← België

Arrest 154741 - - 10/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.741 Rolnummer: Zaak: Arrest 154741 - - 10/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-24 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-07-04 10:22 Fiche Arrest nr 154.741 van 10 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.741 van 10 februari 2006 in de zaken A. 133.675/XIV-14.045 133.677/XIV-14.047. In zake : I. XXX, II. XXX, beide wonende te V. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 3 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van, enerzijds, de beslissing van 17 januari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en van, anderzijds, het op 12 februari 2003 ter kennis gebrachte bevel(

  1. en)om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 3 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van, enerzijds, de beslissing van 17 januari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen en van, anderzijds, het op 12 februari 2003 ter kennis gebrachte bevel(
  2. en)om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikkingen van 11 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-14.045-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikkingen van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. GOETHALS die, loco Advocaat P. MASUREEL verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de beslissing waarbij hen de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten; 2. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. XXX en XXX komen op 6 september 1998 België binnen en vragen op 10 september 1998 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 2.2. Deze aanvragen worden op 27 september 2002 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 2.3. Verzoekers tekenen tegen deze weigeringsbeslissingen op 15 oktober 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. XIV-14.045-2/13 2.4. Op de zitting van 14 januari 2003 worden verzoekers, bijgestaan door advocaat M. VERMEIRE, loco advocaat P. MASUREEL, gehoord. 2.5. Op 17 januari 2003 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissingen, waarbij de beroepen ontvankelijk, maar ongegrond worden verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. De beslissing met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: “Nadat uw asielaanvraag op 21 januari 2000 ontvankelijk werd verklaard door het Commissariaat- generaal, werd u in het kader van een onderzoek ten gronde gehoord op 9 mei 2000. Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Kinshasa en woonde en werkte u sinds 1992 op een boerderij net buiten de stad, die u van uw oom had overgenomen. In 1995 trouwde u met uw huidige vrouw, XXX (CG/98/18077/B). Kort na de machtsovername door Laurent-Désiré Kabila op 17 mei 1997, tussen juni en augustus 1997, kwamen soldaten in uw afwezigheid uw boerderij bestelen en pakten ze daarbij uw bedienden op. Na het tonen van uw eigendomspapieren lieten ze u gaan met de waarschuwing dat u als “Mobutist” op uw tellen moest passen (u was lid van de voormalige regeringspartij MPR en uw overleden oom had een functie gehad onder het Mobutu-bewind). Begin augustus 1998 vroeg een vriend van u, Ibendelo, of hij een aantal rebellen (die het Kabila-bewind belaagden) op uw boerderij mocht onderbrengen. Na enkele dagen stemde u daarmee in. Vanaf 5 of 6 augustus 1998 werden aldus in vijf of zes beurten een zeventiental rebellen naar uw boerderij, en vandaar telkens dezelfde of de volgende nacht naar huurhuizen die u voor ze gezocht had, overgebracht. Nadat jullie op 16 augustus 1998 bij uw schoonouders op bezoek waren gegaan en bij hen waren blijven overnachten, vernam u daar de volgende dag van uw oom dat de politie uw boerderij de vorige dag platgebrand had en een aantal mensen die er woonden gedood had. Samen met uw vrouw en kinderen en twee zussen van uw vrouw, trok u daarop bij deze oom in. Op 18 augustus 1998 liet u uw kinderen bij uw schoonzus achter en vertrok u samen met uw vrouw via de Kongostroom naar Zongo, van waaruit u naar de Centraal- Afrikaanse Republiek overstak, Van daaruit ging u naar Kameroen, waar u op 29 augustus 1998 aankwam en onderdak vond bij een vriend van uw schoonvader, die Kameroener was. Die vriend zei u echter dat u wegens de vroegere problemen die uw vrouw in Kameroen door de politieke activiteiten van haar eerste man had gekend, daar niet veilig kon blijven. Met een vriend van die vriend, die in Frankrijk woonde, konden jullie op 5 september 1998 naar België reizen. Daar kwamen jullie op 6 september 1998 aan en vroegen jullie op 10 september 1998 asiel aan.”; Overwegende dat de appellant zijn identiteit niet aantoont; dat hij niet aantoont wanneer hij zijn land verliet en in België toekwam; Overwegende dat appellant stelt dat hij familie is van majoor Mayele; dat hij omwille van zijn familieband problemen kan krijgen met het huidige regime; dat appellant echter niet aantoont dat zijn vader de broer is van majoor Mayele; Overwegende dat appellant stelt dat hij reeds op de boerderij van Majoor Mayele werkte vooraleer deze officier moeilijkheden had; dat appellant ter zitting herhaalt dat hij op de boerderij is gebleven en deze verder heeft uitgebaat; dat appellant echter niet aantoont dat majoor Mayele een boerderij had en dit niettegenstaande de vele mogelijkheden die hij in dit verband had zoals onder meer via (Belgische) kennissen van de officier of via andere hooggeplaatste leden uit het voormalige Mobutu-regime in België; Dat deze hoge officier uit de FAZ bovendien niet de graad had van majoor maar van generaal; dat de hoge officieren uit de FAZ publieke figuren zijn en dat appellant zijn oom correct moet kunnen situeren; dat appellant evenmin aantoont dat er een "Mayele" directeur was bij Cibezaire dus in de burgerluchtvaart; XIV-14.045-3/13 dat appellant ter zitting niet kan toelichten waarom hij geen inspanningen leverde om in contact te komen met de in België verblijvende ex-officieren of familieleden of één van de vele bekenden van generaal (majoor) Mayele; dat appellant niet enkel zijn identiteit maar ook zijn familieband met Mayele niet aantoont; Overwegende dat van algemene bekendheid is dat de goederen en de eigendommen van voormalige leden van het Mobutu-regime na de val van het regime zijn geplunderd en ingenomen; dat ter zitting gevraagd werd hoe appellant een dergelijke plundering kon voorkomen; dat appellant hierop ter zitting geen toelichtingen kon geven; dat hij enkel stelt dat hij daar toen aanwezig was en er andere mensen werkten op de boerderij; dat deze toelichtingen onvoldoende zijn om aan te tonen dat appellant inderdaad de turbulente periode na de val van het Mobutu-regime in XXXheeft meegemaakt; Overwegende dat het verzoekschrift stelt: "Er dient aan herinnerd dat betrokkene geen onbekende was voor het Kabila-regime, aangezien hij aan het hoofd stond van een vrij grote boerderij net buiten Kinshasa, die hij had overgenomen van zijn oom, Majoor Mayele, die een vooraanstaand officier uit het Mobuturegime was. Betrokkene zelf was lid geweest van het MPR, de regeringspartij onder Mobutu, en familieleden van hem hadden functies bekleed in het Mobutu-regime. Betrokkene kreeg in de zomer van 1997 trouwens een uitdrukkelijke ‘waarschuwing’ vanwege het Kabila-regime. Bovendien had betrokkene zich duidelijk aan de kant van de rebellie tegen het Kabila-regime geplaatst door in te gaan op de vraag om te helpen bij het onderbrengen van rebellen.”; Dat een persoon met het in het verzoekschrift vermelde profiel, vele contacten moet hebben en aldus moet kunnen toelichten wat er gebeurde met de voormalige vooraanstaanden uit het Mobutu-regime die in de omgeving van de boerderij belangen hadden; dat echter ter zitting blijkt dat appellant geen andere boerderijen kent uit de omgeving van N’sele; dat hij enkel kan stellen dat er een grote kippenkwekerij ligt; dat appellant evenmin namen kan geven van collegae uit de omgeving die dezelfde problemen hebben; dat hij geen beschrijving kan geven van de maatregelen die hij zou hebben moeten nemen om zijn boerderij in eigen handen te houden en het te vrijwaren tegen een gedwongen inname of tegen plunderingen; Dat ter zitting bovendien ook blijkt dat appellant de boerderij zelf niet kan situeren; dat hij stelt dat deze in XXXligt maar geen nadere gegevens kan geven; dat hij ter zitting blijft stellen dat de grote weg het verlengde is van de 'boulevard du 30 juin"; dat XXXechter op 60 km van Kinshasa ligt en de grote baan geen straatnaam uit Kinshasa kan dragen; dat het niet aannemelijk is dat appellant de weg naar de boerderij niet kan uitleggen; dat appellant het niet aannemelijk maakt dat hij in Congo een groot landbouwbedrijf heeft geleid; Overwegende dat zowel appellant ais zijn echtgenote ter zitting niet konden toelichten hoe de situatie was en evolueerde in de streek van XXXin de maanden voor hun vertrek uit deze streek; dat appellant onder meer niet kan stellen wie algemeen verantwoordelijk gesteld werd voor de plunderingen; dat hij evenmin melding maakt van de troepen die toen zijn voorbijgetrokken; dat appellant vermeldt in zijn verhoor ten gronde dat hij in augustus 1998 rebellen ontving maar ter zitting volkomen onwetend is over de aanzienlijke groepen militairen die in de maanden daarvoor langs XXXzijn getrokken en een directe bedreiging voor hem en de andere landbouwbedrijfsleiders waren; dat zowel appellant als zijn echtgenote hun onwetendheid verklaren door te stellen dat hun boerderij erg afgelegen lag en dat ze niet thuis waren op het ogenblik dat de boerderij in brand werd gestoken; dat deze toelichtingen niet ernstig, noch aannemelijk zijn; Overwegende dat appellant in zijn verzoekschrift stelt: “Bovendien had betrokkene zich duidelijk aan de kant van de rebellie tegen het Kabila-regime geplaatst door in te gaan op de vraag om te helpen bij het onderbrengen van rebellen. Hij wist dat hij hierdoor zijn leven in gevaar bracht, maar meende dat hij dit aan zijn land en zijn volk verschuldigd was gelet op het klimaat van onveiligheid en ongerechtigheid dat heerste sedert de machtsovername door Laurent-Désiré Kabila.”; Dat appellant zijn identiteit niet bewijst, noch zijn familieband met (majoor) Mayele en daardoor evenmin zijn daaraan verbonden link met het voormalige Mobutu-regime; dat hij niet bekend is met de boerderijen in N’sele, noch met de moeilijkheden die zich XIV-14.045-4/13 hebben voorgedaan in deze streek in de door hem vermelde periode; dat aldus appellants relaas en zijn beweerde functies ongeloofwaardig zijn; dat er dan ook geen geloof aan kan worden gehecht dat hij in dit verband zou worden vervolgd door het regime van Kabila; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”. De beslissing met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: “Nadat uw asielaanvraag op 21 januari 2000 ontvankelijk werd verklaard door het Commissariaat- generaal, werd u in het kader van een onderzoek ten gronde gehoord op 9 mei 2000. Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Kinshasa. Van 1990 tot 1995 verbleef u in Kameroen, het land van oorsprong van uw vader, waar u met een Kameroense man getrouwd was. Die vluchtte in 1991 wegens politieke problemen als opposant van het regime. Na uw terugkeer in Kinshasa trouwde u in 1995 met uw huidige man, XXX (CG/98/18077), die eigenaar was van de boerderij waar jullie woonden. Tussen begin en midden augustus 1998 ontving uw man in verschillende groepjes een aantal mensen, alles samen een zeventiental, die hij telkens dezelfde dag met de wagen wegvoerde. U vernam achteraf dat het om rebellen tegen het Kabila-regime ging. Op 16 augustus 1998 bleven jullie na een familiebezoek bij uw ouders overnachten. Daar kwam de oom van uw man jullie de volgende dag melden dat Kabila-militairen de boerderij afgebrand hadden en werklieden gedood hadden. Daarop doken jullie met jullie twee kinderen onder bij jullie oom in Matete jullie vertrouwden jullie kinderen toe aan uw zus en namen op 18 augustus 1998 de boot naar Zongo, van waaruit jullie op 26 augustus 1998 via de Centraal-Afrikaanse Republiek naar Kameroen vertrokken. Op 5 september 1998 reisden jullie van daaruit met een vriend van een vriend van uw vader naar België. Daar kwamen jullie op 6 september 1998 aan en vroegen jullie op 10 september 1998 asiel aan."; Overwegende dat appellante ter zitting geen identiteitsstukken kan neerleggen; dat ze niet aantoont wanneer ze haar land verliet en in België toekwam; dat appellante ter zitting stelt dat haar vader Kameroener is en ze de Kameroense nationaliteit heeft; dat haar vader voor de nodige papieren heeft gezorgd toen ze in Kameroen woonde; dat ze hiervan echter geen stukken kan neerleggen; Dat appellante benadrukt dat ze geboren is in Congo en ook de Congolese nationaliteit heeft; Dat appellante voor zover ze problemen zou hebben gehad in Congo de nationale bescherming van Kameroen kan krijgen waar ze vijf jaar zonder problemen heeft gewoond; Overwegende dat appellante enkele maanden na haar terugkeer in Congo, in november 1995 huwde met XXX; dat ze stelt met hem naar de boerderij in XXXte zijn vertrokken waar ze woonden tot hun vertrek uit Congo midden 1998; Dat ter zitting blijkt dat appellante volkomen onwetend is over de streek van N’sele; dat ze geen namen kan noemen van de echtgenotes van de bedrijfsleiders die ook op grote landbouwbedrijven wonen uit de omgeving; dat ze de stad XXXgeheel niet kan beschrijven; dat ze het niet aannemelijk maakt dat ze bekend is met N’sele; dat ze evenmin bekend is met de aard van de problemen in de periode dat ze er zou gewoond hebben; Overwegende dat appellante zich beroept op de motieven die ingeroepen werden door haar echtgenoot en geen eigen motieven inroept; Overwegende dat de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van haar echtgenoot geweigerd werd door de Vaste Beroepscommissie op 17 januari 2003; Overwegende dat de appellante niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een XIV-14.045-5/13 gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”. 2.6. Op 12 februari 2003 wordt aan verzoekers de thans bestreden bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. De motivering hiervan luidt als volgt: “Article 7 alinéa 1er, 2/ de la loi du 15 décembre 1980 modifiée par la loi du 15 juillet 1996, demeure dans le Royaume au-delà du délai fixé conformément à l’article 6 ou ne peut apporter la preuve que ce délai n’est pas dépassé. N’a pas été reconnu comme réfugié (A.R. 8.10.81 - Art.77)”. 3. Over de gegrondheid van de beroepen wat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft. 3.1. Wat het beroep van XXX betreft: 3.1.1. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de rechten van verdediging en uit de manifeste beoordelingsfout, verzoeker het volgende aanvoert: “Verzoeker steunt een enig middel op de schending van de artikelen 149 van de op 14 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, 1 A

(2)van het Verdrag van Genève van 28juli 1951, 62 en 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de rechten van verdediging en manifeste beoordelingsfout. Anders dan de Commissaris-generaal, steunt de Vaste Beroepscommissie haar weigeringsbeslissing enkel en alleen op een beweerde ongeloofwaardigheid van het relaas. Met name wordt aan verzoeker verweten dat hij zijn identiteit niet aantoont en niet aannemelijk maakt dat hij een verwant is van wijlen (generaal) majoor MAYELE en een groot landbouwbedrijf uitbaatte te XXXin de betrokken periode. Als administratief rechtscollege is de Vaste Beroepscommissie niet onderworpen aan de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuursakten. Wel is zij onderworpen aan de artikelen 62 en 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook aan artikel 149 van de Grondwet volgens hetwelk 'elk vonnis met redenen omkleed is'. De Raad van State heeft, als administratieve cassatierechter, haar beoordeling van de feiten niet in de plaats te stellen van die van de Vaste Beroepscommissie. De toetsing door de Raad van State blijft beperkt tot de objectieve juistheid van de materiële weergave van de feiten door de Vaste Beroepscommissie en de interpretatie van die feiten door de Commissie, enerzijds, en tot de wettelijke kwalificatie van die feiten in het licht van de toepasselijke wettelijke bepalingen, anderzijds (cf. Raad van State, XIV-14.045-6/13 arrest nr. 76.906 van 12 november 1998; ook arresten nrs. 53.606 van 9 juni 1995, 78.é van 20 januari 1999, 79.276 van 5 maart 1999, 80.095 van 5 mei 1999, 80.568 van 1 juni 1999, 80.740 van 8 juni 1999). Aldus wordt een beslissing waarvan de motivering op feitelijke onjuistheden berust, door de Raad van State vernietigd (cf. Raad van State, arresten nrs. 73.180 van 22 april 1998, 75.483 van 29 juli 1998, 79.016 van 2 maart 1999). Hetzelfde geldt voor een beslissing die steunt op motieven die niet voldoende pertinent, vaststaand en toelaatbaar zijn (cf. Raad van State, arresten nrs. 42.119 van 2 maart 1993, 46.381 van 3 maart 1994 en 50.114 van 9 november 1994). Dit is te dezen het geval. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie berust op een feitelijke onjuistheid waar gesteld wordt dat verzoeker en zijn echtgenote hun identiteit hun identiteit niet aantonen. In het administratief dossier steekt nochtans de kopij van hun 'attestation de mariage coutumier monogamique' van 18 november 1995 afgeleverd door de zone- commissaris van Matete, Kinshasa. De beslissing steunt op onvoldoende vaststaande motieven waar gesteld wordt dat verzoeker, indien hij werkelijk de neef was van (generaal) majoor MAYELE, een bewijs daarvan had kunnen voorleggen, met name door in contact te komen met in België verblijvende ex-officieren of familieleden of één van de vele bekenden van MAYELE. Het staat immers helemaal niet vast dat er in België andere familieleden of bekenden van wijlen majoor MAYELE verblijven, laat staan dat die zouden kunnen bevestigen dat verzoeker zijn neef is. Tenslotte, wat betreft het beweerde gebrek aan bekendheid van verzoeker en zijn echtgenote met de streek van XXX en de andere Mobutu-vooraanstaanden die er woonden alsook met de gebeurtenissen aldaar in de maanden voor hun vertrek, steunt de beslissing van de Vaste Beroepscommissie eveneens op onvoldoende pertinente, vaststaande en toelaatbare motieven. De Vaste Beroepscommissie neemt zonder meer aan dat er in de omgeving van verzoekers boerderij andere voormalige vooraanstaanden uit het Mobutu-regime belangen hadden, poneert zonder meer dat XXXop 60 km van Kinshasa ligt en dat er in de maanden voor verzoekers vertrek aanzienlijke groepen militairen langs XXXzijn getrokken. De Commissie steunt aldus op feitelijke elementen die niet bewezen zijn, niet van algemene bekendheid zijn of gesteund op stukken die aan verzoeker werden medegedeeld, zodat de beslissing in dit laatste opzicht ook de rechten van de verdediging schendt. De eerste bestreden beslissing wordt dus niet geschraagd door een adequate motivering. Minstens wordt er een manifeste beoordelingsfout gemaakt met betrekking tot de toepassing van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève. Op basis van het dossier, zoals het is samengesteld, diende er immers redelijkerwijze te worden besloten tot het bestaan van een gegrond vrees voor vervolging in de zin van dit artikel. De tweede bestreden beslissing, het bevel om het grondgebied te verlaten, is gesteund op het feit dat verzoeker niet als vluchteling erkend werd. Nu de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling onwettig is en dient te worden nietigverklaard, dient ook het bevel om het grondgebied te verlaten dat eruit voortvloeit, nietig te worden verklaard. Bovendien is het bevel ook nietig om reden dat het opgesteld in de Franse taal terwijl de beslissing tot weigering van erkenning van het statuut van vluchteling waarop het bevel gesteund is, in de Nederlandse taal opgesteld is.”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “! Betreffende de vermeende schending van art. 1, A,
(2)van het verdrag van Genève dd. 28.07.1951. In zijn enig middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van art. 1, A,
(2)van het verdrag van Genève dd. 28.07.
  1. De verwerende partij merkt vooreerst op dat de ter zake geldende bewijslast in beginsel op verzoeker rust, derwijze dat hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet XIV-14.045-7/13 aanbrengen ter staving van zijn relaas (zie onder meer de Guide de procédures et critères à appliquer pour determiner le statut de réfugié van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, Genève, 1979, 53). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is terecht van oordeel dat verzoeker op dit punt in gebreke is gebleven. Uit de gegevens van de zaak blijkt genoegzaam dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen binnen de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid die de voormelde verdragsbepaling haar biedt, heeft kunnen beslissen dat verzoekers verklaringen niet geloofwaardig moeten worden geacht. Hetgeen door verzoeker in zijn middel wordt aangevoerd, is geenszins van aard om tot een ander besluit te kunnen komen, nu deze zich daarin beperkt tot het uiten van ongestaafde kritiek op de in casu bestreden beslissing die neerkomt op het vragen naar een feitelijke herbeoordeling van zijn aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gedane asielrelaas. Verzoekers middel bestaat overigens deels uit een loutere letterlijke herneming van dit relaas. De Raad van State kan de beoordeling die verzoeker van haar verlangt niet maken, vermist de Raad van State niet bevoegd is tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van een asielaanvraag, zeker niet wanneer zij, zoals te dezen het geval is, optreedt als administratief cassatiegerecht (zie bv. R.v.St. nr. 50.272, 18.11.1994; nr. 47.325, 6.5.1994; nr. 45.632, 4.1.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft in casu in haar bestreden beslissing alle vaststellingen opgenomen die voor de beoordeling van het door verzoeker bij haar ingestelde beroep relevant zijn en die de afwijzing van dit beroep rechtvaardigen. Door op basis van de haar eigen feitelijke beoordelingsbevoegdheid verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig te achten en de daartoe in aanmerking genomen gegevens in haar beslissing te vermelden heeft zij het vluchtelingbegrip geenszins miskend. Bovendien wordt uitdrukkelijk gesteld dat verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par A, lid 2 van de Conventie van Genève van 28.07.
  2. Er kan derhalve geen sprake zijn van de door verzoeker ingeroepen schending van die verdragsbepaling. In de mate dat het op deze schending is gesteund, is verzoekers enig middel dan ook ongegrond. ! Betreffende de vermeende schending van het "artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". In een zijn enig middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van "artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". Betreffende de vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij gelden dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd en is er geen sprake van een schending van het art. 57/22, temeer daar art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. AR P. 94.0068.F, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass.
  3. 1979, Arr. Cass. 1978-79, 522). De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval geen geloof kan gehecht worden aan verzoekers verklaringen en geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoeker zodanig in gevaar was XIV-14.045-8/13 dat deze zijn land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo wordt in de in casu bestreden beslissing onder meer verwezen naar het gegeven dat: - verzoeker zijn identiteit niet aantoont en niet aantoont wanneer hij zijn land verliet en in België aankwam; - verzoeker stelt dat hij familie is van majoor Mayele, maar dit geenszins aantoont; - dat deze hoge officier uit de FAZ bovendien geen graad van majoor maar van generaal had; - verzoeker niet kan toelichten waarom hij terzake niet het nodige heeft gedaan; - verzoeker noch zijn identiteit, noch zijn familieband met Mayele aantoont; - verzoeker geen aannemelijke verklaring geeft over hoe hij de plunderingen van zijn eigendommen kon voorkomen; - verzoeker evenmin zijn link met het voormalig Mobutu - regime kan aantonen; - verzoekers relaas en zijn beweerde functies ongeloofwaardig zijn en dat er geen geloof aan kan worden gehecht dat hij in dit verband zou worden vervolgd; - verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par A, lid 2 van de Conventie van Genève van 28.07.
  4. Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. In dit verband merkt de verwerende partij bijkomend op dat bij lezing van de toelichting van het enige middel blijkt dat verzoeker daarin inhoudelijke kritiek levert, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Rekening houdend met het gegeven dat art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. AR P.94.0068.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass. 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522), volstaat deze vaststelling naar het oordeel van de verwerende partij reeds om te kunnen besluiten dat het enige middel dient te worden afgewezen. Tegenover het voorgaande staat immers dat de naleving van de genoemde plicht geen verband houdt met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J.F. 1998, 693). Verzoeker gaat klaarblijkelijk uit van het tegenovergestelde, want bekritiseert de motieven van de bestreden beslissing als "feitelijk onjuist", "onvoldoende vaststaand" of "niet bewezen". Het is wat de verwerende partij betreft dan ook ten overvloede dat voor het overige nog kan worden vastgesteld dat de concrete beschouwingen die verzoeker wijdt aan de wijze waarop de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de op haar rustende motiveringsplicht zou hebben geschonden, geenszins kunnen worden bijgetreden. Als zodanig is dit onderdeel van het enig middel niet afgestemd op de rechtsregel waarvan het de schending opwerpt, zodat het in rechte faalt, minstens niet kan aangenomen worden. Bovendien blijkt dat in het licht van de vaststelling, die men bij lezing van de toelichting bij het enige middel onbetwistbaar moet maken, dat verzoeker met zijn uiteenzetting gewoon opnieuw een asielrelaas ter beoordeling voorlegt, als gold het te dezen een procedure voor een feitengerecht. Verzoekers argumentatie is hoofdzakelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van de gegevens van het dossier. Hij beoogt de Raad van State aldus te bewegen tot een feitelijke herbeoordeling waartoe deze instantie zeker als administratief cassatiegerecht niet bevoegd is (cf bv. R.v.St. nr. 50.272, 18.11.1994; nr. 47.325, 6.5.1994; nr. 45.632, 4.1.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A. CE 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A. CE 1994, z.p). XIV-14.045-9/13 Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht en de geloofwaardigheid van de door verzoeker aangebrachte elementen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze elementen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers enige middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen, neergelegde stukken en de beschikbare informatie te betwisten, dient het middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat dit onderdeel van verzoeker zijn enig middel niet kan worden aangenomen. ! Betreffende de opgeworpen schending van artikel 62 van de wet van 15.12.
  5. In zijn enig middel beroept verzoeker zich tevens op de schending van artikel 62 van de wet van 15.12.
  6. De verwijzing naar art. 62 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen vormt een verwijzing naar een wetsartikel dat op de bestreden beslissing geen toepassing kan vinden, hetgeen onder meer tot uiting komt in: - de vermelding in dit wetsartikel van de personen die de daarin bedoelde administratieve beslissingen ter kennis brengen van de betrokkenen, die niet de personen zijn die op geldige wijze tot kennisgeving van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen kunnen overgaan (zie art. 57/16, lid 2 van de bedoelde wet); - de opgave, in art. 63, lid 1 van de kwestieuze wet, van de rechtsmiddelen waarvoor de in art. 62 van die wet bedoelde beslissingen vatbaar zijn ~(in-zonderheid de verwijzing naar het "beroep tot nietigverklaring (...) overeenkomstig hetgeen hierna is bepaald"), vergeleken met art. 57/23, lid 1 van dezelfde wet, dat, uiteraard, integendeel aan genoemd art. 63, lid 1 voorafgaat. Bovendien volgt uit de aard van (de opdracht van) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dat haar beslissingen niet kunnen worden beschouwd als "administratieve beslissingen" in de zin van art. 62 van de genoemde wet dd. 15.12.
  7. Overigens betreft het hier een materiële motiveringsverplichting, noodzakelijk te beoordelen aan de hand van dossiergegevens waarop in het kader van een cassatieberoep tegen een beslissing van een rechtsprekende instantie geen acht vermag te worden geslagen. Uit het voorgaande volgt dat dit onderdeel van het enig middel wordt gesteund op een ontoepasselijke rechtsregel, zodat het faalt naar recht. Voor zover verzoekers concrete kritiek voor de afwijzing van het enige middel toch antwoord zou behoeven, quod certe non, kan de verwerende partij daarop nog het hierna volgende antwoorden. Verwerende partij merkt op dat het voorleggen van de kopij van zijn "attestation de mariage coutumier monogamique" van 18 november 1995 op zich niet kan aanzien worden als een voldoende bewijs van identiteit. Bovendien heeft verzoeker geen voldoende blijk van inspanning gegeven ten einde zijn verklaringen aannemelijk te maken, laat staan te bewijzen. Zeker vermits verzoeker beweert een familieband te hebben met een belangrijk generaal van het oude Mobuto regime "majoor Mayele" waarvoor hij een boerderij uitbaatte op 60 km van Kinshasa, maar dit geenszins aantoont, noch aannemelijk maakt. Verzoekers enige middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 3.1.
  8. Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij volhardt in de uiteenzetting van de feiten en middelen in zijn inleidend verzoekschrift; XIV-14.045-10/13 3.1.
  9. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- hij zijn identiteit niet bewijst, noch zijn familieband met (majoor) Mayele en evenmin zijn daaraan verbonden link met het voormalige Mobutu-regime en omdat hij niet bekend is met de boerderijen in N’sele, noch met de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in deze streek in de door hem vermelde periode; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd; dat ook zonder het motief met betrekking tot het gebrek aan bewijs van de identiteit de bestreden beslissing genoegzaam is gemotiveerd door de overige vaststellingen; dat de eventuele ondeugdelijkheid van het motief, ontleend aan het gebrek aan identiteitsbewijzen, dan ook op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat het bovendien volstaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aangeeft waarom de kennis van de vreemdeling met de streek waar hij volgens zijn verklaringen verbleef verkeerd is; dat ze in haar beslissing niet moet vermelden op welke informatiebron(nen) haar oordeel steunt; dat het ten slotte uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of verzoeker in de mogelijkheid is om via in België verblijvende kennissen, familieleden of andere hooggeplaatste leden van het voormalige Mobutu-regime zijn familieband met Mayele aan te tonen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.
  10. Wat het beroep van XXX betreft: 3.2.
  11. Overwegende dat verzoekster hetzelfde middel aanvoert als haar echtgenoot; 3.2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar memorie van antwoord hetzelfde antwoordt als voor de echtgenoot van verzoekster; 3.2.
  13. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt dat zij volhardt in de uiteenzetting van de feiten en middelen in haar inleidend verzoekschrift; 3.2.
  14. Overwegende dat er niet wordt betwist dat verzoekster haar asielaanvraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar echtgenoot; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de niet-erkenning van haar echtgenoot als vluchteling; dat indien het beroep van haar echtgenoot wordt verworpen, de te zijnen opzichte genomen beslissing definitief wordt en niet langer de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd; XIV-14.045-11/13
  15. Over de gegrondheid van de beroepen wat de bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten betreft. 4.
  16. Overwegende dat verzoekers deze bevelen onwettig achten daar ze, enerzijds, werden genomen in uitvoering van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die moeten worden vernietigd, en, anderzijds, in het Frans zijn opgesteld terwijl de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling in het Nederlands is opgesteld; 4.
  17. Overwegende dat een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten een politiemaatregel is en derhalve geen "akte" waaromtrent verzoekers als particulieren het gebruik van een bepaalde taal kunnen eisen; dat de bestreden bevelen immers niet het gevolg zijn van één of andere aanvraag van verzoekers, maar ambtshalve politiemaatregelen, die in determinerende orde werden genomen op basis van de niet door verzoekers betwiste vaststelling dat zij langer op het grondgebied verblijven dan de in artikel 6 van de Vreemdelingenwet voorziene termijn; dat wanneer de beroepen tegen de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden verworpen, deze beslissingen definitief worden en verzoekers niet langer de onwettigheid ervan kunnen aanvoeren, BESLUIT: Artikel
  18. De zaken nummers A. 133.675/XIV-14.045 en 133.677/XIV-14.047 worden gevoegd. Artikel
  19. De beroepen worden verworpen. Artikel
  20. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien februari tweeduizend en zes, door : XIV-14.045-12/13 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.045-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.741 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.