id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.635 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 154635 - / - 07/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-17 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-30 10:56 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 154.635 van 7 februari 2006 - Beslissing : Samenvoeging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.635 van 7 februari 2006 A. 141.925/V-1673 A. 141.928/V-1674 In zake:
(1984), van het voornoemde koninklijk besluit van 10 december 1987, inzonderheid artikel 1, 2/, a en b, en van het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992, inzonderheid de artikelen 1, 7/, en 2, vierde lid; dat de tweede coördinatie voortvloeit uit artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992; dat de gezamenlijke middelen betrekking hebben op de inachtneming van de coördinatieplicht op federaal niveau; Overwegende dat er vóór de inwerkingtreding van het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992, in geen enkele coördinatie was voorzien; dat als gevolg van het arrest van het Arbitragehof nr. 1/91 van 7 februari 1991, waarbij artikel 3 van de wet van 30 juli 1979 vernietigd is omdat het een schending inhoudt van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre het de nationale overheid er zonder beperkingen toe machtigt om de normen betreffende de uitzendingen van private radio's te bepalen, en het diezelfde overheid aanwijst als de overheid die bevoegd is om de vergunningen tot exploitatie van dergelijke radio's te verlenen, de Koning het voormelde besluit van 10 januari 1992 heeft uitgevaardigd; dat dat besluit betrekking heeft op alle radiozenders, de openbare en de private; dat in artikel 2, eerste lid, daarvan, iedere gemeenschap de verplichting wordt opgelegd om bij het BIPT een aanvraag tot coördinatie in te dienen wanneer ze van plan is een frequentieplan uit te werken of daarin een wijziging aan te brengen; dat die coördinatieprocedure een substantieel vormvoorschrift van openbare orde is, aangezien ze gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de betrokken gemeenschap in haar verhouding tot de federale overheid en ze ook in het belang van de overige gemeenschappen is opgelegd; Overwegende dat uit de stukken van de dossiers, inzonderheid uit het technisch verslag van 25 november 2003, dat op verzoek van de auditeur-rapporteur V - 1673 - 1674 - 15/24 opgemaakt is door het BIPT, uit de informatie verstrekt door de eerste verzoekende partij en de tussenkomende partij, uit het verslag van de auditeur-rapporteur, en uit de debatten tijdens de terechtzitting van 23 maart 2004, blijkt dat er geen coördinatieprocedure heeft plaatsgevonden voor 21 frequenties genoemd in de bestreden handeling, terwijl de ingebruikneming van die zenders of de wijzigingen van de eigenschappen ervan dateren van na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 januari 1992; Overwegende inzonderheid dat - de hoogte van de antenne van de zender van Schoten op de frequentie 89,0 MHz zonder coördinatie van 130 meter op 139 meter is gebracht; - de zender van Waver-Overijse op de frequentie 89,5 MHz in 1994 zonder coördinatie verplaatst is naar Sint-Pieters-Leeuw, en de hoogte van de antenne ervan zonder coördinatie van 100 meter op 246 meter is gebracht; - de zender van Beveren op de frequentie 89,8 MHz in 1994 zonder coördinatie verplaatst is naar Nieuwkerken-Waas, en de hoogte van de antenne ervan zonder coördinatie van 37 meter op 59 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Egem op de frequentie 90,4 MHz zonder coördinatie van 250 meter op 258 meter is gebracht; - de zender van Waver-Overijse op de frequentie 91,7 MHz in 1994 zonder coördinatie verplaatst is naar Sint-Pieters-Leeuw, de hoogte van de antenne ervan zonder coördinatie van 100 meter op 246 meter is gebracht, en het vermogen ervan zonder coördinatie van 40 kW op 50 kW is gebracht; - het vermogen van de zender van Diest op de frequentie 32,4 MHz zonder coördinatie van 630 W op 1000 W is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Genk op de frequentie 93,0 MHz zonder coördinatie van 160 op 164 is gebracht; - de zender van Waver-Overijse op de frequentie 93,7 MHz zonder coördinatie verplaatst is naar Sint-Pieters-Leeuw, en de hoogte van de antenne ervan van 100 meter op 246 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Schoten op de frequentie 94,2 MHz zonder coördinatie van 130 meter op 139 meter is gebracht, en de richteffecteigenschappen van deze antenne zonder coördinatie gewijzigd zijn; - de zender van Leuven op de frequentie 94,8 MHz zonder coördinatie verplaatst is naar Veltem, en de hoogte van de antenne ervan van 20 meter op 78 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Egem op de frequentie 90,7 MHz zonder coördinatie van 200 meter op 258 meter is gebracht; V - 1673 - 1674 - 16/24 - de ingebruikneming van de zender van Schoten op de frequentie 96,4 MHz niet gecoördineerd is, en de hoogte van de antenne van die zender zonder coördinatie van 75 meter op 126 meter is gebracht; - de zender van Brussel op de frequentie 97,0 MHz zonder coördinatie verplaatst is naar Sint-Pieters-Leeuw, en de hoogte van de antenne ervan zonder coördinatie van 171 meter op 234 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Schoten op de frequentie 97,5 MHz zonder coördinatie van 130 meter naar 239 meter is gebracht, en de richteffecteigenschappen ervan zonder coördinatie gewijzigd zijn; - de ingebruikneming van de zender van Leuven op de frequentie 98,5 MHz niet gecoördineerd is; - de hoogte van de antenne van de zender van Egem op de frequentie 98,6 MHz zonder coördinatie van 250 meter op 258 meter is gebracht; - de ingebruikneming van de zender van Sint-Pieters-Leeuw op de frequentie 100,6 MHz niet gecoördineerd is, en de hoogte van de antenne van die zender zonder coördinatie van 180 meter op 246 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Schoten op de frequentie 100,9 MHz zonder coördinatie van 130 meter op 139 meter is gebracht, en de richteffecteigenschappen van deze antenne zonder coördinatie gewijzigd zijn; - de ingebruikneming van de zender van Egem op de frequentie 101,5 MHz na de inwerkingtreding van het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992 niet gecoördineerd is, en de hoogte van de antenne van die zender zonder coördinatie van 200 meter op 216 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Genk op de frequentie 102,0 MHz zonder coördinatie van 120 meter op 162 meter is gebracht; - de hoogte van de antenne van de zender van Egem op de frequentie 102,1 MHz zonder coördinatie van 250 op 258 meter is gebracht; Overwegende dat aldus bij de bestreden handeling zendfrequenties worden toegewezen aan de verwerende partij waarvoor ofwel geen coördinatieaanvraag is ingediend, ofwel deze aanvraag niet is afgehandeld, of waarbij eigenschappen van de zender, inzonderheid de hoogte van de antenne of het richteffect ervan, zonder coördinatie gewijzigd zijn; dat de bestreden handeling derhalve niet kan leiden tot een regularisatie van verplaatsingen van een zender, of van wijzigingen van de hoogte van de antenne ervan, van het vermogen of de richteffecteigenschappen ervan; dat ieder kenmerkend gegeven van een zender, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992, sedert de inwerkingtreding daarvan op 30 maart 1992, gecoördineerd moet worden; dat wat betreft de materiële gegevens in verband met de 21 frequenties die aan de V - 1673 - 1674 - 17/24 bovengenoemde zenders zijn toegewezen, de gezamenlijke middelen, wat de schending van het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreft, ernstig moeten worden geacht;
- Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft. Overwegende dat de eerste verzoekende partij, onder verwijzing naar de arresten nr. 105.634 van 18 april 2002, nr. 82.703 van 5 oktober 1999, en nr. 66.078 van 25 april 1997, uiteenzet dat de Raad van State op algemene wijze geoordeeld heeft "dat rekening behoort te worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet-vervullen van de verplichting inzake voorafgaande coördinatie op Belgisch niveau, net verhinderd heeft dat het al of niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden onderzocht", dat "het bestreden besluit bovendien de normale uitoefening van de bevoegdheden inzake radio-omroep belemmert, en (dat) het feit een belemmering te vormen voor de uitoefening van die bevoegdheden, of deze uitoefening zelfs voor een langere periode onmogelijk te maken, als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden beschouwd (RvS, nr. 53.697 van 13 juni 1995; RvS, nr. 66.078 van 25 april 1997; RvS, nr. 82.703 van 5 oktober 1999, overweging 3.2.3.; en RvS, nr. 105.634 van 18 april 2002)", dat, volgens de eerste verzoekende partij, de Raad in zijn rechtspraak in algemene zin geoordeeld heeft dat "het moeilijk te herstellen ernstige nadeel een specifiek karakter vertoont voor een grondwettelijk erkend onderdeel van het Rijk, zoals één van de gemeenschappen"; Overwegende dat de tweede verzoekende partij uiteenzet dat het bezigen van de frequenties door de verwerende partij een ernstige storing kan veroorzaken van verschillende frequenties die zij op wettige wijze gebruikt, en dat haar openbare- omroepopdracht ernstig verstoord zal worden ten nadele van alle Franstaligen in België, en dat, meer in het algemeen, luisteraars de mogelijkheid ontnomen wordt met een redelijk luistercomfort te luisteren naar één of meer programma's van de openbare radio-omroep, dat deze feitelijke toestand het haar niet alleen onmogelijk zal maken artikel 3 in acht te nemen van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de "Radio-Télévision belge de la Communauté francaise (RTBF)", en artikel 51 van het beheerscontract van de "Radio-Télévision belge de la Communauté francaise (RTBF)", goedgekeurd bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 11 oktober 2001, maar deze onvermijdelijk ook zal leiden tot een vermindering van haar aantal luisteraars, en bijgevolg van haar reclame-inkomsten, aangezien de luisteraars als gevolg van de gelaakte storingen onvermijdelijk naar andere zenders zullen overschakelen, die niet onder die storingen te lijden hebben; dat zij in algemene V - 1673 - 1674 - 18/24 zin aanvoert dat de Raad van State ook geoordeeld heeft "dat rekening behoort te worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet- vervullen van de verplichting inzake voorafgaande coördinatie op Belgisch niveau, net verhinderd heeft dat het al of niet hinderlijk karakter van de zenders kon worden onderzocht", waarbij zij zich steunt op arrest nr. 105.634 van 18 april 2002, overweging 4.3.2., en, in dezelfde zin, op de arresten nr. 82.703 van 5 oktober 1999 en nr. 66.078 van 25 april 1997; Overwegende dat de tweede verzoekende partij preciseert dat in concreto acht frequenties die door de verwerende partij aan de VRT zijn toegekend frequenties van de verzoekende partij zullen beïnvloeden, dat het bestreden besluit overigens de normale uitoefening van de bevoegdheden inzake radio-omroep belemmert, en dat het feit dat die uitoefening belemmerd wordt en zelfs gedurende een lange periode volledig onmogelijk gemaakt wordt, beschouwd moet worden als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en dat zij in dat verband verwijst naar arrest nr. 53.697 van 13 juni 1995, arrest nr. 66.078 van 25 april 1997, arrest nr. 82.703 van 5 oktober 1999 (overweging 3.2.3.) en arrest nr. 105.634 van 18 april 2002; dat zij besluit dat zij naast haar materiële schade ook morele schade lijdt, aangezien de goede reputatie die zij bij haar luisteraars geniet aangetast zal worden als haar frequenties gestoord worden en dat aldus vaststaat dat aan alle voorwaarden voldaan is om de bestreden handeling te schorsen, daar de aangevoerde middelen ernstig zijn en het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bewezen is; Overwegende dat de verwerende partij eraan herinnert dat zij heeft aangevoerd dat de Franse Gemeenschap geen enkel belang kan hebben aangezien er geen noodzaak tot coördinatie bestaat en dat bij ontstentenis van deze substantiële vormvereiste niet voldaan is aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en dat aangezien er geen coördinatieplicht bestaat er geen inbreuk gepleegd is op de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap en er ook geen sprake is van "een inbreuk dat een deelgebied niet zou moeten kunnen verdragen" en dat uit de aard der dingen voortvloeit dat het nadeel samenvalt met het onderzoek ten gronde van de zaak, inzonderheid wat het tweede middel betreft; dat zij ook heeft aangevoerd dat de RTBF geen belang heeft bij het beroep, aangezien haar nadeel niet bewezen is en er a fortiori geen sprake kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat zij erop wijst dat de tweede verzoekende partij zelf stelt dat enkel acht welbepaalde frequenties haar nadeel zouden kunnen berokkenen maar dat dat nadeel niet bewezen is en noch wegens de aard ervan als ernstig of zelfs onherstelbaar zou kunnen worden bestempeld; dat zij betoogt dat de tweede verzoekende partij zelfs niet tracht te bewijzen dat het beweerde, maar niet bewezen nadeel onomkeerbaar zou zijn en dat V - 1673 - 1674 - 19/24 haar beweringen slechts mogelijke scenario's en speculaties zijn die een schorsing niet kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het betoog van de eerste verzoekende partij antwoordt dat men er niet mee kan volstaan aan te voeren dat zijn prerogatieven worden aangetast, dat dat in elk geval niet kan worden aanvaard voor zenders die reeds vóór het bestreden besluit met dezelfde eigenschappen uitzonden en dat die verzoekende partij geen enkele aanwijzing geeft van een concreet nadeel dat zij zou lijden; Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het betoog van de tweede verzoekende partij van mening is dat men er niet mee kan volstaan de inwerkingstelling van de toegekende frequenties aan te voeren, dat dat in elk geval niet kan worden aanvaard voor zenders die reeds vóór het bestreden besluit met dezelfde eigenschappen uitzonden, wat het geval is voor een groot aantal frequenties en dat die verzoekende partij geen enkele aanwijzing geeft van enig concreet nadeel dat zij zou lijden; dat de tussenkomende partij de acht zenders waarover de tweede verzoekende partij klaagt, onderzoekt en gebruik makend van verscheidene methodes, een grondige technische analyse uitvoert; dat de tussenkomende partij ten aanzien van beide verzoekende partijen tot de conclusie komt dat alle vermeende storingen een foutieve weergave van de feiten zijn, dat die storingen niet te wijten zijn aan de VRT, maar dat zij, hetzij niet gegrond zijn, hetzij vanuit technisch oogpunt kunnen worden weerlegd en dat er dus geen sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat het onderzoek van het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel beperkt moet worden tot de frequenties die zijn toegekend aan zenders waarvoor de coördinatieprocedure niet conform het koninklijk besluit van 10 januari 1992 is gevolgd; dat dat gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel evenwel concreet onderzocht moet worden; dat uit het onderzoek van het BIPT met name blijkt dat het "niet abnormaal (is) dat de reële antennehoogte(s) "enkele meters" afwijken van de originele hoogtes zoals die in 1984 gespecificeerd zijn"; dat "indien de afwijking relatief klein is (...) dit trouwens geen effect (heeft) op de radiodekking of de stoorsituatie"; dat dienvolgens behoort te worden aangenomen dat lichte wijzigingen van de "wettelijke hoogte" van de antennes in verhouding tot de feitelijke hoogte, die, bij gebrek aan coördinatie onwettig zouden zijn, er niet mogen toe leiden dat men ervan uitgaat dat er een gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat; dat dit het geval is voor de volgende frequenties: 89,0 MHz toegekend aan de zender van Schoten waarvan de hoogte van de antenne V - 1673 - 1674 - 20/24 van 130 m op 139 m is gebracht, 90,4 MHz toegekend aan de zender van Egem waarvan de hoogte van de antenne van 250 m op 258 m is gebracht, 94,2 MHz toegekend aan de zender van Schoten waarvan de hoogte van de antenne van 130 m op 139 m is gebracht en waarvan het richteffect is gewijzigd, 95,7 MHz toegekend aan de zender van Egem waarvan de hoogte van de antenne van 205 m op 258 m is gebracht, 97,5 MHz toegekend aan de zender van Schoten waarvan de hoogte van de antenne van 130 m op 139 m is gebracht en waarvan het richteffect is gewijzigd, 98,6 MHz toegekend aan de zender van Egem waarvan de hoogte van 250 m op 258 m is gebracht, 100, 9 MHz toegekend aan de zender van Schoten waarvan de hoogte van de antenne van 130 m op 139 m is gebracht en waarvan het richteffect is gewijzigd en 102,1 MHz toegekend aan de zender van Egem waarvan de hoogte van de antenne van 250 m op 258 m is gebracht; dat dit gevaar evenwel bewezen moet worden geacht wat de frequenties betreft waarvan het richteffect van de antenne is gewijzigd, gelet op het feit dat het frequentieplan GE84 voorzag in directieve antennes terwijl de bestreden handeling de inwerkingstelling van niet-directieve antennes toestaat; Overwegende dat de Raad van State, in zijn arrest nr. 105.634 van 18 april 2002, gesteld heeft dat "niet van de verzoekende partijen kan worden geëist dat zij in het kader van deze schorsingsprocedure het bewijs leveren dat op de betrokken frequenties uitzendende zenders effectief zenders van de Franse Gemeenschap zullen storen en rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid precies heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden gevoerd; dat in zoverre de Vlaamse regering in artikel 3 van haar bestreden besluit frequenties reserveert welke zij zich voorneemt eerst na het beëindigen van de coördinatieprocedure toe te kennen, doch welke zenders van de Franse Gemeenschap kunnen storen eenmaal dit gebeurt, zij eveneens het beleid van die Gemeenschap hindert"; dat in hetzelfde arrest gewezen wordt dat artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vereist dat het nadeel reeds bestaat, doch slechts dat er een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat; dat het feit dat de storing van een zender door de verzoekende partij slechts als een mogelijkheid werd beschreven, niet voldoende is om het te beschouwen als een louter hypothetisch nadeel; dat in de loop van de niet afgewerkte coördinatieprocedure de verzoekende partij RTBF welbepaalde van de gevraagde frequenties als mogelijke oorzaken van storing heeft aangewezen en zulks steunde op berekeningen; dat zij de lijst van die frequenties herneemt in haar verzoekschrift; dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet naleven van de verplichting vooraf op het intern Belgisch vlak te coördineren, precies heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden gevoerd; dat V - 1673 - 1674 - 21/24 derhalve moet worden aangenomen dat wat haar betreft voor die bepaalde frequenties aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan; Overwegende in casu dat er geen grond is om de conclusies van dat arrest niet te volgen; dat voor de eerste verzoekende partij derhalve het gevaar bestaat voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de storingen die te wijten zijn aan de zenders waarvoor geen enkele coördinatie heeft plaatsgevonden overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 januari 1992; dat, met uitzondering van de zenders waarvan de hoogte van de antenne slechts licht is gestegen, de overige zenders de uitzendingen van de tweede verzoekende partij dreigen te storen; dat wat beide verzoekende partijen betreft, ervan uit moet worden gegaan dat de meeste wijzigingen in het frequentieplan van 1987 geschied zijn zonder coördinatie conform het voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992; dat het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vaststaat; Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die vervuld moeten zijn wil de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- De zaken met de nummers A. 141.925/V-1673 en A. 141.928/V-1674 worden samengevoegd in de procedure in kort geding. Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst ingediend door de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in de procedure in kort geding worden ingewilligd. Artikel
- V - 1673 - 1674 - 22/24 Geschorst wordt de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 waarbij de nodige frequenties voor analoge radio ter beschikking van de Vlaamse Radio- en Televisieomroep worden gesteld, wat betreft de volgende frequenties: 89,5 MHz toegekend aan de zender van Sint-Pieters-Leeuw; 89,8 MHz toegekend aan de zender van Nieuwkerken-Waas; 91,7 MHz toegekend aan de zender van Sint-Pieters-Leeuw; 92,4 MHz toegekend aan de zender van Diest; 93,0 MHz toegekend aan de zender van Genk; 93,7 MHz toegekend aan de zender van Sint-Pieters-Leeuw; 94,2 MHz toegekend aan de zender van Schoten; 94,8 MHz toegekend aan de zender van Veltem; 96,4 MHz toegekend aan de zender van Schoten; 97,0 MHz toegekend aan de zender van Sint-Pieters-Leeuw; 97,5 MHz toegekend aan de zender van Schoten; 98,5 MHz toegekend aan de zender van Leuven; 100,6 MHz toegekend aan de zender van Sint-Pieters-Leeuw; 100,9 MHz toegekend aan de zender van Schoten; 101,5 MHz toegekend aan de zender van Egem; 102,0 MHz toegekend aan de zender van Genk. Artikel
- De vorderingen tot schorsing worden voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het besluit waarvan de tenuitvoerlegging gedeeltelijk wordt geschorst. Artikel
- De kosten met betrekking tot de verzoeken tot tussenkomst ingediend door de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in de procedure in kort geding, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. V - 1673 - 1674 - 23/24 De beslissing over de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de e V kamer, rechtsprekend in kort geding, op zeven februari tweeduizend zes, door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, P. LIÉNARDY, staatsraad, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1673 - 1674 - 24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div