← België

Arrest 154610 - - 07/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.610 Rolnummer: A. 70314/X-6816 Zaak: Arrest 154610 - - 07/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 08:57 Fiche Arrest nr 154.610 van 7 februari 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.610 van 7 februari 2006 in de zaak A. 70.314/X-

  1. In zake : Noël DE SCHEEMAECKER, wonende te 8647 LO-RENINGE, Lolege 3 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël DE SCHEEMAECKER op 12 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 mei 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 31 augustus 1995 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning 021/130, vergund op 10 september 1980, voor een terrein gelegen aan de Bredabaan te Brasschaat, op een perceel kadastraal bekend Sectie H, nr. 251 t; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 21 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-6816-1/12 Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN WYNSBERGE die loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker eigenaar is van een perceel grond gelegen aan de Bredabaan 851 te Brasschaat, kadastraal bekend Sectie H, nr. 251 t; dat dit perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen is gelegen in woongebied; dat het tevens is gelegen binnen de grenzen van een gebied waarvoor door het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Brasschaat op 10 september 1980 een verkavelingsvergunning werd verleend onder refertenummer 021/130, bestaande uit vier kavels die worden bestemd tot "eengezinshuizen"; dat verzoeker op zijn perceel, zijnde kavel 4, een eengezinshuis heeft gebouwd; dat verzoeker het familiebedrijf van zijn vader heeft overgenomen en te dien einde een kantoorruimte heeft ingericht in zijn woning; dat op 13 september 1990 proces-verbaal is opgesteld lastens verzoeker wegens het uitbaten in voormelde woning van een winkel voor granen, zaden en benodigdheden voor duivensport; dat volgens dit proces-verbaal ongeveer 150 m2 van het 295 m2 grote gebouw werden ingericht als handelsruimte; dat verzoeker op 28 juli 1993 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Brasschaat een regularisatieaanvraag heeft ingediend tot het wijzigen, voor wat betreft lot 4, van de verkavelingsvergunning 021/130 van 10 september 1980; dat de aanvraag strekt tot de goedkeuring van de volgende gewijzigde voorschriften : "
  3. Bestemming : Eengezinswoning van het type open bebouwing waarbij maximum 200 m2 kan gebruikt worden voor de inrichting van een vrij beroep of handelsexploitatie. Het residentiële uitzicht van het gebouw dient steeds te blijven behouden.
  4. Inplanting van het hoofdgebouw : De zijgevels op minimum 4 m afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen. De som van de afstanden van elke zijgevel X-6816-2/12 tot de zijgrens van het perceelzalminimum9 mbedragen, gemeten op de voorgevelbouwlijn.
  5. Bijgebouw : Op 30 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw en met max. 15,0 m bouwdiepte. De bouwvrije strook bedraagt min. 4,0 m. De maximum te bebouwen oppervlakte bedraagt 120 m
  6. Parkeerruimte : Parkeerruimte dient te worden voorzien onder volgende voorwaarden: - in de voortuinstrook stallingscapaciteit voor max. 2 personenwagens. - in de strook voor gebouwen : max. één personenwagen per 40 m2 of fractie van 40 m2 vloeroppervlakte van alle lokalen bestemd voor of betrekking hebbend op een handelsexploitatie. De parkeeroppervlakte dient een minimum afmeting te hebben van 5,5 m op 2,5 m per wagen.
  7. Bouwvrije strook : Dient als tuin te worden aangelegd. Alleen het gedeelte dat als toegang tot de gebouwen en parkeerplaats wordt aangewend mag worden verhard"; dat verzoeker zich op 27 december 1993, met toepassing van artikel 54 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, tot de gemachtigde ambtenaar heeft gericht met het verzoek op zijn vergunningsaanvraag te beschikken omwille van het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen ter zake; dat de gemachtigde ambtenaar eveneens heeft nagelaten binnen de wettelijke termijn een beslissing te nemen; dat verzoeker op 23 maart 1994 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen de uit artikel 54 van de wet van 29 maart 1962 voortvloeiende impliciete weigeringsbeslissing; dat de bestendige deputatie bij besluit van 31 augustus 1995 het beroep van verzoeker heeft verworpen; dat verzoeker op 10 november 1995 bij de bevoegde Vlaamse minister beroep heeft ingesteld tegen voormeld weigeringsbesluit van de bestendige deputatie; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van verzoeker bij het thans bestreden besluit van 24 mei 1996 heeft verworpen; Overwegende dat verzoeker ondertussen het voorwerp was geworden van een strafrechtelijke vervolging; dat de Correctionele Rechtbank te Antwerpen hem op 15 januari 1996 heeft vrijgesproken, op grond dat voor een wijziging van het gebruik van een goed in afwijking van de verkavelingsvoorschriften geen vergunning vereist was; dat het Hof van Beroep te Antwerpen dit vonnis evenwel op 3 oktober 1997 heeft tenietgedaan, en verzoeker heeft veroordeeld wegens het instandhouden van een handelspand in strijd met de voorschriften van de genoemde verkavelingsvergunning nr. 021/130; dat het hof de beslissing over de herstelvordering, ingesteld door de gemachtigde ambtenaar, heeft uitgesteld tot na het eindarrest van de Raad van State over het voorliggende beroep tot nietigverklaring; X-6816-3/12 Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel, evenals machtsoverschrijding, doordat de minister de vergunning voor het wijzigen van de verkavelingsvoorschriften weigert, ook waar het de inrichting van een deel van het gebouw als kantoor voor één van de huisgenoten betreft, hoewel het gedeeltelijk gebruik van de eengezinswoning als kantoorruimte niet strijdig is met de verkavelingsvoorschriften en overigens een gebruikswijziging van een goed gelegen in een verkaveling niet bouwvergunningplichtig is, terwijl de vergunningverlenende overheid bij de vaststelling dat in feite geen noodzakelijkheid bestaat voor het wijzigen van de verkavelingsvoorschriften de vergunning niet vermag te weigeren, op straffe van machtsoverschrijding en de schending van artikel 57, § 2, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, en terwijl de vergunningverlenende overheid, wanneer de aanvrager in zijn beroepschrift en in een neergelegde nota aanvoert dat de wijziging van de verkavelingsvoorschriften gevraagd wordt onder voorbehoud dat hiertoe een noodzaak zou bestaan, minstens op dit essentiële punt een formele motivering dient aan te geven, zodat de minister, door de wijziging van de verkavelingsvergunning te weigeren zonder de wettelijke basis aan te duiden op grond waarvan een wijziging noodzakelijk zou zijn of een vergunningsplicht zou bestaan en over dit punt geen enkele motivering te geven, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt; Overwegende dat verzoeker voorts toelicht dat hij op zijn perceel een eengezinswoning heeft opgericht, dat hij samen met zijn echtgenote en drie kinderen in deze woning woont, dat hij een deel van zijn zaak in duivensportartikelen heeft overgebracht van Merksem naar Brasschaat daar zijn woning genoeg ruimte biedt voor een kantoor, dat de opslag blijft gebeuren in Merksem, dat de Bredabaan, waaraan zijn woning gelegen is, reeds een gemengd karakter kent, dat geen verbouwingswerken nodig waren en dat het kantoor geen hinder betekent voor de X-6816-4/12 omgeving, dat het kantoor qua uitzicht, hinder en frequentie van cliënteel vergelijkbaar is met de beoefening van een vrij beroep, dat het geen winkelverkooppunt is daar niet aan kleinhandel wordt gedaan, dat de woning nog steeds bestemd is als eengezinshuis, dat derhalve geen wijziging van de verkavelingsvoorschriften noodzakelijk was en dat de vergunningverlenende overheid dit had moeten vaststellen, dat verzoeker de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvoorschriften enkel heeft ingediend omdat het parket de strafrechtelijke vervolging had ingesteld en de gemachtigde ambtenaar een herstelmaatregel had gevorderd, dat die aanvraag is ingediend onder uitdrukkelijk voorbehoud van vergunningsplicht, dat de bestreden beslissing nergens aangeeft waarop zij de noodzaak voor de wijziging van de verkavelingsvoorschriften dan wel steunt, noch aangeeft waarom de aanwezigheid van een kantoor in een eengezinswoning waarin geen handelsverrichtingen plaatsvinden, de verenigbaarheid met de bestemming "eengezinswoning" zou uitsluiten; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw sprake is van een "wijziging van de verkavelingsvergunning", dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen "gebruikswijzigingen" en "andere wijzigingen", waaruit men kan besluiten dat elke wijziging van de vigerende verkavelingsvoorschriften valt onder voormeld artikel, dat hetgeen verzoeker beoogt in een zo aanzienlijke mate afwijkt van de inhoud van de bestaande verkavelingsvoorschriften dat het niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een wijziging van de verkavelingsvergunning, dat hij niet enkel een commercieel karakter wil toevoegen aan de bestemming "eengezinswoning", maar dat er daarenboven ook een aantal niet verwaarloosbare wijzigingen zijn van o.a. de bouwdiepte en de voorgevelbreedte, dat de voorgevelbreedte in het voorstel tot wijziging wordt voorzien op 25 m terwijl de voorgevelbreedte volgens de verkavelingsvoorschriften slechts 22,60 m mag bedragen, dat in de bouwvrije strook achteraan in een bijgebouw wordt voorzien met een oppervlakte van 120 m2 wat meer is dan het in de verkavelingsvoorschriften voorgeschreven bouwvolume van bergplaatsen (= 3% van de totale perceelsoppervlakte), dat rekening houdend met de oprichting van het bijgebouw achteraan, de lengte tussen de voorzijde van het hoofdgebouw en de achterzijde van het bijgebouw 38 m bedraagt terwijl de verkavelingsvoorschriften een bouwdiepte opleggen van minimum 8 en maximum 20 m, dat het voorstel van verzoeker wel degelijk moet worden beschouwd als een wijziging van de verkavelingsvergunning en aldus valt binnen het toepassingsgebied X-6816-5/12 van artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962, dat een vergunning dus moet worden aangevraagd, dat het bestreden besluit wel degelijk aangeeft waarop het de noodzaak voor wijziging van de verkavelingsvoorschriften steunt, dat er wordt verwezen naar de omvang van de door verzoeker doorgevoerde wijziging, dat de kenmerken van de door verzoeker doorgevoerde wijzigingen aanzienlijk afwijken van de in het bestreden besluit bepaalde verkavelingsvoorschriften, dat daaruit voortvloeit dat het uitgangspunt van het bestreden besluit is dat een wijziging van de verkavelingsvergunning diende gevraagd te worden, wijziging welke vergunningplichtig is in de zin van artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962, dat aangezien het bestreden besluit de vergunning voor de verkavelingswijziging weigert daaruit eveneens kan worden afgeleid dat de steller van het besluit uitgaat van een principiële vergunningsplicht, dat de verwerende partij dan ook wel degelijk, zij het impliciet, doch onbetwistbaar heeft geantwoord op de vraag van de verzoekende partij om het bestaan van de vergunningplicht vast te stellen; Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij niet heeft gesteld dat geen wijziging van de verkavelingsvergunning nodig zou zijn met betrekking tot de bouwvrije strook of de gevelbreedte, dat hij wel heeft aangevoerd dat het gedeeltelijke gebruik van de eengezinswoning als kantoor voor één van de huisgenoten niet strijdig is met de verkavelingsvoorschriften, dat hij zijn aanvraag heeft ingediend op uitdrukkelijk verzoek van de politie van Brasschaat en onder voorbehoud van de vergunningplicht voor zijn huidige activiteiten (kantoor), dat hij in zijn beroepschrift aan de minister heeft gevraagd dat de Vlaamse regering in de eerste plaats zou vaststellen dat "geen wijziging van de verkavelingsvergunning nodig is voor de huidige activiteiten van beroeper", dat in de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik wordt gemotiveerd op grond waarvan een vergunningplicht zou bestaan, en dat niet wordt geantwoord op de vraag of de omvorming van een deel van het huis tot kantoor, waarbij de hoofdbestemming van de woning wel degelijk wonen blijft, wel aanzien kan worden als een bestemmings- of gebruikswijziging, noch op de vraag of deze gebruikswijziging wel een wijziging van de verkavelingsvergunning noodzaakt, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, doch niet in de bestreden beslissing, stelt dat verzoeker een commercieel karakter wil toevoegen aan de bestemming "eengezinswoning", dat dit niet waar is, dat hij ter plaatse enkel een kantoor wil, dat uit het administratief dossier blijkt dat de adviesverlenende overheden van oordeel zijn geweest dat de inrichting van een kantoorruimte in een eengezinswoning gelegen in een verkaveling toegelaten is zonder wijziging van de verkavelingsvergunning, dat de minister in de bestreden X-6816-6/12 beslissing zwijgt over deze voor het dossier relevante opmerkingen van de gemeente en van de gemachtigde ambtenaar, dat artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962 niet bepaalt voor welke werken een wijziging van de verkavelingsvergunning moet worden aangevraagd, dat dit artikel enkel de procedure tot wijziging van een verkavelingsvergunning betreft, dat de verwerende partij niet meer mag afleiden uit dit artikel dan hetgeen het bevat, dat uit artikel 44 van de wet van 29 maart 1962, dat de bouwvergunningplicht instelt, moet worden afgeleid wanneer precies een wijziging van de verkavelingsvoorwaarden moet worden gevraagd, dat een wijziging van de verkavelingsvergunning immers enkel maar kan worden vereist voor die werken waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is, dat overeenkomstig artikel 44, § 1, 7/, van de wet van 29 maart 1962, zoals aangevuld bij decreet van 28 juni 1984, voor de gebruikswijziging in casu geen vergunning is vereist, dat de verwerende partij overigens niet betwist dat er ten aanzien van de bestemming van het gewestplan tot woongebied geen bestemmingswijziging wordt doorgevoerd, dat het bestreden besluit nergens aangeeft waarom de aanwezigheid in een eengezinswoning van een kantoor voor één van de huisgenoten, waarin geen handelsverrichtingen plaatsvinden, de verenigbaarheid met de bestemming tot eengezinswoning zou uitsluiten, en het evenmin aangeeft waarop het de noodzaak voor de wijziging van de verkavelingsvoorschriften dan wel steunt, dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen hij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel in zoverre een motiveringsgebrek wordt aangevoerd met betrekking tot de bestemmingswijziging, dat er ondertussen de besluiten zijn van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningplichtige functiewijziging en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is en van 26 april 2002 tot wijziging van dat besluit, dat artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt : "Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning: (...) het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie, voorzover deze functiewijziging voorkomt op een door de Vlaamse Regering op te stellen lijst van de vergunningplichtige functiewijzigingen", dat artikel 2, § 1, X-6816-7/12 van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 oorspronkelijk bepaalde : "Een stedenbouwkundige vergunning is nodig als de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed geheel of gedeeltelijk wijzigt van één van volgende functiecategorieën naar een andere : 1/ wonen; 2/ verblijfsrecreatie; 3/ dagrecreatie; 4/ landbouw in de ruime zin; 5/ handel, horeca, kantoorfunctie en diensten; 6/ industrie en ambacht"; dat die laatste bepaling bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 april 2002 is vervangen als volgt : "Een stedenbouwkundige vergunning is nodig als één van de hierna vermelde hoofdfuncties van een onroerend bebouwd goed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd in een andere hierna vermelde hoofdfunctie. Worden als hoofdfunctie beschouwd : 1/ wonen; 2/ verblijfsrecreatie; 3/ dagrecreatie; 4/ landbouw in de ruime zin; 5/ handel, horeca, kantoorfunctie en diensten; 6/ industrie en ambacht"; dat het bestreden besluit geen specifieke motivering behoeft in de mate dat het element, dat als een gebrek in de motivering wordt aangevoerd, duidelijk blijkt uit de wet of een besluit zelf, dat dit te dezen het geval is, dat het vaststaat dat er uitsluitsel is over de vraag of de verkavelingswijziging, in het licht van de gevraagde functiewijziging, vergunningplichtig is, dat immers een functiewijziging van eengezinswoning naar handel wordt gevraagd, dat uit de overige motieven van het bestreden besluit blijkt dat de gevraagde wijziging niet strookt met de goede ruimtelijke ordening van de omgeving, dat het vaststaat dat de overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit, op grond van de thans vigerende wetgeving en reglementering opnieuw tot weigering dient over te gaan; dat verzoeker aldus geen belang heeft bij zijn middel; Overwegende dat de wettigheid van het bestreden besluit moet beoordeeld worden op grond van de wetgeving en de reglementering die van kracht waren op het ogenblik dat het besluit genomen werd; dat verzoeker er dus belang bij heeft om aan te voeren dat de door hem doorgevoerde bestemmingswijziging geen wijziging van de verkavelingsvergunning behoefde, en dat dit had moeten worden X-6816-8/12 vastgesteld door de vergunningverlenende overheid; dat het feit dat de wetgeving en de reglementering op dit punt achteraf eventueel gewijzigd zouden zijn, het belang van verzoeker bij een dergelijk middel niet wegneemt; dat de door de verweerder opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoeker niet aangeeft waarin de schending zou bestaan van de in het middel ingeroepen algemene beginselen; dat het middel in zoverre onontvankelijk is; Overwegende, wat betreft de aangevoerde machtsoverschrijding en de aangevoerde schending van artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, dat de stedenbouwkundige voorschriften van een verkavelingsvergunning bindende voorschriften zijn; dat deze alleen kunnen worden gewijzigd middels een aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning, zoals op het ogenblik van het bestreden besluit bepaald door het genoemde artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962; Overwegende dat artikel 2.01 van de stedenbouwkundige voorschriften van de verkavelingsvergunning, verleend op 10 september 1980, bepaalt wat volgt : "Artikel 2 : PERCELEN BESTEMD VOOR VRIJSTAANDE BEBOUWING 2.
  8. BOUWSTROOK : Diepte 30 m, gemeten vanaf de voorgevelbouwlijn, gelegen zoals aangeduid op het plan. 1/ BESTEMMING Eengezinshuizen (...)"; Overwegende dat dit bestemmingsvoorschrift de inrichting voor een vrij beroep of een handelsexploitatie uitsluit, ook al zou de betrokken activiteit worden uitgeoefend in een onroerend goed dat daarnaast ook gebruikt wordt voor de bewoning van een gezin; dat de vergunningverlenende overheid dan ook terecht de aanvraag op grond van voormeld artikel 57, § 2, van de wet van 29 maart 1962 heeft beoordeeld, ook wat betreft de gevraagde wijziging van de bestemming; Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat deze artikelen bepalen dat eenzijdige X-6816-9/12 rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat het te dezen toepasselijke artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962, gelezen in samenhang met artikel 57, § 1, van die wet, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962; Overwegende dat de Vlaamse regering, wanneer zij op grond van artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962 in beroep uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag, optreedt, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden is al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden; dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke redenen deze is verantwoord; Overwegende dat verzoeker, op grond van de in de toelichting bij het middel uiteengezette redenen, voor de minister had betoogd dat geen wijziging van de verkavelingsvergunning vereist was voor het inrichten van een kantoor in zijn woning; Overwegende dat de Vlaamse minister, door te dezen uitspraak te doen over het door verzoeker ingestelde beroep, ook in zoverre dit betrekking heeft X-6816-10/12 op de weigering van de regularisatie van het in de woning ingerichte kantoor, er impliciet, doch zeker van uitgegaan is dat een wijziging van de verkavelingsvergunning wel degelijk vereist is; dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de minister dit uitgangspunt steunt, enerzijds, op de vaststelling dat de bouwloten volgens de verkavelingsvoorschriften "bestemd zijn voor eengezinswoningen", en anderzijds, op de vaststelling dat verzoeker op zijn lot niet enkel een eengezinswoning heeft opgericht, maar ook, "aansluitend bij deze woning een ruimte van ± 7,50 m bij ± 20 m, dienstig voor een handelszaak, heeft aangebouwd"; dat het bestreden besluit aldus de redenen opgeeft op grond waarvan de minister een wijziging van de verkavelingsvergunning vereist acht; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen; Overwegende dat het verslag opgesteld door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel; dat er grond is het onderzoek verder te zetten; BESLUIT: Artikel
  9. De debatten worden heropend. Artikel
  10. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-6816-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-6816-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.610 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.