id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.691 Rolnummer: A. 100199/VII-23171 Zaak: Arrest 154691 - - 09/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:58 Fiche Arrest nr 154.691 van 9 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.691 van 9 februari 2006 in de zaak A. 100.199/VII-23.
- In zake : de v.z.w. BETER BRUGGESTRAAT, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3 A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE en J. COLPAERT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82 tussenkomende partij : de n.v. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. BETER BRUGGE- STRAAT op 7 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 21 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij haar beroep tegen het besluit van 28 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende het verlenen van de vergunning aan de n.v. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER voor het verder exploiteren en het veranderen door wijziging en uitbreiding van een slachthuis, gelegen aan de Bruggestraat 140A te Ruiselede, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 107.090 van 29 mei 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; VII-23.171-1/13 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting en tot tussenkomst ingediend door de n.v. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER; Gelet op de beschikking van 11 juli 2002 die de tussenkomst van de n.v. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER toelaat; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. SERGEANT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. PROOT die, loco Advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich als volgt aandienen : 1.
- De verzoekende partij baat een slachthuiscomplex uit op het bovenvermelde perceel. VII-23.171-2/13 Dit complex ligt deels in gebied voor milieubelastende industrieën, deels in woongebied en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979). 1.
- Indertijd werd het nodig geacht voor het betrokken woongebied, voornamelijk de omgeving van de Bruggestraat, een bijzonder plan van aanleg op te maken teneinde het stedenbouwkundig mogelijk te maken het slachthuis te vergunnen. Het bij ministerieel besluit van 17 januari 1994 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg "Bruggestraat" werd evenwel door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 56.423 van 23 november
- 1.
- Op 3 april 1997 vraagt de tussenkomende partij de milieuvergun- ning voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting. Het concrete voorwerp van de aanvraag ziet eruit als volgt : "de eigenlijke slachterij en vriesopslag : ! transfo 1.000 kVA; ! loskaaien en wachtstal met 13 boxen voor 1.440 dieren; ! mestopslag : mestkelders 450 m3 + mesthoop 100 m3; ! slachtlijn met verdoving, CO2-installatie, broeikuip, 2 ontharingsmachi- nes, 3 wasmachines, 1 brander, 2 kapmachines, 1 reuzeltrekker, conveyers, pompen, stempelmachines : totaal 140 kW, capaciteit 3.500 varkens/dag; ! darmwasserij met darmreinigingsmachine 6 kW; ! machinekamer voor de koeling van compressoren (2 x 110 kW, 45 kW en 3 x 90 kW) totaal 540 kW; ! luchtcompressoren 30 kW, 3 x 22 kW, 18,5 kW en 2 x 7,5 kW totaal 125,5 kW; ! opslag van : - 500 ton afgewerkte vleesproducten, 420 ton karkassen, consump- tiebloed, 1 gekoelde bovengrondse tank 12.000 liter destructie- bloed, 1 gekoelde bovengrondse tank 30.000 liter; - slachtafval : gekoelde opslag van 30 m3; - container darmslijm, 1 tank van 8.000 liter darmslijm; - gekoelde container voor varkenshaar, 25.000 kg; ! opslag van : - diesel in bovengrondse tanks voor noodgroep (1.000 liter) en heftrucks (5.000 liter) (nieuw); - 60 liter vloeibare ammoniak in gasflessen; - 5.500 liter CO2 in bovengrondse tank; - bleekwater in vast opgestelde tank van 4.000 liter; - reinigingsproduct 1.000 liter in vaten en bussen van 20-25 l; - smeerolie 1.000 liter (5 vaten van 200 liter); - papier en karton 15.000 kg; ! labo; ! onderhoudswerkplaats met metaalbewerkingsmachines 6 kW; VII-23.171-3/13 ! noodgroep 250 kVA met dieselmotor; ! 2 batterijladers 1,5 kW; ! ketelhuis met stoomketel Elboma 1.160 kWth (3.500 liter), stoomketel Mahy 696 kWth (2.800 liter); ! brander slachthuis 3.132 kWth; ! stalling 4 heftrucks, 2 electrisch, 2 diesel aangedreven; ! wasplaats voor veewagens 40/dag; de versnijderij De Neve : vroeger De Keyzer-Vogelaere : ! versnijtafel en ontzwoerdmachine 4 kW; ! 2 hogedrukreinigers samen 12 kW; ! koelinstallaties 51,5 kW; ! 38 ton afgewerkte vleesproducten, 5 ton beenderen, 5 ton vetten; ! stalling 2 vrachtwagens en 2 aanhangwagens; ! gemeenschappelijke wasplaats voor de versnijderij op binnenkoer; ! opslag van mazout in ondergrondse tank 10.000 liter; ! dieselpomp vrachtwagens; ! reinigingsproduct 250 liter in vaten van 20 - 25 liter; ! papier en karton 2.000 kg; gemeenschappelijke voorzieningen : ! transfo's 630 kVA en 1.000 kVA; ! waterzuiveringsinstallatie, 3 67,5 kW, met een debiet van 30 m³/uur en 300 m /dag omvattende : - voorzuivering met roterende zeef en beluchte vetvang; - fysisch-chemische zuivering (met opslagtank voor 8 ton ijzer chloride); - biologische zuivering met beluchtingstank, 2 slibtanks en effluent- buffertank; - luchtcompressor 7,5 kW". De slachterij ligt deels in industriegebied voor milieubelastende industrieën en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, de versnijderij in woongebied en een waterzuiveringsinstallatie in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen willigt de aanvraag in bij besluit van 28 juli
- 1.
- Onder meer de verzoekende partij tekent hiertegen beroep aan bij de Vlaamse regering. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verleent een voorwaardelijk gunstig advies "voor het deel boven de aan te leggen bufferzone", en adviseert voor "het overige deel" ongunstig. De andere adviezen zijn gunstig. Met een ministerieel besluit van 5 februari 1998 worden de beroepen ongegrond verklaard en de beroepen beslissing bevestigd. VII-23.171-4/13 1.
- Dit ministerieel besluit wordt ten verzoeke van de huidige verzoekende partij respectievelijk geschorst in zijn tenuitvoerlegging en vernietigd met de arresten nrs. 78.705, van 11 februari 1999 en 87.037, van 4 mei
- 1.
- Gedurende de hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : - de afdeling Milieuvergunningen, op 13 juli 2000 : gunstig voor de inrichting, bevestiging van de beslissing in eerste aanleg; - de OVAM., op 19 juli 2000 : gunstig met betrekking tot het afvalstoffenaspect, ongunstig met betrekking tot de afvalwaterzuiveringsinstallatie; - de Vlaamse Landmaatschappij, op 31 juli 2000 : gunstig op voorwaarde dat de door de inrichting geproduceerde dierlijke mest wordt aangegeven en afgezet overeenkomstig de bepalingen van het meststoffendecreet; - de Vlaamse Milieumaatschappij, op 1 augustus 2000 : voorwaardelijk gunstig voor de lozing van afvalwater in oppervlaktewater; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, op 21 augustus 2000 : gunstig voor de inrichting, bevestiging van de beslissing in eerste aanleg; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, op 30 augustus 2000 : gunstig voor de delen in industriegebied en in woongebied omdat zij verenigbaar zijn met die bestemmingen; gunstig voor de delen in agrarisch gebied met toepassing van artikel 43, § 6-8 van het milieuvergunningsdecreet. 1.
- Met het thans bestreden besluit worden de administratieve beroepen ongegrond verklaard en wordt het in eerste aanleg genomen vergunnings- besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 juli 1997 bevestigd;
- Gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij haar eerste middel in essentie als volgt ontwikkelt : De plannen van aanleg hebben bindende en verordenende kracht en mogen bij beslissingen inzake milieuvergunningsaanvragen niet miskend worden, behoudens in de gevallen en in de vormen bij wet of decreet bepaald. VII-23.171-5/13 Voor de gebouwen in het agrarisch gebied wordt verwezen naar artikel 43, § 7 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 : van de gewestplanbestemming kan enkel worden afgeweken indien de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen o.m. inhoudt dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van de functies de aanwezige of te realiseren bestemming in de onmiddel- lijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van deze voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergun- ningsaanvraag. Die motivering moet de betrokkene toelaten om de beslissing met kennis van zaken aan te vechten voor de Raad van State en om deze laatste de legaliteitscontrole te laten uitvoeren. Er moet kunnen worden vastgesteld of de aangevoerde elementen in rechte en in feite juist zijn, correct werden beoordeeld en redelijkerwijze tot de aangevochten beslissing konden leiden. In casu is die bestemming woongebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In het administratieve beroepschrift heeft de verzoekende partij al verwezen naar ‘s Raads arrest in de procedure tegen de firma LANGERAET, waarvan de motivering wordt geciteerd met bijzondere verwijzing naar het volgende : "Bovendien wordt ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat de vergunde activiteiten die zich in agrarisch gebied situeren, aanhorigheden lijken te zijn van een versnijderij die een industrieel karakter bezit. Nochtans kunnen die aanhorigheden, wat hun impact betreft, niet zonder meer geïsoleerd worden van de hoofdzaak, de versnijderij". De toetsing inzake ruimtelijke ordening moet dus niet worden beperkt tot de onderdelen die prima facie in een zone liggen waar ze niet thuishoren maar moet de impact van de volledige inrichting betreffen. Er moet toepassing worden gemaakt van artikel 1.1.
- van Vlarem II, houdende o.m. de definitie van het begrip “milieu-technische eenheid”. Alle versnijderijen werkten immers meer dan tien jaar onder de milieuvergunning van de tussenkomende partij. De benadering door de verzoekende partij (dus het volledige complex, zowel in industriegebied als zonevreemd) lijkt logisch omdat anders elk bedrijf de aan een industriegebied grenzende percelen kan kopen voor parking, stock, burelen enz. die toch voor geen hinder zorgen. Dat de oppervlakte van 2 ha industriegrond niet meer volstaat voor het volledige slachthuis, toont juist aan dat de woon- en de agrarische bestemming in het gedrang komen. Dat de ruimtelijke draagkracht wordt overschreden blijkt ook uit de foto’s. VII-23.171-6/13 In de omgeving ligt nog een school en er loopt een enquête over de verkeersveiligheid; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar toelichtende memorie nog doet gelden dat met het bestreden besluit vergunning is verleend voor het exploiteren van een inrichting die gedeeltelijk in woongebied is gelegen, dat de vergunde inrichting onbestaanbaar is met die bestemming en dat de beweerde inspanningen van de exploitant om de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau te beperken geen afbreuk doen aan de schending van voormelde gewestplan- bestemming; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij tegen het middel hetzelfde verweer voert als in de schorsingsprocedure; dat dit verweer als volgt kan worden samengevat : A. Het middel heeft, blijkens de erin aangehaalde decreetsbepalingen en zijn inhoudelijke formulering, enkel betrekking op de onderdelen van de inrichting in (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied en niet op deze in woongebied. Waar impliciet de wettigheid van de vergunning voor de overige delen wordt aanvaard, rijst de vraag naar het belang bij het middel : men kan moeilijk de wettigheid van de vergunning voor onderdelen in agrarisch gebied betwisten als men ze voor het woongebied aanvaardt, nu in het bestreden besluit hetzelfde planologisch beoordelingscriterium werd gehanteerd. Voor zover het middel toch betrekking heeft op onderdelen van het bedrijf die in woongebied liggen, is het onvoldoende correct geformuleerd en geadstrueerd, zodat het onontvankelijk voorkomt. B. Bij lezing van het eerste middel blijkt dat de wettigheidsbezwaren niet zozeer op het bestreden besluit zijn gericht, doch dat eerder een herneming en een vraag tot bevestiging van een eerder arrest wordt gevraagd. Dat arrest (welk precies?) had betrekking op de firma LANGERAET en heeft geen uitstaans met huidig dossier. VII-23.171-7/13 C. Het wordt niet betwist dat de in agrarisch gebied gelegen delen van het bedrijf volledig deel uitmaken van de n.v. SLACHTHUIS DE COSTER en er een milieutechnische eenheid in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II mee vormen. Toch is het middel om de volgende redenen niet gegrond : - Iedere milieuvergunningsaanvraag moet worden getoetst aan de milieuhinderreglementering èn aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. Beide regelgevingen beogen echter totaal verschillende doelstellingen. - Het begrip "milieutechnische eenheid" uit Vlarem II heeft enkel betrekking op de milieuhinder. Op milieuhygiënisch vlak heeft de minister de aanvraag voor het gehele bedrijf beoordeeld : geur, geluid, verkeer enz. zijn onderzocht voor de globale exploitatie, onafhankelijk van de stedenbouwkundige ligging. - In de stedenbouwwetgeving is het begrip "milieutechnische eenheid" echter onbekend. De bestaanbaarheid van een bepaalde functie kan enkel worden beoordeeld binnen de toepassingssfeer van het plangebied waar die functie is gelegen. In casu ligt het bedrijf in drie bestemmingsgebieden, met dien verstande dat de samenstellende delen ervan telkens in slechts één bestemmingsgebied liggen. De overheid kan bij de stedenbouwkundige beoordeling niet anders dan per bestemmingsgebied nagaan of de daarin gelegen functies bestaanbaar zijn met die bestemming. Dat is in het bestreden besluit ook gebeurd. - Aldus heeft de minister voldaan aan het gestelde in het vernietigingsarrest van 4 mei 2000, nl. afdoende motiveren waarom de vanuit stedenbouwkundig oogpunt te onderscheiden onderdelen van de milieutechnische eenheid bestaanbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het plangebied waarin die onderdelen zijn gelegen. Eénzelfde (zonevreemd) bedrijf kan vergunbaar zijn in meerdere zones. (R.v.St., nr. 42.971, 17 mei 1993, ROOBROECK; R.v.St., nr. 27.042, 21 oktober 1986, V.Z.W. BETER LEEFMILIEU TESSENDERLO EN PALS). D. Op basis van voorgaande uitgangspunten kan het bestreden besluit geen motiveringsgebrek worden verweten. D.
- Inzake stedenbouwkundige evaluatie, verschilt het thans bestreden besluit wezenlijk van het eerder vernietigde ministerieel besluit van 5 februari
- VII-23.171-8/13 Er is uitvoering gegeven aan de overwegingen van dat arrest door formeel en afdoende aan te geven waarom de vanuit stedenbouwkundig oogpunt af te splitsen onderdelen van het bedrijf in agrarisch gebied en in woongebied bestaanbaar zijn met de aldaar geldende bestemmingsvoorschriften. Er is nominatief vastgesteld welke onderdelen in welk bestemmingsgebied liggen. - De werkelijke slachtactiviteiten liggen integraal in industriegebied, de bestaanbaarheid ervan met die bestemming staat vast en wordt niet betwist. - Anders dan in het vernietigde ministerieel besluit van 5 februari 1998, wordt thans uitgebreid gemotiveerd waarom de activiteiten in het woongebied (enkele frigo’s, een snijzaal, een kleine laadplaats, een lokaal voor opslag en reiniging van leeggoed, een deel van de snelkoeling en de machinekamer, een deel van de koeldiepvries, de sociale gebouwen en de burelen) aldaar toelaatbaar zijn. De minister heeft zich daarbij gehouden aan de door de Raad van State aangenomen criteria, te weten de motivering waarom die activiteiten niet in een daartoe geëigend bestemmingsgebied moeten worden afgezonderd en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, uitgaande van de bijzondere kenmerken van die omgeving en van de aard, de omvang en het intrinsiek storende karakter van de kwestieuze activiteiten. (R.v.St., nr. 55.939, 19 oktober 1995, MERMANS; R.v.St., nr. 56.358, 17 november 1995, FEYAERTS.) Aldus is in het bestreden besluit op basis van het gunstige advies van AROHM vastgesteld dat het beperkte aantal activiteiten in woongebied niet hinderlijk is (hetgeen de verzoekende partij niet betwist), dat de voorheen mogelijk hinderlijke activiteiten er zijn stopgezet (afbraak en buitengebruikstelling van de gebouwen in de bufferzone), dat tussen het industrie- en het woongebied effectief een bufferzone is aangelegd, dat de gebouwen tussen die bufferzone en het woongebied van het bedrijf werden afgesplitst. In alle redelijkheid kon dus worden gesteld dat die activiteiten als kleinbedrijf of als ambachtelijk zijn aan te merken, zodat er geen redenen zijn om te stellen dat de huidige activiteiten niet thuishoren in een woongebied, temeer daar werd vastgesteld dat de onmiddellijke omgeving geen bijzondere kwaliteiten of karakteristieken vertoont. - Voor de delen van de inrichting in agrarisch gebied is eenzelfde uitgebreide motivering opgebouwd. In het vernietigde ministerieel besluit van 5 februari 1998 was de bestaanbaarheid met die bestemmingsvoorschriften enkel gemotiveerd met VII-23.171-9/13 verwijzing naar de in de bouw- en de milieuvergunning opgelegde voorwaarden en aan die legaliteitskritiek is thans het gepaste gevolg gegeven. Aldus wordt vastgesteld dat een beperkte activiteit (nl. de waterzuiveringsinstallatie en de koeldiepvries) in agrarisch gebied ligt en wordt opgesomd aan welke voorwaarden die onderdelen moeten worden getoetst (artikel 43, § 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996). De voorwaarden worden per punt overlopen, met bijzondere aandacht voor de goede ruimtelijke ordening. Er wordt o.m. uitdrukkelijk gesteld dat de onderdelen in agrarisch gebied zeer beperkt zijn (geen werkelijke slachtactiviteit), dat het agrarisch gebied al structureel is aangetast en thans niet verder wordt aangetast, dat de locatie onmiddellijk aansluit bij het industriegebied, dat de activiteiten in agrarisch gebied niet storend zijn (hetgeen de verzoekende partij niet betwist), dat zwaar is geïnvesteerd met alle mogelijke hinderbeperkende maatregelen, dat de betrokken bouwwerken aan het zicht zijn onttrokken door een groenscherm. D.
- Inzake milieuhinder is een globale beoordeling van de milieutechnische eenheid t.a.v. het leefmilieu en van de onmiddellijke omgeving gebeurd in de zin dat alle hinderaspecten (geluid, geur, verkeer...) werden afgewogen tegen de integrale exploitatie (p. 16-21 bestreden besluit). Alle adviezen waren gunstig en alle geplande hinderbeperkende maatregelen zijn door het bedrijf uitgevoerd. De verzoekende partij blijft zich vastklampen aan vroegere vaststellingen van de rijkswacht, terwijl inmiddels de effectieve uitvoering van maatregelen èn de effectieve beperking van de hinder voor omwonenden, in alle milieu-adviezen uitdrukkelijk worden bevestigd. Er wordt verwezen naar de motivering op p. 12, 15, 18, 19 en 20 van het bestreden besluit. Het valt niet in te zien hoe de verzoekende partij in die gewijzigde situatie haar vroeger ontwikkelde argumentatie kan handhaven. Het middel is ongegrond; 2.1.
- Overwegende dat de bovenstaande argumenten als volgt worden beoordeeld : 2.1.5.
- De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift niet alleen naar de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied, maar ook naar de bestemming woongebied. Het middel heeft betrekking op alle door de verzoekende partij als zonevreemd beschouwde onderdelen van de inrichting. VII-23.171-10/13 2.1.5.
- In het bestreden besluit worden de in woongebied gelegen delen van de inrichting als volgt opgesomd : frigo’s, afgewerkte vleesproducten en karkassen, een snijzaal, een laadplaats, een lokaal "opslag en reiniging van leeggoed", een deel van de snelkoeling en de machinekamer, een deel van de koeldiepvries, de sociale gebouwen en de burelen. Er wordt overwogen dat deze activiteiten niet hinderlijk zouden zijn voor het woongebied en dat de hinderlijke activiteiten in woongebied stopgezet zijn, zodat er geen redenen zouden zijn om te stellen dat de huidige activiteiten niet thuishoren in een woongebied, aangezien ze geen aanleiding geven tot visuele, geluids- noch geurhinder en ze derhalve niet moeten worden afgezonderd in een daartoe bestemd gebied. Na een beschrijving van het omgevende woongebied met verwijzing naar een intense verweving van handels- en nijverheidsactiviteiten en een twintigtal woningen langs de Bruggestraat, wordt besloten "dat de inrichting bestaanbaar is met de bestemming woongebied, aangezien : - de activiteiten die zich in het woongebied situeren als kleinbedrijf of ambachtelijke activiteit moeten beschouwd worden; - deze onderdelen van de inrichting geen hinderlijk of storend karakter hebben; - het woongebied niet gekenmerkt is door echt bijzondere karakteristieken zodat de inplanting van die activiteiten er onaanvaardbaar zou zijn; dat hieruit ook kan worden besloten dat de inrichting verenigbaar is met haar onmiddellijke omgeving; (...)". 2.1.5.
- Artikel 5, 1.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt : "De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving". Uit het concrete voorwerp van de desbetreffende aanvraag (zie hoger punt 1.3) blijkt duidelijk dat het betrokken slachthuiscomplex uiteraard geen woonfunctie heeft, doch evenzeer dat het niet kan beschouwd worden als een inrichting bestemd voor "handel, dienstverlening, ambacht of kleinbedrijf". Ook de hiervoor vermelde onderdelen van het slachthuis vervullen klaarblijkelijk geen woonfunctie. Ze vormen een geïntegreerd deel van het complex, VII-23.171-11/13 en sluiten ruimtelijk onmiddellijk aan bij de in gebied voor milieubelastende industrieën gelegen onderdelen van het industrieel complex. Dat het begrip “milieu- technische eenheid” geen stedenbouwkundige finaliteit heeft is in deze niet van belang. Aldus beschouwd vergunt het bestreden besluit een inrichting die gedeeltelijk gelegen is in woongebied en onbestaanbaar is met die bestemming. 2.1.5.
- Dat het bedrijf de laatste jaren vele inspanningen zou hebben geleverd om de hinder die het veroorzaakt te beperken, doet aan de vastgestelde schending van de gewestplanbestemming geen afbreuk. Ook de milieuhygiënische motivering van het bestreden besluit kan die stedenbouwkundige onverenigbaarheid niet verhelpen. 2.1.5.
- Het middel is bijgevolg gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 21 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij het beroep van de v.z.w. BETER BRUGGESTRAAT tegen het besluit van 28 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende het verlenen van de vergunning aan de n.v. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER voor het verder exploiteren en het veranderen door wijziging en uitbreiding van een slachthuis, gelegen aan de Bruggestraat 140A te Ruiselede, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-23.171-12/13 De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.171-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.691 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.