id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.949 Rolnummer: A. 131833/XIV-13467 Zaak: Arrest 154949 - - 14/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:29 Fiche Arrest nr 154.949 van 14 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.949 van 14 februari 2006 in de zaak A. 131.833/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 november 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 21 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.467-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, komt op 31 december 2000 België binnen en vraagt op 12 januari 2001 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 31 mei 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 4 juni 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 9 oktober 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, dat “kennelijk ongegrond voorkomt”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 18 november 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat A. WATTECAMPS, loco Advocaat A. BUGGENHOUT, gehoord. 1.
- Op 18 november 2002 neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat appellant voorhoudt in de eerste maand van 1378 (Perzische jaartelling) zijn legerdienst te zijn begonnen en in de zesde maand van hetzelfde jaar door een revolutionaire rechtbank wegens zedenfeiten te zijn veroordeeld tot betaling van een geldboete; dat hij enkele dagen na de uitspraak door de hem veroordelende rechter werd aangeworven als zijn privé-chauffeur; dat hij tijdens de uitoefening van XIV-13.467-2/5 deze job door de tweede echtgenote van de rechter werd gedwongen met haar een seksuele relatie te onderhouden onder bedreiging hem aan haar echtgenoot te verklikken als iemand die gepoogd heeft haar te verleiden; dat zij op 20-08-1379 door haar echtgenoot werden betrapt en de rechter hem aanmaande onmiddellijk naar zijn bureau te komen; dat hij echter vluchtte en onderdook bij zijn grootouders; dat hij op 15 december 2000 (Gregoriaanse Kalender) Iran verliet en via Turkije aan boord van een vrachtwagen naar België reisde; dat hij bij faxbericht in België een convocatie van 21-08-1379 bemachtigde die hem opriep, zonder vermelding van de reden, om zich twee dagen later aan te bieden op de Revolutionaire Rechtbank; dat hij door deze vlucht tevens als deserteur wordt beschouwd; Overwegende dat een gerechtelijke vervolging op grond van overspel niet ressorteert onder een van de vijf categorieën waarop een vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 dient te berusten; dat de voorgehouden gebeurtenissen, feiten van gemeenrechtelijke aard betreffen en niet wijzen op een vervolging om reden van appellants ras, godsdienst, nationaliteit, zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging; dat de voorgehouden desertie op zich haar oorzaak vindt in deze gemeenrechtelijke feiten en derhalve evenmin ressorteert onder voormelde verdragsbepaling; Overwegende dat, in acht genomen wat voorafgaat, in hoofde van appellant geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, kan worden in aanmerking genomen, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/11 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en uit de manifeste appreciatiefout, verzoeker aanvoert dat, eerste onderdeel, ten onrechte wordt beslist dat een juridische vervolging voor overspel geen vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie uitmaakt, terwijl de voorziene straf voor overspel in Iran de steniging is en deze bestraffing een vervolging op basis van religieuze motieven uitmaakt, en dat, tweede onderdeel, er naar aanleiding van het beroep dat tot de bestreden beslissing heeft geleid niet werd onderzocht of zijn asielaanvraag onder eventuele andere criteria vielen die het verlenen van de vluchtelingenstatus mogelijk maken; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat het niet duidelijk is hoe de bestreden beslissing artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet zou miskennen en dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet betreft, de bestreden beslissing een duidelijke weergave bevat van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat de gerechtelijke vervolging op grond van overspel niet ressorteert onder één van de vijf criteria die de toekenning van asiel wettigen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar de uiteenzetting in zijn inleidend verzoekschrift; XIV-13.467-3/5 2.4.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat “een gemeenrechtelijke vervolging op grond van overspel niet ressorteert onder een van de vijf categorieën waarop een vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 dient te berusten”, “de voorgehouden gebeurtenissen, feiten van gemeenrechtelijke aard betreffen en niet wijzen op een vervolging om reden van appellants ras, godsdienst, nationaliteit, zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging” en “de voorgehouden desertie op zich haar oorzaak vindt in deze gemeenrechtelijke feiten en derhalve evenmin ressorteren onder voormelde verdragsbepaling”; dat het disproportionele van de bestraffing op zich niet voldoende is; dat de feiten tevens onder de vooropgestelde categorieën van het Vluchtelingenverdrag dienen te vallen, wil de disproportionaliteit aanleiding geven tot vervolging, hetgeen in casu niet het geval is; dat, aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitsluitend uitspraak doet over de hoedanigheid van vluchteling, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, zij zich niet dient uit te spreken over een mogelijke schending van de mensenrechtenverdragen; dat de vervolging omwille van overspel geen aanleiding geeft tot het toekennen van het statuut van vluchteling omdat deze feiten in principe niet ressorteren onder één van de criteria van het Vluchtelingenverdrag; dat uit het niet betwiste feitenrelaas blijkt dat verzoeker “door de tweede echtgenote van de rechter werd gedwongen met haar een seksuele relatie te onderhouden onder bedreiging hem aan haar echtgenoot te verklikken als iemand die gepoogd heeft haar te verleiden”, zodat hij niet omwille van zijn religie, doch wel omwille van het plegen van overspel wordt vervolgd, feit dat, gelet op zijn verklaringen en in tegenstelling tot wat verzoeker wil laten geloven, niet uit “religieuze overwegingen” werd gepleegd; dat verzoeker derhalve geenszins aantoont dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de feiten niet op een correcte wijze heeft gekwalificeerd; 2.4.
- Overwegende dat, voor zover verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft nagelaten te onderzoeken of zijn aanvraag niet ressorteert onder “andere criteria” die de toekenning van asiel wettigen, dient te worden vastgesteld dat bij gebrek aan enige wet of internationale norm met directe werking in het intern recht die een andere vorm van asiel invoert dan diegene ingesteld bij het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, of die andere criteria definieert dan diegene die in voormeld verdrag zijn vastgesteld, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zonder zich in de plaats van de wetgever te stellen, de situaties niet kan bepalen die onder het toepassingsgebied van de “andere criteria”, bedoeld in artikel 52, § 1, 2/, b, van de Vreemdelingenwet, vallen; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- XIV-13.467-4/5 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.467-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div