← België

Arrest 154692 - - 09/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

, §1, 1/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), van artikel 30 van Vlarem I, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van "de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht"; dat in een eerste onderdeel verzoeker doet gelden dat in de bestreden beslissing en in de adviezen de inrichting nu eens als een nieuwe inrichting wordt beschouwd en dan weer als een bestaande veeteeltinrichting, dat de vergunning wordt geweigerd vanuit het uitgangspunt dat het om een nieuwe inrichting gaat, terwijl volgens de definitie van artikel 2, 5/, van het meststoffendecreet de inrichting niet nieuw is, omdat wel degelijk voor het aanslagjaar 1993 aangifte werd gedaan bij de Mestbank; dat verzoeker stelt: "De motivering van de bestreden beslissing is dan ook onvolledig, foutief en tegenstrijdig. Op een dergelijke niet afdoende motivering kan geen beslissing steunen. Bovendien wordt in de bestreden beslissing alleen melding gemaakt van art.

§1

1/, terwijl ook de voorwaarden uit art.

§1

3/ worden onderzocht, zonder dat hieraan een gevolg ten aanzien van dit artikel wordt gekoppeld."; dat verzoeker in een tweede onderdeel nog het volgende aanvoert: "Indien er wordt uitgegaan van een 'bestaande veeteeltinrichting' dan moeten alle voorwaarden worden onderzocht die worden gekoppeld aan de mogelijkheid om een milieuvergunning te bekomen, zoals voorzien in het voormelde artikel

, § 1, 3/ van het mestdecreet. De bestendige deputatie stelt vast dat de opgegeven fosfaatproductie volledig werd afgezet, conform de bepalingen van het mestdecreet en dat bovendien voldaan werd aan de aangifte gedurende de drie voorafgaande kalenderjaren. VII-23.781-4/14 Zij stelt wel vast dat er een stijging is van de vergunde mestproductie. Er wordt immers bepaald dat de vergunde mestproductie 0 kg bedraagt. In het advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 11 december 2000 wordt op pagina 3 echter vermeld dat er voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1999 wel een uitbreiding van de 'vergunde' productie kon worden verleend. Dit is een antwoord op de bepaling in de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen dat er vanaf 1 januari 1996 geen vergunningen meer mogelijk waren voor nieuwe inrichtingen. Blijkbaar is de Vlaamse Landmaatschappij daar van oordeel dat de verzoekende partij in de vermelde periode wel nog een uitbreiding van de vergunde productie kon bekomen en dus dat er reeds een vergunde productie bestond. Tot slot besluit de Vlaamse Landmaatschappij dat zij een ongunstig advies verleent 'voor de gevraagde verandering van de vergunning'. Ook hier wordt er dus enerzijds van uitgegaan dat er geen vergunning is en enkele alinea's verder dat er wel een vergunde mestproductie was. Hieruit blijkt dat het dossier zich baseert op onjuiste, minstens onvolledige en tegenstrijdige feitelijke gegevens. De motivering van de beslissing en zelfs het dossier is derhalve verwarrend en onduidelijk."; 2.1.

  1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, vooreerst antwoordt dat de vraag of het om een bestaande dan wel om een nieuwe inrichting gaat, niet relevant is om volgende reden: "Uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag is of de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie. Volgens art. 33 §1, 1/ van het mestdecreet dient de vergunde mestproductie berekend te worden op basis van de uitscheidingsnormen. Daar er op het bedrijf geen vergunningen bekend zijn bedraagt de vergunde mestproductie 0 kg P2O5/jaar. De gewenste vergunde mestproductie bedraagt 980 kg P2O5/jaar zodat de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie. Alle adviserende instanties evenals de appellant zijn het daar over eens. Daar (er) de stijging van de mestproductie vaststaat is het onderscheid tussen 'bestaande' inrichting en 'nieuwe' inrichting van geen belang meer. In alle gevallen, zowel voor een bestaande inrichting als voor een nieuwe inrichting met een vergunde mestproductie van 0 kg P2O5/jaar en 0 kg N/jaar houdt elke verandering onvermijdelijk een stijging van de mestproductie in, wat strijdig is met de bepalingen van het mestdecreet."; dat de verwerende partij de omstandigheid dat er zowel sprake is van een nieuwe als van een bestaande inrichting, als volgt verklaart: "(...) dient er op gewezen te worden dat het begrip 'bestaande inrichting' steunt op de bepalingen van het mestdecreet. Op dit begrip steunt het advies van de VLM. De provinciale milieudeskundige en de Provinciale milieuvergunningscommissie steunen zich niet enkel op het mestdecreet doch ook op de bepalingen van het Vlarem. Volgens Deel 3 van het Vlarem II, Hfdst. 3.1,§1 zijn de bepalingen van de delen 3,4 en 5 van dit besluit getroffen in uitvoering van het decreet betreffende de milieuvergunning en van Titel 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake leefmilieubeleid van toepassing op alle ingedeelde VII-23.781-5/14 inrichtingen, zoals bedoeld in art 2.1/ van het decreet betreffende de milieuvergunning. §
  2. Voor de nieuwe inrichtingen gelden ze onmiddellijk. Ze gelden eveneens onmiddellijk voor:
  3. inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie niet meer vergund is en waarvoor het verstrijken van de vergunningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of melding is gebeurd. M.a.w. alhoewel de inrichting in casu volgens het mestdecreet een bestaande veeteeltinrichting betreft dient zij volgens het Vlarem te beantwoorden aan de bepalingen van 'nieuwe' inrichtingen."; dat de verwerende partij, wat betreft het tweede onderdeel, als volgt antwoordt: "Zoals in het eerste onderdeel besproken moet er een onderscheid gemaakt worden tussen de begrippen 'bestaande veeteeltinrichting' zoals bepaald in het mestdecreet en 'bestaande inrichting' zoals voorzien door het Vlarem. Volgens Hoofdstuk 3.2., Afd. 3.2.1.
  4. § 1 van het Vlarem II moeten bestaande inrichtingen, behoudens afwijkingen in de desbetreffende bepalingen van dit besluit, voldoen aan alle voorwaarden, opgelegd in de voor die inrichting lopende milieuvergunningen. Daar er in casu geen lopende vergunning is en de inrichting moet voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen, is er hier geen sprake van 'bestaande inrichting' volgens het Vlarem. Zoals uiteengezet voldoet de aanvraag niet aan de bepalingen van artikel

, §1, 3/ van het mestdecreet daar de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie en er geen vergunning kan verleend worden."; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord ten aanzien van het eerste onderdeel laat gelden wat volgt: "De verwerende partij geeft toe dat het bedrijf van verzoeker in het licht van art.

§1

Mestdecreet als een 'bestaande' inrichting moet worden beschouwd en niet als een 'nieuwe' inrichting. Art.

1, 3/ Mestdecreet voorziet dat een milieuvergunning kan worden verleend voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting, in zoverre de drie voorafgaande kalenderjaren voor de desbetreffende veeteeltinrichting werd voldaan aan de aangifteplicht bij de mestbank en in zoverre de mestproductie die op de veeteeltinrichting voor de drie voorgaande kalenderjaren werd geproduceerd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet werd afgezet. De voorwaarde 'zonder verhoging van de vergunde mestproductie' is niet verbonden aan de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting maar wel aan de verandering of herlocalisatie van het bestaande bedrijf. De verzoeker heeft aan alle voorwaarden van het artikel voldaan. De verwerende partij stelt dat de vergunde mestproductie 0 kg P2O5/jaar is, zodat elke verandering onvermijdelijk een stijging van de mestproductie meebrengt. Dit is een foutieve redenering, aangezien deze voorwaarde niet diende te worden vervuld. Zelfs indien deze voorwaarde diende vervuld te zijn -quod non- dan verwijst de verzoekende partij naar het tweede middel. Bovendien verwijst verwerende partij ook naar Deel 3 van het Vlarem II., waaronder de verzoeker wel als een bestaande inrichting zou worden verstaan. Opnieuw tracht de verwerende partij derhalve de verschillende terminologieën uit de diverse regelgevingen door elkaar te gebruiken. VII-23.781-6/14 Het is niet omdat de inrichting als een nieuwe inrichting onder Vlarem II zou kunnen worden begrepen, dat dit enige invloed heeft bij de toepassing van art.

§ 1

Mestdecreet."; dat verzoeker ten slotte stelt dat de verwerende partij volledig voorbijgaat aan de inhoud van het tweede onderdeel; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, nog het volgende laat gelden: "(...) Verwerende partij heeft in haar memorie toegegeven dat het bedrijf van verzoeker in het licht van art.

§1

Meststoffendecreet als een 'bestaande' inrichting moet worden beschouwd en niet als een 'nieuwe' inrichting. Verzoeker wijst op artikel

§1

, 3/ Meststoffendecreet, dat voorziet in de mogelijkheid tot het verlenen van een milieuvergunning voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting, in zoverre de drie voorafgaande kalenderjaren voor de desbetreffende veeteeltinrichting werd voldaan aan de aangifteplicht bij de Mestbank en in zoverre de mestproductie in die periode, overeenkomstig de bepalingen van het decreet werd afgezet. De voorwaarde 'zonder verhoging van de vergunde mestproductie' is niet verbonden aan de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting maar wel aan de verandering of herlocalisatie van het bestaande bedrijf. De bestreden beslissing stelt uitdrukkelijk: '... Overwegende dat de Vlaams minister van Leefmilieu en landbouw recent bij de provinciale overheden heeft aangedrongen op een streng vergunningenbeleid voor de realisatie van het mestbeleid dat de Vlaamse regering heeft ontwikkeld teneinde de Europese Nitraatrichtlijn 91/676 te kunnen halen; dat bijgevolg de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers. ...' De argumenten voor het verlenen van de milieuvergunning steunen in casu echter niet op billijkheid. Verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel

, §1, 3/ meststoffendecreet, zodat hem een milieuvergunning toekomt op grond van het betreffende decreet zelf, niet op grond van billijkheid. Het 'bestaande' bedrijf van verzoekende partij wordt gekwalificeerd onder mestproductie van 0 kg P2O5/jaar en 0 kg N/jaar, zodat haar mestproductie aanzien wordt als 'bijkomend'. Nochtans blijkt uit de aangiftes bij de Mestbank, dat er wel mestproductie in de afgelopen drie kalenderjaren geweest is. De motivering van de bestreden beslissing is dan ook onvolledig, foutief en tegenstrijdig. Op een dergelijke niet afdoende motivering kan geen beslissing steunen."; dat verzoeker, wat betreft het tweede onderdeel, er nog op wijst dat: " (...) aan de tegenstrijdige berichten en kwalificaties door de verschillende instanties niet kan worden voorbijgegaan. Waar de bestendige deputatie vaststelt, dat de opgegeven fosfaatproductie werd afgezet, conform het VII-23.781-7/14 meststoffendecreet en bovendien werd voldaan aan de aangifteverplichting gedurende de laatste drie kalenderjaren, stelt zij anderzijds een verhoging vast van de vergunde mestproductie. Aangezien zij uitgaat van een productie van 0 kg, is dergelijke stijging echter onvermijdelijk. Verzoekende partij wijst erop dat het uitgangspunt van 0 kg echter niet het correcte criterium vormt in huidig geschil. Ook de Vlaamse Landmaatschappij gaat in haar advies van 11 december 2000 uit van een mogelijke 'uitbreiding van de vergunde productie' voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1999. De Vlaamse Landmaatschappij gaat blijkbaar uit van een vergunde productie, waarvoor nog een uitbreiding zou kunnen worden bekomen. Bovendien kwalificeert de Vlaamse Landmaatschappij haar advies als ongunstig ten overstaan van de gevraagde verandering van vergunning. Dergelijke onjuiste, minstens onvolledige en tegenstrijdige gegevens kunnen geen aanleiding geven tot een rechtmatige beslissing."; 2.1.5. Overwegende dat artikel

, §1, 1/, van het meststoffendecreet ten tijde van de bestreden beslissing luidde als volgt: "(...) tot en met 31 december 2004: (...) c) kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting (...)"; dat de bepaling er toe strekt een algemene vergunningsstop in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaatsing van lopende vergunningen; dat, waar enerzijds wordt gesteld dat geen milieuvergunningen kunnen worden verleend voor nieuwe inrichtingen, en anderzijds dat voor bestaande inrichtingen geen uitbreiding van de mestproductie kan worden vergund, duidelijk alle vergunningsplichtige inrichtingen worden geviseerd; dat dit ook blijkt uit de memorie van toelichting (parl. st. Vl. R. stuk 1317 - 1998-1999, nr.1, p. 7); dat de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden is dit verbod te respecteren, en terzake geen discretionaire bevoegdheid heeft; Overwegende dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat verzoekers vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie zou inhouden, wat strijdig zou zijn met artikel

, §1, 1/, c; dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing in andere overwegingen onduidelijkheid zou laten bestaan over de vraag of verzoekers inrichting een bestaande dan wel een nieuwe inrichting VII-23.781-8/14 is, helemaal niet ter zake doet, aangezien in beide gevallen de vergunning moest worden geweigerd; Overwegende dat artikel

, §1, 3/, van het meststoffendecreet geen alternatieve bijkomende mogelijkheid opent om een milieuvergunning te verlenen, maar bijkomende voorwaarden oplegt, voor wat betreft het verlenen van een milieuvergunning in geval van verdere exploitatie van een veeteeltinrichting en van de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting, telkens zonder verhoging van de vergunde mestproductie, zijnde de in artikel 33 ter, §1,1/ bepaalde gevallen waarin nog een milieuvergunning kan worden verleend; Overwegende dat het eerste middel in beide onderdelen niet gegrond is; 2.2.

  1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat hij zijn tweede middel als volgt toelicht: "Zoals opgesomd in de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 16 oktober 2000, wijzigde de indelingslijst van de vergunningsplichtige inrichtingen verschillende keren in de periode vanaf
  2. Voordien was er een vergunningsplicht vanaf 51 dieren, volgens het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 1990 vanaf 26 dieren, tussen 1 september 1991 tot en met 31 juli 1995 vanaf 25 dieren, vanaf 1 augustus 1995 een vergunningsplicht vanaf 20 gespeende dieren en vanaf 1 mei 1999 een vergunningsplicht voor stallen met plaatsen vanaf 20 gespeende dieren. Nooit werd door de overheid op een duidelijke en correcte wijze informatie aan de verzoekende partij meegedeeld over het feit of het bedrijf vergunningsplichtig was of niet. Het College van Burgemeester en Schepenen stelde zelf vast dat de exploitant nooit moedwillig heeft gehandeld. Ook wanneer de verzoekende partij na 1995 langsging bij de mileuambtenaar van zijn gemeente wordt hem meegedeeld dat hij geen vergunning kon aanvragen, aangezien er geen 'eenheden' meer vrij waren. Hij zou worden verwittigd vanaf het ogenblik dat er opnieuw eenheden in de gemeente Lierde zouden vrijkomen. Voor het overige bestond er volgens de gemeente geen enkel probleem. De verzoekende partij deed regelmatig navraag, maar werd steeds onverricht- terzake teruggestuurd, tot hij uiteindelijk op 4 juli 2000 het schrijven van de Vlaamse Landmaatschappij ontving. De verzoeker vernam ook dat ondertussen vrijgekomen eenheden niet naar hemzelf, maar naar een andere landbouwer waren gegaan (de heer D. Martens). Nochtans geldt een individuele informatieplicht van de overheid naar de burger. Door de houding van de overheid, nl. het verstrekken van verkeerde, minstens onvolledige inlichtingen, werd in hoofde van de verzoekende partij een verwachting gecreëerd waaraan door de bestreden beslissing niet is tegemoetgekomen. De overheid schoot te kort in haar zorgvuldigheidsplicht VII-23.781-9/14 naar de verzoekende partij (A. VAN MENSEL, Het beginsel van behoorlijk bestuur, Mys & Breesch, Gent, 1997, 96-97). De verzoekende partij voldeed steeds aan alle verplichtingen, zoals onder meer in het kader van de landbouwtelling, oppervlakte-aangifte, Sanitel, zoogkoeienpremies, graanpremies, de aangifteplicht bij de Mestbank, ... In het advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 11 december 2000 wordt zelfs expliciet vermeld dat de mestbankaangifte op zich reeds een ernstige indicatie is over het nog geldig zijn van vergunningen die in het verleden verleend werden en over het soort dieren dat op de inrichting gehouden worden. Uit alle verplichtingen die de verzoekende partij al die jaren heeft vervuld, bleek steeds dat er gespeende runderen werden gehouden op het bedrijf van de verzoekende partij. Bovendien verzocht de verzoekende partij herhaaldelijk aan de overheid om mee te delen of zijn bedrijf vergunningsplichtig was of niet. Nochtans werd de verzoekende partij er nooit op gewezen dat hij een vergunning diende aan te vragen. Wanneer hij zelf stappen ondernam, werd hem meegedeeld dat er nog diende te worden gewacht. Door dit onredelijke en onzorgvuldig gedrag van de overheid heeft de verzoeker nooit een vergunning bekomen en wordt het bedrijf thans de vergunning geweigerd omdat het geen 'vergunde mestproductie' heeft. De verzoekende partij diende nochtans op 24 juli 2000, onmiddellijk na het schrijven van de Vlaamse Landmaatschappij van 4 juli 2000, een aanvraag voor een milieuvergunning in. Hij liet dus niet na om, van zodra hem werd meegedeeld dat hij een milieuvergunning diende te krijgen, deze ook aan te vragen. De bestreden beslissing kan niet anders dan als een kennelijk onredelijke beslissing worden aangezien. Wat de Mestbank betreft, is de Vlaamse Landmaatschappij gelast met de taken ervan (Art. 2, 35/ Mestdecreet; zie ook E. DE PUE, L LAVRYSEN en P STRYCKERS, Milieuzakboekje 2000, Kluwer, Antwerpen, 2000, 389). Overeenkomstig art. 11 §1 decreet 23 januari 1991 (mestdecreet) is de Mestbank naast het registreren van de aangegeven gegevens onder meer ook bevoegd voor het geven van voorlichting over productie, vervoer, opslag, opbrenging op de grond en verwerking van dierlijke mest (5/) en het toezicht op en controle van de naleving van de bepalingen van het mestdecreet. Aangezien reeds sinds 1993 aangifte werd gedaan bij de Mestbank door de verzoekende partij, is het bijzonder onredelijk om vervolgens slechts bij brief van 4 juli 2000 verzoeker te informeren over het feit dat hij geen milieuvergunning en dus geen 'vergunde mestproductie' heeft, zodat hij geen dieren meer kan houden. De Mestbank hield en houdt wel rekening met de mestproductie en registreerde zelfs dat er door derden werd afgezet op het bedrijf van de verzoekende partij (zie advies Vlaamse Landmaatschappij dd.11 december 2000, p. 5, 3.3.). Volgens de verplichting van de Mestbank zoals opgesomd, diende zij - minstens kon de verzoekende partij verwachten dat - de verzoeker de nodige informatie tijdig mee te delen. Zij wachtte echter tot 4 juli 2000, datum waarna onmiddellijk een aanvraag door verzoeker werd ingediend. Ook hier werd derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door de overheid. Van zodra de verzoeker de aanvraag indiende, verzette de Vlaamse Landmaatschappij zich tegen de vergunning. In de bestreden beslissing wordt het volgende vermeld: 'Overwegende dat de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw recent bij de provinciale overheden heeft aangedrongen op een streng vergunningenbeleid voor de realisatie van het mestbeleid dat de Vlaamse regering heeft ontwikkeld teneinde de Europese nitraatrichtlijn 91/676 te kunnen halen. Dat bijgevolg de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van VII-23.781-10/14 milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers.' Hierbij geeft de overheid derhalve expliciet toe dat zij in het verleden voor aanvragen zoals deze van de verzoekende partij wel een milieuvergunning verleende. De verzoekende partij mocht er dan ook minstens van uit gaan op het ogenblik dat hij zijn milieuvergunningsaanvraag indiende, dat hij zich eveneens zou kunnen beroepen op de billijkheidsredenen die in het verleden werden ingeroepen door de milieuvergunningverlenende overheid. Er werd door de overheid een verwachting gecreëerd in hoofde van de verzoekende partij. Doordat de minister echter kort voor de behandeling van het dossier van de verzoekende partij heeft 'aangedrongen' om dergelijke dossiers plots op een andere wijze te behandelen, werd de vergunning aan de verzoeker geweigerd voor een exploitatie die hij reeds jaren uitbaat (met kennis van de overheid). Door deze behandeling schendt de bestendige deputatie het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en het redelijkheidsbeginsel. Bovendien - en niet in het minst - wordt het gelijkheidsbeginsel op dit punt door de overheid geschonden. De verzoekende partij vernam dat er door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 15 oktober 2000 nog een vergunning werd verleend voor het uitbaten van een bedrijf met 180 dieren. Enkele maanden later de vergunning weigeren van een klein bedrijf als dat van verzoeker, is dan ook volledig onredelijk. Het college van Burgemeester en Schepenen verleende trouwens de vergunning op 16 oktober
  3. Het loutere verstrijken van enkele maanden door het verloop van de beroepsprocedure, zorgde er dus voor dat de verzoeker geen aanspraak meer kan maken op de vroegere beoordeling door de Bestendige Deputatie. Tevens werd er een regeling uitgewerkt voor paardenfokkers en manèges. Door de passage over de billijkheid in het besluit dd. 15 maart 2001 geeft de vergunningverlenende overheid bovendien ontegensprekelijk toe dat er kennelijk onredelijke gevolgen gekoppeld worden aan de situatie van verzoeker. Zij geeft toe dat zij in het verleden aan verzoeker een vergunning zou hebben verleend doch dat dit thans, louter en alleen door het 'aandringen van de minister' op een 'streng vergunningenbeleid', niet meer het geval is. De beslissing schendt dan ook het redelijkheidsbeginsel. Hetzelfde advies van de Vlaamse Landmaatschappij benadrukt dat in het mestdecreet het 'stand-still-principe' wordt nagestreefd. In casu bestaat het bedrijf reeds vele jaren, met een mestproductie tot gevolg (die volledig wordt afgezet op de gronden van verzoeker). De Vlaamse Landmaatschappij houdt reeds jaren (sinds 1993) rekening met deze mestproductie en zet zelfs nog bijkomende mest af op de gronden van verzoeker. Het vergunnen van de bestaande inrichting kan derhalve geen stijging van de mestproductie meebrengen, zodat het 'stand-still-principe' niet wordt geschaad. Uit dit alles blijkt dat de overheid niet op een behoorlijke wijze tewerk is gegaan, en de zorgvuldigheids-, redelijkheids-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginselen heeft geschonden. Het besluit is kennelijk onredelijk."; 2.2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat zij met betrekking tot de milieuvergunningen een gebonden bevoegdheid heeft, met name dat "de bevoegdheidstoekennende overheid nauwkeurig alle elementen (bepaalt) die de toegekende bevoegdheden in werking brengen", dat naast de bevoegdheidstoebedeling er een gedetailleerde gebruiksaanwijzing bestaat, VII-23.781-11/14 en dat bij een gebonden bevoegdheid de controle van de rechter enkel over het legaliteitsbeginsel strekt, met name de bevoegdheid om over een bepaalde materie en de te volgen vormvoorschriften te beslissen; dat de verwerende partij voorts stelt dat zij bevoegd is om uitspraak te doen over het beroep en dat alle vormvoorschriften werden nageleefd, dat, vermits de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie, zij de vergunning moest weigeren conform de bepalingen van het meststoffendecreet, dat zij immers een aan deze regelgeving gebonden beoordelingsbevoegdheid heeft; 2.2.
  5. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat uit het eerste middel blijkt dat alle voorwaarden van artikel

, §1, van het meststoffendecreet vervuld zijn, zodat de stelling van de verwerende partij niet kan worden aanvaard, en dat de verwerende partij verder niet ingaat op de schending van de aangevoerde beginselen; dat verzoeker “ondergeschikt” nog het volgende aanvoert: "Indien wordt aangenomen dat er in casu discussie zou kunnen bestaan over de voorwaarden die moeten vervuld zijn bij het verlenen van een milieuvergunning of over de vraag of deze al dan niet vervuld zijn -quod non- dan beperkt de verwerende partij dit tot de vraag of er een vergunde mestproductie aanwezig is op het bedrijf van verzoeker. De verwerende partij gaat hier volledig voorbij aan wat de verzoeker in zijn verzoekschrift onder het tweede middel omschreef. Verzoeker verwijst naar zijn memorie, waaruit blijkt dat in de aangevochten beslissing zelf wordt toegegeven dat er in het verleden billijkheidsredenen werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing zelf toe dat zij vroeger (en tot voor enkele maanden voor de bestreden beslissing) bij soortgelijke dossiers wel vergunningen verleende. Thans beroept de verwerende partij (zich) op het feit dat zij slechts de wet kan toepassen en indien de voorwaarden niet vervuld zijn, de vergunning niet kan verlenen. De verwerende partij spreekt zichzelf tegen. Dit alles zet de schending van de door de verzoeker aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur, nogmaals in de verf. Volledigheidshalve verwijst de verzoeker naar een brief van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde van 23 mei 2001, waaruit blijkt dat deze van mening is dat billijkheid in het dossier van verzoeker moet worden toegepast. Dit duidt op de schending van het vertrouwensbeginsel, zoals door verzoeker in het verzoekschrift uitgebreid uiteengezet."; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de aandacht vestigt op zijn mestbankaangiftes van vóór 1992 en betoogt dat: "(...) De algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geschonden doordat de bestreden beslissing: VII-23.781-12/14 -Enerzijds wijst op de gedane mestbankaangiftes, om daaruit te besluiten dat reeds voor 1993 een vergunningsplichtig aantal dieren aanwezig waren, op grond van de aangiftes; -Anderzijds spreekt over een verhoging van de mestproductie, terwijl deze verhoging onvermijdelijk is bij een basis van 0 kg. Door er soms wel, soms niet van uit te gaan dat er reeds mestproductie bestond, al naargelang de bepalingen van het meststoffendecreet het vereisen, teneinde verzoekende partij koste wat het kost een vergunning te weigeren, schendt de bestreden beslissing de algemene beginselen van behoorlijk bestuur."; dat verzoeker er voorts nog op wijst dat de bestreden beslissing ervan uitgaat dat reeds lange tijd een vergunning vereist was, op grond van de mestbankaangiftes, terwijl tegelijkertijd gesteld wordt dat er nog geen mestproductie geweest is, zodat niet aan de voorwaarden van artikel

, § 1, van het meststoffendecreet is voldaan, en dat "een beslissing getroffen op dermate tegenstrijdige elementen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (schendt)"; 2.2.

  1. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker reeds voor het productiejaar 1992 (aanslagjaar 1993) dieren hield in vergunningsplichtige aantallen; dat het in de eerste plaats de exploitant van een inrichting toekomt na te gaan of zijn inrichting al dan niet vergunningsplichtig is; dat verzoeker wel beweert doch nergens aantoont dat de gemeentelijke overheid hem dienaangaande slecht zou hebben voorgelicht; dat, voorts, de Mestbank er niet toe gehouden is om systematisch bij alle mestbankaangiftes te controleren of de nodige exploitatie- of milieuvergunningen voorhanden zijn, teneinde de aangevers desgevallend op hun verzuim te wijzen; dat bovendien een eventueel voorheen begane onzorgvuldigheid geen grond kan verschaffen om een milieuvergunning te verlenen in weerwil van een wettelijk verbod, maar op een andere wijze moet worden goedgemaakt; dat het gelijkheidsbeginsel niet kan inhouden dat een onwettige vergunning zou moeten worden verleend; dat het redelijkheidsbeginsel enkel daar speelt waar er een beoordelingsvrijheid is, en dat, zoals gewezen bij de bespreking van het eerste middel, de verwerende partij decretaal verplicht was de vergunning te weigeren; dat de omstandigheid dat er geen stijging van de reële mestproductie zou zijn, niet ter zake doet, aangezien een verbod gold om de vergunde mestproductie te laten stijgen; dat verzoeker niet toelicht op welke wijze het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn geschonden; dat het tweede middel ongegrond is, VII-23.781-13/14 BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.781-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.