id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.823 Rolnummer: A. 164084/IX-4967 Zaak: Arrest 154823 - Accountants en Belastingconsulenten - 13/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 09:06 Fiche Arrest nr 154.823 van 13 februari 2006 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.823 van 13 februari 2006 in de zaak A. 164.084/IX-
- In zake : Jan STEURTEWAGEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. DE FREYNE, kantoor houdende te IZEGEM, Papestraat 9 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan STEURTEWAGEN op 8 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 9 mei 2005 door de Nederlandstalige kamer van de commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij het hoger beroep van verzoeker tegen de beslissing van 7 juni 2004 van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten houdende de niet- toekenning van de hoedanigheid van accountant aan verzoeker, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en de eerste beslissing wordt bevestigd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4967-1/8 Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BELEYN, die loco advocaat P. DE FREYNE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. LEBBE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker draagt de titel van erkend boekhouder-fiscalist en is lid van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten (BIBF). 1.
- Op grond van de overgangsregeling bedoeld in artikel 60 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen en uitgewerkt in het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de accountants en belastingconsulenten, heeft verzoeker de erkenning als belastingcon- sulent gekregen. Degene aan wie de titel van belastingconsulent is verleend, wordt daardoor lid van het Instituut van de accountants en belastingconsulenten (IAB) Gezien een persoon niet gelijktijdig lid kan zijn van het Beroepsin- stituut van erkende boekhouders en fiscalisten en van het Instituut van de accoun- tants en de belastingconsulenten werd aan de leden van het eerstgenoemde instituut die in het kader van de overgangsregeling de erkenning als belastingconsulent verkregen, de titel van belastingconsulent verleend onder opschortende voorwaarde van ontslag bij het BIBF. IX-4967-2/8 1.
- Daar sommige leden van het BIBF, die in het kader van de overgangsregeling de erkenning als belastingconsulent hadden verkregen en deze titel wensten te dragen, hun boekhoudactiviteiten wensten voort te zetten en zij dit niet konden doen zonder lid te blijven van het BIBF, werd tussen het IAB en het BIBF een akkoord gesloten dat is goedgekeurd door de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participatie, belast met de Middenstand, en de minister van Economie. Dat akkoord voorziet erin dat de leden van het BIBF, die in het kader van de overgangsregeling welke gold van 29 juni 1999 tot 29 december 2000 als belastingconsulent werden erkend op voorwaarde van ontslag bij dat instituut, de titel van accountant kunnen verwerven mits het voldoen aan bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden zijn enerzijds diploma- en ervaringsvereisten en anderzijds het slagen voor een bekwaamheidsexamen. Dit examen bestaat uit een schriftelijk gedeelte, namelijk een scriptie teneinde de praktische kennis van de kandidaat te toetsen in de accountancy- domeinen en een mondeling gedeelte. Het mondeling gedeelte heeft uitsluitend tot doel na te gaan of de kandidaat de nodige kennis heeft om de specifieke werkzaamheden van de accountant te kunnen uitoefenen. 1.
- Met een brief van 29 januari 2004 dient verzoeker zijn aanvraag in om de titel van accountant te verkrijgen. Bij die brief was onder meer de scriptie gevoegd waarin verzoeker de redenen uiteenzet waarom hij de titel van accountant nastreeft. 1.
- Op 26 maart 2004 heeft het mondeling examen plaats. Verzoekers antwoord op de gestelde vragen wordt door de examenjury als ontoereikend beoordeeld. De jury besluit dat verzoeker niet over een voldoende kennis beschikt om de specifieke opdrachten van accountant uit te oefenen. IX-4967-3/8 De raad van het IAB besluit op 7 juni 2004 dan ook om verzoeker de titel van accountant niet toe te kennen. 1.
- Verzoeker stelt hoger beroep in tegen de beslissing van de Raad. Hij verschijnt op 11 april 2005 voor de commissie van beroep. De zaak wordt op die zitting behandeld en op 9 mei 2005 neemt de commissie van beroep de bestreden beslissing waarbij het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoeker als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert dat hij de mogelijkheid verliest om de werkzaamheden te verrichten die vallen onder het “monopolie” van de accountant opgesomd in artikel 34 van de wet van 22 april 1999, met minstens een later niet te becijferen verlies van inkomensstij- ging tot gevolg; dat hij wat dat betreft ook de noodzaak vermeldt om zijn eigen klanten voor specifieke opdrachten die de accountancy betreffen te verwijzen naar een andere accountant; dat hij daarnaast refereert aan de verplichting om ontslag te nemen als lid van het BIBF teneinde zijn hoedanigheid van belastingconsulent te kunnen behouden, zodat hij geen werkzaamheden meer zal mogen uitvoeren welke aan de boekhouders zijn voorbehouden, met later niet of zeer moeilijk te bepalen wedde- en inkomstenverlies tot gevolg; dat volgens hem op zijn minst een vergoeding achteraf geen herstel zou bieden voor het feit dat hij dat inkomen nodig heeft om te leven, nu hij zijn kosten niet kan betalen; dat hij ten slotte een moreel nadeel aanvoert om na jaren beroepsuitoefening geconfronteerd te worden met een beoordeling als onvoldoende beroepsbekwaam met het odium dat verbonden is aan de weigering van een erkenning als accountant omwille van onvoldoende beroepskennis, wat ook weinig bevorderlijk is ten aanzien van zijn bestaande cliënteel en weinig bevorderlijk voor nieuw cliënteel; IX-4967-4/8 3.
- Overwegende dat de verwerende partij vooreerst antwoordt dat niet alle werkzaamheden van de accountant opgesomd in artikel 34 van de wet van 22 april 1999 behoren tot het monopolie van de accountant, doch enkel die welke zijn opgesomd in artikel 37 van dezelfde wet, zodat een erkend boekhouder zoals verzoeker gerechtigd is de werkzaamheden bedoeld in artikel 34, 3/, 4/ en 5/, van die wet uit te oefenen; dat met andere woorden verzoeker dus enkel de activiteiten vermeld in artikel 34, 1/, 2/ en 6/, en deze bedoeld in artikel 37, 2/, van de wet van 22 april 1999 niet mag uitoefenen; dat daarnaast, wat het aangevoerde geldelijk verlies betreft, hetwelk verzoeker niet eens begroot, de verwerende partij stelt dat dit in principe geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is, tenzij daardoor het voortbestaan van de onderneming of vennootschap van verzoeker in het gedrang komt; dat aangezien verzoeker thans reeds als boekhouder de accountantsopdrachten bedoeld in artikel 34, 3/, 4/ en 5/, van de wet van 22 april 1999 mag uitvoeren, volgens de verwerende partij alleszins niet aangetoond is dat de niet-erkenning het verlies van actueel cliënteel met zich brengt; dat volgens de verwerende partij een schorsing voorts niet voor gevolg heeft dat verzoeker de titel van accountant mag dragen; dat hij volgens haar ook ten onrechte zou beweren dat hij zijn werkzaamhe- den van boekhouder moet stopzetten om zijn titel van belastingconsulent te behouden: verzoeker verkreeg die titel immers onder de voorwaarde ontslag te nemen als lid van het BIBF doch is volgens de verwerende partij door de bestreden beslissing niet verplicht om ontslag te nemen als lid van het BIBF en hij kan nog steeds zijn werkzaamheden als boekhouder, waaronder deze van belastingconsulent, uitoefenen nu de wet van 22 april 1999 enkel de titel van belastingconsulent beschermt maar geen monopolie invoert; dat ook wat dat betreft de bestreden beslissing volgens de verwerende partij bijgevolg geen inkomensverlies met zich brengt; dat zij ook stelt dat de beslissing verzoeker niet te erkennen als accountant wegens onvoldoende beroepskennis, verder geen invloed heeft op het huidig of toekomstig cliënteel van verzoeker nu dit geen beslissing is die openbaar wordt gemaakt of waaraan ruchtbaarheid wordt gegeven; dat dan ook niet ingezien kan worden hoe het huidig cliënteel hiervan kennis zou krijgen of eruit zou afleiden dat verzoeker geen voldoende kennis bezit als erkend boekhouder-fiscalist, wat hij thans is; dat wijl de bestreden beslissing niet gekend is voor het publiek en niet de reputatie van verzoeker aantast als erkend boekhouder-fiscalist, volgens de verwerende partij nog moeilijker ingezien zou kunnen worden hoe deze beslissing kan leiden tot verlies van potentiële klanten; dat, tenslotte, het aangevoerd moreel nadeel volgens haar op zich in principe geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan vormen en een eventuele nietigverklaring een moreel nadeel zou herstellen; IX-4967-5/8 3.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht opwerpt dat een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet inhoudt dat verzoeker de titel van accountant verkrijgt; dat zij echter wel meebrengt dat de auteur van de bestreden weigeringbeslissing na de schorsing deze zal moeten heroverwegen en daaruit kan volgen dat de verzoeker toch het verhoopte voordeel wordt toegekend; dat los daarvan de vraag blijft of te dezen de schorsing van de weigering om verzoeker de titel van accountant te verlenen de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wegneemt; Overwegende dat, anders dan verzoeker beweert, de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing niet inhoudt dat alle door verzoeker opgesomde accountancy-werkzaamheden opgesomd in artikel 34 van de wet van 22 april 1999 voorbehouden zijn aan een accountant; dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, zulks blijkens artikel 37 van die wet enkel het geval is voor die welke zijn opgesomd in artikel 36, 1/, 2/ en 3/, en deze bedoeld in artikel 37, 2/, alsook voor andere opdrachten waarvan de uitvoering hem bij of krachtens de wet is voorbehou- den, en dus bijvoorbeeld niet het organiseren en voeren van de boekhouding van derden of de in artikel 38 bedoelde werkzaamheden, welke deze zijn van een belastingconsulent; dat strikt gezien de verplichting ontslag te nemen als lid van het BIBF, hetgeen inhoudt dat verzoeker niet meer de aan een boekhouder voorbehou- den activiteiten mag verrichten, voorts niet volgt uit de bestreden beslissing, maar uit de toekenning van de titel van belastingconsulent onder die voorwaarde; dat daarnaast dient te worden vastgesteld dat verzoeker, als erkend boekhouder-fiscalist, ook zonder de titel van accountant of belastingconsulent, de taken van een boekhouder, opgesomd in artikel 49 van de wet van 22 april 1999, waaronder deze van een belastingconsulent, voort kan zetten, zij het dan zonder de titel van accountant/belastingconsulent te mogen dragen; dat aangezien dit blijkbaar ook zijn huidige activiteiten zijn, op het eerste gezicht aangenomen dient te worden dat de bestreden beslissing ter zake geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt, nu het niet belet dat verzoeker zijn activiteiten zoals voorheen verder zet; Overwegende dat verzoekers argument van het odium dat kleeft aan de bestreden beslissing die verzoeker niet erkent wegens onvoldoende beroepsbekwaamheid, niet tot een andere conclusie dient te leiden; dat ook wat dat betreft de verwerende partij terecht laat gelden dat die beslissing niet alleen niet openbaar wordt gemaakt maar ook niet zijn hoedanigheid van erkende boekhouder- fiscalist betreft; dat om dezelfde reden ook het ingeroepen verlies van potentieel IX-4967-6/8 cliënteel genuanceerd dient te worden; dat de bestreden beslissing weliswaar meebrengt dat verzoeker geen cliënteel kan aantrekken als accountant, doch zulks op zichzelf niet kan volstaan als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, nu nergens concreet en specifiek wordt aangetoond welke invloed dit heeft op de bestaande onderneming van verzoeker; dat verzoeker evenmin aantoont waarom het aangevoer- de morele nadeel verbonden aan de beslissing niet erkend te worden als accountant wegens niet slagen in een bekwaamheidsexamen, van die aard is dat het niet hersteld zou worden door een eventuele nietigverklaring;
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat dan ook niet voldaan is aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde cumulatieve schorsings- voorwaarde, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4967-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari 2000 en zes, door : de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4967-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.823 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.