← België

Arrest 154668 - - 08/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.668 Rolnummer: A. 169930/VII-35359 Zaak: Arrest 154668 - - 08/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:58 Fiche Arrest nr 154.668 van 8 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.668 van 8 februari 2006 in de zaak A. 169.930/VII-35.359 In zake : XXX verblijvende te 1930 ZAVENTEM, Nationale Luchthaven Federale Politie - veiligheidsdetachement tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Braziliaanse nationaliteit, op 5 februari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel tot terugdrijving van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 januari 2006, met beslissing tot vasthouding in een welbepaalde, aan de grens gelegen plaats; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. KILOLO MUSAMBA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-35.359-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten. 1.
  2. Verzoekster kwam België binnen in
  3. Ze verklaart dat zij toen in het bezit was van een visum, geldig voor drie maanden. Na het verstrijken van deze termijn is ze in België gebleven, samen met haar minderjarig kind Aley Perreira Dos Santos. 1.
  4. Verzoekster ondernam in januari 2006 naar zij zegt een dringende reis naar Angola voor een periode van 15 dagen, teneinde een vriend te bezoeken die op dat moment daar verbleef. Ze verkreeg daartoe een visum voor kort verblijf van de Angolese autoriteiten. 1.
  5. Bij haar terugkomst naar België, op 30 januari 2006, nam de minister van Binnenlandse Zaken een bevel tot terugdrijving, met beslissing tot vasthouding in een welbepaalde, aan de grens gelegen plaats. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Niet in het bezit van een geldig visum (art. 3, eerste lid, 1/ /2/). Betrokkene is niet in het bezit van een machtiging die haar toestaat langer dan 3 maand op 6 maand op het grondgebied te verblijven. Betrokkene verblijft sinds 09.2004 reeds op het Schengen-grondgebied zonder hiervoor te beschikken over de nodige machtigingen, heeft nooit het gemeentebestuur in kennis gesteld van haar aanwezigheid op het grondgebied. Betrokkene kan door haar visumvrije nationaliteit 3 maand op 6 maand op het grondgebied verblijven, deze periode heeft ze reeds ruimschoots overtreden.”
  6. Beoordeling. 2.
  7. Algemeen. Op grond van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-35.359-2/4 2.
  8. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekster zet met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen dat zij zich heeft geïntegreerd in de Belgische samenleving, dat haar kind, over wie een Portugese vriend zich had ontfermd tijdens haar reis naar Angola, alleen dreigt achter te blijven, aangezien haar vriend niet meer in staat is om de opvang en de begeleiding van haar kind op zich te nemen. Zij stelt dat zij, noch haar kind over een geldig visum voor Angola beschikken en dat zij het gevaar loopt de vruchten niet te kunnen plukken van haar vele inspanningen om zich in België te integreren. De uitwijzing voor onbepaalde duur verstoort volgens haar de zorgvuldig opgebouwde vriendschapsbanden en maakt een schending uit van het recht op een privé- en gezinsleven. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat zij in België is gebleven na het verstrijken van de periode waarvoor haar visum gold. Zij geeft bijgevolg toe dat zij in België verbleef zonder geldige machtiging daartoe. Zij nam het risico om het Belgisch grondgebied, waar zij onrechtmatig verbleef, te verlaten. Zij wist of moest weten dat bij een illegale terugkeer haar de toegang tot het grondgebied kon worden geweigerd. Het door haar ingeroepen nadeel heeft zij enkel aan zichzelf te wijten. Een dergelijk nadeel kan uiteraard niet worden aangenomen.
  9. Er is niet voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden. Deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  11. VII-35.359-3/4 De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht februari tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-35.359-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.