id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.594 Rolnummer: A. 89750/XII-2469 Zaak: Arrest 154594 - - 07/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:55 Fiche Arrest nr 154.594 van 7 februari 2006 - Beslissing : heropening debatten Opnieuw vastgesteld Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.594 van 7 februari 2006 in de zaak A. 89.750/XII-2469. In zake : het VRIJ SYNDICAAT VOOR HET OPENBAAR AMBT, dat woonplaats kiest bij advocaat S. Moerman, kantoor houdende te 1030 Brussel, Eisenhowerlaan 167 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) op 22 februari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing, al of niet impliciet genomen, door een voor verzoeker niet gekend bestuursorgaan van verwerende partij, waarbij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt als niet representatief wordt beschouwd om te zetelen in het hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) en de departementale onderhandelings- comités (DOC'
- s)die werden opgericht voor het personeel van de Hogeschool Gent”; Gelet op het arrest nr. 91.699 van 19 december 2000 waarbij de debatten worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gelet op het arrest nr. 91.700 van 19 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 januari 2001 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-2469-1/8 Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 6 februari 1996 keuren de drie vakorganisaties (ACOD, COC en VSOA) het organiek reglement van het hogeschoolonderhandelingscomité (hierna : HOC) van de Hogeschool Gent goed. 1.2. In het Belgisch Staatsblad van 18 november 1997 wordt volgend bericht gepubliceerd “over de representativiteit van vakorganisaties in sommige sector-comités” : “Bekendmaking in uitvoering van artikel 65 van het koninklijk besluit van 28 september 1984. ... 2. Bij brief van 9 oktober 1997 deelt de Voorzitter van de Controlecommissie voor de representativiteit van de vakorganisaties in de overheidssector mee :
- a)dat het representativiteitsonderzoek, voor de derde periode van zes jaar, verricht door de Commissie krachtens de bepalingen van artikel 14, § 1, van de wet van 19 december 1974 [tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel], afgesloten is wat de toegang betreft dat de sectorcomités V (Landbouw en Middenstand), VI (Verkeer en XII-2469-2/8 infrastructuur), IX (Onderwijs - Franse Gemeenschap), X (Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap) en XIX (Duitstalige Gemeenschap);
- b)dat de twee hiernagenoemde vakorganisaties aan alle representativiteitsvoorwaarden en -criteria voldoen om zitting te hebben in die sectorcomités : 1/ de Algemene Centrale der Openbare Diensten; 2/ de Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten. 3. De Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten groepeert onder meer de volgende betrokken centrales : de Christelijke Centrale van de Openbare Diensten, de Christelijke Vakbond van Communicatiemiddelen en Cultuur, de Christelijke Onderwijs Centrale en het Christelijk Onderwijzersverbond. ... 5. Uit de samenlezing van de artikelen 14, § 1 en 25 van de wet van 19 december 1974 (zoals dit laatste artikel ingevoegd werd door artikel 9 van de wet van 6 juli 1989 - Belgisch Staatsblad van 5 september 1989) blijkt dat de vakorganisaties waarvan, op grond van dit nieuwe representativiteitsonderzoek, werd vastgesteld dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, zitting hebben in de comités waarvoor zij als representatief worden beschouwd met ingang van de datum van bekendmaking van dit bericht in het Belgisch Staatsblad. Brussel, 27 oktober 1997. De Minister van Ambtenarenzaken, A. Flahaut”. Daaruit blijkt dat het VSOA niet aan de representativiteits- voorwaarden bedoeld in artikel 8 van de wet van 19 december 1974 voldoet om zitting te hebben in, onder meer, sectorcomité X (Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap). Niet betwist is dat het VSOA wél beantwoordt aan de representativiteitsvoorwaarden bedoeld in artikel 7 van die wet. 1.3. Tijdens de vergadering van het HOC van 18 november 1997 wordt, met verwijzing naar het bericht in het Belgisch Staatsblad, vermeld dat het VSOA niet langer wordt erkend als een representatieve vakorganisatie. Niettemin wordt overeengekomen dat de betrokken afgevaardigden de vergadering als waarnemer zullen blijven bijwonen, dat wil zeggen dat de VSOA-afgevaardigden als volwaardige gesprekspartners aan de discussies zullen kunnen deelnemen, maar dat zij niet langer gerechtigd zijn de protocollen te ondertekenen. 1.4. Bij brief van 12 november 1998 laat Lucianus Van Rompaey aan de Hogeschool Gent weten dat hij voor het VSOA de nieuwe bestendige secretaris belast met de opvolging van de hogescholen is. Hij schrijft : “Als onderdeel van mijn taken zal ik geregeld als waarnemer de HOC- vergaderingen bijwonen. De bedoeling is onze leden en vertegenwoordigers op het veld concreet te ondersteunen. Mag ik aannemen dat u, zoals in het verleden, XII-2469-3/8 geen bezwaar maakt tegen de aanwezigheid van de VSOA-vertegenwoordiging”. 1.5. Op 13 september 1999 schrijft Lucianus Van Rompaey aan de Hogeschool Gent het ten zeerste te waarderen “dat u het VSOA in de hoedanigheid van technieker uitnodigt”. In dezelfde brief schrijft hij verder : “Wij wensen de VSOA-afvaardiging van het personeel, die als techniekers aan de HOC-vergaderingen deelnemen, opnieuw te vervolledigen als volgt : ...”. 1.6. Het VSOA zendt op 16 december 1999 volgend aangetekend schrijven naar de Hogeschool Gent : “Geachte voorzitter van de Raad van Bestuur, Geachte algemeen directeur, Met dit schrijven wens ik te wijzen op de verplichting die op uw hogeschool rust om het VSOA te laten zetelen in het hogeschoolonderhandelingscomité en de departementale onderhandelingscomités die overeenkomstig artikel 280 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap werden opgericht. Het kan u geenszins onbekend zijn dat de hogeschoolonderhandelings- comités en de departementale onderhandelingscomités organen ‘sui generis’ zijn, die los staan van de wet van 19 december 1974. Ze kunnen immers op geen enkele manier worden beschouwd als een onderhandelingscomité of een overlegcomité dat in uitvoering van die wet is opgericht. Bijgevolg gelden de representativiteitscriteria die in die wet worden vermeld slechts in de mate dat het decreet die criteria van toepassing verklaart. De enige decreetsbepaling die refereert naar de representativiteit voor de hogeschoolonderhandelingscomités en de departementale onderhandelings- comités is artikel 304bis, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd door het decreet betreffende het onderwijs X. Deze bepaling luidt ingevolge de wijziging als volgt : ‘De personeelsleden van het onderwijs die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties in uitvoering van het akkoord van sectorale sociale programmatie voor de jaren 1995 en 1996 voor de sector ‘Onderwijs’ van de Vlaamse Gemeenschap, bekomen : - ofwel een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs; - ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen. In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die een verlof wegens vakbondsopdracht genieten aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd. §2. voor de toepassing van dit artikel worden onder representatieve vakorganisaties verstaan de vakorganisaties die voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. XII-2469-4/8 Uiteraard kan een vakorganisatie slechts zinvol de ‘lokale comités’ ondersteunen indien zij in die comités mag zetelen. Vermits het VSOA een vakorganisatie is die voldoet aan artikel 7 van de wet van 19 december 1974 verzoeken wij u ons het VSOA als representatief te beschouwen voor het hogeschoolonderhandelingscomité en de departementale onderhandelingscomités binnen uw hogeschool. Ik wil u erop wijzen dat een eventueel stilzwijgen gedurende 4 maanden overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als een impliciet afwijzende beslissing zal worden beschouwd, waartegen het VSOA desgevallend een annulatieberoep zal instellen”. 1.7. Namens de Hogeschool antwoordt algemeen directeur Aelterman op 23 december 1999 het volgende : “Geachte voorzitter, In antwoord op uw aangetekend schrijven van 16 december 1999 (ref. RV/PB/896) kan ik U het volgende meedelen : - In art 281 §1 eerste lid van het hogescholendecreet wordt expliciet verwezen naar art 6 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel Dit artikel luidt : ‘Alleen respresentatieve vakorganisaties hebben zitting in de onderhandelingscomités’ - In art 281 §2 van het hogescholendecreet wordt verwezen naar ‘representatieve’ vakorganisaties. - Uit de memorie van toelichting van het hogescholendecreet (stuk 546(1993-1994) nr 1, p 211) blijkt, dat de decreetgever verwijst naar het syndicaal statuut. Het onderwijzend, administratief en technisch personeel van de Vlaamse Autonome Hogescholen is ingedeeld bij sectorcomité X. Het hogeschool- onderhandelingscomité handelt als een orgaan opgericht door of krachtens de wet op het syndicaal statuut. VSOA voldoet niet aan art. 8 van de wet op het syndicaal statuut. Ik hecht er aan U er nog expliciet op te wijzen dat de vertegenwoordigers van VSOA op dit ogenblik deelnemen aan de HOC, DOC en PWB vergaderingen. In toepassing van art 281 §2 laatste lid, werden zij in de delegatie van ACOD en COC opgenomen als technici. Het leek voor alle partijen verstandig om een vakorganisatie die voorheen representatief was en wellicht in de toekomst opnieuw representatief wordt, verder bij de werkzaamheden van het HOC, DOC en PWB te betrekken”. Het is in die antwoordbrief -en in het bijzonder in de laatste alinea ervan- dat de verzoekende partij de beslissing leest die zij bestrijdt; 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de bestreden beslissing een louter bevestigende beslissing is en dat door verzoekster “geen protest werd gevoerd” tegen de vroegere beslissing om haar niet als een representatieve vakorganisatie te beschouwen; dat zij daaruit afleidt dat het beroep laattijdig en dus niet ontvankelijk is; XII-2469-5/8 2.2. Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld de exceptie te verwerpen; dat, met een verwijzing naar het reeds voormelde arrest nr. 91.699 van 19 december 2000, wordt aangenomen dat de beslissing in de brief van 23 december 1999 niet louter bevestigend is aangezien de brief een antwoord is op een vraag van 16 december 1999 waarin nieuwe elementen zijn aangevoerd, inzonderheid een verwijzing naar artikel 304bis van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, en aangezien hij aldus een nieuwe uiting van de wil van de overheid bevat; dat verwerende partij, die geen laatste memorie heeft ingediend, deze zienswijze niet bestrijdt; dat ook de Raad van State geen reden daartoe ziet; dat de exceptie verworpen wordt; 3.1. Overwegende dat, wat de grond van de zaak betreft, de verzoekende partij de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van de materiële motiveringsplicht in combinatie met de artikelen 280, 281 en 304bis van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en met artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat zij stelt een vakorganisatie te zijn die voldoet aan de bepalingen van artikel 7 van deze wet; dat in het verslag van de auditeur wordt voorgesteld volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen : “Schenden de artikelen 281 en 304bis van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, al dan niet samen gelezen, de bevoegdheidsregeling vastgelegd in art. 127, § 1, eerste lid, 2/, van de Grondwet ?”. 3.2. Overwegende dat volgens het verslag de vraag er op gericht is het Arbitragehof het conflict te zien beslechten tussen de artikelen 127, § 1, eerste lid, 2/, van de Grondwet en artikel 87, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat, naar evenwel blijkt, het Arbitragehof in dit verband in zijn arrest nr. 44/2005 van 23 februari 2005 reeds beslist heeft wat volgt : B.14.5. Krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2/, van de Grondwet hebben de gemeenschappen de volheid van bevoegdheid voor het regelen van het onderwijs in de ruimste zin van het woord, behalve voor de drie uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen. Die bevoegdheid omvat onder meer het vaststellen van de regels betreffende de rechtspositie van het onderwijspersoneel, met inbegrip van de collectieve arbeidsverhoudingen. B.14.6. Volgens artikel 87, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de federale wetgever bevoegd om de collectieve arbeidsverhoudingen te regelen voor de gemeenschappen en de publiekrechtelijke instellingen die ervan afhangen, met inbegrip van het XII-2469-6/8 onderwijs. In zoverre die bepaling aldus een uitzondering toevoegt aan artikel 127, § 1, eerste lid, 2/, van de Grondwet kan zij niet worden toegepast.”; 3.3. Overwegende dat die vaststelling mogelijk niet zonder belang is ter beoordeling of er effectief reden is een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat het past partijen toe te laten zich over genoemd gegeven en de weerslag ervan op de prejudiciële vraagstelling uit te spreken; dat het overigens behoort dat de verzoekende partij, die geen laatste memorie heeft ingediend, bij die gelegenheid haar gebleven belang bij, en belangstelling voor, het beroep nader toelicht en beargumenteert, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. De zaak wordt vastgesteld op de zitting van 7 maart 2006, om 9.30 uur. XII-2469-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-2469-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.594 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.699 ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.700 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.301 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div