id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.844 Rolnummer: A. 169869/IX-5198 Zaak: Arrest 154844 - - 13/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 09:20 Fiche Arrest nr 154.844 van 13 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.844 van 13 februari 2006 in de zaak A. 169.869/IX-
- In zake : André LABEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henninstraat 67-69 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André LABEEUW op 30 januari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 januari 2006 van de beroepscommissie van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (het FAVV) waarbij bevestigd wordt dat hij niet in aanmerking komt om taken voor het Voedselagentschap uit te voeren; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 februari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 7 februari 2006, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; IX-5198-1/7 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten, objectieve criteria heeft bepaald waaronder het FAVV zelfstandige dierenartsen bij de uitoefening van zijn opdrachten kan betrekken; dat volgens deze nieuwe regeling de aanstelling gebeurt na een openbare oproep en kandidaatstelling (artikelen 4 en 5) en dat de kandidaten met het oog op de toekenning van de taken geëvalueerd worden door een evaluatiecommissie, waarbij “inzonderheid rekening gehouden (wordt) met de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts, alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid”, maar zonder dat deze evaluatie een onderlinge rangschikking van de kandidaten inhoudt (artikel 6, lid 1); dat de kandidaten de mogelijkheid hebben om tegen de beslissing van de evaluatiecommissie bezwaar in te dienen “bij de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV, die over een termijn van drie maand beschikt om zijn gemotiveerde beslissing aan betrokkene mede te delen” (artikel 6, lid 4); Overwegende dat verzoeker, zelfstandig dierenarts, opdrachten vervulde voor het FAVV; dat hij zich overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 december 2004 op 24 mei 2005 kandidaat stelde om als zelfstandig dierenarts taken voor het FAVV uit te voeren; dat de evaluatiecommissie van de PCE-Oost-Vlaanderen op 17 oktober 2005 aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij niet in aanmerking kwam voor de uitoefening van dergelijke taken wegens “onvoldoende beroepsernst”, “onvoldoende beschikbaarheid (praktijk gaat voor)” en “negatieve precedenten met ambtenaren i.v.m. uitvoeren van opdrachten”; dat verzoeker op 10 november 2005 tegen die negatieve evaluatie bezwaar ingediend heeft bij de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV; dat hij op 21 december 2005 door de zogenaamde beroepscommissie gehoord is en dat deze commissie dan het volgende advies geformuleerd heeft : IX-5198-2/7 “(...) De kandidaat gaat niet akkoord met het feit dat hij geen beroepsernst zou hebben; dat heeft hij reeds voldoende bewezen in zijn 35 jaar werk bij landbouw en 17 jaar bij het IVK. Hij vindt ook niet dat hij meer op zijn praktijk gericht is dan op zijn werk voor het FAVV; hij is wel beschikbaar. Hij stelt dat hij slechts met één ambtenaar problemen heeft. De kandidaat geeft toe dat hij éémaal prestaties heeft aangerekend die hij niet gepresteerd heeft. De Raadsman van de heer Labeeuw wijst erop dat de beschuldigingen tegen zijn klant niet gefundeerd zijn. De motivaties van de evaluatiecommissie namelijk : onvoldoende beroepsernst, onvoldoende beschikbaarheid en negatieve precedenten met ambtenaren i.v.m. uitvoeren van opdrachten, waren voor de heer Labeeuw een raadsel. Bij het inkijken van het dossier blijven de raadsels bestaan naar de reden van deze motivaties. Bij de motivatie ‘onvoldoende beschikbaar’ wordt verwezen naar de praktijk : het is duidelijk dat een zelfstandige dierenarts nog een praktijk heeft. Alle negatieve evaluaties hebben betrekking op het verleden; zij steunen enkel op vermoedens en er is daarover nooit een procedure gevoerd. Hij stelt dat de normvervaging bij het invullen van prestaties moet opgelost worden en dat de heer Labeeuw zich in de toekomst correct zal opstellen. Beraadslaging van de beroepscommissie Gedurende de laatste 5 jaar zijn vaststellingen gedaan die er op wijzen dat de heer Labeeuw zeer onzorgvuldig omspringt met de registraties van zijn prestaties. De basisvoorwaarde voor de samenwerking van het Agentschap met zelfstandige dierenartsen berust op integriteit en betrouwbaarheid. Dit is bij de heer Labeeuw niet het geval. Op basis daarvan wordt de beslissing van de evaluatiecommissie bevestigd voor de motivaties onvoldoende beroepsernst en negatieve precedenten met ambtenaren. Beslissing Het bezwaar van de heer André Labeeuw tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, wordt niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost- Vlaanderen ongewijzigd en komt de heer André Labeeuw niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen”; dat de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV met een aangetekende brief van 17 januari 2006 het advies van de beroepscommissie ter kennis van verzoeker gebracht heeft met de mededeling dat hij dienovereenkomstig het bezwaar niet aanvaardt, zodat de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd blijft; dat die beslissing het voorwerp vormt van de onderhavige vordering; dat verzoeker stelt dat hij de brief van het FAVV op 19 januari 2006 ontvangen heeft en dat hem op 20 januari 2006 per e-mail medegedeeld is dat hij vanaf maandag 23 januari 2006 geen opdrachten meer toegekend zou krijgen;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de IX-5198-3/7 vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is doordat het aangevoerde nadeel niet meer gekeerd zal kunnen worden indien er uitspraak wordt gedaan volgens de gewone schorsingsprocedure; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van de formele motiveringswet, van zijn rechten van verdediging en van verschillende beginselen van behoorlijk bestuur, met name het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en subsidiair het beginsel “non bis in idem”; dat hij in een eerste onderdeel van het middel uiteenzet dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 niet toelaat dat eventueel tuchtrechtelijk sanctioneerbare of reeds bestrafte feiten in rekening gebracht worden, aangezien volgens die bepaling alleen acht geslagen mag worden op de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts evenals met de aard van de uit te voeren taken; dat hij in een tweede onderdeel uiteenzet dat, mocht de evaluatie van de kandidaten al toelaten om tuchtmaatregelen te treffen, zulks in elk geval moet gebeuren binnen een redelijke termijn, op grond van behoorlijk bewezen feiten en met oog voor de mogelijkheid van de betrokkene om zich binnen een redelijke termijn na de vaststelling van de feiten te verdedigen; Overwegende dat verzoeker het middel in essentie adstrueert vanuit de vaststelling dat de commissie die hem in beroep evalueerde haar standpunt rechtvaardigt met verwijzing naar feiten uit 2001 met betrekking tot de onnauwkeurige of laattijdige registratie van zijn aanwezigheden in de slachthuizen waar hij keurde; dat hij betoogt dat hij zich indertijd over die feiten verantwoord heeft, ze in sommige gevallen betwist heeft en in andere gevallen zijn goede trouw benadrukt heeft, dat de feiten zich nadien niet meer herhaald hebben en dat zij toen enkel tot gevolg gehad hebben dat hij buiten elk tuchtrechtelijk optreden om en met zijn instemming op een ander keurpunt werd geplaatst; dat naar zijn oordeel het bestuur deze oude feiten die toen niet tuchtrechtelijk vervolgd werden, niet meer mag oprakelen om hem nu negatief te evalueren met het oog op het toewijzen van taken, wat in feite neerkomt op een tuchtrechtelijke schorsing van onbepaalde duur; IX-5198-4/7 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de bestreden beslissing enkel de beoordeling van zijn geschiktheid betreft, dat dergelijke beoordeling “niet noodzakelijk (moet) steunen op bewezen fouten” omdat er geen tuchtstraf wordt opgelegd en dat de commissie “feiten uit het verleden die haar bekend zijn” in aanmerking kan nemen; dat zij besluit dat de commissie binnen haar discretionaire bevoegdheid moet beslissen of iemand tegen wie het vermoeden bestaat dat hij onnauwkeurig is en die een verleden van “slechte samenwerking” heeft, wel opdrachten kan krijgen van het Agentschap; 3.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit kadert in de nieuwe reglementering die de verwerende partij moet naleven bij de aanwijzing van zelfstandige dierenartsen die opdrachten voor haar zullen uitoefenen, meer bepaald in de verplichting opgelegd aan -de Gedelegeerd Bestuurder van- het FAVV om voortaan de taken slechts toe te wijzen aan dierenartsen die de reglementaire voorwaarden vervullen en die door een evaluatiecommissie in aanmerking genomen zijn, rekening houdend met “de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts, alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid”; 3.3.
- Overwegende dat de evaluatiecommissie haar negatief advies over de kandidatuur van verzoeker steunt op zijn “onvoldoende beroepsernst en negatieve precedenten”; dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissie daarmee verwijst naar de problemen die het bestuur in het verleden vastgesteld heeft ten aanzien van een aantal onjuiste registraties, door verzoeker, van zijn aanwezigheden in de slachthuizen waar hij keuringen uitvoerde; dat de evaluatiecommissie dergelijke feiten bij haar onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaten kan betrekken; dat de omstandigheid dat de feiten niet tuchtrechtelijk bestraft werden niet betekent dat het bestuur die feiten niet in aanmerking zou mogen nemen wanneer het in het kader van het statuut geroepen wordt een waardeoordeel over de betrokken kandidaat uit te spreken; dat gewis, nu in dit geval de feiten dagtekenen uit de jaren 2000 en 2001 en de verwerende partij verzoeker nadien nog voort opdrachten heeft toevertrouwd, de vraag rijst of nog wel relevant naar die feiten verwezen kan worden, maar dat daar tegenover staat dat de feiten rechtstreeks verbonden zijn met de taak die hij in de toekomst verder wenst uit te oefenen, dat de bestaande regeling om zelfstandige dierenartsen tewerk te stellen niet voorzag in een evaluatie van de prestaties vooraleer opdrachten konden worden toegekend en dat de verwerende partij toch bij de eerste gelegenheid die zich aandiende -de nieuwe situatie geschapen door het IX-5198-5/7 koninklijk besluit van 20 december 2004 waarbij de aanwijzing van de dierenartsen geformaliseerd wordt- de problemen met verzoeker te berde gebracht heeft; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij de feiten uit 2000 en 2001 wel slechts deugdelijk in haar besluitvorming kon betrekken in de mate dat zij ze voor terdege bewezen kon houden; dat die vraag bevestigend beantwoord wordt, aangezien het administratief dossier stukken bevat waaruit blijkt dat verzoeker in een aantal gevallen verkeerde gegevens over zijn aanwezigheid in de slachthuizen aan het bestuur heeft verstrekt, dat hij voor een deel ervan zelf toegegeven heeft onjuiste verklaringen te hebben afgelegd en dat hij daarover laconiek aan het bestuur mededeelde dat die kostenstaten aangepast konden worden; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht heeft kunnen stellen dat verzoeker aldus blijk gegeven heeft van een gebrek aan beroepsernst; dat een bestuur niet onredelijk handelt wanneer het sceptisch staat tegen de indienstneming van personen die in het verleden blijk hebben gegeven van bepaalde gedragingen die vragen konden doen rijzen bij hun betrouwbaarheid, zeker wanneer de tewerkstelling gebeurt in opdrachten waar de betrokkene een grote zelfstandigheid geniet; dat verzoeker wel verwijst naar de onmin die er in die tijd tussen hem en de plaatselijke dierenarts-inspecteur bestond, maar dat zulks geen deugdelijke verklaring kan zijn voor het foutief invullen, door hemzelf en in zijn voordeel, van administratieve documenten; dat in de huidige stand van de zaak vastgesteld kan worden dat de evaluatiecommissie binnen haar discretionaire bevoegdheid gebleven is door in de eigen ervaringen van het bestuur met verzoeker, een tegenindicatie te zien op het vlak van zijn betrouwbaarheid en zijn integriteit en op grond daarvan te besluiten dat hij ongeschikt is om als zelfstandige te werken voor het FAVV; 3.3.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat verzoeker daarbij vooropstelt dat hem op verdoken wijze een tuchtstraf wordt opgelegd; dat evenwel geen enkel gegeven van het thans voorliggend dossier erop wijst dat de verwerende partij verzoeker zou hebben willen bestraffen voor enig schuldig gedrag en dat zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid, die erop gericht is de kandidaten aan te wijzen die opdrachten van het FAVV kunnen ontvangen, te buiten zou zijn gegaan;
- Overwegende dat het enig aangevoerd middel niet ernstig is; dat die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, IX-5198-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5198-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.844 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.648 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.386 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.