← België

Arrest 154879 - - 14/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.879 Rolnummer: A. 99368/X-10052 Zaak: Arrest 154879 - - 14/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:22 Fiche Arrest nr 154.879 van 14 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.879 van 14 februari 2006 in de zaak A. 99.368/X-10.

  1. In zake :
  2. André GOLDWASSER,
  3. Ingrid DE CAVEL, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. HABERKORN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 475 tegen :
  4. de Bestendige Deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN,
  5. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  6. tussenkomende partij : de naamloze vennootschap WEST-VLAAMSE BELEGGINGEN, die woonplaats kiest bij Advocaat R. HONORÉ, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André GOLDWASSER en Ingrid DE CAVEL op 12 januari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van enerzijds het besluit van 1 juli 1999 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan F. GYSEL, gedelegeerd bestuurder van de naamloze vennootschap VLAAMSE BELEGGINGEN, de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het verbouwen van een dakverdiep" van een gebouw gelegen te Knokke-Heist, Zeedijk-Het Zoute/Westhinderstraat 7, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 962, en anderzijds, voor zoveel als nodig, het besluit van 6 juli 2000 van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende de onontvankelijk verklaring van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie; X-10.052-1/7 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 maart 2001 ingediend door de n.v. West-Vlaamse Beleggingen; Gelet op de beschikking van 18 april 2001 die de tussenkomst van de n.v. West-Vlaamse Beleggingen toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij voormelde beschikking wordt ingetrokken, en de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. PENNICKX die loco Advocaat B. HABERKORN verschijnt voor de eerste verzoekende partij, van Adjunct-adviseur P. DEWULF die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat P. LOUAGE die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat R. HONORE die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; X-10.052-2/7 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen, wat de tijdigheid van hun beroep betreft, betogen dat overeenkomstig artikel 4 van het algemeen procedurereglement de beroepen, bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, binnen de zestig dagen na kennisname van de bestreden beslissing bij de Raad van State aanhangig moeten worden gemaakt, dat zij stellen dat de termijn ingaat "de eerste dag na de dag die volgt op de dag waarop de verzoeker de inhoud van de bestreden akte op volkomen en nauwkeurige wijze kon kennen", dat zij naar aanleiding van de jaarlijkse algemene vergadering van mede- eigenaars van de Residentie Pinguin "enkel kennis hebben gekregen van het bestaan van de afgeleverde bouwvergunning", dat de vergunningsbeslissing zelf echter aan de verzoekende partijen pas bij faxbericht van 13 november 2000 door het gemeentebestuur van Knokke-Heist werd overgemaakt, dat het verzoek derhalve tijdig en ontvankelijk is; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord de laattijdigheid van het annulatieberoep opwerpt omdat het verzoekschrift werd ingediend op 12 januari 2001, terwijl de verzoekende partijen kennis kregen van de bestreden beslissing op 28 september 2000; dat zij de opgeworpen exceptie toelicht als volgt : "Verzoekers beweren pas op 13 november 2000 kennis te hebben gekregen van de beslissing van de bestendige deputatie. De facto waren verzoekers echter al veel vroeger op de hoogte van de beslissing van de deputatie. Reeds op 28 september 2000 werden de mede-eigenaars van de residentie 'PINGUIN' waaronder verzoekers, uitgenodigd om deel te nemen aan de jaarlijkse Algemene Vergadering van mede-eigenaars op 10 oktober
  7. In de dagorde werd melding gemaakt van de bouwaanvraag. Tijdens deze vergadering hebben enkele mede-eigenaars, waaronder verzoekers, zich verzet tegen de uitvoering van de bouwvergunning (zoals verzoeker ook expliciet vermeldt in zijn verzoekschrift). In alle redelijkheid mag aangenomen worden dat de bouwvergunning gedetailleerd werd besproken alvorens over te gaan tot de stemming van dit agendapunt. Een en ander betekent aldus dat verzoekers hoe dan ook de termijn van 60 dagen na kennisname van de beslissing hebben laten verstrijken. Het verzoek tot schorsing is bijgevolg onontvankelijk."; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord aan de argumentatie zoals die werd ontwikkeld in het verzoekschrift niets wezenlijks toevoegen; X-10.052-3/7 Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst o.m. stelt wat volgt : "Dat daargelaten het feit dat de heer GOLDWASSER en mevrouw DE CAVEL wellicht reeds in de zomervakantie van 2000 weet hadden van de vergunning, het in ieder geval zo is dat zij met zekerheid op 10 oktober 2001 van deze vergunning kennis hadden. Dat de 60 dagen termijn dan ook loopt vanaf het ogenblik dat de heer GOLDWASSER en mevrouw DE CAVEL met zekerheid weet hadden van de vergunning, dit is vanaf 10 oktober 2000 en niet eerst -zoals zij in hun annulatieverzoekschrift stellen- vanaf het tijdstip waarop zij kennis hebben genomen van de inhoud van de bouwvergunning ingevolge de inlichtingen die de gemeente KNOKKE-HEIST hen op 13.11.2000 heeft verschaft. Dat de verplichting voor de derde om binnen een redelijke termijn kennis te nemen van de vergunning slechts toepassing vindt indien de derde geen zekerheid heeft omtrent het bestaan van de bouwvergunning doch hij dit bestaan vanaf een bepaald ogenblik dient te vermoeden. Dat in het huidige geval de heer GOLDWASSER en mevrouw DE CAVEL niet vanaf 10.10.2000 diende te vermoeden dat er een bouwvergunning was afgeleverd -waarna zij nog over een redelijke termijn zouden hebben beschikt om het bestaan van die vergunning te verifiëren- maar zij vanaf 10.10.2000 effectief weet hadden dat er een vergunning was afgeleverd. Dat inderdaad op 10 oktober 2000 de heer GOLDWASSER en mevrouw DE CAVEL met zekerheid wisten dat er een vergunning was afgeleverd, nu zij op de vergadering van mede-eigenaars de kennisgevingsbrief van de minister hadden ontvangen en deze brief ondubbelzinnig vermeldde dat het beroep van de gemachtigd ambtenaar tegen de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie onontvankelijk was verklaard."; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie niet betwisten dat zij van het bestaan van het bestreden besluit in kennis zijn gesteld op 10 oktober 2000 tijdens de algemene vergadering van mede-eigenaars van Residentie Pinguin; dat zij evenwel aanvoeren daarna in eerste instantie via de syndicus te hebben gepoogd een kopie te verkrijgen van de betrokken vergunningsbeslissing, dat zij, toen bleek dat de syndicus niet bereid was de gevraagde informatie te verstrekken, via één van hun toenmalige raadslieden op donderdag 2 november 2000 de bevoegde dienst van de stad Knokke-Heist telefonisch om een kopie van de vergunning hebben verzocht, dat zij daarna nog herhaalde malen, respectievelijk op 3 en 6 november, via bemiddeling van hun raadsman hierop telefonisch en schriftelijk hebben moeten aandringen, dat derhalve uit het voorgaande blijkt dat "verzoekers onmiddellijk nadat zij kennis gekregen hebben van het bestaan van de bouwvergunning stappen hebben ondernomen om kennis te nemen van de inhoud van de vergunning", dat "het feit dat zowel de syndicus als de bevoegde gemeentediensten onwillig bleken om de gevraagde informatie over te maken, (...) verzoekers dan ook niet ten laste (kan) worden gelegd", dat hen bijgevolg niet een onvoldoende waakzaamheid kan worden X-10.052-4/7 verweten, dat immers de burger van de bereidwilligheid van de overheid afhankelijk is om daadwerkelijk kennis te krijgen van de inhoud van het vergunningsbesluit; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat een derde belanghebbende onredelijk handelt wanneer hij 27 dagen nadat hij kennis heeft gekregen van het bestaan van de bestreden beslissing van zijn inzagerecht gebruik maakt en voorts pas 93 dagen na de kennisname effectief beroep aantekent bij de Raad van State, dat de verzoekende partijen derhalve niet met de gepaste diligentie hebben gehandeld; dat de argumentatie van de tussenkomende partij in haar laatste memorie bij het voorgaande aansluit; Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden diende betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop een verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden te hebben gehad; dat diegene die kennis heeft van een stedenbouwkundige vergunning, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door het alsdan nog geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om gedurende ten minste twee dagen per week, door de gemeentebesturen te bepalen ten gemeentehuize inzage te nemen van de inhoud van de afgegeven vergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt en de verzoekende partijen niet betwisten dat zij minstens op 10 oktober 2000 kennis hadden van het bestaan van de bestreden beslissingen; dat zij in het verzoekschrift tot nietigverklaring zelf stellen "voor het eerst op 23 oktober 2000" hun raadslieden te hebben geconsulteerd, dat deze zich eerst, zij het tevergeefs, op 26 oktober 2000 telefonisch tot de syndicus van het appartementsgebouw hebben gewend teneinde een afschrift te verkrijgen van de "bouwvergunningsbeslissingen"; dat de syndicus hen heeft doorverwezen naar het gemeentebestuur van Knokke-Heist, dat de raadsman van verzoekende partijen per fax van 6 november 2000 aan de dienst bouwvergunningen van de gemeente Knokke-Heist heeft gevraagd om een kopie van de beslissingen van de bestendige deputatie en van de minister over te zenden en dat X-10.052-5/7 het gemeentebestuur van Knokke-Heist per fax van 13 november 2000 een afschrift van deze beslissingen aan verzoekers raadsman heeft gezonden; dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 12 januari 2001, d.i. de 94ste dag nadat verzoekende partijen kennis hadden gekregen van het bestaan van de bestreden beslissingen; dat in de gegeven omstandigheden een termijn van 24 dagen om gebruik te maken van voormeld recht om ten minste twee dagen per week op het gemeentehuis inzage te nemen van de inhoud van de afgegeven bouw- en verkavelingsvergunningen, niet meer als een redelijke termijn kan worden beschouwd; dat de argumenten die door de verzoekende partijen worden aangevoerd over de wijze en het ogenblik waarop zij van de bestreden beslissingen kennis hebben genomen, aan voormelde vaststelling geen afbreuk doen; dat het beroep laattijdig is ingesteld; dat de opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.052-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.052-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.879 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.