id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.842 Rolnummer: A. 142938/X-11610 Zaak: Arrest 154842 - - 13/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:19 Fiche Arrest nr 154.842 van 13 februari 2006 - Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 154.842 van 13 februari 2006 in de zaak A. 142.938/X-11.
- In zake :
- Florent RIJKERS,
- Francine VERSTRAELEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. SOL, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Gemeentestraat 4/6 tegen :
- de gemeente BRECHT, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MEEUSEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Kapucinessenstraat 19,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- ------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Florent RIJKERS en Francine VERSTRAELEN op 21 oktober 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 augustus 2003 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht waarbij aan de bvba JITITRANS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een autoberg- plaats op een perceel gelegen te Brecht, Abdijlaan 3, kadastraal bekend Sectie K, nrs. 57 M4 en 58 E en van de beslissing van 25 maart 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht houdende aktename van een nieuwe hinderlijke inrichting klasse 3 voor een transportonderneming op hetzelfde perceel; Gelet op het arrest nr. 145.838 van 13 juni 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de bvba JITITRANS in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de X-11.610-1/3 tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 24 juni 2005; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partijen, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op het schrijven van de verzoekende partijen van 6 september 2005, waarbij zij vragen om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 december 2005, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 27 januari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN MIERLO die loco Advocaat L. SOL verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat M. WENDRICKX die loco Advocaat A. MEEUSEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat S. RONSE die loco Advocaat J. CLAES verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat uit de procedurestukken blijkt dat het tussenarrest in deze zaak op 22 juni 2006 ter kennis werd gebracht van de raadsman bij wie de verzoekende partijen woonplaats kozen; dat het bericht van ontvangst werd ondertekend; dat verzoekende partijen derhalve niet kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat zij "nooit enig bericht noch arrest" ontvingen; Overwegende dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging X-11.610-2/3 van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.610-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.842 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.