id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.954 Rolnummer: A. 107482/XIV-5537 Zaak: Arrest 154954 - - 14/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 09:30 Fiche Arrest nr 154.954 van 14 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.954 van 14 februari 2006 in de zaak A. 107.482/XIV-
- In zake : Iosif OROSZ, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BEIRNAERT, kantoor houdende te 9160 LOKEREN, Durmelaan 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te 3078 EVERBERG, Veldstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Iosif OROSZ, van Roemeense nationaliteit, op 14 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit genomen door de Minister van Justitie op 31 mei 2001, waarbij de uitlevering aan de regering van Roemenië van verzoeker wordt toegestaan; Gelet op het arrest nr. 114.246 van 6 januari 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de beschikking van 7 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de partijen; XIV-5537-1/14 Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. BEIRNAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat B. DERVEAUX verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Iosif OROSZ, van Roemeense nationaliteit, wordt in zijn land van herkomst verdacht van diefstal met braak bij nacht, gepleegd in de nacht van 31 juli op 1 augustus
- Hiervoor wordt een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 29 augustus
- 1.
- Op 16 februari 2001 wordt het bevel tot aanhouding uitvoerbaar verklaard door de Raadkamer van Dendermonde. Op 15 mei 2001 geeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent een gunstig advies voor de uitlevering. 1.
- Bij besluit van 31 mei 2001 heeft de Minister van Justitie de uitlevering van de verzoekende partij aan de Roemeense regering toegestaan. Deze wordt aan de verzoekende partij betekend op 13 juni
- Deze beslissing luidt als volgt : “(...) Gezien de brief dd. 14.02.2001 van de Minister van Buitenlandse Zaken en de daarbij gevoegde nota van de ambassade van Roemenië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Roemeense onderdaan OROSZ Iosif, geboren te Marghita op 05.03.1974; Gezien de daarbij overgelegde stukken waaronder het bevel tot aanhouding dd. 24.08.1999 uitgevaardigd door de eerste procureur bij de rechtbank van eerste aanleg te Marghita wegens diefstal met braak en bij nacht, feiten gepleegd op Roemeens grondgebied in de nacht van 31.07.1999 op 01.08.1999; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 15.05.2001; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; XIV-5537-2/14 Gelet op de uitleveringswet van 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Roemeens recht strafbaar zijn gesteld, dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van het Europees Uitleveringsverdrag, en dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Roemeens recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om een persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke overtuiging te vervolgen of te straffen; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Enig artikel. De uitlevering van OROSZ Iosif wordt toegestaan aan de regering van Roemenië voor de feiten vermeld in voornoemd bevel tot aanhouding dd. 24.08.
- (...).”. 1.
- Op 14 juli 2001 dient verzoeker een vordering tot schorsing in bij de Raad van State tegen deze beslissing. Bij arrest nummer 114.246 van 6 januari 2003 wordt de vordering verworpen. 1.
- Op 17 september 2001 wordt verzoeker veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde tot een gevangenisstraf van 5 jaar. Verzoeker gaat tegen deze veroordeling in beroep bij het Hof van Beroep te Gent dat het vonnis op 5 juni 2002 bevestigt.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “
- EERSTE MIDDEL: schending van artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 (voorbehoud door België geformuleerd) De thans bestreden beslissing is strijdig met het voorbehoud dat België heeft geformuleerd naar aanleiding van de bekrachtiging van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 met betrekking tot artikel 1 van dit verdrag. Dit voorbehoud luidt als volgt: "De uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijk ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand." In casu is het zo dat verzoeker aan longtuberculose lijdt en nog maandenlang strikt medische behandeling zal moeten volgen. Zoniet kan de ziekte voor verzoeker dodelijk zijn. Dit werd schriftelijk bevestigd door een medisch attest afgeleverd op 11.04.2001 door Dr. BOGAERTS, longarts in het penitentiair complex te Brugge. In het medisch attest stelt Dr. BOGAERTS immers letterlijk: "Vermelde (verzoeker) is aangetast door longtbc. Deze ziekte kan, zonder behandeling, dodelijk verlopen. De behandeling zal nog ongeveer 8 maand dienen verdergezet worden. Tijdens deze periode dient hij orale medicatie te nemen en om de 2 à 4 weken een medische controle te ondergaan. Er is ook een leverprobleem waarvan de juiste aard nog niet vaststaat. Onderzoek daartoe is voorzien." (stuk 2) Dit medisch attest werd ter zitting van de Kamer van Inbeschuldigingstelling neergelegd. Desondanks werd hiermee geen rekening gehouden en werd bij thans bestreden uitleveringsbesluit de uitlevering van verzoeker toegestaan. XIV-5537-3/14 Nochtans is het voor verzoeker van levensbelang dat hij de medische behandeling in België blijft volgen. In Roemenië is de stand van de geneeskunde immers niet in die mate ver gevorderd dat men verzoeker de nodige medische zorgen kan toedienen die vereist zijn. Het is derhalve duidelijk dat het thans bestreden uitleveringsbesluit strijdig is met het door België geformuleerde voorbehoud bij artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag dat de uitlevering niet kan worden toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijk ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn gezondheidstoestand.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.
- Schending van artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 (voorbehoud van België) # Verzoeker stelt : in geval van uitlevering aan Roemenië zal zijn medische behandeling van long TBC niet worden verdergezet zodat het uitleveringsbesluit in strijd is met het door België bij het Europees uitleveringsverdrag geformuleerde voorbehoud. # Het Belgische voorbehoud is geformuleerd als volgt: De uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijke ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand. # Uit geen enkel document in het dossier wordt op een redelijke en aanvaardbare wijze aangetoond, bijvoorbeeld door verslagen van internationaal erkende organisaties, dat de verzoeker tijdens zijn verblijf in een gevangenis in Roemenië geen medische behandeling zou kunnen volgen zoals deze in België werd ingezet. Roemenië heeft in 1994 het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten geratificeerd. Sedert dan heeft België minstens 5 personen aan Roemenië uitgeleverd; geen enkele van die uitleveringen gaf aanleiding tot enige klacht in de zin zoals door de verzoeker geuit. # De verzoeker kan geen belang doen gelden bij het opwerpen van dit middel vermits de medische behandeling die hij in het begin en in de loop van de procedure als middel aanvoerde, inmiddels is beëindigd; per aangetekende brief aan de Raad van State van 15 november 2002 liet verwerende partij immers aan het administratief dossier een medisch attest toevoegen van 5 juni 2002 van de rijksgevangenis te Dendermonde waarbij de betrokkene werd genezen verklaard. Verzoeker werd in de gevangenis voor TBC verzorgd vermits hij voor de correctionele rechtbank te Dendermonde werd vervolgd alwaar hij op 17 september 2001 tot een gevangenisstraf van vijf jaar werd veroordeeld. Dit vonnis werd bestreden in hoger beroep en bevestigd. Het uitleveringsbesluit zal dus slechts worden uitgevoerd rekening gehouden met artikel 19.
- van het Europees Verdrag betreffende de uitlevering van 13.12.1957 dat luidt als volgt: Art
- Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering.
- De aangezochte Partij kan, nadat zij een beslissing over het verzoek tot uitlevering genomen heeft, de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen opdat hij door haar vervolgd kan worden of, indien hij reeds veroordeeld is, op haar grondgebied een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht. Daarna zal dan worden gehandeld overeenkomstig de Ministeriële circulaire van 23.04.1982 (kenmerk 29.370/E) (beschikbaar op de webstek van de verwerende partij), luidend als volgt: De veroordeelden van vreemde nationaliteit die in België een gevangenisstraf uitboeten en het voorwerp zijn van een maatregel van verwijdering uit het land of die de wens hebben geuit definitief het land te verlaten, worden in voorlopige vrijheid gesteld zodra de voorwaarden voor het toekennen van een voorwaardelijke invrijheidstelling vervuld zijn. Tot op heden echter werd op die wijze niet gehandeld ten opzichte van veroordeelden waarvoor een beslissing tot uitlevering werd genomen. XIV-5537-4/14 Aangezien voor dit verschil in behandeling geen reden bestaat, heb ik beslist dat voortaan als volgt zal worden te werk gegaan om de datum vast te stellen vanaf welke deze veroordeelden aan de buitenlandse overheid kunnen worden overhandigd. De directeur van de gevangenis waar de betrokkene zich bevindt, zal zodra, al naar het geval, 1/3 of 2/3 van de opgelegde straf is ondergaan, het initiatief nemen tot een voorstel van voorlopige invrijheidstelling steunend op het advies van de personeelsconferentie . Dat voorstel zal voor advies worden voorgelegd aan het parket dat instaat voor de strafuitvoering en vervolgens door het Bestuur der Strafinrichtingen aan mijzelf om de beslissing te nemen. Wanneer ik oordeel dat het voorstel moet gevolgd worden, zal U dat onmiddellijk meegedeeld worden ten einde de nodige schikkingen te treffen voor de uitlevering van de betrokkene. Het betekent, in concreto, dat de medische behandeling die de verwerende partij onderging tegen long TBC, volledig werd beëindigd op het ogenblik dat het bestreden ministerieel besluit tot uitlevering zal uitvoering krijgen. # Na de uitgevoerde behandeling kan dus geen sprake meer zijn van "uitzonderlijke ernstige gevolgen" voor de gezondheidstoestand van verzoeker, in de zin van het door België geformuleerde voorbehoud. # In het kader van de adviesprocedure voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd weliswaar een medisch attest neergelegd in het dossier, doch werden geen conclusies neergelegd namens de verdediging. Het is niet aangetoond dat het middel er werd opgeworpen en dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling op het middel diende te antwoorden. Het medisch getuigschrift werd voorheen niet aan de verwerende partij bezorgd die met het middel dan ook geen rekening kon houden.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “*
- EERSTE MIDDEL: schending van artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 (voorbehoud door België geformuleerd) Het Belgisch voorbehoud bij art. 1 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 is geformuleerd als volgt: "De uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijke ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand." Het is dan ook duidelijk dat het bestreden uitleveringsbesluit in strijd is met dit door België geformuleerde voorbehoud, daar ingeval van uitlevering aan Roemenië de medische behandeling van verzoeker niet zal worden verder gezet. Verwerende partij werpt op dat verzoeker niet aantoont dat de medische behandeling van verzoeker niet zal worden verder gezet in geval van uitlevering aan Roemenië. Verwerende partij verwijst hierbij naar het feit dat sinds de ratificatie door België in 1994 van het E.V.R.M minstens 5 personen aan Roemenië zou hebben uitgeleverd en geen enkele van die uitleveringen aanleiding zou gegeven hebben tot enige klacht in de zin zoals door verzoeker geuit. Vooreerst levert verwerende partij niet het bewijs van die beweerde uitleveringen. Trouwens zelfs in de veronderstelling dat die beweerde uitleveringen ook effectief plaatsvonden, quod non certa, dan kan de situatie van die beweerde andere personen in geen geval vergeleken worden de situatie van verzoeker, en dit gezien de gezondheidstoestand van verzoeker. Die andere beweerde personen zullen naar alle waarschijnlijkheid niet dezelfde geneeskundige verzorging nodig gehad hebben als verzoeker. Zelfs in de veronderstelling dat deze beweerde uitleveringen niet officieel aanleiding gaven tot een klacht, quod non certa, dan nog zou dit geen reden zijn om aan te nemen dat het gevangenisregime niet zou voldoen aan de kwalificaties zoals door verzoeker hierboven beschreven. Vooreerst is het zo dat vele gedetineerden niet durven klagen uit schrik voor represailles. XIV-5537-5/14 Bovendien worden niet alle daadwerkelijke klachten ook officieel aangegeven bij internationaal erkende organisaties, zodat deze laatste niet op de hoogte kunnen zijn van alle wanpraktijken in de gevangenissen. Daarnaast werpt verwerende partij op dat de medische behandeling inmiddels is beëindigd. Verwerende partij gaat er echter aan voorbij dat er haast de t.b.c. nog een leverprobleem is waarvan de precieze oorzaak nog niet vaststaat en die ongetwijfeld nog verder onderzoek en een medische behandeling zal noodzaken, welke niet kan worden geleverd in Roemenië. Daarenboven is het verzoek niet enkel gebaseerd op het medisch nadeel, doch ook op het feit dat verzoeker bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou worden uitgeleverd aan een gevangenisregime dat vernederend, onmenselijk en mensonwaardig is, wat onvermijdelijk voor verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Verzoeker verwijst hierbij uitdrukkelijk naar de tekst van het inleidend verzoekschrift. Verder stelt verwerende partij dat niet is aangetoond dat dit middel werd opgeworpen ter zitting van de kamer van Inbeschuldigingstelling. Nochtans geeft verwerende partij toch toe dat het medisch attest werd neergelegd in het dossier, zodat verwerende partij hiermee wel degelijk diende rekening te houden. Dit middel is dan ook wel degelijk ernstig en gegrond.”; 2.1.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich beroept op het voorbehoud door België geformuleerd bij artikel 1 van het Europees verdrag van 13 december 1957 betreffende de uitlevering; dat hij aanvoert dat hij wegens longtuberculose en leverproblemen niet kan uitgeleverd worden aan Roemenië en hiervoor verwijst naar een medisch attest van 11 april 2001 opgesteld door Dr. BOGAERTS dat luidt als volgt : “Vermelde is aangetast door longtTBC. Deze ziekte kan, zonder behandeling, dodelijk verlopen. De behandeling zal nog ongeveer 8 maand dienen verdergezet worden. Tijdens deze periode dient hij orale medicatie te nemen en om de 2 à 4 weken een medische controle te ondergaan. Er is ook een leverprobleem waarvan de juiste aard nog niet vaststaat. Onderzoek daartoe is voorzien.”; 2.1.4.
- Overwegende dat het voormelde stelt : “De uitlevering zal niet worden toegestaan indien de overlevering uitzonderlijk ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de opgeëiste persoon, in het bijzonder gelet op zijn leeftijd en gezondheid”; 2.1.4.
- Overwegende dat dient vastgesteld dat verzoeker geen “uitzonderlijke ernstige gevolgen” aantoont die de uitlevering teweeg kan brengen; dat Dr. P. DE RIDDER in een medisch attest van 8 november 2002 verklaart: “betrokkene is in actuele gezondheidstoestand waarbij uitlevering kan geschieden. Betrokkene werd behandeld met medicatie voor latente TBC van 23/3/2001 tem 5/6/2002 onder supervisie van Dr PROOT van het Medisch Heelkundig Centrum verbonden aan de gevangenis van Brugge en werd daar op 5/6/2002 als genezen verklaard. (...) Bij consultatie op 8/11/2002 verklaarde betrokkene in bijzijn van verpleegkundige dat hij geen fysische klachten had, evenmin klachten van dyspnea of hoesten. Longauscultatie: normaal”; dat dit medisch attest aantoont dat de verzoekende partij geen specifieke gezondheidsproblemen meer kent; dat trouwens de XIV-5537-6/14 verzoekende partij nalaat aan te tonen dat, mocht hij in een slechte gezondheidstoestand verkeren, hij in Roemenië niet zou kunnen behandeld worden voor de ziekte; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “
- TWEEDE MIDDEL: schending van artikel 19 Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 (voorbehoud door België geformuleerd) Het bestreden uitleveringsbesluit is tevens in strijd met het voorbehoud door België geformuleerd met betrekking tot artikel 19 van het Europees Uitleveringsverdrag. Dit voorbehoud luidt als volgt: "De Regering van het Koninkrijk België staat de tijdelijke uitlevering, bedoeld in artikel 19§2 slechts toe indien het gaat om een persoon die op haar grondgebied een straf ondergaat en indien de omstandigheden zulks vereisen." Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd geveld was in België nog volop een gerechtelijk onderzoek bezig aangaande strafbare feiten in België waarvan verzoeker wordt verdacht. Tot op heden is de zaak nog hangende bij de correctionele rechtbank te Dendermonde, er is nog geen definitieve uitspraak over de strafmaat. Er is derhalve geenszins voldaan aan de voorwaarden om de tijdelijke uitlevering toe te staan zoals gesteld in het voormelde voorbehoud. Verweerder heeft door de uitlevering toe te staan in zijn beslissing dd. 31.05.2001 aldus tevens inbreuk gepleegd op het voorbehoud door België geformuleerd bij artikel 19 van het Europees Uitleveringsverdrag.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.
- Schending van artikel 19 van het Europees uitleveringsverdrag van 13 december 1957 (voorbehoud van België) # Verzoeker stelt: het bestreden besluit schendt artikel 19, 2e lid van het Europees uitleveringsverdrag vermits er nog een zaak hangende is bij de correctionele rechtbank te Dendermonde. # Het artikel 19.
- bepaalt:
- In plaats van de overlevering uit te stellen kan de aangezochte Partij de opgeëiste persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren op door de beide Partijen in onderling overleg vast te stellen voorwaarden. Het Belgische voorbehoud bij dit artikel luidt: De Regering van het Koninkrijk België staat de tijdelijke uitlevering, bedoeld in artikel 19, § 2, slechts toe indien het gaat om een persoon die op haar grondgebied een straf ondergaan en indien de omstandigheden zulks vereisen. # Zoals verwerende partij reeds hoger aanduidde, betreft het bestreden besluit geen tijdelijke uitlevering doch wel een definitieve uitlevering. Artikel 19.
- is bijgevolg niet van toepassing; het middel heeft dus geen feitelijke grondslag.”; 2.2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij volhardt in het middel; 2.2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van het voorbehoud gemaakt bij artikel 19.2 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 omdat niet voldaan is aan de voorwaarden om de tijdelijke uitlevering toe te staan; XIV-5537-7/14 2.2.4.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt gesteld : “Enig artikel. De uitlevering van OROSZ Iosef wordt toegestaan aan de regering van Roemenië voor de feiten vermeld in voornoemd bevel tot aanhouding dd. 24.08.1999"; dat in de bestreden beslissing niet wordt gehandeld over een tijdelijke uitlevering; dat het tweede middel feitelijke grondslag mist; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “
- DERDE MIDDEL: schending van artikel 3 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M. Het thans bestreden uitleveringsbesluit schendt artikel 3 E.V.R.M. Dit artikel stelt immers: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen." Tevens dient hierbij te worden verwezen naar artikel 1 E.V.R.M. dat stelt: "De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren eenieder, die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit verdrag." Er dient eveneens te worden gewezen op volgende rechtspraak: "De beslissing om een vluchteling uit te wijzen of uit te leveren vormt een probleem vanuit het oogpunt van artikel 3, indien er zwaarwichtige gronden zijn om aan te nemen dat de betrokkene een ernstig risico loopt, na zijn uitwijzing of uitlevering aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of straf onderworpen te worden." (EHRM 20 maart 1991, Cruz Varaz e.a. v. Zweden, Publ. Cour. Eur. D.H., Série A, nr. 201) "Zelfs indien een vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare veiligheid, mag hij niet worden uitgewezen naar een land waar een schending van het verbod van artikel 3 dreigt." (EHRM 15 november 1996, Chahal v. V.K.) "Artikel 3 heeft een absolute betekenis. Deze bepaling wordt geschonden, indien uitwijzing een werkelijk risico inhoudt van onmenselijke behandeling, ook zo dit feit het gevolg is van omstandigheden waarvoor de betrokken Staat niet aansprakelijk is en die op zich geen schending van deze bepaling zouden uitmaken; in casu: de uitwijzing van een zwaar zieke aids-patiënt naar een land waar behoorlijke medische verzorging niet wordt gewaarborgd en waar hij verder niet zeker door familieleden zal worden opgevangen." (EHRM 2 mei 1997, D. v. Verenigd Koninkrijk) In casu is het zo dat in Roemenië het gevangenisregime dermate streng en onmenselijk is, dat wanneer verzoeker zou worden uitgeleverd aan Roemenië, inbreuk zou worden gepleegd op artikel 3 E.V.R.M., daar hij zou worden onderworpen aan onmenselijke en vernederende straffen. Tevens is het zo dat in Roemenië behoorlijke medische verzorging niet kan worden gewaarborgd. Het thans bestreden uitleveringsbesluit schendt dan ook artikel 3 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M.”; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.
- Schending van de artikelen 3 en 1 E.V.R.M. # Verzoeker stelt: het gevangenisregime in Roemenië is zo streng en onmenselijk, en de medische verzorging is er niet gewaarborgd, zodat het uitleveringsbesluit in strijd is met de artikelen 1 en 3 EVRM. # Uit geen enkel document in het dossier wordt op een redelijke en aanvaardbare wijze aangetoond, bijvoorbeeld door verslagen van internationaal erkende organisaties, dat het gevangenisregime in Roemenië niet in overeenstemming is met artikel 3 EVRM, en dat de verzoeker tijdens zijn verblijf in een gevangenis in Roemenië geen medische behandeling zou kunnen volgen (maar deze zijn inmiddels reeds in België beëindigd). Roemenië heeft in 1994 het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten geratificeerd. Sedert dan heeft België minstens 5 XIV-5537-8/14 personen aan Roemenië uitgeleverd; geen enkele van die uitleveringen gaf aanleiding tot enige klacht in de zin zoals door de verzoeker geuit. # Het middel mist feitelijke grondslag en is niet ernstig.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “
- DERDE MIDDEL : schending van artikel 3 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M. Verzoeker verwijst bij deze uitdrukkelijk naar zijn argumentatie zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift alsmede naar de aldaar aangehaalde rechtspraak en herneemt de inhoud ervan integraal Verwerende partij verwijst hierbij naar het feit dat sinds de ratificatie door België in 1994 van het E.V.R.M België minstens 5 personen aan Roemenië zou hebben uitgeleverd en geen enkele van die uitleveringen aanleiding zou gegeven hebben tot enige klacht in de zin zoals door verzoeker geuit. Vooreerst levert verwerende partij niet het bewijs van die beweerde uitleveringen. Trouwens zelfs in de veronderstelling dat die beweerde uitleveringen ook effectief plaatsvonden, quod non certa, dan kan de situatie van die beweerde andere personen in geen geval vergeleken worden met de situatie van verzoeker, en dit gezien de gezondheidstoestand van verzoeker. Die andere beweerde personen zullen naar alle waarschijnlijkheid niet dezelfde geneeskundige verzorging nodig gehad hebben als verzoeker. Zelfs in de veronderstelling dat deze beweerde uitleveringen niet officieel aanleiding gaven tot een klacht, quod non certa, dan nog zou dit geen reden zijn om aan te nemen dat het gevangenisregime niet zou voldoen aan de kwalificaties zoals door verzoeker hierboven beschreven. Vooreerst is het zo dat vele gedetineerden niet durven klagen uit schrik voor represailles. Bovendien worden niet alle daadwerkelijke klachten ook officieel aangegeven bij internationaal erkende organisaties, zodat deze laatste niet op de hoogte kunnen zijn van alle wanpraktijken in de gevangenissen. Dit middel is dan ook wel degelijk ernstig.”; 2.3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van de artikelen 1 en 3 van het E.V.R.M. omdat het gevangenisregime in Roemenië dermate streng en onmenselijk is, dat hij bij uitlevering onderworpen zal worden aan onmenselijk en vernederende straffen; 2.3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet met concrete elementen aantoont dat hij bij uitlevering onmenselijke en vernederende straffen zal ondergaan; dat nergens de verzoekende partij objectieve gegevens aanbrengt die deze bewering staven; dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in Roemenië in werking is getreden op 20 juni 1994 zodat het land volgens artikel 1 van voormeld verdrag gehouden is eenieder, die ressorteert onder zijn rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste titel van dit Verdrag te verzekeren; dat het derde middel niet gegrond is; XIV-5537-9/14 2.4.
- Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert : “
- VIERDE MIDDEL: schending van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M. Het thans bestreden uitleveringsbesluit schendt tevens artikel 6 E.V.R.M., nl. het recht op een eerlijk proces. Het is immers zo dat in Roemenië geen recht op een eerlijk proces kan worden gewaarborgd. In de rechtsleer wordt geoordeeld als volgt: "Door uitlevering toe te staan verleent de aangezochte staat zijn medewerking aan de schending van artikel 6 door een andere staat, en is hierdoor mede-verantwoordelijk. De aangezochte staat zou hierdoor als het ware deelnemen aan de inbreuk op artikel 6 door de verzoekende staat." (A. DE NAUW, J. D'HAENENS, M. STORME, Actuele problemen van het strafrecht, Antwerpen, Kluwer, 1988, 261) Verweerder heeft door de uitlevering toe te staan aan Roemenië, waar geen recht op een eerlijk proces kan worden gewaarborgd, zijn medewerking verleent aan de schending van artikel 6 E.V.R.M. door Roemenië. Tevens dient hierbij te worden verwezen naar artikel 1 E.V.R.M. dat stelt: "De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren eenieder, die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de eerste Titel van dit verdrag." Het is derhalve duidelijk dat het bestreden uitleveringsbesluit een schending uitmaakt van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M.”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.
- Schending van artikelen 6 en 1 EVRM # Verzoeker stelt: het gerechtelijk apparaat in Roemenië waarborgt geen recht op een eerlijk proces, zodat het uitleveringsbesluit in strijd is met de artikelen 1 en 6 EVRM. # Uit geen enkel document in het dossier wordt op een redelijke en aanvaardbare wijze aangetoond, bijvoorbeeld door verslagen van internationaal erkende organisaties, dat in Roemenië geen recht op een eerlijk proces kan worden gewaarborgd in overeenstemming met artikel 6 EVRM. Roemenië heeft in 1994 het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten geratificeerd. Sedert dan heeft België minstens 5 personen aan Roemenië uitgeleverd; geen enkele van die uitleveringen gaf aanleiding tot enige klacht in de zin zoals door de verzoeker geuit. # Het middel mist feitelijke grondslag.”; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “
- VIERDE MIDDEL: schending van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 1 E.V.R.M. Verzoeker verwijst bij deze uitdrukkelijk naar zijn argumentatie zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift, alsmede naar de aldaar aangehaalde rechtspraak en herneemt de inhoud ervan integraal Verwerende partij verwijst hierbij naar het feit dat sinds de ratificatie door België in 1994 van het E.V.R.M. België minstens 5 personen aan Roemenië zou hebben uitgeleverd en geen enkele van die uitleveringen aanleiding zou gegeven hebben tot enige klacht in de zin zoals door verzoeker geuit. Vooreerst levert verwerende partij niet het bewijs van die beweerde uitleveringen. Trouwens zelfs in de veronderstelling dat deze beweerde uitleveringen niet officieel aanleiding gaven tot een klacht, quod non certa, dan nog zou dit geen reden zijn om aan te nemen dat in Roemenië wel het recht op een eerlijk proces zou zijn gewaarborgd. Vooreerst is het zo dat velen niet durven klagen of niet weten bij wie ze zich dienen te wenden met hun grieven Bovendien worden niet alle daadwerkelijke klachten ook officieel aangegeven bij internationaal erkende organisaties, zodat deze laatste niet op de hoogte kunnen zijn van alle wanpraktijken. XIV-5537-10/14 Dit middel is dan ook wel degelijk ernstig.”; 2.4.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van de artikelen 1 en 6 van het E.V.R.M. omdat in Roemenië geen recht op eerlijk proces kan worden gewaarborgd; 2.4.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet met concrete elementen aantoont dat hij bij uitlevering geen eerlijk proces zal krijgen; dat nergens de verzoekende partij objectieve gegevens aanbrengt die deze bewering staven; dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in Roemenië in werking is getreden op 20 juni 1994 zodat het land volgens artikel 1 van voormeld verdrag gehouden is eenieder, die ressorteert onder zijn rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste titel van dit Verdrag te verzekeren; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat verzoeker als vijfde middel aanvoert : “
- VIJFDE MIDDEL: schending van de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur De thans bestreden beslissing is er zomaar van uitgegaan dat aan de voorwaarden inzake de uitlevering is voldaan. Er werd echter geenszins onderzocht of überhaupt wel voldaan was aan alle voorwaarden om de uitlevering te mogen toestaan. Meer bepaald werd niet onderzocht of de voorbehouden die België heeft geformuleerd naar aanleiding van de bekrachtiging van het Europees Uitleveringsverdrag werden gerespecteerd. Nochtans werd het medisch attest (stuk 2) neergelegd ter zitting van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, zodat verweerder van de medische toestand van verweerder op de hoogte was of diende te zijn. Verweerder had dan ook dienen te weten dat niet voldaan was aan het voorbehoud dat België heeft geformuleerd met betrekking tot artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag. Tevens heeft verweerder geen rekening gehouden met het feit dat verzoeker in België wordt vervolgd voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering is gevraagd en derhalve door de uitlevering toe te staan inbreuk wordt gepleegd op het voorbehoud van België bij artikel 19 van het Europees Uitleveringsverdrag. Nochtans diende hij hiervan op de hoogte te zijn. Daarnaast heeft verweerder ook geen rekening gehouden met het feit dat verzoeker bij uitlevering aan de Roemeense regering zou worden onderworpen aan vernederende en onmenselijke straffen en een onmenselijke behandeling en derhalve inbreuk zou worden gepleegd op artikel 3 E.V.R.M. Bovendien werd door verweerder geen rekening gehouden met het feit dat verweerder door de uitlevering toe te staan zijn medewerking verleent aan de schending van artikel 6 E.V.R.M. Door deze punten niet uitdrukkelijk onderzocht te hebben schiet verweerder tekort in zijn zorgvuldigheidsplicht. Daarenboven schiet verweerder tekort in zijn motiveringsplicht door niet uitdrukkelijk te motiveren waarom de uitlevering toch werd toegestaan. Verweerder verwijst immers slechts naar enkele voorwaarden die zouden vervuld zijn en besluit hierna: "Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan." XIV-5537-11/14 De voorwaarden die echter in casu ter discussie staan, worden echter zelfs niet vermeld in het uitleveringsbesluit. Er wordt dan in geen geval geantwoord op de middelen die reeds in de loop van de uitleveringsprocedure door verzoeker naar voor zijn gebracht onder meer ter zitting van de Kamer van Inbeschuldigingstelling en mede door neerlegging van het medisch attest. Het is dan ook duidelijk dat het thans bestreden uitleveringsbesluit de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur schendt.”; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.
- Schending van de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur # Verzoeker stelt: de verwerende partij heeft niet onderzocht of in dit dossier aan alle voorwaarden was voldaan om de uitlevering toe te staan, in het bijzonder wat betreft het voorbehoud van België bij de bekrachtiging van het Europees uitleveringsverdrag. # Verzoeker duidt verder aan dat de beginsel van behoorlijk bestuur die zouden zijn geschonden, de zorgvuldigheidsplicht en materiële motiveringsplicht zijn. # Het middel komt de verwerende partij vrij verward over. Het bestreden besluit geeft immers de juridische en feitelijke grondslagen weer die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, zodat voldaan is aan de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Om de wettigheid van de beslissing te toetsen dient te worden nagegaan of de betrokkene een vreemdeling is en of de uitlevering wordt gevraagd door de verzoekende staat op grond van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, uitgaande van de bevoegde vreemde overheid, onder duidelijke omschrijving van de feiten; het wordt door de verzoeker niet betwist dat aan deze voorwaarden is voldaan. Tevens dient te worden nagegaan of de feiten zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Belgisch recht vervolgbaar en strafbaar zijn met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur tenminste één jaar bedraagt of een zwaardere straf, en of de ten laste gelegde feiten tot uitlevering kunnen aanleiding geven. Verzoeker betwist niet dat aan al deze voorwaarden is voldaan. Tenslotte staat vast (en betwist de verzoeker niet) dat de strafbare feiten niet als een politiek, militair of een niet voor uitlevering delict kunnen worden beschouwd en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering werd gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen op grond van zijn ras, godsdienst nationaliteit of politieke gezindheid. Het staat dus vast dat de bestreden beslissing wettig is. # Verzoeker beklaagt zich dat de verwerende partij bij het nemen van zijn beslissing geen rekening zou hebben gehouden met het medisch attest dat hij aan de Kamer van Inbeschuldigingstelling voorlegde in het kader van de adviesprocedure. De verwerende partij neemt bij zijn overwegingen alleen kennis van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, maar oefent er geen enkele wettigheidscontrole uit, noch op de gevoerde procedure, noch op het dossier en de andere stukken op grond waarvan het advies werd uitgebracht. # Alle andere middelen waarop de verzoeker het middel steunt, werden aan de verwerende partij niet tegengeworpen, of dienen zelfs door de verwerende partij niet te worden beantwoord. Voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling nam de verzoekende partij geen conclusies; hij toont niet aan welke middelen werden opgeworpen voor de rechterlijke macht en het advies is dan ook bondig. Met de verwerende partij werd geen enkel contact gezocht of genomen om de middelen waarvan sprake in het verzoekschrift (respect EVRM in Roemenië, medische toestand) ter sprake te brengen, minstens onder de aandacht te brengen. # Het middel wordt geenszins bewezen.”; XIV-5537-12/14 2.5.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “
- VIJFDE MIDDEL: schending van de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur Verzoeker verwijst bij deze naar zijn argumentatie zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift en herneemt deze uitdrukkelijk. Verwerende partij stelt dat niet is aangetoond welke middelen werden opgeworpen ter zitting van de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Nochtans geeft verwerende partij toch toe dat het medisch attest werd neergelegd in het dossier, zodat verwerende partij hiermee, op grond van zijn zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht, wel degelijk diende rekening te houden. Dit middel is dan ook ernstig.”; 2.5.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij stelt dat de zorgvuldigheidsplicht geschonden is omdat er geenszins werd onderzocht of was voldaan aan alle voorwaarden inzake uitlevering, zoals de door België geformuleerde voorbehouden bij het Europees Uitleveringsverdrag en de bepalingen van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden; dat nog volgens de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht is geschonden omdat niet uitdrukkelijk in de beslissing staat waarom de uitlevering toch werd toegestaan en omdat de voorwaarden die ter discussie staan, niet in het uitleveringsbesluit worden vermeld; 2.5.4.
- Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de overheid de verplichting oplegt haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat dit inhoudt dat de minister moet nagaan of aan de voorwaarden van uitlevering is voldaan : 1) is de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht een vreemdeling, 2) bevat het bevel tot aanhouding of een andere akte die dezelfde kracht heeft, uitgaande van de bevoegde vreemde overheid een duidelijke omschrijving van de feiten, 3) zijn de feiten, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Belgisch recht vervolgbaar en strafbaar met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur tenminste één jaar bedraagt of een zwaardere straf , 4) kunnen de strafbare feiten op het eerste gezicht niet als een politiek, militair of een niet voor uitlevering vatbaar fiscaal delict worden beschouwd, 5) wordt de persoon niet vervolgd of ongunstig behandeld omwille van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, 6) is de verjaring van de strafvordering wegens de feiten, zowel naar Belgisch als naar het recht van de verzoekende Staat, niet ingetreden; dat het vervuld zijn van deze voorwaarden niet door de verzoekende partij wordt betwist, waardoor de beslissing op zorgvuldige wijze genomen is; dat, zoals bij de bespreking van de vorige middelen werd uiteengezet, de minister niet onwettig heeft gehandeld door geen gebruik te maken van de door België geformuleerde voorbehouden en om de uitlevering niet te weigeren op grond van schending van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; dat er immers geen sprake is van uitzonderlijke ernstige gevolgen; dat het voorbehoud geformuleerd bij artikel 19.2 van het Europees Uitleveringsverdrag niet van toepassing is en er geen feiten of rapporten bekend zijn die aantonen dat verzoeker risico loopt om zijn mensenrechten geschonden te zien; dat de XIV-5537-13/14 verzoekende partij geen schending van de zorgvuldigheidsplicht aantoont; dat blijkt dat de verzoekende partij de motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen kent waardoor hij geen belang heeft wanneer hij de schending van de formele motiveringsplicht inroept; dat verzoeker nalaat uiteen te zetten hoe de materiële motiveringsplicht precies is geschonden; dat het vijfde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op veertien februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5537-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.