id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.591 Rolnummer: A. 121918/XIV-10269 Zaak: Arrest 154591 - - 07/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:55 Fiche Arrest nr 154.591 van 7 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.591 van 7 februari 2006 in de zaak A. 121.918/XIV-10.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1977, en XXX, geboren in 1973, beiden van Turkse nationaliteit, op 1 juni 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 21 september 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 24 september 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.269-1/8 Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De eerste verzoekende partij komt een eerste keer België binnen op 20 augustus 1995 en verklaart zich vluchteling op 27 augustus
- Op 17 september 1996 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 24 maart 1997 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
- Op 6 november 1997 diende de eerste verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 25 mei 1998 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvan-kelijk werd verklaard. 1.
- Op 4 december 1999 komen de verzoekende partijen samen België binnen en verklaren zich vluchteling op 7 december
- 1.
- Op 2 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 mei 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. XIV-10.269-2/8 1.
- Op 4 juni 2000 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 9 april 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing, die luidt als volgt: “Reden (en) : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van hun asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen op 23/05/
- Een eerste asielaanvraag van Mijnheer XXX werd reeds eerder afgewezen door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen op 14/03/1997 en kennis gegeven op 28/03/
- Een eerste aanvraag van art. 9.3 door Mijnheer XXX werd afgewezen op 25/05/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkenen Nederlandse taallessen gaan volgen, de Franse taal reeds machtig zijn, volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij, geen beroep kunnen doen op een vervangingsinkomen, een ruime vriendenkring hebben, hun sociale en fiscale en huurdersverplichtingen nakomen is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Ook de aanwezigheid van 3 kinderen verandert niets aan bovenstaande beslissing. Betrokkenen wisten immers dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden moeten verlaten. Betrokkenen hebben nooit de officiële toestemming gekregen om op het Belgisch grondgebied betaalde arbeid te verrichten. Betrokkenen dienen te weten dat zij niet kunnen werken zolang hun asielaanvraag niet ontvankelijk verklaard was. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”; 1.
- Op 24 april 2002 werd aan de verzoekende partijen het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota opwerpt dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is omdat verzoekers enkel het bevel om het grondgebied te verlaten aanvechten, dat een uitvoeringsmaatregel is en waarvan de eventuele nietigverklaring geen gevolgen zal hebben op hun verblijfstoestand; Overwegende dat uit de verzoekschriften blijkt dat deze gericht zijn tegen zowel de beslissing houdende onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, als tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat in de verzoekschriften evenwel enkel middelen worden uiteengezet tegen de beslissing houdende onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf; dat het beroep, voor zover het is gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van middelen; XIV-10.269-3/8 3.
- Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de “billijke rechtspleging”; dat verzoekers aanvoeren dat zij de aanvraag hebben ingediend op 4 juni 2000 en dat pas werd geantwoord op 9 april 2002; dat verzoekers betogen dat dit veel te laat is en dat de beslissing, “rekening houdend met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” binnen de vier maanden moest worden genomen; dat verzoekers doen gelden dat zij zich gedurende die twee jaar nog verder hebben geïntegreerd, dat twee van hun vier kinderen in België zijn geboren en dat de kinderen geen band hebben met Turkije; dat eerste verzoeker besluit dat hij is tewerkgesteld en met zijn inkomen zijn gezin onderhoudt; Overwegende dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) geen termijn van vier maanden voorziet binnen dewelke de beslissing na een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf moet worden genomen; dat een termijn van bijna twee jaar in casu niet onredelijk is te noemen, gezien het zeer groot aantal te behandelen aanvragen tot machtiging tot voorlopig verblijf; dat de door verzoekers ingeroepen verdere integratie werd bekomen tijdens een precair verblijf, omdat verzoekers zich sinds 25 mei 2000, zijnde de datum waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevestigende beslissingen nam, illegaal op het Belgisch grondgebied bevinden; dat de situatie van de kinderen en de tewerkstelling van verzoeker elementen ten gronde betreft, waarop in casu niet diende te worden geantwoord, zoals hierna blijkt uit de analyse van het tweede middel; dat het bovendien niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van “de motiveringplicht zoals vereist door artikel 62 van de Vreemdelingenwet en door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”; dat zij aanvoeren dat uit de eerste bestreden beslissing niet blijkt dat de Minister een onderzoek heeft gevoerd naar de door verzoekers aangevoerde feiten; dat zij betogen dat de beslissing niet naar behoren is gemotiveerd door het motief dat de politieke problemen van verzoekers reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een grondig onderzoek in het kader van hun asielaanvraag; dat verzoekers besluiten dat er sprake is van willekeur en van een beoordelingsfout; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering XIV-10.269-4/8 van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de eerste bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; XIV-10.269-5/8 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om verzoekers een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of hun aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die verzoekers hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat verzoekers de volgende omstandigheden aanvoeren: - verzoeker is hulpbehoeftig, een “goede rechtsorde” gebiedt dan ook dat verzoeker een kans krijgt om zich in België te vestigen; - verzoeker wenst zich volledig te integreren in België; - verzoeker benutte zijn tijd in België goed want hij doet er alles aan om verder te integreren in de Belgische maatschappij; - verzoeker zal Nederlandse taallessen volgen, de Franse taal is hij reeds machtig; - verzoeker solliciteert; - verzoeker is volledig geïntegreerd in de Belgische maatschappij, waaronder ook in het sociaal leven, hij heeft een ruime vriendenkring; - verzoeker komt al zijn sociale en fiscale verplichtingen na, evenals zijn verplichtingen op huurvlak; Overwegende dat in de eerste bestreden beslissing wordt overwogen dat verzoekers geen uitzonderlijke omstandigheden hebben aangehaald waarom de aanvraag niet kon worden ingediend via de gewone procedure, met name via de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging; dat hieraan wordt toegevoegd dat hun politieke problemen in het land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een afgesloten asielaanvraag, dat alle elementen van integratie die verzoekers inroepen, op zich niet uitzonderlijk zijn of verantwoorden dat de aanvraag in België wordt ingediend, en dat de aanwezigheid van de kinderen niets verandert aan bovenstaande beslissing; dat wordt vervolgd met de overweging dat verzoekers wisten dat hun verblijf slechts werd toegestaan in het kader van de asielprocedure, en dat ze nooit de toestemming verkregen om op Belgisch grondgebied betaalde arbeid te verrichten; Overwegende dat hieruit blijkt dat het hoofdmotief van de eerste bestreden beslissing is dat verzoekers geen uitzonderlijke omstandigheden hebben XIV-10.269-6/8 aangehaald waarom de aanvraag niet via de gewone procedure, in het buitenland, kon worden ingediend; dat dit motief, rekening houdend met de hierboven weergegeven redenen, ingeroepen door verzoekers in hun aanvraag, afdoende, pertinent, deugdelijk en terzake dienend is; dat de bijkomende motieven evenzeer afdoende zijn; dat de schending van de motiveringplicht niet kan worden aangenomen; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard wat de tweede bestreden beslissing betreft, en verworpen wat de eerste bestreden beslissing betreft. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-10.269-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.269-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.