id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.557 Rolnummer: A. 124694/XIV-11065 Zaak: Arrest 154557 - - 06/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:55 Fiche Arrest nr 154.557 van 6 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.557 van 6 februari 2006 in de zaak A. 124.694/XIV-11.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat E. LIEVENS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Nieuwpoortsesteenweg 50 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 17 januari 1959 en van Armeense nationaliteit, op 15 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 april 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 24 juni 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 3 juni 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 7 juni 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-11.065-1/8 Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. LIEVENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 11 maart 2002 en verklaart zich vluchteling op 13 maart
- 1.
- Op 15 april 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Op 24 juni 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger van Armeense origine verklaarde voor het Commissariaat- generaal dat de president van Armenië op 27 september 2001 naar muziek kwam luisteren op een bekende plaats voor Jazzmuziek, vlak bij uw woonplaats. Er waren mensen van de ambassades, van UNESCO, van de Verenigde Naties en van allerlei organisaties. Een Georgische Armeen, van de politieke partij Dashnak vernam u later, had de president op een oneerbiedige manier aangesproken. Nadat de president en de zanger Ashnavoer weg waren, werd de Georgische Armeen door een lijfwacht van de president geslagen. Hij werd meegesleurd naar de plaats waar de toiletten waren, daar kreeg hij een klap op zijn rug waardoor hij overleed. U had alles gezien, u kon dicht bij het gebeuren komen omdat het uw omgeving was en u de uitbaters kende. De dagen daarna stond in de kranten dat er iemand overleden was aan een hartaanval, maar u wist wel beter. Op 3 of 4 oktober 2001 kwamen er twee mensen bij u thuis waarvan u vermoedt dat het mensen van rond de president waren. De twee begonnen met u te praten over het voorval en wilden u laten getuigen, maar u beweerde dat u niets had gezien. Ze namen uw paspoort mee, u moest zich aanmelden op het wijkkantoor van de politie om het XIV-11.065-2/8 terug te krijgen. Enkele dagen later ging u naar het wijkkantoor, maar daar beweerden ze dat ze u niet kenden en dat uw paspoort daar niet lag. Van 3 tot 8 oktober 2001 was u bij een vriend, in Aramuz. Op 10 oktober kwam u in de buurt van uw huis een parlementslid, Agvan, van Dashnak tegen. Agvan vroeg of u wilde getuigen over wat u had gezien, maar weerom zei u dat u niets gezien had. Ondertussen stond u onder dubbele druk; de veiligheidsdienst van de president wilde dat u niet zou getuigen, Dashnak verlangde het tegengestelde. Na 10 oktober 2001 ging u opnieuw naar Aramuz, naar uw vriend. Hij raadde u aan om tijdelijk naar het buitenland te gaan, tot het probleem zichzelf had opgelost. Tijdens uw afwezigheid kwamen er mensen bij u thuis langs en werd er ook getelefoneerd. Op 27 oktober 2001 vertrok u naar Moskou. In Moskou verbleef u bij een vriend, L.. U had er kontakten met de Armeense gemeenschap, ze zeiden u dat u beter in Moskou kon blijven afwachten en dat ze druk zouden uitoefenen op Armenië om te zorgen dat uw probleem zou ophouden. De Armeense gemeenschap in Rusland was echter in een discussie geraakt met de Armeense overheid, waardoor er niet over uw probleem gepraat kon worden. U kon echter niet te lang bij uw vriend blijven en zonder registratie was het moeilijk om in Moskou te leven. Ook liepen er de laatste tijd veel kaalgeschoren mannen rond met fascistische armbanden. Daarom vertrok u na enkele maanden naar België. Op 11 maart 2002 kwam u aan in België, waar u op 13 maart 2002 een asielaanvraag deed bij de Belgische autoriteiten. U vernam via telefonisch contact met uw vrouw in Armenië dat er nog steeds mensen op zoek waren naar u. U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u in Armenië geviseerd werd om te getuigen over een incident die (dat) u had gezien waarbij een lijfwacht van de president een lid van de politieke partij Dashnak had vermoord (verhoorverslag CGVS, p.2). Er dient echter te worden opgemerkt dat u een aantal inconsistente verklaringen hebt afgelegd waardoor in ernstige mate getwijfeld kan worden aan uw verklaringen als zou u getuige geweest zijn van bovenvermelde moord en bijgevolg ook aan de problemen die u naar aanleiding hiervan beweerde te hebben gehad. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal aanvankelijk dat u na de moord benaderd werd door mannen van de president die u wilden laten getuigen naar aanleiding van deze moord (CGVS, p.4). Even later tijdens hetzelfde interview voor het Commissariaat-generaal legde u daarentegen verklaringen af waaruit blijkt dat het juist de entourage van de president was die niet wou dat u getuigde. Zo stelde u dat u onder druk werd gezet van enerzijds de entourage van de president die niet wilde dat u getuigde en anderzijds de leden van Dashnak die wel wilden dat u getuigde (CGVS, p.4-5). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat u voor het Commissariaat-generaal niet in staat was de volledige naam van het slachtoffer te geven, niettegenstaande u zelf verklaarde dat het bericht over de moord in nagenoeg alle kranten (enkele kranten schreven er niets over) die er zijn werd gepubliceerd (CGVS, p.4). Bovendien stelde u voor het Commissariaat-generaal dat het slachtoffer Samuel heette terwijl uit de op het Commissariaat-generaal aanwezige informatie (in bijlage) blijkt dat het slachtoffer de naam Poghos Poghosian droeg. Tot slot dient te worden opgemerkt (te worden) dat u voor het Commissariaat-generaal een verklaring aflegde met betrekking tot de exacte plaats waar de moord, waarvan u verklaarde getuige te zijn geweest, plaatsvond die niet strookt met de op het Commissariaat-generaal aanwezige informatie. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat de moord plaatsvond in een café waarvan u de café-uitbater goed kende en dat het café “Parus” heeft als naam en voordien “Pavlavok” heette (CGVS, p.2-3). Uit de op het Commissariaat-generaal aanwezige informatie (in bijlage) blijkt echter dat de moord plaatsvond in het “Aragast” café. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof meer gehecht worden aan de door u aangehaalde problemen ter staving van uw asielaanvraag. Bijgevolg kan er in het kader van uw asielaanvraag niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. (...).”.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat uit de brief van 30 november 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 24 oktober 2003 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting meedeelt dat hij volhardt in het verzoekschrift; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het XIV-11.065-3/8 Vreemdelingencontentieux en met de mobiliteit van de verzoekende partijen; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 24 oktober 2003 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft, en nog doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat deze gegevens het voorwerp uitmaken van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vordering zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 2.
- Overwegende dat huidig beroep vooreerst is gericht tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 april 2002 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter is bevestigd door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 juni 2002; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, het beroep tegen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk is, behoudens voor wat betreft het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat dit bevel ingevolge het instellen van het dringend beroep niet ten uitvoer kan worden gelegd, doch “herleeft” ingevolge de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris- generaal; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen middel of onderdeel ervan is gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de vordering derhalve ook in die mate niet-ontvankelijk is zodat er geen aanleiding is om de Minister van Binnenlandse Zaken als partij bij de zaak te betrekken;
- Over de gegrondheid van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van het Protocol van New York van 31 januari 1967; van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); van het redelijkheidsbeginsel; van het zorgvuldigheidsbeginsel, en van het beginsel van de materiële motivering; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij zijn land is ontvlucht om zich te onttrekken aan een levensbedreigende vervolging, doordat hij getuige is geweest van een politieke moord; dat verzoeker stelt dat hij, wegens de mogelijke politieke gevolgen van XIV-11.065-4/8 zijn getuigenis, als vluchteling in de zin van de Vluchtelingenconventie moet worden beschouwd; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepalingen die hij geschonden acht, zonder enigszins aan te duiden op welke wijze die rechtsregels en beginselen door de bestreden beslissing werden geschonden; dat verzoeker zich beperkt tot algemene affirmaties en tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, of op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich in wezen beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, maar dat hij nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en dat hij het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het aangevoerde middel onvoldoende is uitgewerkt, en niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 52, §2, 2/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van “het ontbreken van (een) adequate motivering”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de tegenstrijdigheden, op grond waarvan de Commissaris-generaal tot de bestreden beslissing is gekomen, gemakkelijk kunnen worden weerlegd; dat verzoeker stelt dat hij enkel het Armeens machtig is, en dat hij zich bijgevolg amper verstaanbaar kon maken, zelfs met behulp van een tolk; dat verzoeker uiteenzet dat hij twijfelt aan de bekwaamheid of de politieke geaardheid van de tolk, vermits het verslag van het verhoor op het Commissariaat-generaal op verschillende vlakken afwijkt van het door verzoeker weergegeven relaas; dat verzoeker betoogt dat het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal onzorgvuldig gebeurde, en dat de zogenaamde tegenstrijdigheden foutief werden opgetekend; dat verzoeker aanvoert dat hij steeds heeft gesteld dat de entourage van de president niet wou dat hij getuigde; dat verzoeker uiteenzet dat hij altijd heeft verklaard dat hij de naam van het slachtoffer niet kent; dat verzoeker tenslotte stelt dat hij nooit heeft verklaard dat het café “PARUS” zou heten; dat verzoeker betoogt dat het café in de volksmond bekend staat als “PAPLALAVOK”, en dat de officiële benaming waarschijnlijk “ARAGAST” is, maar dat deze naam door de autochtone bevolking nooit wordt gebruikt; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die XIV-11.065-5/8 beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoeker een aantal inconsistente verklaringen heeft afgelegd waardoor in ernstige mate wordt getwijfeld aan zijn verklaringen als zou hij getuige zijn geweest van een moord, en aan de problemen die hij naar aanleiding daarvan beweerde te hebben gehad; - verzoeker voor het Commissariaat-generaal aanvankelijk verklaarde dat hij na de moord benaderd werd door de entourage van de president die wilde dat hij zou getuigen naar aanleiding van deze moord; dat verzoeker tijdens hetzelfde interview voor het Commissariaat-generaal echter ook verklaringen aflegde waaruit blijkt dat voormelde entourage van de president niet wou dat hij getuigde; dat verzoeker stelt dat hij zowel door de omgeving van de president, die niet wilde dat hij getuigde, als door leden van Dashnak, die wilden dat hij wel getuigde, onder druk werd gezet; - verzoeker, op het Commissariaat-generaal, niet in staat was de volledige naam van het slachtoffer te geven, hoewel hij had verklaard dat het bericht over de moord in nagenoeg alle kranten was gepubliceerd; - verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat het slachtoffer S. h., terwijl uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de naam van het slachtoffer P. P.an is; XIV-11.065-6/8 - verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat de moord plaatsvond in het café “Parus”, dat voordien “Pavlavok” heette; dat uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt evenwel blijkt dat de moord plaatsvond in het café “Aragast”; Overwegende dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag omdat de opeenvolgende verklaringen van verzoeker tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevatten die de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas fundamenteel aantasten; dat, waar verzoeker bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen door deze te wijten aan een gebrekkige vertaling door een onbekwame tolk, verzoeker een verklaring post factum geeft, die de tegenstrijdigheden echter niet opheft; dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente en gedetailleerde verklaringen aflegt; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker deze verslagen heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat ze overeenstemmen met die inlichtingen die hij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat verzoeker zich voor het overige beperkt tot het herhalen van zijn asielmotieven, en tot het formuleren van theoretische uiteenzettingen, hypothesen en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker niet uitlegt waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat verzoeker verklaarde dat hij de tolk goed had begrepen; dat verzoeker er niet in slaagt enig vertaalprobleem aannemelijk te maken; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas kon besluiten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het tweede middel, in al zijn onderdelen ongegrond is; XIV-11.065-7/8
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard wat de eerste bestreden beslissing betreft, en verworpen wat de tweede bestreden beslissing betreft. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.065-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.