← België

Arrest 154603 - - 07/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.603 Rolnummer: A. 121381/X-10968 Zaak: Arrest 154603 - - 07/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:56 Fiche Arrest nr 154.603 van 7 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.603 van 7 februari 2006 in de zaak A. 121.381/X-10.

  1. In zake :
  2. Marina APERS,
  3. Paul VAN BROECK (in de vordering tot schorsing),
  4. Frans VAN GIJSEL (in de vordering tot schorsing), die woonplaats kiezen bij Advocaten M. STORME en I. ROGIERS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  5. tussenkomende partijen :
  6. het Gemeentelijk Havenbedrijf ANTWERPEN,
  7. de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, die woonplaats kiezen bij Advocaten D. D'HOOGHE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
  8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marina APERS op 22 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de besluiten van 18 maart 2002 van de Vlaamse Regering waarbij aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen c.q. de Afdeling Zeeschelde van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, c.q. Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen de volgende "bouwvergunningen" worden verleend :
  9. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen aangaande het bouwen van de kaaimuren voor het getijdendok, de aansluiting ervan op de oevers van de Schelde via een met verankerde damwanden verstevigde oeververdediging, het deels opbreken van wegen (jaagpad Sigmadijk, deel Liefkenshoekstraat en "het Geslecht"), het aanleggen van beperkte weginfrastructuur (jaagpad en vervanging van de Liefkenshoekstraat), alsook de aanleg van tijdelijke dijken om een deel van het X-10.968-1/24 dok na het vrijbaggeren te kunnen in gebruik nemen evenals de aanleg van spooromsluiting van het dok (hierna : bouwvergunning A); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Kieldrecht : 6e afdeling, sectie B/3; - deelgemeente Doel : 7e afdeling, secties B/2, C/1, C/2 en D/1; - deelgemeente Kallo : 8e afdeling, secties A/1, A/2 en E/1/
  10. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan de Afdeling Zeeschelde van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aangaande het uitvoeren van baggerwerken ter hoogte van het Deurganckdok - fase 1, 2 en 3; baggeren van een verbindingsgeul met de Schelde; afwerking van de bergings- zones S8, S9, S10, S11, S12 en C34 en ophoging van de bergingszones S13, S14, S15, S16, C45, C59, C60, C61, C62 en C63; bouw van een afsluitdam in het Doeldok; dempen van een gedeelte van Doeldok; ontbossing bergingszones C34; verruiming in de Schelde van de Drempel van Frederik en Zandvliet (hierna : bouwvergunning B); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren binnen de volgende kadastrale omschrijving; - deelgemeente Doel ; 7e afdeling, secties B/2, C1, C/2 en D/1; - deelgemeente Kallo : 8e afdeling, secties A/1, A/2 en E/1/2;
  11. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan de Afdeling Zeeschelde van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aangaande de aanleg van een leefbaarheidsbuffer nabij Doel (hierna : bouwvergunning C); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Doel : 7e afdeling, secties B/
  12. 4 De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan de Afdeling Zeeschelde van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aangaande het aanleggen van ontsluitingswegen, het aanpassen van de oprit op de ringauto- weg R2 (vak Liefkenshoektunnel - Beverentunnel), het aanleggen/aanpassen van de Sint-Antoniusweg, het Geslecht, de Sint-Annalaan, de Ketenislaan, Ploegweg, Oude Dijk en Sint-Jansweg; de aanleg van vier wegbruggen en een spoorwegbrug, en alle werken en handelingen zoals omschreven op de 32 tekeningen : plan D1 tot en met D32 en de beschrijvende nota (hierna : bouwvergunning D); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Kallo : 8e afdeling, secties A/2 en E/1/2/
  13. X-10.968-2/24
  14. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen aangaande het afgraven van het terrein "Paardenschor" tot het schorreniveau en het realiseren van een Scheldedijk op sigmahoogte over de lengte van het af te graven terrein (hierna : bouwvergunning E); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Doel : 7e afdeling, Sectie A - 4e.
  15. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen aangaande de aanleg van een plas met oever- en waterzones in het natuurgebied Drijdijck en aansluitend ecologisch deel van de volumebuffer (hierna : bouwvergunning F); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Kieldrecht : 5e afdeling, sectie A/
  16. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen aangaande de aanleg van een zoetwaterkreek in het ecologisch deel van de volumebuffer aan de rand van het zeehavengebied met tijdelijke agrarische bestemming (hierna : bouwvergunning G); de uit te voeren werken zijn gesitueerd op het grondgebied van de gemeente Beveren, binnen de volgende kadastrale omschrijving : - deelgemeente Kieldrecht : 6e afdeling, sectie C/
  17. De bouwvergunning toegekend door de Vlaamse Regering aan de N.M.B.S. aangaande de aanleg van de sporen van de containerterminal rond het Deurganckdok, evenals de aanleg van de bundel Kalishoek, Doelbundel, de verbindingssporen tussen deze bundels en de aansluiting op lijn 208 ter hoogte van "Geslecht" (hierna : bouwvergunning NMBS); Gelet op het arrest nr. 120.811 van 24 juni 2003 waarbij de verzoeken tot tussenkomst van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen in het administratief kort geding worden ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partijen worden gelegd; X-10.968-3/24 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 24 juli 2003 ingediend door Marina APERS; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 september 2003 ingediend door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 september 2003 ingediend door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen; Gelet op de beschikking van 17 september 2003 die de tussenkomst van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 31 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de dag van de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2005 waarbij voormelde beschikking van 29 juni 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de dag van de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. SMETS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. STORME, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; X-10.968-4/24 Gehoord het andersluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Ten aanzien van de rechtspleging. Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat het arrest nr. 120.811 van 24 juni 2003 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen heeft verworpen; dat de tweede en de derde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; Ten aanzien van de gegevens van de zaak. Overwegende dat de relevante feiten op omstandige wijze zijn uiteengezet in 's Raads arrest nr. 120.811 van 24 juni 2003; dat het volstaat daarnaar te verwijzen; Ten aanzien van de bevoegdheid van de Raad van State en de ontvankelijkheid van het beroep. 1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van de bestreden besluiten van de Vlaamse Regering laat gelden wat volgt : "A. Voorafgaandelijk
  19. Voor zover het verzoek gegrond is op middelen van Europees gemeenschapsrecht dient alle strijdige interne wetgeving buiten toepassing te worden gelaten (art. 10 EG), zowel regels van materieel recht als procedureregels. X-10.968-5/24
  20. Voor zover het verzoek gegrond is op middelen van intern recht dienen het Nooddecreet en het Bekrachtigingsdecreet buiten toepassing te worden gelaten wegens ongrondwettigheid, zonodig na het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, alsook wegens strijdigheid met art. 6 en 13 E.V.R.M., desgevallend juncto art. 14 E.V.R.M. (discriminatieverbod).
  21. Voor zover het verzoek inhoudelijk gegrond is op rechtstreeks werkende bepalingen van het E.V.R.M. (meer bepaald art. 8) dient eveneens alle strijdig intern recht buiten toepassing te worden gelaten (voorrang van het E.V.R.M., mede gezien art. 13 E.V.R.M.). B. Uitvoerbaarheid - aanvechtbaarheid
  22. Verweerders zullen vermoedelijk opwerpen dat het verzoek onontvankelijk is omdat de bestreden beslissingen bij decreet van 29 maart 2002 zijn bekrachtigd c.q. de uitvoerbaarheid ervan door het 'Nooddecreet' van 14 december 2001 van deze bekrachtiging afhankelijk is gesteld. Aangezien het verzoek mede gegrond is op middelen van Europees Gemeenschapsrecht moeten het Nooddecreet en het Bekrachtigingsdecreet echter buiten toepassing (...) worden gelaten voor zover strijdig met EU-recht. Dit is het geval in de mate waarin zij de R.v.St. zouden verhinderen om zich over de conformiteit van de bouwvergunningen met Europees recht uit te spreken. Niet-aanvechtbaarheid door de uitvoerbaarheid te laten afhangen van een decreet is in strijd met art. 10 EG-Verdrag. Er dient in het bijzonder te worden gewezen op het arrest Simmenthal (HJEG 9-3-1978, 106/77, Italiaanse Staatsfinanciën t. Simmenthal) : '
  23. Dat daarenboven, krachtens het beginsel van de voorrang van het Gemeenschapsrecht, de verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht der Lid- Staten tot gevolg hebben niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook - daar die bepalingen en handelingen onderdeel van hogere rang vormen van de op het grondgebied van elk der Lid-Staat (geldende) rechtsorde - dat zij in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voorzover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn.
  24. Dat immers de toekenning van enige rechtskracht aan nationale wetgevende handelingen die op het terrein komen waarbinnen de wetgevende bevoegdheid der gemeenschap geldt, of die anderszins met de bepalingen van het gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn, zou neerkomen op een ontkenning in zoverre van de werkingskracht van door de Lid-Staten bij het verdrag onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanvaarde verbintenissen, en aldus zou tornen aan de grondslagen zelf der gemeenschap; (...)
  25. Dat het nuttig effect van deze bepaling zou worden verkort, indien de rechter zou worden verhinderd aan het Gemeenschapsrecht rechtstreeks een toepassing overeenkomstig de beslissing of de rechtspraak van het Hof te geven;
  26. Dat uit één en ander volgt dat elke in het kader zijner bevoegdheid aangezochte nationale rechter verplicht is het Gemeenschapsrecht integraal toe te passen en door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de Gemeenschapsregel;
  27. Dat derhalve met de vereisten welke in die eigen aard van het Gemeenschapsrecht besloten liggen onverenigbaar is elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden de uitwerking van het Gemeenschapsrecht te verminderen doordat aan de inzake de toepassing van dit recht bevoegde rechter de macht wordt ontzegd aanstonds bij deze toepassing al het nodige te doen voor de X-10.968-6/24 terzijdestelling van de nationale wettelijke bepalingen die eventueel in de weg staan aan de volle werking van de Gemeenschapsregel;
  28. Dat zulks het geval zou zijn, indien bij een eventuele tegenstrijdigheid van een bepaling van het Gemeenschapsrecht met een latere nationale wet de oplossing van dit conflict zou zijn voorbehouden niet aan de tot toepassing van het Gemeenschapsrecht geroepen rechter, doch aan een met eigen beoordelingbevoegdheid bekleed ander gezag, ook al zou de hieruit voortvloeiende belemmering van dit recht slechts van tijdelijke aard zijn;
  29. Dat derhalve op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking dezer normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de - zelfs latere - nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enig andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten;
  30. Overwegend dat de tweede vraag in wezen inhoudt of - in geval zou worden aangenomen dat de bescherming van door de gemeenschapsbepalingen toegekende rechten kan worden geschorst totdat eventuele strijdige nationale maatregelen daadwerkelijk door de bevoegde nationale organen zijn opgegeven - deze opheffing in alle gevallen met volledige terugwerkende kracht moet geschieden ten einde elke verkorting van die rechten te voorkomen;
  31. Overwegend dat uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat de nationale rechter verplicht is zorg te dragen voor de bescherming van de door de bepaling der communautaire rechtsorde toegekende rechten, zonder dat hij de daadwerkelijke opheffing, door de hiertoe bevoegde nationale organen, van eventuele nationale maatregelen die in de weg zouden staan aan de rechtstreekse en onmiddellijke toepassing van de gemeenschapsregels, heeft te vragen of af te wachten'; M.a.w. dient Uw Raad het Nood- en bekrachtigingsdecreet zelfs ambtshalve buiten toepassing te laten in geval van onverenigbaarheid met Europees Gemeenschapsrecht. Niet alleen moet het buiten toepassing blijven in zover het inhoudelijk in strijd zou zijn met het Europees Gemeenschapsrecht, maar ook, en dat is hier het geval, in zoverre het de rechter, in casu Uw Raad verhindert, aan het Gemeenschapsrecht rechtstreeks toepassing te geven. Het mechanisme zelf waarbij aan een op basis van de gewone procedure af te leveren bouwvergunning, die in strijd komt met het Gemeenschapsrecht, onaanvechtbaar wordt gemaakt door de uitvoerbaarheid ervan te laten afhangen van een bekrachtiging door de wetgever, is aldus in strijd met het gemeenschapsrecht. Het is tevens nuttig te benadrukken dat het arrest-Simmenthal betrekking had op een zaak waar in volgens Italiaans recht de gewone rechter verplicht was om een uitspraak van het Grondwettelijk Hof af te wachten vooraleer intern recht terzijde te schuiven voor Europees recht. In onderhavig geschil moet benadrukt worden dat in tegenstelling tot het Italiaanse Grondwettelijk Hof, het Belgisch Arbitragehof zelfs in het geheel geen bevoegdheid heeft om interne akten te toetsen aan het Europees recht. Dit heeft tot gevolg dat de enige rechtsmacht die de mogelijkheid heeft een bouwvergunning te schorsen en te vernietigen wegens strijd met Europees Recht Uw Raad is en dat het ontnemen van die bevoegdheid aan Uw Raad door middel van uitzonderingsdecreten op zichzelf strijdig is met de Europeesrechtelijke eisen van doelmatige en minstens gelijkwaardige rechtsbescherming zoals uit art. 10 EG volgens. Zie de rechtspraak van het HJEG, in het bijzonder de arresten Rewe - Comet (HJEG 16-12-1976, nr. 45/76, Comet BV t. Produktschap voor siergewassen, en nr. 33/76 Rewe) evenals Oleificio Borelli (HJEG 3-12-1992, 97/91, Oleificio Borelli), Heylens (HJEG 15-10-1987, UNCTEF t. Heylens e.a., 222/86) en Johnston (HJEG 15-5-1986, 222/84 Johnston t. Royal Ulster Constabulary) X-10.968-7/24 Deze arresten worden mede gegrond op het beginsel van toegang tot de rechter neergelegd in art. 6 en 13 EVRM. Het moet bovendien gaan om een rechtsgang voor een rechter in de zin van een instantie die een prejudiciële vraag kan stellen. Dit betekent dat desnoods ook andere hindernissen (o.a. middelen van onontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid) van lidstatelijk procesrecht terzijde moeten worden gesteld. Zo kan het lidstatelijk recht de toegang tot de rechter ook niet beperken d.m.v. overdreven toelaatbaarheidsvoorwaarden. Het HJEG oefende zo in het arrest-Verholen (HJEG 11-7-1991, 87-89/90, Verholen e.a., SEW 1993, 163 n. S. PRECHAL) reeds toezicht uit op de eisen gesteld aan de procesbevoegdheid (hoedanigheid) en het procesbelang als toelaatbaarheidsvoorwaarden. Zie bv. ook voor een andere toepassing van het beginsel dat lidstatelijke regels moeten worden terzijde gesteld indien zij de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken het arrest-Peterbroeck. Deze rechtspraak wordt gegrond op Artikel 10 (ex artikel 5) EG-Verdrag ('De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak. Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen'). Uit hetgeen hierboven werd aangegeven, vloeien aldus belangrijke gevolgen.

(1)dat Uw Raad onbeperkt bevoegd is, en niet bv. de uitspraak van het Arbitragehof dient af te wachten (het Nood- en Bekrachtigingsdecreet zijn om die reden alleen al in strijd met het Europees recht), en
(2)er nog 100 Nood- en Bekrachtigingsdecreten mogen zijn, dat deze allen ter zijde moeten worden geschoven wanneer zij strijdig zijn met Europees Recht,
(3)naast de Besluiten die expressis verbis in het dit verzoekschrift worden aangegeven, art. 159 G.W. en art. 10 EU-Verdrag zelfs ambtshalve dient te worden toegepast t.a.v. van andere handelingen van de Wetgevende en uitvoerende macht die door verweerders zouden worden ingeroepen in hun aanvullende besluiten en strijdig zijn met Europees recht, men denke bijvoorbeeld aan het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen
  1. Ten aanzien van alle middelen, ook die van het intern recht geldt verder het volgende : de bepalingen van het nooddecreet die de uitvoerbaarheid van de bouwvergunning afhankelijk stellen van een decretale bekrachtiging en het bekrachtigingsdecreet zelf zijn strijdig met het grondwettelijke discriminatieverbod en met het E.V.R.M., in het bijzonder art. 6 en art. 13, al dan niet juncto art. 14 (discriminatie in bescherming grondrechten), al dan niet juncto art. 8 en art. 1, eerste protocol (als rechten ten aanzien waarvan er een inmenging in procedures, gebrek aan rechtsbescherming, en discriminatie is), en moeten dus buiten toepassing worden gelaten.
  2. De middelen van ongrondwettelijkheid (Nooddecreet) werden door verzoekers uiteengezet in het verzoekschrift Arbitragehof dat aan dit verzoekschrift wordt gehecht (procedure met rolnr. 23921)"; Overwegende dat de verzoekende partij, zo de Raad van State de decreten van 14 december 2001 en 29 maart 2002 niet ambtshalve buiten toepassing zou laten wegens onverenigbaarheid met het Europese Gemeenschapsrecht, verzoekt dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie; dat zij tevens verzoekt om zo nodig over de grondwettigheid van die decreten een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; X-10.968-8/24 1.
  3. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de vordering niet ontvankelijk is "qua voorwerp"; dat zij deze exceptie uiteenzet als volgt : "
  4. Op 14 december 2001 werd het decreet 'voor enkele bouwvergunningen waarvoor dringende redenen van groot algemeen belang gelden' door de Vlaamse Regering bekrachtigd. Dit decreet is er gekomen omdat het Vlaams Parlement heeft vastgesteld dat zij een eigen initiatief diende te nemen voor de realisatie van werken van 'dwingend groot algemeen en strategisch belang'. Dit decreet heeft niet als voorwerp de bekrachtiging van door Uw Raad onwettig bevonden rechtshandelingen, doch de invoering van vereenvoudigde procedures tot een snellere afhandeling van de uitvoering van een beoogd project en de vergunningen ervoor die, bij het volgen van de 'normale' decretale procedures perfect realiseerbaar zijn. Omdat het decreet dd. 14 december 2001 voorziet dat bij de gunning gebeurlijk een uitzondering kan worden gemaakt op de bestaande bestemmingen van de plannen van aanleg. Het decreet van 14 december 2001 voorziet in de artikelen 5 en 6 dat de vergunningen ter bekrachtiging dienen te worden voorgelegd aan het Vlaams Parlement (artikel 5) en dat werken eerst mogen worden uitgevoerd na de bekendmaking van het bekrachtigingdecreet in het Belgisch Staatsblad (artikel 6). Door bij decreet een dergelijk mechanisme in werking te stellen, heeft het Parlement aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid ontnomen om terzake autonoom, d.w.z. zonder tussenkomst van de decreetgever, uitvoerbare administratieve rechtshandelingen goed te keuren. Op 27 maart 2002 werd, conform de artikelen 5 en 6 voormeld, het decreet 'houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dringende redenen van groot algemeen belang gelden' door het Vlaams Parlement gestemd en het werd bekrachtigd door de Vlaamse regering op 29 maart
  5. De decretale bekrachtiging van de vergunning door Vlaams Parlement heeft tot gevolg dat deze vergunningen niet meer op een ontvankelijke wijze voor Uw Raad kunnen worden aangevochten. Door een wet of decreet bekrachtigde administratieve rechtshandelingen kunnen immers niet op ontvankelijke wijze worden aangevochten voor de Raad van State. Verzoekende partijen weten dat zij niet op ontvankelijke wijze Uw Raad kunnen adiëren inzake de bekrachtigde vergunningen. Op pagina 34 van het verzoekschrift verwijzen zij naar hun derde middel uit het verzoekschrift voor het Arbitragehof dat zij hernemen. In dat derde middel argumenteren verzoekers uitvoerig dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zijn. Na decretale bekrachtiging zijn de bestreden vergunningen dd. 18 maart 2002 niet langer aanvechtbaar. De decretale bekrachtiging van de besluiten van de Vlaamse Regering heeft tot gevolg dat de rechterlijke controle van de Raad van State vervangen wordt door het Arbitragehof. Door A. Alen wordt terzake uitdrukkelijk overwogen (...) : 'anderzijds veranderen de administratieve besluiten en verordeningen, eenmaal zij bij wetgevende norm bekrachtigd zijn, van natuur vallen zij, na dergelijke bekrachtiging, onder de bevoegdheid van het Arbitragehof '(Arbitragehof, nr 58, 8 juni 1988; nr. 71, 21 december 1988; nr. 2/89, 2 februari 1989)' (...) Het arbitragehof heeft de rechtelijke controle uitgeoefend op het decreet van 14 december 2001 'voor enkele bouwvergunningen waarvoor dringende redenen van groot algemeen belang gelden' en bij arrest nr. 94/2003 van 2 juli 2003 de vordering tot vernietiging verworpen en het beroep van verzoekende partij ongegrond verklaard. X-10.968-9/24
  6. Dat bij decreet/wet bekrachtigde besluiten niet langer aanvechtbaar zijn voor de Raad van State, doch enkel voor het Arbitragehof is vaste rechtspraak. Dat er terzake inderdaad een vaste rechtspraak bestaat moge afdoende blijken uit navolgend niet limitatief overzicht :
(1)In een procedure waar een door Uw Raad vernietigd besluit werd bekrachtigd, overweegt het Arbitragehof (...) : 'Overigens is het feit dat de burgers (..) tegenover de herstelde akte niet dezelfde jurisdictionele waarborgen hebben als tegenover de vernietigde akte, objectief verantwoord, het heeft te maken met het verschil dat de wetgever inzake de toetsing van de geldigheid van de normen heeft ingesteld tussen de wetgevende handelingen en de administratief rechterlijke handelingen.'
(2)Het Arbitragehof heeft in een ander arrest uitdrukkelijk overwogen (...) : 'B. 14.1 Door de inhoud van het K.B. van 28 oktober 1994 over te nemen, kan de bestreden wet geenszins beslissingen in het gedrang brengen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en die zijn gewezen door rechtscolleges die ten gronde hebben beslist over de geschillen die bij hen aanhangig zijn gemaakt. De bestreden wet zou echter tot gevolg kunnen hebben dat de partijen die dat K.B. voor de Raad van State hebben aangevochten of die aan de rechtscolleges van de rechterlijke orde vragen om het, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, niet toe te passen, hun belang verliezen om de procedures voort te zetten die geen aanleiding hebben gegeven tot een beslissing ten gronde die in kracht van gewijsde is gegaan. B. 14.2. Daaruit volgt dat, hoewel de bestreden wet geen enkel gevolg kan hebben voor de afgehandelde rechtsgedingen, zij wel gevolgen kan hebben voor de hangende rechtsgedingen en op die manier afbreuk kan doen aan jurisdictionele waarborgen in het nadeel van de categorie van burgers die zulke geschillen aanhangig hebben gemaakt. B. 14.3. Daaruit volgt echter niet noodzakelijk dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zouden zijn.'
(3)Er kan ook verwezen worden naar een ander arrest van het Arbitragehof waarin wordt overwogen (...) : 'Het Hof merkt bovendien op dat het bestaan zelf van deze beroepen en van onderhavige vorderingen tot schorsing aantoont dat, hoewel het optreden van de wetgever van die aard is dat het de verzoekende partijen verhindert de eventuele onregelmatigheden van de bekrachtigde koninklijke besluiten door de Raad van State te laten censureren, dat optreden hun evenwel niet het recht ontzegt de ongrondwettigheid van de wet waarmee de wetgever de vroeger door de Koning geregelde aangelegenheid zelf heeft geregeld, aan een rechtscollege voor te leggen. De verzoekende partijen zijn dus niet beroofd van hun recht op een effectief beroep.' (eigen accentuering en onderlijning)
(4)Het Arbitragehof overwoog eveneens expliciet (...) : 'De bekrachtiging van die bepalingen, die in overeenstemming is met artikel (...) heeft niet tot doel, noch tot gevolg een koninklijk besluit geldig te verklaren dat zonder wettelijke basis zou zijn. Aangezien die bekrachtiging, die uitdrukkelijk is voorgeschreven binnen de wettelijke termijn is gebeurd, kan zij niet worden geacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, zelfs al heeft zij een terugwerkend effect en zelfs al heeft zij de Raad van State onbevoegd gemaakt .' (eigen onderlijning en accentuering)
(5)Dat de bekrachtiging van een administratieve beslissing de rechtsmacht van de Raad van State uitschakelt, werd bevestigd door het Arbitragehof (...) : 'Dat decreet doet noch op formele wijze noch in uitdrukkelijke termen afbreuk aan de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Nochtans is dat in substantie uitsluitend de draagwijdte en het rechtsgevolg ervan, doordat het gaat om de geldigverklaring van individuele administratieve rechtshandelingen.' X-10.968-10/24 Benevens het Arbitragehof heeft ook Uw Raad reeds uitdrukkelijk geoordeeld dat bij wet/decreet bekrachtigde besluiten niet langer als een administratieve rechtshandeling kunnen beschouwd worden, en derhalve niet op ontvankelijke wijze ter beoordeling aan Uw Raad kunnen worden voorgelegd (...) : 'Overwegende dat het niet tot de bevoegdheid behoort van de Raad van State kennis te nemen van een beroep gericht tegen koninklijk besluit dat bekrachtigd is bij een wet;' (eigen accentuering en onderlijning) De bekrachtiging van een administratieve rechtshandeling heeft tot gevolg dat daartegen enkel vorderingen openstaan die tegen wetskrachtige beslissingen kunnen worden ingesteld, met name bij het Arbitragehof! De vordering van verzoekende partijen dient te worden verworpen wegens de onbevoegdheid van Uw Raad. 3. Zelfs indien een administratieve rechtshandeling na bekrachtiging nog voor Uw Raad zou kunnen worden aangevochten, quod non, kan er van een ontvankelijke vordering geen sprake zijn. Het nadeel dat verzoekers menen te ondergaan vloeit niet voort uit de bestreden beslissingen. Dat de werken mogen plaatsvinden is het gevolg van de Decreten dd. 14 december 2001 en 29 maart 2002. Dat de bestreden besluiten per se niet uitvoerbaar zijn, volgt ontegensprekelijk uit de artikelen 5 en 6 van het Decreet dd. 14 mei 2001. Beide artikelen luiden : Artikel 5 De stedenbouwkundige vergunningen die ter uitvoering van dit decreet werden verleend, worden voorgelegd aan de bekrachtiging door het Vlaams Parlement binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de dag waarop ze zijn verleend. Het Vlaams Parlement bekrachtigt de stedenbouwkundige vergunningen bedoeld in artikel 3 van dit decreet binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van indiening indien voldaan is aan de in artikel 4 van dit decreet omschreven voorwaarden. Indien binnen de voormelde termijn geen bekrachtigingsdecreet wordt goedgekeurd, worden de in artikel 3 bedoelde stedenbouwkundige vergunningen geacht niet te zijn verleend. Artikel 6 De in artikel 3 van dit decreet bedoelde stedenbouwkundige vergunningen zijn uitvoerbaar de dag na de bekendmaking van het bekrachtigingsdecreet in het Belgisch Staatsblad desgevallend in afwijking van artikel 5, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 128, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Indien bij het verlenen van de in artikel 3 bedoelde stedenbouwkundige vergunningen toepassing moet worden gemaakt van de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, staat die toepassing niet in de weg aan het vooraf verlenen van die stedenbouwkundige vergunning door de Vlaamse regering, en van hetgeen bepaald is in het eerste lid. De bestreden vergunningen zijn, gelet op de bepalingen van het Decreet van 14 december 2001 niet uitvoerbaar. Besluiten die niet uitvoerbaar zijn, kunnen niet op ontvankelijke wijze voor Uw Raad worden aangevochten. Dat besluiten die geen uitvoerbare kracht hebben niet voor schorsing en/of vernietiging voor Uw Raad in aanmerking komen, wordt in de rechtspraak en de rechtsleer met zoveel woorden bevestigd (...) : 'Administratieve maatregelen die per se geen uitvoerbare kracht hebben en geen gevolg hebben voor de rechtstoestand van de verzoeker, komen niet in aanmerking voor vernietiging.' (eigen onderlijning en accentuering) X-10.968-11/24 Het Decreet van 14 december 2001 voorziet in de bekrachtiging van (op dat ogenblik) nog te nemen administratieve beslissingen. Deze bekrachtigingvereiste ontneemt aan de bestreden beslissing hun zelfstandig (per
  1. se)uitvoerbaar karakter. Deze bekrachtigingvereiste is allerminst in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het decreet voorziet erin dat toekomstige administratieve rechtshandelingen decretaal worden bekrachtigd. Deze wettechniek is niet in strijd met internationale rechtsregels, deze rechtstechniek is evenmin in strijd met de grondwet. Daarover heeft het Arbitragehof reeds herhaaldelijk gesteld (...) : 'De (vooraf, door de wetgever) ingestelde procedure van bekrachtiging door de wet is niet in strijd met de artikelen van de grondwet doordat zij de controle van de wetgever op de uitoefening van de machtiging die hij (...) aan de Koning geeft, verstevigt'. En (...) : 'De bekrachtiging van die bepalingen, die in overeenstemming is met artikel (...) heeft niet tot doel, noch tot gevolg een koninklijk besluit geldig te verklaren dat zonder wettelijke basis zou zijn. Aangezien die bekrachtiging, die uitdrukkelijk is voorgeschreven binnen de wettelijke termijn is gebeurd, kan zij niet worden geacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, zelfs al heeft zij een terugwerkend effect en zelfs al heeft zij de Raad van State onbevoegd gemaakt.' De bestreden beslissing heeft door de bekrachtiging kracht van wet (decreet) gekregen. Deze bekrachtigingtechniek is in se niet onwettig (...). De bestreden bekrachtiging is per se nooit uitvoerbaar geweest. Onderhavige procedure is niet gericht tegen een aanvechtbare handeling. 4. De bestreden beslissing dient beschouwd te worden als voorbereidende handeling of voorstel. Voorbereidende handelingen of voorstellen zijn in principe niet aanvechtbaar voor Uw Raad. Verwerende partij kan terzake verwijzen naar de Rechtspraak van Uw Raad inzake de voorstellen van colleges van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraden. Uw Raad heeft in het verleden reeds meermaals geoordeeld dat een voorstel van beslissing dat door het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad wordt voorgelegd niet aanvechtbaar is (...). Ook in casu is er met betrekking tot de bestreden beslissing slechts sprake van een voorstel. Immers, de decreetgever is (was) niet verplicht de voorgestelde vergunningen middels decreet te bekrachtigen. Het is eerst door de opname van de bouwwerken in het decreet dd. 29 maart 2002 dat de werken mogen uitgevoerd worden. De bestreden beslissingen zijn niet meer dan handelingen ter voorbereiding van het werk van het Vlaams Parlement. Ook om deze reden zijn de bestreden beslissingen niet op ontvankelijke wijze aanvechtbaar voor Uw Raad. De Raad van State is onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vernietiging. De vordering dient als onontvankelijk te worden afgewezen"; 1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord staande houdt dat, al komt het de regelgevers van elke lidstaat toe om de bevoegde rechter aan te wijzen en de toepasselijke procesregels op te leggen, deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk wordt gemaakt; dat zij dit toelicht als volgt : X-10.968-12/24 "Met andere woorden, de autonomie van de lidstaten inzake aanwijzing van de bevoegde rechter en bepaling van de procedure wordt zelf ook beperkt door het gemeenschapsrecht. Bevoegheidsbepalende regels zowel als andere procedureregels zijn op zichzelf reeds in strijd met het gemeenschapsrecht in twee gevallen : - wanneer ze ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (equivalentie- of non-discriminatiebeginsel) - wanneer ze de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk maken (effectiviteitsbeginsel). 14. Er zijn dan ook meerdere arresten van het HJEG waaruit volgde dat een nationale rechter omwille van deze eisen van het gemeenschapsrecht een bevoegdheid kreeg die hij volgens het nationale recht niet had. Dit geldt in zekere mate reeds voor het arrest Simmenthal (HJEG 9-3-1978, C-106/77, Italiaanse Staatsfinanciën L Simmenthal), maar verder bv. ook in de arresten Factortame-1 (HJEG 19-6-1990, C-213/89, The Queen ex parte Factortame v. Secretary of State for Transport; bevoegdheid tot voorlopige maatregel tegen de overheid, bevoegdheid die de rechter naar intern recht niét had), Heylens (HJEG 15-101987, UNCTEF t. Heylens e.a., C-222/86), en Marshall-11 (HJEG 2-8-1993, C-271 191). Wat het equivalentie- of non-discriminatiebeginsel betreft oordeelde het Hof van Justitie EG verder in het arrest Rewe / H.ZA. Kiel, C-158/80 tenslotte 'het door het Verdrag ingevoerde stelsel van rechtsbescherming, zoals met name tot uitdrukking komend in art. 177, houdt in dat elk door het nationale recht geboden type van rechtsvordering moet kunnen worden gebruikt om de eerbiediging van rechtstreeks werkende gemeenschapsbepalingen te verzekeren op dezelfde voorwaarden inzake ontvankelijkheid en procedure welke zouden gelden indien het erom ging de eerbiediging van nationaal recht te verzekeren'. 15. In dit geval zijn het nooddecreet en het bekrachtigingsdecreet in de mate waarin zij dit éne specifieke geschil onttrekken aan de bevoegdheid van Uw Raad, manifest in strijd met dit gemeenschapsrechtelijk equivalentie- of non- discriminatiebeginsel, zoals verzoekers overigens reeds in hun verzoekschrift hebben betoogd, en zonder dat enige andere partij (...) dit punt hebben beantwoord. Op grond van de regel van het arrest Rewe / Kiel moét ook de procedure voor de Raad van State kunnen worden gebruikt om deze bouwvergunningen aan te vechten, wat immers gebeurt met middelen die geput worden uit EG-Richtlijnen, net zoals andere bouwvergunningen voor Uw Raad kunnen worden aangevochten. Dat er in dit ene geval een ongunstiger behandeling is, is evident : daar waar in normale gevallen verzoekers zowel de mogelijkheid hebben om de schorsing en nietigverklaring van een bouwvergunning te vorderen voor de Raad van State, als om de door de vergunde bouwwerken veroorzaakte schendingen van subjectieve rechten te doen sanctioneren door de burgerlijke rechter met toepassing van art. 159 Grondwet, is in dit geval de eerste mogelijkheid aan verzoekers ontnomen. De ongelijke behandeling is dus manifest. Daarbij moet worden opgemerkt dat, anders dan voor de toetsing aan art. 10 en 11 van de Grondwet , voor de schending van art. 10 EG het enkele feit van de minder gunstige behandeling volstaat, zonder dat moet worden nagegaan welke verantwoording voor dit onderscheid wordt gegeven. Dat dit onderscheid specifiek de uitoefening van op het gemeenschapsrecht gegronde vorderingen betreft, kan evenmin worden ontkend : het nooddecreet en bekrachtigingsdecreet waren er blijkens hun voorgeschiedenis specifiek op gericht de nadelen ongedaan te maken van een verwachte (en intussen ook uitgesproken) schorsing van het gewestplan wegens strijdigheid met Europese richtlijnen, en dus specifiek op gericht om aan verzoekers de bescherming te ontnemen die zij krachtens de normale regels van interne recht zouden hebben gehad tegen de bestreden bouwvergunningen, indien de toepassing van Europese X-10.968-13/24 Richtlijnen de zaak niet had 'gecompliceerd' (vanuit het oogpunt van de verwerende en tussenkomende partij welteverstaan). 16. Het gemeenschapsrechtelijk equivalentie- of non-discriminatiebeginsel moet overigens op een realistische en niet-formalistische wijze worden toegepast, zoals blijkt uit talloze arresten van het Hof van Justitie, dat zich in dit soort zaken geen rad voor de ogen laat draaien door motieven die 'pour les besoins de la cause' door de advocaten van de verwerende partij zijn opgemaakt en in de parlementaire werken werden ingeschoven, en waarmee men zorgvuldig de feitelijke toedracht - namelijk het uitschakelen van de Raad van State omdat ze de burgers een té effectieve bescherming van ook europees recht verschaft. Volgens het Hof van Justitie is voor een schending niet vereist dat er formeel een gewraakt onderscheid wordt gemaakt, wanneer de betrokken nationale bepaling in feite tot hetzelfde resultaat leidt als een discriminatie die in strijd is met het gemeenschapsrecht (zie bv. HJEG 10 februari 1994, C-398/92, Mund & Fester t. Hatrex, overweging 16; zie ook de reeds in het verzoekschrift geciteerde arresten zie het arrest-Johnston (HJEG 15-5-1986, nr. 222/84, Johnston t. Royal Ulster Constabulary); vgl. ook Marshall-1 (HJEG 26-2-1986 Marshall v. Southampton and South West Hampshire Area Health Authority', ontslag wegens bereiken van de pensioenleeftijd). Dit is in casu manifest het geval. 17. De exceptie van onbevoegdheid zou dus enkel kunnen worden aanvaard indien er een ander rechtscollege is dat bevoegd is de bestreden vergunningen aan het Europees Gemeenschapsrecht te toetsen en daarbij minstens dezelfde rechtsbescherming te bieden als diegene die geboden wordt bij de aanvechting van dergelijke vergunningen naar intern recht. Dergelijk rechtscollege bestaat niet in België. - Het Arbitragehof is manifest niet bevoegd om de vergunningen of het decreet dat ze bekrachtigt te toetsen aan het materiële Europees recht (de Vogel- en Habitatrichtlijn), aangezien art. 142 van de Grondwet een limitatieve opsomming geeft van de bevoegdheid van het Arbitragehof. Het is enkel wanneer in het kader van de toetsing aan de Grondwet incidenteel vragen rijzen over de interpretatie van Europees recht, dat het Arbitragehof een prejudiciële vraag kan stellen aan het Hof van Justitie. Uit de Belgische constitutionele orde vloeit voort dat in die gevallen waarin een wet of decreet kan worden getoetst aan een hogere norm andere dan deze bedoeld in art. 142 Grondwet - en dit is namelijk wanneer het gaat om toetsing aan supranationaal recht, deze toetsing niét aan het Arbitragehof is toevertrouwd, maar enkel aan de andere rechtscolleges. - De burgerlijke rechtbanken zijn niet bevoegd om een bouwvergunning of een decreet dat ze bekrachtigt erga omnes te vernietigen. Uit de Belgische rechtsorde vloeit voort dat een dergelijke bevoegdheid, wanneer ze niet aan het Arbitragehof toekomt, enkel aan de administratieve rechtscolleges, met name de Raad van State kan toekomen. Om die reden alleen al is de Raad bevoegd. 18. In ieder geval, ook de regels inzake aanwijzing van de bevoegde rechter en de regels die bepalen of de Raad van State bevoegd is of niet, moeten getoetst worden aan art. 10 EG-Verdrag. Toepassing van art. 10 EG leidt ertoe dat de Raad van State bevoegd moet zijn. Voor zover de Raad daaraan twijfelt, is zij verplicht een prejudiciële vraag te stellen aan het HJEG over de uitlegging van art. 10 en de gevolgen die dit artikel heeft voor haar bevoegdheid, c.q. voor bevoegdheidswijzigende of bevoegdheidsontnemende regels. Deze vraag wordt verder verwoord. 19. Tegen de hierboven gemaakte redenering wordt in het arrest nr. 120.811 een redenering aangevoerd die enkel maar pervers kan worden genoemd en manifest strijdig met de eisen van het Gemeenschapsrecht. In dat arrest wordt immers betoogd dat de bouwvergunningen in ieder geval niet kunnen worden aangevochten omdat : X-10.968-14/24 - enerzijds zonder de bekrachtiging ze niet uitvoerbaar zouden zijn en intussen vervallen, en dus ook bij buitentoepassinglating van het bekrachtigingsdecreet - en anderzijds zonder buitentoepassinglating van het bekrachtigingsdecreet ook niet kunnen worden aangevochten voor de Raad van State, omdat ze nu eenmaal decretaal bekrachtigd zijn. In deze redenering staart men zich blind op de zinsnede 'buiten toepassing laten' (van Nood- en bekrachtigingsdecreten), alsof de eisen van gelijkwaardige en efficiënte rechtsbescherming daartoe zouden kunnen worden gereduceerd en niet ook een positieve verplichting voor de lidstaten zouden inhouden om een gelijkwaardige en efficiënte rechtsgang te voorzien. De redenering is met name strijdig met de eisen van het Gemeenschapsrecht, omdat ze ertoe leidt dat géén enkel rechtscollege in België bevoegd zou zijn om de bestreden bouwvergunningen te vernietigen wegens strijdigheid met het Europees gemeenschapsrecht, terwijl uit art. 10 EG een positieve verplichting volgt om een dergelijke rechtsbescherming te voorzien (...). 20. Ook om andere redenen is de redenering fout. Op de eerste plaats zijn de bestreden bouwvergunningen natuurlijk wel uitvoerbare rechtshandelingen. Volgens de bepalingen van art. 5 en 6 het Nooddecreet zijn de bouwvergunningen uitvoerbaar de dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en de bekrachtiging ervan door het Vlaams Parlement. Deze bekrachtiging en bekendmaking hebben plaatsgevonden, zodat de handelingen uitvoerbaar zijn geworden. Verder moeten strijdige bepalingen natuurlijk enkel buiten toepassing worden gelaten in de mate waarin ze de toetsing aan het Europees recht en de rechtsbescherming hinderen, en natuurlijk niet in de mate waarin ze die toetsing mogelijk maken. Het bekrachtigingsdecreet moet dus niet buiten toepassing worden gelaten in de mate waarin het alleen maar inhoudt dat de bouwvergunningen uitvoerbaar worden. Overigens zou een buiten toepassing laten van het bekrachtigingsdecreet, anders dan arrest nr. 120.811 impliceert, niet maken dat de bouwvergunningen (geen) uitvoerbare rechtshandelingen meer zijn. Immers, aan de voorwaarden die art. 5 en 6 van het decreet stellen is hoe dan ook feitelijk voldaan (er is een parlementaire goedkeuring van het bekrachtigingsdecreet én publicatie in het B.S.), ook indien die decreten geheel of gedeeltelijk buiten toepassing zouden worden gelaten voor zover ze in strijd zijn met het Europees gemeenschapsrecht. Een dergelijk buiten toepassing laten doet aan het vervuld zijn van de voorwaarden voor uitvoerbaarheid géén afbreuk. Tenslotte miskent arrest nr. 120.811 dat indien énkel art. 5 en 6 van het nooddecreet buiten toepassing worden gelaten, de redenering evenmin opgaat, aangezien dan niet meer kan worden gezegd dat de aangevochten bouwvergunningen omwille van die art. 5 en 6 geen uitvoerbare rechtshandelingen zijn. 21. In ieder geval moeten ook de nationale regels die bepalen onder welke voorwaarden een bouwvergunning door de administratieve rechter kan worden getoetst aan het Europees recht, zoals de uit art. 14 Wetten Raad van State afgeleide regel dat een administratieve rechtshandeling slechts aanvechtbaar is nadat ze uitvoerbaar is geworden en niet meer aanvechtbaar is nadat ze decretaal is bekrachtigd, en de regels die beogen die aanvechtbaarheid voor de Raad van State uit te schakelen, zoals de bepalingen van art. 5 en 6 Nooddecreet; moeten op hun conformiteit met het Europees Gemeenschapsrecht worden getoetst. Art. 14 dient verplicht zo te worden uitgelegd dat de rechtsbescherming van het Europees recht niet wordt verminderd of uitgeschakeld. (...) 3. Strijdigheid van de bevoegdheidsontnemende decreetbepalingen met art. 13 en 14 EVRM (w.b. de beoordeling. van het vierde middel) X-10.968-15/24 De strijdigheid van de bevoegdheidsontnemende bepaling met art 13 EVRM (recht op daadwerkelijke rechtsbescherming) minstens juncto art. 14 EVRM (recht op een niet-discriminatie in de effectieve rechtsbescherming), die in het verzoekschrift werd aangevoerd voor zover het gaat om middelen gegrond op het EVRM en het eerste aanvullende protocol daarbij, is noch door de verwerende partij, noch door de tussenkomende partijen, noch door de auditeur betwist. De strijdigheid is manifest, zoals bv. blijkt uit het arrest-Johnston (HJEG 15-5-1986, nr. 222/84, Johnston t. Royal Ulster Constabulary) dat uitdrukkelijk stelt dat : 'het beginsel van de effectieve rechterlijke controle dat ten grondslag ligt aan het constitutionele erfgoed dat alle lid-staten gemeen hebben en dat eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, verzet zich ertegen dat aan een verklaring van een nationale autoriteit, dat voldaan is aan de voorwaarden om' (kort gezegd : een exceptie van algemeen belang bij een Europese regel te hanteren) 'een onweerlegbare bewijskracht wordt toegekend die elke toetsingsbevoegdheid van de rechter uitsluit'. Met andere woorden : de bekrachtiging van de bouwvergunningen door het Vlaams Parlement onder het mom van controle kan de toetsing door Uw Raad niet uitsluiten, op straffe van schending van art. 6 en 13 EVRM. Overigens hebben ook art. 6 en 13 niet alleen een negatieve werking op strijdige bepalingen, maar houden zij ook een positieve verplichting in om een effectieve en gelijkwaardige rechtsbescherming tegen beweerde inbreuken op het EVRM te organiseren. Indien geen enkel rechtscollege de bouwvergunningen kan vernietigen wegens strijdigheid met het EVRM, ontbreekt deze rechtsbescherming"; Overwegende dat zij haar verzoek herhaalt om zo nodig een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen omtrent de verenigbaarheid van de decreten van 14 december 2001 en 29 maart 2002 met het Europese Gemeenschapsrecht; 1.4. Overwegende dat de tussenkomende partijen antwoorden dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is wegens onbevoegdheid van de Raad van State om zich uit te spreken over de wettigheid van de bestreden beslissingen; dat zij deze exceptie uiteenzetten als volgt : "2.4. Betreffende de kennelijke onbevoegdheid van uw Raad Uit het voorgaande vloeit voort dat: - de bestreden besluiten slechts uitvoerbaar werden ten gevolge van de decretale bekrachtiging; voorheen waren zij dat niet, zodat zij toen ook geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen waren; - de bestreden besluiten, ten gevolge van hun decretale bekrachtiging, niet langer administratieve rechtshandelingen in de zin van artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn. Uw Raad is dan ook heden niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot schorsing en nietigverklaring. Uw Raad besloot dan ook terecht dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk was nu de bestreden beslissingen geen uitvoerbare en als zodanig voor vernietiging vatbare handelingen uitmaken (R.v.St., Apers e.a., nr. 120.811, 24 juni 2003). X-10.968-16/24 Uw Raad heeft zulks in het verleden trouwens reeds herhaaldelijk bevestigd. In verschillende arresten kwam hij tot het besluit dat de decretale bekrachtiging van besluiten van de Vlaamse Regering tot gevolg heeft dat uw Raad niet langer bevoegd is om de betrokken besluiten te vernietigen (R.v.St., Florizoone, nr. 85.406, 17 februari 2000; R.v.St., Duinpark-Bains, nr. 85.404, 17 februari 2000; R.v.St., nv Companie Het Zoute, nr. 87.039, 4 mei 2000). Eerder al had uw Raad overwogen dat het niet tot zijn bevoegdheid behoort kennis te nemen van een beroep gericht tegen een koninklijk besluit dat bekrachtigd is bij een wet (R.v.St., nr. 26.070, 15 januari 1986). In de rechtsleer wordt eveneens benadrukt dat besluiten, eens decretaal bekrachtigd, niet meer op ontvankelijke wijze voor uw Raad kunnen worden aangevochten. De decreetgever heeft de besluiten op dat ogenblik immers tot de zijne gemaakt, waaruit volgt : 'anderzijds veranderen de administratieve besluiten en verordeningen, eenmaal zij bij wetgevende norm bekrachtigd zijn, van natuur vallen zij, na dergelijke bekrachtiging, onder de bevoegdheid van het Arbitragehof' (A. ALEN, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer, 1995, nr. 300; cfr. Arbitragehof, nr. 58, 8 juni 1988; nr. 71, 21 december 1988, nr. 2/89, 2 februari 1989) Daarbij is te noteren dat het onderscheid in rechterlijke controle tussen uitvoeringsbesluiten en wetgevende normen, objectief verantwoord is : 'Overigens is het feit dat de burgers (...) tegenover de herstelde akte niet dezelfde jurisdictionele waarborgen hebben als tegenover de vernietigde akte, objectief verantwoord; het heeft te maken met het verschil dat de wetgever inzake de toetsing van de geldigheid van de normen heeft ingesteld tussen de wetgevende handelingen en de administratief rechterlijke handelingen.' (Arbitragehof, nr. 67/92, 12 november 1992) Door de decretale bekrachtiging wordt aan verzoekers dan ook niet het recht op een effectief beroep ontnomen. Hoewel het optreden van de wetgever tot gevolg heeft dat het de verzoekers verhindert de eventuele onregelmatigheden van de bekrachtigde besluiten door uw Raad te laten censureren, ontzegt dit decretaal optreden hen evenwel niet de ongrondwettigheid van de wettelijke norm waarmee de aangelegenheid geregeld wordt, aan een rechtscollege voor te leggen (Arbitragehof, nr. 38/2001, 13 maart 2001; nr. 49/2002, 13 maart 2002). Overigens is niet in te zien in welke zin de rechtsbescherming voor het Arbitragehof onvoldoende zou zijn. Er is, net als bij de Raad van State, een schorsings- en vernietigingsberoep voorzien. Via het gelijkheidsbeginsel kan het Arbitragehof andere grondwettelijke en internationaalrechtelijke bepalingen en beginselen bij zijn beoordeling betrekken, zonder weliswaar die bepalingen en beginselen rechtstreeks te toetsen. Het door verzoekers bij het Arbitragehof ingediende verzoekschrift is daarvan een voldoende bewijs. Te besluiten is hoe dan ook dat uw Raad, sinds de bestreden besluiten kracht van wet hebben verkregen, kennelijk niet bevoegd is ter beoordeling van de wettigheid van de bestreden besluiten, weze het in een schorsings- of een annulatievordering. 2.5. Betreffende de invloed van het Gemeenschapsrecht Verzoeker tot tussenkomst ziet niet in hoe uw Raad op grond van bepalingen van Europees Gemeenschapsrecht wel bevoegd zou kunnen zijn - of worden - om zich uit te spreken over de wettigheid van de hier bestreden beslissingen. Het Europees Gemeenschapsrecht doet geen afbreuk aan de internrechterlijke grondwettelijke regels inzake de verhouding tussen de wetgevende uitvoerende en rechterlijke macht. Verzoeker tot tussenkomst betwist daarbij niet de voorrang van het gemeenschapsrecht ten aanzien van nationale rechtsregels. Wel betwist wordt de stelling van verzoekende partijen als zou uw Raad op basis van het primauteitsbeginsel bevoegd zijn om kennis te nemen van dit geschil. X-10.968-17/24 Hierbij kan nuttig verwezen worden naar het arrest Simmenthal (EHJ, 9 maart 1978, 106/77, Administratie van de Staatsfinanciën tegen Naamloze Vennootschap Simmenthal), waarbij het Hof van Justitie tot de volgende bevindingen kwam : '[...] De rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht houdt in dat de regels vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle lid-staten moeten ontplooien. De rechtstreeks toepasselijke bepalingen zijn aldus een rechtstreekse bron van rechten en plichten voor allen die zij betreffen, ongeacht of het gaat om lid- staten of om particulieren; deze werking gaat evenzeer elke rechter aan, die aangezocht in het kader zijner bevoegdheid (...), als orgaan van een lid-staat tot taak heeft de door het Gemeenschapsrecht aan particulieren toegekende rechten te beschermen. [...]. De nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid (...), van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht, is verplicht zorg te dragen voor de volle werking dier normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de - zelfs latere- nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten. [...]. Dat uit een en ander volgt dat elke in het kader van zijner bevoegdheid aan- gezochte nationale rechter (...) verplicht is het Gemeenschapsrecht integraal toe te passen en door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de Gemeenschapsregel; Dat derhalve met de vereisten welke in die eigen aard van het Gemeenschapsrecht besloten liggen onverenigbaar is elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden de uitwerking van het Gemeenschapsrecht te verminderen doordat aan de inzake de toepassing van dit recht bevoegde rechter (...) de macht wordt ontzegd aanstonds bij deze toepassing al het nodige te doen voor de terzijdestelling van de nationale wettelijke bepalingen die eventueel in de weg staan aan de volle werking van de gemeenschapsregels; [...]'; Zoals verzoekende partijen terecht opmerken, wordt in het arrest Simmenthal de primauteit van het Europese Gemeenschapsrecht bevestigd. Zij merken eveneens terecht op dat dit beginsel de bevoegde rechterlijke instanties van de lidstaten verplicht om het nationaal recht in het licht van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht uit te leggen en dat iedere, in het kader van zijn bevoegdheid aangezochte nationale rechter, verplicht is het Gemeenschapsrecht integraal toe te passen en daarbij, indien nodig, de met het Gemeenschapsrecht strijdige bepalingen van het nationaal recht buiten toepassing te laten. Verzoekende partijen lijken daarbij evenwel uit het oog te zijn verloren dat het een aangelegenheid is van de Lidstaten om in de interne rechtsorde de bevoegde rechter aan te wijzen en de toepasselijke procesregels op te leggen (H.v.J., 16 december 1976, nr. 33/76). De primauteitsregel van het Gemeenschapsrecht kan dan ook slechts worden toegepast door de naar intern recht bevoegde rechter. Deze bevoegdheidskwestie moet dan ook voorafgaandelijk worden beoordeeld. Het arrest Simmenthal, waarnaar ook verzoekers verwijzen, doet aan deze regel geen afbreuk, wel integendeel. Telkens wordt immer benadrukt dat slechts de internrechtelijk bevoegde rechter belast is met de toepassing van het Gemeenschapsrecht op de wijze uiteengezet in voornoemd arrest. Uw Raad is overeenkomstig artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid van de hier bestreden - bij decreet bekrachtigde - beslissingen. Die onbevoegdheid X-10.968-18/24 heeft niets te maken met de niet eens ter discussie staande - vraag van de primauteit van het Europees Gemeenschapsrecht. Door de uitdrukkelijke aankondiging van verzoekende partijen in onderhavig verzoekschrift dat zij, naast het decreet van 14 december 2001, ook het bekrachtigingsdecreet van 29 maart 2002 bij het Arbitragehof zouden bestrijden - en door de effectieve indiening van een inmiddels verworpen verzoek tot schorsing en tot vernietiging bij het Arbitragehof -, lijken zij overigens zelf aan te nemen dat het Hof en niet uw Raad de bevoegde rechterlijke instantie is. Bovendien brengen zij thans een 'samenvatting' van de reeds ingeroepen middelen voor het Arbitragehof voor, waaruit eens te meer het kunstmatig karakter van huidige annulatievordering blijkt. Verzoeker tot tussenkomst acht het niet noodzakelijk om haar verweer inzake de grondwettigheid van het decreet van 14 december 2001, zoals omstandig uiteengezet in de procedure voor het Hof, in deze te hernemen. Vanzelfsprekend komt het uw Raad ook geenszins toe om te oordelen over de grondwettigheid van voornoemd decreet en/of het bekrachtigingsdecreet. (...)"; 1.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie verwijst naar de in de memorie van wederantwoord voorgestelde prejudiciële vragen die moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie, en voorstelt dat deze worden aangepast aan de in de zaak A. 98.746/X-9967 geformuleerde prejudiciële vragen; 1.6. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie staande houdt dat de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet moeten worden gesteld; dat zij voorts onder meer verwijst naar de arresten van het Arbitragehof nr. 94/2003 van 2 juli 2003 en nr. 151/2003 van 26 november 2003, waarin respectievelijk de beroepen tot vernietiging van het Nooddecreet en van het Bekrachtigingsdecreet worden verworpen; 2.1. Overwegende dat, luidens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de afdeling administratie van de Raad van State bevoegd is om bij wijze van arrest uitspraak te doen over de beroepen tot nietigver- klaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of hun organen, daarbij begrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de Rechterlijke Macht en van de Hoge Raad van Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel; X-10.968-19/24 2.2. Overwegende dat niet wordt betwist dat de bestreden besluiten van de Vlaamse Regering werden genomen met toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden; dat artikel 5 van dit decreet bepaalt : "De stedenbouwkundige vergunningen die ter uitvoering van dit decreet werden verleend, worden voorgelegd aan de bekrachtiging door het Vlaams Parlement binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de dag waarop ze zijn verleend. Het Vlaams Parlement bekrachtigt de stedenbouwkundige vergunningen bedoeld in artikel 3 van dit decreet binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van indiening indien voldaan is aan de in artikel 4 van dit decreet omschreven voorwaarden. Indien binnen de voormelde termijn geen bekrachtigingsdecreet wordt goedgekeurd, worden de in artikel 3 bedoelde stedenbouwkundige vergunningen geacht niet te zijn verleend"; dat artikel 6, eerste lid, van hetzelfde decreet, bepaalt : "De in artikel 3 van dit decreet bedoelde stedenbouwkundige vergunningen zijn uitvoerbaar de dag na de bekendmaking van het bekrachtigingsdecreet in het Belgisch Staatsblad, desgevallend in afwijking van artikel 5, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 128, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening"; 2.3. Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunningen werden bekrachtigd bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2002 houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden; dat die vergunningen ten gevolge van die bekrachtiging wettelijke normen zijn; dat de Raad van State derhalve, gelet op de omschrijving van zijn bevoegdheid bij artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de bevoegdheid mist om kennis te nemen van het beroep; 2.4. Overwegende dat het Arbitragehof, respectievelijk bij arrest nr. 94/2003 van 2 juli 2003 en bij arrest nr. 151/2003 van 26 november 2003, de beroepen tot vernietiging heeft verworpen van, respectievelijk, het decreet van 14 december 2001 en het decreet van 29 maart 2002; dat, nu verzoekster tegen die decreten geen andere grondwettigheidsbezwaren aanvoert dan deze welke zij heeft laten gelden voor het Arbitragehof, artikel 9, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof eraan in de weg staat dat de Raad van State zou ingaan op het verzoek om aangaande die decreten aan het Arbitragehof prejudiciële vragen te X-10.968-20/24 stellen; dat de Raad van State daarentegen gebonden is wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft; dat er derhalve van dient te worden uitgegaan dat de genoemde decreten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden in het raam van de aan het Hof voorgelegde annulatiemiddelen; 2.5. Overwegende dat verzoekster betoogt dat de decreten van 14 december 2001 en 29 maart 2002 buiten toepassing dienen te worden verklaard wegens strijdigheid met het Europese Gemeenschapsrecht in de mate dat erbij wordt voorzien in een bekrachtigingsprocedure door de decreetgever, waardoor de beoordeling van de conformiteit van de bestreden vergunningen met het Europese Gemeenschapsrecht aan de Raad van State wordt onttrokken; dat zij in dit verband betogen dat er geen nuttige toetsing aan het Europese Gemeenschapsrecht kan plaatsvinden nu de Raad van State de enige rechtsmacht is die de bestreden bouwvergunningen kan vernietigen wegens strijdigheid met het Europese recht en het Arbitragehof - de bevoegde rechter gelet op de bekrachtiging door de decreetgever - manifest niet bevoegd is inzake toetsing aan het materiële Europese recht; dat zij in subsidiaire orde verzoekt hieromtrent prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie; Overwegende dat de stelling van verzoekster is gebaseerd op de premisse dat alleen de Raad van State, mocht hij bevoegd zijn, de betrokken bouwvergunningen vermag te vernietigen wegens strijdigheid met het Europese Gemeenschapsrecht, terwijl het ten gevolge van de bekrachtiging bevoegde rechtscollege - het Arbitragehof - deze bevoegdheid niet bezit; dat deze premisse evenwel onjuist is; dat immers het Arbitragehof, in zijn arrest nr. 151/2003 een uitgebreide toetsing aan het Europese Gemeenschapsrecht heeft verricht; dat terzake kan worden verwezen naar de overwegingen B.21 tot B.24 van dat arrest; dat overigens ook in het arrest nr. 94/2003 een toetsing wordt verricht aan het Europese Gemeenschapsrecht; dat verzoekster in ieder geval niet aantoont argumenten ontleend aan de schending van het Europese Gemeenschapsrecht niet ter toetsing aan het Arbitragehof te hebben kunnen voorleggen; dat het niet terzake doet dat de toetsing door het Arbitragehof wordt verricht via een toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat zulks wel gevolgen heeft op het vlak van de juridische techniek, maar niets afdoet aan het gegeven dat het Arbitragehof vermag, of althans zijn bevoegdheid zo opvat dat het vermag, in het raam van zijn grondwettigheidscontrole, te toetsen aan het Europese Gemeenschapsrecht; dat het niet aan de Raad van State toekomt om de wijze waarop het Arbitragehof zijn X-10.968-21/24 bevoegdheid heeft opgevat, te kritiseren; dat de Raad van State enkel kan vaststellen dat het Arbitragehof de decreten van 14 december 2001 en 29 maart 2002 aan het Europese Gemeenschapsrecht heeft getoetst; dat het bijgevolg geenszins zo is dat de bestreden beslissingen, ten gevolge van hun bekrachtiging door de decreetgever, onaanvechtbaar op het vlak van de toetsing aan het Europese Gemeenschapsrecht zouden zijn geworden; Overwegende dat het aan de tot vernietiging van wettelijke normen bevoegde rechter - het Arbitragehof - en niet aan een daartoe niet bevoegde rechter - de Raad van State - toekomt om in voorkomend geval volle uitwerking te verlenen aan het Europese Gemeenschapsrecht; dat in dit verband de gevolgtrekkingen die verzoekster afleidt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, onder meer in het arrest van 9 maart 1978 in de zaak Simmenthal, onjuist zijn; dat die rechtspraak betrekking had op een tot het beslechten van het geschil bevoegde rechter die, vooraleer ten gronde uitspraak te kunnen doen, werd verplicht de beslissing af te wachten van een ander rechtscollege omtrent de conformiteit van een interne norm met het Europese Gemeenschapsrecht; dat uit die rechtspraak geenszins kan worden afgeleid dat de tot vernietiging van wettelijke normen bevoegde rechter - het Arbitragehof - moet wijken voor een daartoe onbevoegde rechter - de Raad van State; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de argumentatie van verzoekster betreffende de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op onjuiste premissen berust; dat hetzelfde geldt ten aanzien van de in het raam daarvan opgeworpen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie; dat die vaststelling volstaat opdat de Raad zich ervan ontslagen kan achten die vragen te stellen; dat derhalve niet dient te worden onderzocht welke gevolgen, met name op het vlak van het gezag van gewijsde, de Raad van State in voorkomend geval dient af te leiden uit de overwegingen B.22.4 tot B.24 van het arrest nr. 151/2003 van 26 november 2003 van het Arbitragehof; 2.6. Overwegende dat verzoekster ook aanvoert dat de decreten van 29 maart en 14 december 2001 de artikelen 6, 13 en 14 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden schenden; dat zij in dit verband vooreerst mutatis mutandis dezelfde argumentatie aanvoert als die met betrekking tot de mogelijkheid van toetsing aan het Europese Gemeenschapsrecht; dat dienaangaande kan worden verwezen naar overweging 2.5 X-10.968-22/24 van dit arrest; dat zij voorts verwijzen naar een voor het Arbitragehof aangevoerd annulatiemiddel in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 151/2003 van dit Hof; dat dienaangaande moet worden verwezen naar overweging B.11 van dat laatste arrest; dat de Raad van State is gebonden door het gezag van gewijsde waarmee die overweging is bekleed; 2.7. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de door de verwerende partij en de tussenkomende partijen opgeworpen exceptie van onbevoegdheid gegrond is; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring dient te worden verworpen; BESLUIT: Artikel 1. De afstand wordt vastgesteld in hoofde van de tweede en van de derde verzoekende partij. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij, voor de helft, en van de tweede en van de derde verzoekende partij, elk voor een vierde. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. X-10.968-23/24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. BAERT, staatsraad, J. SMETS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.968-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.603 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.811 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.