id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.513 Rolnummer: A. 128870/XIV-12419 Zaak: Arrest 154513 - - 06/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 08:54 Fiche Arrest nr 154.513 van 6 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.513 van 6 februari 2006 in de zaak A. 128.870/XIV-12.
- In zake : XXX, wonende te B. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 31 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 25 september 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 20 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-12.419-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat Ch. VAN CUTSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt op 11 januari 2002 België binnen en vraagt op 14 januari 2002 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 7 juni 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 3 juli 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 20 augustus 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, dat “onontvankelijk voorkomt wegens laattijdigheid”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 25 september 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat J. MAENAUT, gehoord. 1.
- Op 25 september 2002 neemt de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandstalige Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard. XIV-12.419-2/6 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de bestreden beslissing werd verstuurd op 7 juni 2002 naar de door appellant gekozen woonplaats; Overwegende dat appellant aanvoert dat de beslissing niet betekend werd op zijn gekozen woonplaats; dat hij immers op 5 juni 2002 het Commissariaat-generaal, via het Rode Kruis, van een wijziging van zijn gekozen woonplaats informeerde; dat uit het administratief dossier evenwel blijkt dat deze adreswijziging, getekend door appellant op 5 juni 2002, slechts op 13 juni 2002 aankwam; dat immers inkomende brieven bij het Commissariaat-generaal de dag van binnenkomst worden afgestempeld; dat hieruit kan worden besloten dat de adreswijziging slechts verzonden werd na de betekening van de bestreden beslissing; Overwegende dat luidens artikel 57/11, par. 1, tweede lid van de wet van 15 december 1980 een beroep moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; Overwegende dat de kennisgeving geschiedt op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres (Cass., 16 september 1991, R.W., 1991-92, 885-886; R.v.St., Josse, nr. 23.342, 8 juni 1983; R.v.St., Van Cayzeele, nr. 14.949, 14 oktober 1971; R.v.St., Munir, nr. 60.532, 27 juni 1996; Arbh. Gent, 22 januari 1974, R.W., 1974-75, 677-679); Dat behoudens tegenbewijs dient aangenomen dat de op 7 juni 2002 verstuurde bestreden beslissing werd aangeboden op 10 juni 2002 (vgl. R.v.St., Doom, nr. 14.764, 27 mei 1971); Dat derhalve ambtshalve (vgl. BAERT, J. en DEBERSAQUES, G., Raad van State, Afdeling Administratie (
- Ontvankelijkheid), in Administratieve Rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 1996, nr. 416) moet worden vastgesteld dat het op 3 juli 2002 ingediende beroep laattijdig is, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep onontvankelijk.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het algemeen beginsel dat de overheid moet uitspraak doen met kennisname van alle elementen van de zaak, verzoeker aanvoert dat hij per brief van 5 juni 2002 zijn verandering van woonplaatskeuze aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft meegedeeld, dat echter de envelop waarin deze brief stak niet in het administratief dossier terug te vinden is, terwijl dit stuk had kunnen aantonen dat de adreswijziging wel degelijk op 5 juni 2002 werd opgestuurd, dat de bestreden beslissing pas op 7 juni 2002 werd genomen, dit is nadat hij zijn adreswijziging aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen had meegedeeld, dat hij op 1 juli 2002 door zijn maatschappelijk assistent op de hoogte werd gebracht dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing had genomen, en zodoende de bestreden beslissing niet naar zijn nieuw adres werd gestuurd, maar naar het OCMW van Antwerpen, waar hij niet meer gevestigd was, dat er geen bewijs is dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen door hem werd ontvangen, dat zijn beroep derhalve wel degelijk ontvankelijk was wegens overmacht; XIV-12.419-3/6 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers enige middel: "Schending van artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van de artikelen 2 en 3, alinea 1, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht inzake administratieve beslissingen, schending van het beginsel van goede administratie en het algemeen beginsel volgens hetwelk de overheid uitspraak moet doen met kennisname van alle elementen van de zaak.” ! Betreffende de ontvankelijkheid van verzoekers enige middel. Verzoeker beperkt zijn enige middel tot het woordelijk weerleggen van de bestreden beslissing, zonder ook maar enig bewijs van het gestelde aan te brengen. Verzoeker laat tevens na op enige manier uiteen te zetten op welke wijze hij de door hem als geschonden ingeroepen bepalingen effectief geschonden acht. Verzoeker legt namelijk in zijn uiteenzetting van zijn enig middel nergens een verband met de als geschonden ingeroepen bepalingen. Verzoeker beroept zich in zijn enige middel onder meer op diverse in de titel opgesomde bepalingen. Verwerende partij is van oordeel dat het enig middel van verzoeker niet voldoende duidelijk is omschreven. Verweerder merkt op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux ; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles : Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is van oordeel dat verzoeker in gebreke blijft om in zijn beroepschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting van zijn enige middel te geven. Betrokkene beperkt er zich immers toe te vermelden dat er volgens hem sprake is van een schending van de in de titel van het enige middel opgesomde bepalingen, zonder dat hij in zijn middel verder toelicht in welke zin hij deze bepalingen geschonden acht. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van de in de titel opgesomde bepalingen bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijkheid van het beroep betreffende dit onderdeel van het eerste middel tot gevolg heeft. ! Geheel ten overvloede gaat verwerende partij hieronder toch in op de door verzoeker in zijn enig middel geuite kritiek ten aanzien van de bestreden beslissing. Het is aan verzoeker om te bewijzen dat hij zijn adreswijziging effectief op 05.06.2002 aan de Commissie heeft toegezonden. Vastgesteld wordt dat verzoeker geen enkel vaststaand gegeven of element aanbrengt dat aannemelijk kan maken dat dit effectief gebeurd is. Nochtans gezien het belang van een adreswijziging in de procedure, had verzoeker er goed aan gedaan een dergelijke adreswijziging ter kennis te brengen aan de Vaste Beroepscommissie bij een ter post aangetekende brief, hetgeen een sluitend bewijs en een grotere zekerheid voor verzoeker zou hebben meegebracht. Het feit dat de adreswijziging slechts op 13.06.2002 bij de Vaste Beroepscommissie is aangekomen doet een zeer sterk vermoeden ontstaan dat de adreswijziging slechts verzonden werd na de betekening van de bestreden beslissing. Behoudens tegenbewijs dient aangenomen te worden dat de op 07.06.2002 verstuurde beslissing werd aangeboden op 10.06.2002 (vgl. R.v.St., Doom, nr.14.764,27 mei 1971). Verwerende partij merkt tevens op dat opdat een kennisgeving bij een ter post aangetekende brief op een geldige wijze geschiedt, het voldoende is dat de postbode zich aan de woning van de bestemmeling heeft aangemeld en dat indien hij de brief niet persoonlijk aan de bestemmeling of aan een gemachtigde heeft kunnen overhandigen, hij een bericht achter laat waarin de betrokken ervan verwittigd wordt dat de brief te zijner beschikking is op het postkantoor. XIV-12.419-4/6 Bovendien geschiedt de kennisgeving, luidens vaste rechtspraak, op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres (Cass., 16 september 1991, R.W., 1991-92, 885-886; R.v.St., Josse, nr. 23.342, 8 juni 1983; Arbh. Gent, 22 januari 1974, R.W., 1974-75, 667-679). Verwerende partij merkt verder op dat de stelling van verzoeker, waarbij de "kennisgeving" wordt gelijkgeschakeld met de "kennisneming" zou betekenen dat de voortgang van de procedure en in het bijzonder het ingaan van de beroepstermijn, welke toch van openbare orde is, afhankelijk wordt gesteld van het initiatief van de kandidaatvluchteling, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Verzoekers enige middel is onontvankelijk en kan minstens niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar de uiteenzetting van het middel in zijn inleidend verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat artikel 51/2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt: “Elke wijziging van de gekozen woonplaats moet bij een ter post aangetekende zending medegedeeld worden aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alsook aan de minister.”; dat verzoeker tevergeefs inroept dat hij op 5 juni 2002 zijn verandering van woonplaats aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft opgestuurd; dat de gekozen woonplaats immers slechts geldig wordt gewijzigd wanneer de wijziging bij een ter post aangetekende brief aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt meegedeeld; dat het feit dat de envelop waarin hij zijn adreswijziging opstuurde zich niet in het administratief dossier bevindt, niets afdoet aan de vaststelling dat verzoeker noch in zijn beroepschrift, noch ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft aangetoond dat hij zijn adreswijziging per aangetekend schrijven op 5 juni 2002 aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft meegedeeld, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op goede gronden kon vaststellen “dat de bestreden beslissing werd verstuurd op 7 juni 2002 naar de door appellant gekozen woonplaats”, hetgeen door verzoeker in zijn beroepschrift van 3 juli 2002 wordt bevestigd, “dat uit het administratief dossier blijkt dat deze adreswijzing, getekend door appellant op 5 juni 2002, slechts op 13 juni 2002 aankwam” en “dat behoudens tegenbewijs dient aangenomen te worden dat de op 7 juni 2002 verstuurde bestreden beslissing werd aangeboden op 10 juni 2002”, zodat “het op 3 juli 2002 ingediende beroep laattijdig is”; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-12.419-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.419-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.513 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.