id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.829 Rolnummer: A. 64953/IX-775 Zaak: Arrest 154829 - - 13/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:10 Fiche Arrest nr 154.829 van 13 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.829 van 13 februari 2006 in de zaak A. 64.953/IX-
(15)mei 1995 de redenen uiteengezet waarom die aktie klaarblijkelijk onrechtmatig was en bijgevolg niet kon geduld worden. De Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bij wie de NMBS een vordering in kortgeding had aanhangig gemaakt, heeft trouwens geoordeeld dat de dienst waarmee de Maatschappij belast is van algemeen belang is en de continuïteit ervan in principe moet worden gewaarborgd. Bovendien heeft de rechter gewezen op het onevenwicht tussen de oorzaak van de stakingsaktie en de gevolgen ervan.”; dat in de bedoelde dienstorder ook het totale buitensporig karakter van de staking wordt gehekeld; dat de Raad van State geen rekening vermag te houden met de uitleg die de verwerende partij achteraf heeft gegeven over de vraag of de stakingsactie al dan niet regelmatig was en in het kader van zijn onderzoek alleen vermag na te gaan of de stakingsactie buitensporig was; Overwegende dat het wettige doel van de vakbonden erin bestaat de werknemers te verdedigen, evenals hun arbeidsomstandigheden en hun rechtsposi- tie te verbeteren; dat maatregelen die reeds honderd jaar bestaan daaraan niets afdoen; dat de verwerende partij tevergeefs steunt op de richtlijn 91/440/EEG van 29 juli 1991 van de Raad van de Europese Unie betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap, waarvan artikel 10, lid 3, -ten tijde van de bestreden beslissing- alleen het volgende bepaalt: “De internationale samenwerkingsverbanden en de spoorwegondernemingen die internationaal gecombineerd goederenvervoer verrichten, sluiten de nodige administratieve, technische en financiële overeenkomsten met de beheerders van de gebruikte spoorweginfrastructuur om de problemen te regelen op het gebied van de regeling en de veiligheid van het verkeer in verband met de in de leden 1 en 2 bedoelde internationale vervoerdiensten. Die overeenkomsten mogen geen discriminerende voorwaarden bevatten.”; dat die richtlijn, die overigens eerst bij een in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 1997 bekendgemaakt koninklijk besluit van 5 februari 1997 -thans opgeheven- in intern recht is omgezet, geen enkele bepaling bevat die de verwerende partij ertoe dwingt de maatregelen te treffen die de aanleiding tot de omstreden stakings- beweging zijn geweest; dat de verwerende partij zich vanzelfsprekend evenmin kan IX-775-14/18 verschuilen achter richtlijn 95/18/EG van 19 juni 1995 van de Raad van de Europese Unie betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, die na de voormelde stakingsbeweging is aangenomen; Overwegende dat het op zijn minst tegenstrijdig is dat de verwerende partij enerzijds betoogt dat het nieuwe examensysteem geenszins van het voordien geldende systeem verschilt en anderzijds stelt dat het slechts een op proef ingevoerde maatregel is die periodiek geëvalueerd wordt; dat uit het aanvullend dossier dat verzoeker tijdens de schorsingsprocedure heeft ingediend, blijkt dat de erkende vakorganisaties zich, net als het VSOA, verzetten tegen de repressieve aard van de periodieke ondervragingen; dat de Christelijke Vakbond van Communicatie- middelen en Cultuur (C.V.C.C.) overigens in een commentaar op de vergadering van 8 mei 1995 in een communiqué met als opschrift “Nul voor de N.M.B.S.” uiting heeft gegeven aan zijn ontevredenheid en tot de conclusie is gekomen dat “... de N.M.B.S. als enige verantwoordelijk (zal) zijn voor de sociale conflicten die zouden voortvloei- en uit haar weerspannige en onbuigzame houding”; dat die organisaties de eisen van het VSOA niet hebben bekritiseerd maar ervoor geopteerd hebben zich niet bij de actie aan te sluiten om de onderhandelingen die zij met de verwerende partij aan het voeren waren en waarbij het VSOA niet betrokken was, niet in het gedrang te brengen; Overwegende dat de rechtmatigheid van het door een werkgever nagestreefde doel er niet aan in de weg kan staan dat zijn werknemers gebruik maken van hun recht tot staken om de nadere regels te betwisten die - zij het voorlopig - zijn aangenomen om dat doel te bereiken; dat de voormelde richtlijn 95/18/EG een grote ruimte laat voor het bepalen van die nadere regels, aangezien artikel 8 van die richtlijn ten tijde van de bestreden beslissing alleen het volgende bepaalde: “1. Aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid is voldaan indien (...)
- b)de voor de veiligheid verantwoordelijke personeelsleden, meer bepaald de locomotiefbemanningen, volledig gekwalificeerd zijn op hun gebied; IX-775-15/18
- c)het personeel, het rollend materieel en de organisatie van dien aard zijn dat de diensten op een hoog veiligheidsniveau kunnen worden verricht. (...)”; dat het document betreffende de toegang tot de spoorweginfrastructuur in de Europese Unie en in Noorwegen en Zwitserland, houdende een kort overzicht van de toepasselijke regels en een modelcontract, dat de verwerende partij bij het administratief dossier heeft gevoegd, eveneens bepaalt dat “in het algemeen” voor controle van de permanente vorming moet worden gezorgd, terwijl het bepalen van de regelmaat en de vorm ervan tot de bevoegdheid van de nationale overheden behoort; dat de maatregelen die tot de omstreden staking hebben geleid overigens aanzienlijk gewijzigd zijn; dat de verwerende partij bij een bericht nr. 29T/95 van 30 oktober 1995 een nieuwe regeling betreffende de controle van de permanente vorming van de treinbestuurders heeft uiteengezet; dat die regeling neerkomt op een overhoring om de drie jaar - in plaats van een overhoring om de vijftien maanden - waarbij 50% van de punten moet worden gehaald - in plaats van 60% - en waarbij voorzien is in drie herkansingen - in plaats van twee; dat de treinbestuurders bovendien kunnen kiezen tussen een mondeling en een schriftelijk examen, waarbij dat schriftelijk examen op hun verzoek de vorm van een examen met meerkeuze- vragen kan aannemen; dat het VSOA, dat eerst geëist had dat geen enkel examen zou plaatsvinden, zich vervolgens soepeler heeft opgesteld en zich bereid heeft verklaard onderhandelingen aan te knopen en elke door de verwerende partij voorgestelde oplossing te bestuderen; dat het VSOA, door het uitblijven van een voorstel om er over te onderhandelen, als niet-erkende vakorganisatie, ertoe gebracht is een harder standpunt in te nemen en stakingsacties te ondernemen; dat het VSOA, hoewel het buiten het officieel overleg werd gehouden, na de stakingsactie van 18 mei 1995 opnieuw voorstellen heeft gedaan waarmee bij het uitwerken van de nieuwe regeling betreffende de controle van de vorming van de treinbestuurders ruimschoots rekening is gehouden; dat in die omstandigheden niet tot de omstreden staking is besloten om motieven van een zelden geziene nietszeggendheid, zoals de verwerende partij beweert; dat de verwerende partij, door spontaan af te zien van haar vordering om voor recht te laten zeggen dat “het stakingsbevel op onaanvaardbare eisen is gegrond (en het) de veiligheid van de bestuurders zelf en die van de derden-gebruikers in ... IX-775-16/18 gevaar brengt”, de rechter in kort geding niet in staat heeft gesteld na te gaan of de staking al dan niet buitensporig was; dat de verwerende partij, door het tegengestelde te beweren, klaarblijkelijk de ontvankelijkheid van een vordering met de gegrondheid ervan verwart; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 30 mei 1995 waarbij Johan DE POORTER de tuchtstraf van afhouding van één vijfde van zijn dagwedde wordt opgelegd en de beslissing genomen door het Directiecomité van de NMBS van 22 mei 1995 die tot het opleggen van die tuchtstraf beslist. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, IX-775-17/18 A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-775-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div