 1 november 2057 tijdens het culturele programma een badge droeg van de Maobadi (..); dat hij ter zitting hieromtrent uitdrukkelijk ondervraagd, stelde dat er enkel "vrijwilliger" op vermeld was; dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in het licht van deze gegevens geen geloof hecht aan de verklaringen van appellant.". Deze motivering is zonder meer onbegrijpelijk. Zowel in het onderzoek voor het Commissariaat-generaals als ter zitting van de Vaste Beroepscommissie bevestigde verzoeker dat hij bij deze activiteit georganiseerd door de Maoistische partij deel uitmaakte van de vrijwillige ordedienst en inderdaad een badge droeg waarop dit werd vermeld. Het is allerminst duidelijk hoe er een tegenstrijdigheid zou kunnen zijn tussen het dragen van een badge van de Maobadi en het feit dat er op deze badge "vrijwilliger" wordt vermeld, wanneer alle leden van deze vrijwillige ordedienst inderdaad optreden om de beveiliging te verzekeren van een door de Maobadi georganiseerde activiteiten... Op de zitting werd verzoeker hoofdzakelijk ondervraagd over zijn reisweg. Op bladzijde 4 van de beslissing zegt de Vaste Beroepscommissie dat het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit en de reisweg geen afdoende grond is om een weigeringsbeslissing te verantwoorden, doch dat het wel een belangrijk element is in de appreciatie van een dossier. In casu heeft verzoeker zijn instapkaart van de vlucht Delhi-Amsterdam voorgelegd, het kaartje van het hotel in Delhi waar hij heeft gelogeerd, en het kostuum van monnik dat hij gedragen heeft om het land te kunnen verlaten, en om in eerste instantie te kunnen worden opgevangen in een boedhistisch klooster in Barcelona ... Bovendien heeft hij zijn identiteitskaart voorgelegd en een oud bewijs van goed gedrag en zeden. Stellen dat appellant zijn reisweg niet aantoont en een begin van bewijs omtrent de identiteit en de reisweg ontbreekt, is eens te meer onwaar.”; 2.3.
  25. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “2.3 Betreffende een derde middel van de verzoekende partij. In een derde middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van de motiveringsplicht (art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980). De verzoekende partij acht het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 kennelijk geschonden omdat “de Vaste Beroepscommissie aan documenten een inhoud toeschrijft die deze niet bevat, en anderzijds bij haar motivering manifeste beoordelingsfouten begaat". XIV-13.641-15/22 Betreffende de vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij gelden dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd en is er geen sprake van een schending van het art. 57/22, temeer daar art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. AR P.94.0068.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass.
  26. 1979, Arr. Cass. 1978-79, 522). De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval geen geloof kan gehecht worden aan verzoekers verklaringen en geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoeker zodanig in gevaar was dat deze zijn land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo wordt in de in casu bestreden beslissing onder meer verwezen naar het gegeven dat: - verzoeker zijn reisweg niet aantoont, - verzoeker blijk geeft over informatie te beschikken waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel werd opgenomen, - verzoeker stelt dat hij geen kennis heeft van het 'actualisatierapport', doch ter zitting werd opgemerkt dat dit rapport integraal in het bundel werd opgenomen, - dat verzoeker betwist dat het 'actualisatierapport' wel integraal is, - dat het de verzoeker toekomt te bewijzen dat de informatie vervat in het dossier onvolledig of verkeerd zou zijn, - verzoeker nergens concrete informatie aanreikt waaruit enige twijfel zou kunnen ontstaan omtrent wat in het rapport is vermeld, - verzoekers relaas niet coherent is en in strijd is met de algemeen bekende feiten, - geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen, - de Vaste Beroepscommissie haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing, - de door de verzoeker aangebrachte stukken geen afbreuk doen aan het voorgaande, - verzoeker de feiten die hij aanhaalt niet bewijst, - geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in verzoekers hoofde. Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. Immers, de argumentatie van verzoeker is hoofdzakelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald m.b.t. de geloofwaardigheid van de door verzoeker afgelegde verklaringen en de beschikbare informatie. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A. CE 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272,18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht en de geloofwaardigheid van de door verzoeker aangebrachte elementen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze elementen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. XIV-13.641-16/22 Aangezien verzoekers derde middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen en beschikbare informatie te betwisten, dient het middel als niet ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers derde middel niet kan worden aangenomen.”; 2.3.3 Overwegende dat verzoeker repliceert: “Derde middel De aangehaalde motiveringsgebreken hebben betrekking op de onjuiste weergave van de inhoud van bepaalde documenten, met name het verslag van de International Bar Association, en op manifeste beoordelingsfouten (een conclusie die wordt afgeleid uit een verslag van Amnesty International). Het middel wordt niet weerlegd in de memorie van antwoord die zich ertoe beperkt te verwijzen naar andere elementen van motivering die werden aangehaald. Door vast te stellen dat aan een document een inhoud wordt gegeven dat dit niet heeft of dat hieruit een conclusie wordt uit afgeleid die onjuist is, stelt de Raad van State zich niet in de plaats van de feitenrechter zoals verwerende partij ten onrechte stelt.”; 2.3.4.
  27. Overwegende dat in het derde middel de verzoekende partij de motiveringsplicht ex artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet geschonden acht doordat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een foutieve inhoud toeschrijft aan gebruikte documenten en tevens in haar beoordeling van de zaak manifeste beoordelingsfouten maakt, terwijl de motiveringsplicht inhoudt dat de omstandigheden van de zaak waarheidsgetrouw moeten worden weergegeven en steun moeten vinden in de gegevens van het dossier; 2.3.4.
  28. Overwegende dat de Raad van State geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het in beginsel de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toekomt in laatste aanleg te oordelen of de vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging kan hebben; dat haar appreciatie dienaangaande door de Raad van State slechts als onrechtmatig kan worden aangemerkt indien de concrete gegevens van de zaak doen blijken dat die appreciatie, in strijd met wat in de beslissing wordt aangevoerd, kennelijk onredelijk is; dat de bestreden beslissing, samengevat, berust op de volgende vaststellingen: het niet bewijzen van de reisweg, onterechte kritiek met betrekking tot de kennis van verzoeker van, de waarde van en de onafhankelijkheid van het gebruikte Cedoca-rapport en de aanvullingen erop, in eerste instantie komt het verzoeker toe de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd bij het nemen van beslissing te weerleggen, een verwijzing naar de overige elementen van dit rapport volstaat niet, verzoeker beschikt over informatie waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel wordt opgenomen, indien verzoeker van oordeel is dat foute of XIV-13.641-17/22 onvolledige informatie in het dossier werd opgenomen dient hij dit aan te tonen, wat in casu niet gebeurt door te verwijzen naar algemene bronnen zonder hieruit enige concrete informatie te halen die relevant is voor zijn verzoek, het relaas is niet coherent en in strijd met algemeen bekende feiten, zodat het voordeel van de twijfel niet kan worden verleend, tegenstrijdige verklaring met betrekking tot de tekst op een badge die verzoeker droeg tijdens een bijeenkomst op 1 november 2057, voor lowprofile-Maobadi bestaat er een intern vluchtalternatief (Cedoca-rapport), advocaten kunnen hun cliënten-Maobadi-aanhangers zonder intimidatie verdedigen en in grote steden bestaat er een intern vluchtalternatief (IBA- verslag), een Brits rapport bevestigt de informatie van de Belgische missie naar Nepal, het Cedoca-rapport houdt wel rekening met de opmerkingen van Amnesty international, de ter zitting neergelegde stukken doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, verzoeker bewijst de aangehaalde feiten niet en weerlegt de motieven van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zodat deze motieven als integraal hernomen dienen te worden beschouwd, na de behandeling ter zitting blijkt niet dat het beroep niet kennelijk ongegrond is; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheid in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene niet te verklaren is door een externe factor die niet aan verzoeker kan worden aangerekend, of deze contradictie dermate belangrijk is dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast, of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend, of de objectiviteit en de actualiteitswaarde van zijn informatiebronnen gegarandeerd is en aan welke informatiebron zij de voorkeur geeft, of een vaststelling uit het ene rapport een vaststelling uit een andere bron bevestigt of niet; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat uit het dossier blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen inderdaad ten onrechte in het IBA-rapport leest dat er geen intimidatie is van advocaten die Maobadi-sympathisanten verdedigen; dat dit slechts één van de vaststellingen is waarop zij zich heeft gesteund in de bestreden beslissing om tot haar besluit te komen; dat de overige vaststellingen die omstandig worden toegelicht de bestreden beslissing wel degelijk dragen; dat, met betrekking tot het Britse rapport waarnaar wordt verwezen en waarvan luidens het verzoekschrift de coördinaten niet werden opgegeven, erop kan worden gewezen dat op basis van de vermeldingen met betrekking tot dit rapport, via een zoekopdracht op internet vrijwel onmiddellijk toegang kan worden bekomen tot dit document; dat de kritiek die wordt geuit in het verzoekschrift niet kan worden aanvaard met betrekking tot dit gebruikte document; dat enkel kan worden vastgesteld dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de haar toegekende appreciatiebevoegdheid geenszins kennelijk te buiten is gegaan toen ze op grond van de door haar aangegeven redenen besloot de erkenning tot vluchteling te weigeren aan verzoeker; dat het derde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.4.
  29. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: XIV-13.641-18/22 “Vierde middel Schending van artikel 57/12, 4de lid van de wet van 15.12.
  30. Waar de bestreden beslissing dat het beroep kennelijk ongegrond is en een verwijzing naar een drieledige kamer zich niet opdringt Terwijl in de motivering geen enkel element wordt naar voor gebracht dat het kennelijk ongegrond karakter van dit beroep kan motiveren en integendeel stelt dat "appellant de feiten die hij aanhaalt niet bewijst; dat hij de motieven van de bestreden beslissing niet weerlegt". Door te stellen dat "na behandeling ter zitting niet blijkt dat het beroep niet kennelijk ongegrond is." bevestigt de alleenzetelende rechter zijn aanvankelijke appreciatie dat het beroep kennelijk als ongegrond voorkomt. De constante rechtspraak van Uw Raad beoordeelt de notie "kennelijk" als "hetgeen waarvan het bestaan of de aard zich aan een redelijke persoon dermate overtuigt dat bijkomend onderzoek niet noodzakelijk lijkt” ("ce dont l'existence ou la nature s' impose à un esprit raisonnable avec une force de convictions tel que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires") (RvSt. 23 oktober 2001, nummer 100.059). In de voorbereidende werken van artikel 57/12 werd verwezen naar het feit dat het beroep "geen middelen bevat of niet aanwijst waarom de beslissing moet worden hervormd” (gedrukte stukken Senaat 1992-93, nummer 555/2, 126). De minister had het in dit verband zelfs over "tergend of roekeloos geding" (gedrukte stukken Kamer 1992-93, nummer 903/5, 60-61). Er is uiteraard een onderscheid tussen het feit dat een asielzoeker de feiten die hij aanhaalt niet bewijst, en het feit dat zijn aanvraag kennelijk ongegrond is. Waar de Commissaris-generaal uitdrukkelijk besliste dat de asielaanvraag niet kennelijk ongegrond was en integendeel een verder onderzoek behoefde, kan niet volstaan worden naar de motivering van de uiteindelijke weigeringsbeslissing om te stellen dat het beroep kennelijk ongegrond is. Noch de appreciatie van de zwaarwichtigheid van de ondergane vervolging, noch de appreciatie van het risico op nieuwe vervolging, noch vooral het eventueel bestaan van een intern vluchtalternatief kunnen beschouwd worden als elementen die niet het voorwerp van een debat ten gronde moeten uitmaken doch verworpen kunnen worden als zijnde elementen "waarvan het bestaan zich opdringt aan elke redelijke persoon op dergelijke overtuigende wijze dat een verder onderzoek niet noodzakelijk is". De appreciatie van de ernst van de vervolging en het bestaan van een eventueel intern vluchtalternatief zijn per definitie elementen die een zorgvuldige afweging vereisen van de feitelijke elementen van elk individueel dossier alsook een debat ten gronde over de feitelijke situatie zoals deze zich voordoet in het land van herkomst op het ogenblik van de beslissing. Wanneer dergelijke delicate vragen zouden kunnen behandeld worden in het kader van een voorafgaandelijke procedure bestemd voor kennelijk ongegronde beroepen zou aan de inhoud van dit begrip een dermate ruime inhoud worden gegeven aan het begrip "kennelijk ongegrond" dat zonder meer elk beroep als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd en alle zaken kunnen ontzegd worden aan de normale procedure voor een kamer van drie rechters. In het kader van een procedure voor één rechter past het aldus niet aan de verzoeker te verwijten dat hij niet de nodige bewijzen voorlegt van zijn beweringen. Het is immers wanneer het beroep niet kennelijk ongegrond is dat er een debat ten gronde kan plaatsvinden en aan verzoeker gevraagd kan worden bepaalde bewijzen naar voor te brengen. Een onderzoek ten gronde is niet vezoenbaar met de beoordeling van het beroep als kennelijk ongegrond (RvSt. 23 oktober 2001, nummer 100.059). Bovendien heeft verzoeker voor de Vaste Beroepscommissie wel degelijk bijkomende elementen naar voor gebracht, onder meer diegene die hem werden gevraagd bij zijn verhoor voor het CGVS. Het gaat met name over zijn originele identiteitskaart (het ontbreken van dit document was één van de redenen van weigering in eerste aanleg), en een aantal brieven van zijn familieleden met vertaling, waaruit kan afgeleid worden dat hij wel degelijk in gevaar is bij een eventuele terugkeer.”; 2.4.
  31. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.4 Betreffende een vierde middel van de verzoekende partij. XIV-13.641-19/22 De verzoekende partij beroept zich in een vierde en laatste middel op een vermeende schending van het art. 57/12, 4/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  32. Ter ondersteuning van het vierde en laatste middel voert de verzoekende partij aan dat "waar de Commissaris-generaal uitdrukkelijk besliste dat de asielaanvraag niet kennelijk ongegrond was en integendeel een verder onderzoek behoefte, niet kan worden volstaan naar de motivering van de uiteindelijke weigeringsbeslissing om te stellen dat het beroep kennelijk ongegrond is". De verwerende partij merkt vooreerst op dat verzoeker niet dienstig kan aanvoeren dat uit de beslissingen van de Commissaris-generaal niet zou blijken dat verzoekers asielaanvraag “kennelijk ongegrond” is, nu de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, bij monde van de gemachtigde bijzitter, geheel conform art. 57/12 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, oordeelde dat het door verzoeker bij haar ingestelde beroep kennelijk ongegrond is, reden waarom werd beslist verzoekers asielaanvraag te behandelen als alleenrechtsprekend lid. Bovendien kan worden opgemerkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, om de taak waarmee ze is belast naar behoren te vervullen, niet louter dient af te gaan op de door de asielzoeker verstrekte gegevens, noch op de beslissing waartegen bij haar beroep is aangetekend of voorafgaandelijke beslissingen, maar zij zichzelf dient in te lichten en onderzoek te voeren op de wijze die haar het meest geschikt lijkt om de waarheid te achterhalen. Het is immers de taak van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen om de asielaanvraag van een asielzoeker die bij haar een ontvankelijk beroep heeft ingesteld tegen een beslissing tot ongegrondverklaring van die aanvraag door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, waarna zij eventueel tot nieuwe 'besluiten' m.b.t. de desbetreffende asielaanvraag komt. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijft daarmee perfect binnen de haar toebedeelde jurisdictionele opdracht. In zoverre verzoeker stelt dat, naar zijn oordeel, de motivering van de in casu bestreden beslissing niet volstaat om te stellen dat het beroep 'kennelijk ongegrond' is, merkt de verwerende partij op dat het hier een eenzijdige appreciatie van verzoeker betreft, die de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins op een ook maar potentiële wijze kan bestrijden, temeer nu uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de gemachtigde bijzitter van de eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, conform art. 57/12 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, besliste het ingediende beroep te behandelen als alleenrechtsprekend lid, en vervolgens geheel terecht oordeelde dat de asielaanvraag diende verworpen te worden, gelet op o.a. het gegeven dat: - verzoeker zijn reisweg niet aantoont, - verzoeker blijk geeft over informatie te beschikken waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in het bundel werd opgenomen, - verzoeker stelt dat hij geen kennis heeft van het 'actualisatierapport', doch ter zitting werd opgemerkt dat dit rapport integraal in het bundel werd opgenomen, - dat verzoeker betwist dat het 'actualisatierapport' wel integraal is, - dat het de verzoeker toekomt te bewijzen dat de informatie vervat in het dossier onvolledig of verkeerd zou zijn, - verzoeker nergens concrete informatie aanreikt waaruit enige twijfel zou kunnen ontstaan omtrent wat in het rapport is vermeld, - verzoekers relaas niet coherent is en in strijd is met de algemeen bekende feiten, - geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen, - de Vaste Beroepscommissie haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing, - de door de verzoeker aangebrachte stukken geen afbreuk doen aan het voorgaande, - verzoeker de feiten die hij aanhaalt niet bewijst, - geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in verzoekers hoofde. Voormelde motieven, vervat in de in casu bestreden beslissing volstaan en verzoekers kritiek kan daar geen afbreuk aan doen. Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat het vierde en laatste middel van de verzoekende partij niet kan worden aangenomen.”; XIV-13.641-20/22 2.4.
  33. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Vierde middel Verzoeker meent dat artikel 57/12, vierde lid, van de wet geschonden is waar de Vaste Beroepscommissie aan de verzoekende partij oplegt te bewijzen dat zijn beroep "niet kennelijk ongegrond is" waar het in principe aan de rechter toekomt te motiveren waarom hij oordeelt dat een beroep wel "kennelijk ongegrond is". De elementen die in de memorie van antwoord als motivering worden weergegeven (dat verzoeker zijn reisweg niet aantoont, blijk geeft over informatie te beschikken waarvan hij zich beklaagt dat deze niet in de bundel werd opgenomen, etc. ...) zijn zeker geen elementen die aantonen dat een beroep kennelijk ongegrond is.”; 2.4.
  34. Overwegende dat noch artikel 57/12, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, noch artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voorschrijft dat in het dispositief van de eindbeslissing desgevallend uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het beroep kennelijk ongegrond is; dat bij beschikking van 22 oktober 2002 de gemachtigde bijzitter besliste het beroep van verzoeker zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen omdat dit beroep hem na inzage van het verzoekschrift kennelijk ongegrond voorkwam; dat door zelf als alleenrechtsprekend lid over het beroep van verzoeker uitspraak te doen en de behandeling ervan derhalve niet naar een drieledige kamer te verwijzen de gemachtigde bijzitter impliciet maar zeker te kennen heeft gegeven dat zijn eerste indruk naderhand werd bevestigd en het beroep inderdaad als kennelijk ongegrond moet worden aangemerkt; dat het beroep van verzoeker, onder meer, werd verworpen omdat aan zijn verklaringen, zoals omstandig wordt toegelicht geen geloof wordt gehecht; dat de redengeving van de bestreden beslissing nergens doet blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat artikel 57/12, vierde lid, van de Vreemdelingenwet de behandeling van de zaak door een alleenrechtsprekend lid toelaat wanneer “het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is”; dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is geweest dat een alleenzetelend lid ook kennelijk ongegronde beroepen zou behandelen; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld maar de erin ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat de gemachtigde bijzitter zijn appreciatiebevoegdheid dan ook niet te buiten is gegaan toen hij oordeelde dat het door betrokkene aangevoerd verweer niet tot een andere beslissing in beroep kon leiden zodat zijn beroep kennelijk ongegrond was; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. XIV-13.641-21/22 Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.641-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.511 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.