← België

Arrest 154560 - - 06/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.560 Rolnummer: A. 162117/X-12293 Zaak: Arrest 154560 - - 06/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:55 Fiche Arrest nr 154.560 van 6 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.560 van 6 februari 2006 in de zaak A. 162.117/X-12.

  1. In zake : Anthony SCHOUTEETENS, wonende te 8560 GULLEGEM, Poststraat 36 tegen : de gemeente WEVELGEM. tussenkomende partijen :
  2. Daan DURSIN,
  3. Bieke POPPE, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Anthony SCHOUTEETENS op 30 april 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 7 december 2004 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem waarbij aan Daan DURSIN en Bieke POPPE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het uitbreiden en verbouwen van een woning en plaatsen van garage met carport te Wevelgem, Poststraat 34, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 895k5 en 895y3; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; X-12.293-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. KENNES die verschijnt voor de verzoeker, van Advocaat S. VANCRAEYVELDT die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. GOETHALS die loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Daan DURSIN en Bieke POPPE met een verzoekschrift van 18 mei 2005 hebben gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  5. De feiten Overwegende dat de tussenkomende partijen op 7 december 2004 een stedenbouwkundige vergunning aanvragen voor "het uitbreiden en verbouwen van een woning en plaatsen van garage met carport" op een terrein aan de Poststraat 34 te Wevelgem, kadastraal bekend derde afdeling, sectie B, nummers 895k5 en 895y³; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem de gevraagde vergunning met het bestreden besluit geeft;
  6. De ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing opwerpen; dat in de huidige stand van het geding geen uitspraak over deze excepties dient te worden gedaan nu, zoals hierna zal blijken, niet aan de grondvoorwaarden voor de schorsing is voldaan;
  7. Beoordeling 3.
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen X-12.293-2/6 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij wat de tweede voorwaarde betreft het volgende aanvoert: "(...) Zo de bestreden beslissing niet wordt geschorst, zullen de oorspronkelijke aanvragers in de mogelijkheid zijn om het gewraakte gebouw op te trekken en zodoende verzoekers en de overheid voor een voldongen feit te plaatsen. De 'juridische afbreekbaarheid' van een constructie is nog iets anders dan de 'materiële afbreekbaarheid'. Bovendien zouden verzoekers intussen reeds volop de nadelen ondergaan die aan de basis liggen van de bezwaren geuit door verzoekers, o.m. een verlies van licht, lucht en uitzicht. Uit de voorafgaande uiteenzetting is duidelijk gebleken welke fundamentele bezwaren kunnen worden ingebracht tegen de geplande bouwwerken. Het volstaat te verwijzen naar de motieven hoger uiteengezet en verband houdend o.m. met de toestand ter plaatse, de hoogte en de omvang van het gebouw, de situering t.o.v. het perceel van verzoekers en t.o.v. de normale lichtinval. De inplanting van een dergelijke constructie op die plaats berokkent aan verzoekers een ernstig nadeel qua verlies van licht en uitzicht. (...)"; 3.2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende antwoordt: "(...) Verzoekers beweren in uiterst vage termen : 'de vergunde constructie zal voor gevolg hebben dat de bestaande leefruimte van verzoekers zeker in herfst- en wintermaanden volledig verstoken zal zijn van licht en lucht, terwijl verzoekers vanuit hun leefruimte zullen kijken op een blinde muur'. Verzoekers brengen evenwel geen enkel concreet en precies bewijs naar voor van hetgeen zij beweren. Zij brengen enkel een lichtstudie naar voor. Deze studie heeft uitsluitend betrekking op de factor licht (en niet op uitzicht of lucht). Uit deze studie blijkt dat verzoekers in de periode rond 21 december minimaal licht zullen verliezen (op 21 december : ergste scenario : om 12u gedurende half uur geen zon in keuken). De lichtstudie maakt ook enkel een vergelijking met de bestaande toestand. Uiteraard moet rekening (worden) gehouden met het feit dat beide woningen gelegen zijn in het BPA 7 Gouden Bank en men als eigenaar van een dergelijke woning er van meet af aan rekening mee moet houden dat er altijd verbouwingen kunnen plaatsvinden die beantwoorden aan de voorschriften van het BPA; De voorschriften van het BPA 7 Gouden Bank laten zelfs toe dat 75 % van de terreinen (met een maximum van 600m2) worden bebouwd en bevatten bovendien geen bepaling inzake maximum bouwhoogte voor de gelijkvloerse verdieping. Tot een diepte van 12 meter kunnen zelfs gebouwen worden opgetrokken met een hoogte van 7,5 m. Verzoekers hebben er zelf voor geopteerd een rijwoning aan te kopen, in een dicht(...) bebouwde omgeving, met een tuin en woning die oostelijk gericht is. Permanente zon is dus hoe dan ook uitgesloten en het gebrek daaraan staat X-12.293-3/6 geenszins in oorzakelijk verband met de tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Ook het beweerde gebrek aan uitzicht staat geenszins in oorzakelijk verband met de bestreden stedenbouwkundige vergunning, doch is het gevolg van de optie voor een rijwoning in een dicht bebouwde omgeving waar de voorschriften gelden zoals die beschreven zijn in het BPA 7 Gouden Bank (...).
  11. Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat gelet op de moderne bouwtechnieken en de normale duur van een gewone schorsingsprocedure voor de Raad van State, de schorsing van de bestreden beslissing ook niet meer van nut zal zijn aangezien de bouwwerken reeds voltooid zullen zijn (...). Indien er werkelijk zo'n moeilijk te herstellen ernstig nadeel was geweest voor verzoekers, quod certe non, dan zouden zij ten gepaste tijde vanzelfsprekend beroep hebben gedaan op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid."; 3.2.
  12. Overwegende dat de tussenkomende partijen in het verzoekschrift tot tussenkomst toevoegen dat het verzoekschrift tot schorsing bulkt van algemeenheden en vaagheden, dat dit verzoekschrift de enige informatiebron is waarop de Raad van State kan terugvallen om de vordering te beoordelen, dat de verzoekende partij blijkens de inventaris van hun stukken een lichtstudie heeft neergelegd maar er in de precisering van hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet eens naar verwijst, dat het ingeroepen nadeel niet rechtstreeks door de bestreden beslissing maar wel door het gewestplan "Brugge Oostkust" en het B.P.A. "De Gouden Bank" is veroorzaakt, dat naar het auditoraatsverslag in de zaak A. 134.888/X-11.351 kan worden verwezen, dat in casu de verbouwings- en uitbreidingswerken volledig in overeenstemming zijn met het van toepassing zijnde gewestplan en het B.P.A. en dat, in de mate dat de verzoekende partij naar haar "fundamentele bezwaren" tegen het bestreden besluit verwijst, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel geen uitstaans heeft met de ernst van de middelen; 3.2.
  13. Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat X-12.293-4/6 met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; dat de verzoekende partij bij de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel slechts op algemene wijze verwijst naar "een verlies van licht, lucht en uitzicht" en naar "fundamentele bezwaren(...) tegen de geplande bouwwerken", zonder enige nadere uiteenzetting over de concrete toestand en de ernst van het concrete verlies te geven; dat de verzoekende partij ook in de feitelijke uiteenzetting van haar verzoekschrift slechts op algemene wijze stelt "dat in belangrijke mate licht en lucht wordt ontnomen aan de woning van verzoekers, evenals volledig uitzicht vanuit hun actuele woonruimte, door een blinde hoge muur op de perceelsgrens"; dat uit dergelijke algemene beschouwingen de vereiste ernst van het voorgehouden nadeel niet naar genoegen van recht blijkt; dat dit des te meer klemt nu de tussenkomende partijen uiteenzetten dat de bewuste blinde muur verder naar achter in hoogte afneemt en dat die muur dus niet over haar volledige lengte de door de verzoekende partij voorgehouden hoogte heeft; Overwegende dat de verzoekende partij samen met het verzoekschrift tot schorsing een lichtstudie heeft neergelegd, doch daar in het verzoekschrift zelf nergens op ingaat; dat zij ter terechtzitting enkel verklaart dat in de lichtstudie wordt bedoeld dat er op 21 december slechts een half uur zon is op de middag en niet dat zij slechts een half uur zon zou verliezen; dat het aan de verzoekende partij zelf toekomt om het voorgehouden nadeel in het verzoekschrift tot schorsing te ontwikkelen en dat het niet aan de Raad van State mag worden overgelaten om dit zelf te ontwikkelen aan de hand van stukken; dat met niet in het verzoekschrift opgenomen feiten en verklaringen overigens geen rekening mag worden gehouden; 3.
  14. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.293-5/6 BESLUIT: Artikel
  15. Het verzoek tot tussenkomst van Daan DURSIN en Bieke POPPE in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  16. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari 2006, door : de H. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS C. ADAMS. X-12.293-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.560 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.