id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.955 Rolnummer: A. 154253/XIV-20282 Zaak: Arrest 154955 - - 14/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 09:30 Fiche Arrest nr 154.955 van 14 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.955 van 14 februari 2006 in de zaak A. 154.253/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 1 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 april 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor de verzoekende partij en Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.282-1/9 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van artikel 149 van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht, verzoekster aanvoert: “Schendig van artikel 62 van de Wet van 15.12.1980, 57/22 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, artikel 149 G.W., alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en dienen alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging genomen te worden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen eveneens dat de administratie bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; Dat de aangevochten beslissing als volgt luidt : Overwegende dat appellante haar identiteit bewijst aan de hand van een originele identiteitskaart; dat hieruit blijkt dat appellante haar geboortedatum foutief heeft overgezet naar de Westerse kalender en haar geboortedatum 21 september 1982 is; Overwegende dat appellante stelt dat ze haar land verliet met een vals Iraans paspoort; dat ze vanuit Shiraz per autobus naar Istanbul reed; dat ze enkel aan de Iraans/Turkse grens werd gecontroleerd; dat ze ter zitting stelt dat ze in Bazargan gecontroleerd werd en voor het overige geen problemen had; Dat appellante ter zitting geen nuttige toelichtingen kan geven in verband met haar tocht over de grens van Iran naar Turkije; dat zij stelt dat ze in Bazargan enkele winkeltjes zag naast de douanecontrole en voor het overige geen minimale beschrijving kan geven van deze stad; dat ter zitting blijkt dat appellante onbekend is met de controles op Iraans en op Turks grondgebied; dat zij onwetend is over de afstand van Tabriz tot de grens; dat ze geen beschrijving kan geven van de toen gevolgde grensovergang niettegenstaande de winter en de hoge bergpassen; dat appellante stelt dat ze Turkije binnenkwam via Dogubeyazit; dat ze ook van dit opmerkelijke stadje geen beschrijving kan geven; dat ze geen markant feit of gebeurtenis kan vertellen van haar reisweg in Turkije, van het binnenrijden in Istanbul of van haar verblijf van meer dan een maand in Istanbul; dat appellante de plicht heeft mee te werken om de waarheid te achterhalen; dat, voor zover appellante een dergelijke tocht ondernam, er minstens kan verwacht worden dat zij deze ter zitting voldoende kan toelichten; dat haar verklaringen bevattelijk en ondubbelzinnig moeten zijn zodat zij het aannemelijk maakt dat zij deze reis effectief XIV-20.282-2/9 heeft beleefd; dat dit in casu niet het geval is; dat de verklaringen van appellante ter zitting van die aard zijn dat er geen geloof kan worden aan gehecht; dat zij het niet aannemelijk maakt dat zij haar land illegaal verliet en dit de geloofwaardigheid van haar relaas aantast; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat appellante en haar zus steeds hebben verklaard sedert de echtscheiding van hun ouders geen contact meer te hebben met hun moeder, hun jongste zusje en de familie van hun moeder waaronder hun grootmoeder; dat ze evenmin weten waar hun moeder en zusje wonen; dat ter zitting werd gesteld dat het dan ook verbazingwekkend is dat appellante op acht december 2001, dus daags nadat de veiligheidsdiensten bij haar thuis kwamen, al verneemt dat de Ettelaat navraag deed bij haar grootmoeder langs moederszijde; dat zowel appellante als haar zus hierop ter zitting hun relaas wijzigen en stellen dat ze sporadisch nog wel contact hielden met hun grootmoeder; dat het dan ook niet aannemelijk is dat hun grootmoeder niet zou melden waar haar dochter, de moeder van de meisjes, zou verblijven of nadere inlichtingen zou geven over haar moeder en zusje; dat appellantes relaas over haar moeder en haar familie door appellante zelf wordt tegengesproken en aldus niet geloofwaardig is; Overwegende dat appellante ter zitting bevestigt dat haar moeilijkheden met het Iraanse regime het gevolg waren van haar optreden tijdens de lslamles van het tweede jaar aan de universiteit van Marv Dasht in januari 2001; dat appellante geen studentenkaart neerlegt van de universiteit van Marv Dasht en hiervoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen verklaring had (zie verhoor ten gronde); dat appellante geen elementen aanbrengt die haar hoedanigheid van studente aantonen; Dat ter zitting blijkt dat appellante in verband met haar studies niet overtuigt; dat appellante ter zitting vakken geheel vreemd zijn aan de richting boekhouding, zoals inleiding tot de fysica; dat ze het vak inleiding tot de wiskunde niet kan omschrijven; dat hieruit blijkt en uit het niveau van deze studies blijkt dat ze het universitair onderwijs vermengt met niet-universitaire studies; dat appellantes verklaringen haar beweerde hoedanigheid van universiteitsstudente niet ondersteunen en ze het niet aannemelijk maakt effectief een bachelorsgraad in boekhouding te hebben gevolgd; Overwegende dat de bestreden beslissing terecht wijst op de talrijke tegenstrijdigheden tussen appellantes verklaringen en deze van haar zus; dat onder meer Shabahang meent dat ze één keer per maand een vergadering hadden met de Hezb-i Melat terwijl appellante het heeft over meerdere vergaderingen per maand; dat appellante deze verklaring ter zitting opnieuw wijzigt; dat ook de verklaringen over de pamfletten, wie ze ophaalde en hoeveel er waren, tegenstrijdig zijn; dat tegenstrijdigheden over dergelijke eenvoudige feiten de geloofwaardigheid van hun activiteiten ondermijnen; Dat ten slotte kan worden toegevoegd dat appellante en haar zus via hun studiegenote aan de universiteit in contact werden gebracht met de Hezb-i-Melat; dat aangezien appellante het niet aannemelijk maakt aan de universiteit te hebben gestudeerd in deze periode de politieke activiteiten hieraan verbonden, ook niet kunnen overtuigen Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: "Vooreerst in verband met de verklaringen die jullie aflegden voor de Herasat na het incident in de klas verklaarden u en uw zus iets anders. U verklaarde dat jullie voor de Herasat verklaarden enkel toelichting gevraagd te hebben bij het standpunt van Montazeri gehoorverslag CGVS;. p.9), Uw zus verklaarde echter dat jullie verklaarden enkel gevraagd te hebben waarom Rafsandjani verklaarde dat Velyat-é Faqih niet bestond (gehoorverslag CGVS Shabahang, p.9). Dat appellante in haar verzoekschrift stelt dat zijzelf en haar zus over de belangrijke politici van Iran hebben gesproken en dus zowel over Montazeri als Rafsandjani; Dat uit het administratief dossier inderdaad blijkt dat appellante op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tijdens het verhoor ten gronde zegt dat ze met haar zus overlegde voor ze naar de Herasat gingen; dat de tegenstrijdigheden in hun verklaringen over deze afspraak belangrijk zijn daar deze essentieel is in het relaas van appellante en dat van haar zus; dat zij het immers van het grootste belang vonden om aan de Herasat hetzelfde te verklaren om zodoende hun interventie in de les Islamleer te minimaliseren; dat het aldus redelijk is te verwachten dat de verklaringen van appellante en haar zus hierover eenvormig zijn; dat dit niet het geval is en het de geloofwaardigheid van deze feiten ernstig hypothekeert; Dat ongeacht het studieniveau, kan worden vastgesteld dat appellantes verklaringen over de discussies die ze uitlokte tijdens de les Islamleer niet getuigen van een XIV-20.282-3/9 algemene kennis van de standpunten van de voornaamste politici van haar land; dat meer in het bijzonder uit het administratief dossier en ter zitting blijkt dat appellante en haar zus niet bekend zijn met hun visies over de Velyat-é Faqih; dat appellante ter zitting niet blijkt te weten dat het standpunt van Ayatollah Sayyed Jalaluddin Taheri, een vooraanstaand clericus uit de Iraanse Republiek, niet gelijklopend is met dat van Ayatollah Montazeri die zich hierover nochtans publiekelijk heeft uitgesproken; dat hun vraag tijdens de Islamles aldus ongefundeerd blijkt en het in elk geval niet duidelijk is waarom een docent Islamleer hiervoor moeilijk zou doen wanneer het voor hem gemakkelijk is hierop positieve aanmerkingen te maken; Dat de beweringen van appellante en haar zus, bij gebrek aan elementaire kennis over de belangrijke politici uit hun land, niet ernstig voorkomen; dat ze zichzelf een belang toekennen dat geenszins in verhouding staat met de mogelijke impact van hun vragen tijdens de Islamleer; dat ze ter zitting niet kunnen aantonen dat deze feiten aanleiding kunnen geven tot een noodzaak voor (internationale) bescherming; Overwegende dat de appellante niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951" - Overwegende dat dient te worden opgemerkt dat verzoekende partij het bewijs geleverd heeft van haar identiteit en nationaliteit, door het voorleggen van haar boekje van burgerlijke stand ; Dit bewijsstuk werd niet door de VBCV als zijnde met valsheid aangetast beschouwd; - De VBCV beschouwt dat verzoekende partij het land niet illegaal zou verlaten hebben, hetgeen de geloofwaardigheid van haar relaas zou aantasten; Om dit besluit te trekken, baseert de VBCV zich op het feit dat verzoekende partij geen beschrij- ving zou hebben kunnen geven van de verschillende steden die zij passeerde gedurende haar reis door Iran en Turkije . Verzoekende partij heeft steeds voorgehouden dat zij Iran verlaten had met valse documenten en onder een valse identiteit die zij trouwens heeft kunnen aangeven. De reisroute die gevolgd werd houdt objectief geen verband met het bewijs dat het land al dan niet op legale of illegale wijze zou verlaten zijn.. - Bovendien dient te worden aangestipt dat men evenmin het verband inziet tussen de gevolgde grensovergang en de winter en hoge bergpassen. Verzoekende partij heeft alleszins verklaard dat het heel erg koud was. - Dat de VBCV zich uiteindelijk beperkt te beweren dat verzoekende partij niet vertelt hetgeen de VBCV van haar had willen horen, zonder echter uitdrukkelijk te vermelden hetgeen zij van haar reis had moeten vertellen. - De VBCV legt evenmin enige documentatie of informatie neer in dit verband. Dit laat de Raad van State echter geen enkele controle toe van de gegrondheid van het besluit dat de VBCV hieruit trekt. - Dat de beslissing van de VBCV ten onrechte laat veronderstellen dat verzoekende partij ter zitting spraakloos is gebleven. Dat beide zussen echter de nadruk hebben gelegd op het feit dat het hun eerste reis was buiten Iran, dat zij de meeste steden waarvan sprake, Bazargan, Dogubeyazit, niet zijn binnengereden en dat zij zich in een heel stresserende situatie bevonden; Dat ivm Istambul waar zij één maand verbleven zijn, zij de nadruk hebben gelegd op het feit dat zijn daar papierloos verbleven en dat zij bijgevolg het huis waar zij verbleven bijna niet verlaten hadden; - Dat van vluchtelingen niet kan worden verwacht dat zij hun reis zouden opvatten als toeristen en dat zij de beschrijving zouden kunnen geven van steden die zij amper doorrijden ( dit was o.m. het geval voor de eenmalige doortocht van Istambul, binnenin een taxi) , hoe "opmerkelijk" die steden ook kunnen zijn. Dat geen van beide meisjes bovendien ondervraagd werd ivm met het moment van de dag waarop zij die voornamelijke steden waren gepasseerd; - Tot slot dient te worden opgemerkt, bij gebrek voor de beslissing precies aan te duiden hetgeen verzoekende partij onvermijdelijk had moeten opmerken, dat de notie zelf van merkwaardigheid heel subjectief is en grotendeels afhankelijk is van de cultuur waarin men opgegroeid is; Monumenten, moskeën , kleuren die voor Europeërs als merkwaardig en onvergetelijk kunnen beschouwd worden, kunnen meisjes die Teheran gewoon waren niet bepaald opvallen; XIV-20.282-4/9 - Dat de opmerkingen ivm de familiebanden tussen de tweelingszussen en hun familie langs moederszijde ter zaken niet pertinent voortkomt en bijgevolg ook niet van aard is om de beslissing te ondersteunen; Voornamelijk wanneer de meisjes niet eens ondervraagd werden in verband met de verstandhouding met hun moeder, tijdens het huwelijk van hun ouders; Het feit dat de meisjes enkel nog sporadisch contact hadden met hun grootmoeder langs moederzijde en niet meer met hun moeder en jongste zus is een loutere familiezaak waarvan de autoriteiten destiemin op de hoogte waren dat de ouders enkel feitelijk gescheiden waren; Het feit dat een breuk in de relatie met één van de ouders voortkomt ingevolge de echtscheiding is een heel algemeen verschijnsel in Iran als in België : het aantal zaken die voor de jeugdrecht- bank aanhangig zijn, de vermenigvuldiging van het aantal bemiddelaars in familiezaken zijn hiervan een uitstekend bewijs. - Het feit dat de meisjes het adres van hun moeder niet kenden is ter zake niet pertinent, vermits het de autoriteiten zijn die contact namen met de grootmoeder... Het aangevoerde motivatiemiddel is bijgevolg alleszins niet ernstig en bovendien niet van aard om de beslissing te ondersteunen; - De VBVS verwijt aan de verzoekende partij dat zij in gebreke bleef haar studente- kaart van de universiteit van Mary Dasht in j anuari 2001 zou voorleggen; Dat de VBCV echter geen rekening houdt met het feit dat verzoekster haar studentenkaart van het jaar 2000 degelijk heeft voorgelegd; Dat de VBCV nergens beweert dat deze kaart vals zou zijn, hetgeen allerminst bewijst dat verzoekende partij in tegenstelling met hetgeen de VBCV beweert, degelijk universitaire studies heeft gevolgd, al was dit maar één jaar; Uit geen enkel element van het dossier blijkt dat het afleveren van de studentekaar- ten gelijktijdig met de inschrijving verloopt ; Het blijkt bijgevolg niet uitgesloten te zijn dat verzoekende partij zich zoals beweerd had ingeschreven en de lessen volgde en dat de studentente over een termijn beschikten om hun studentekaart te gaan afhalen; - Het blijkt niet dat de VBCV over het officiele programma beschikte van de vakken die gedoceerd werden in de richting boekhouding gevolgd door beide meisjes; - Het behoort bijgevolg de VBCV niet toe te oordelen of een vak al dan niet "vreemd" is aan de richting boekhouding, bij gebrek aan informatiemateriaal dat deze mening zou ondersteunen ; Ook in België zijn traditionele "buisvakken" in candidatuurjaren, totaal vreemd aan de hoofrichting; - Dat ivm met het aantal vergaderingen die de meisjes bijwoonden dient te worden opgemerkt dat beiden meisjes niet zou categoriek waren wat dit aantal betreft. Shabahang, de tweelingzus van verzoekende partij spreekt inderdaad over "ongeveer" één keer per maand, hetgeen reeds een nuance maakt; - De periode in dewelke beide meisjes aan de universiteit hebben gestudeerd is zonder invloed op hun politieke activiteiten, vermits heel uitdrukkelijk uitgelegd werd dat de meisjes deze activiteiten hebben opgestart, nadat zij door de universiteit weggestuurd werden, en uit reactie op deze ongegronde uitsluiting; De politieke activiteiten staan totaal los van de studies . Er kan ook niet worden beweerd dat de meisjes nooit in die universiteit zijn geweest, vermits zij een studentenkaart voor het jaar 2000 voorlegden en dat deze kaart op zich niet als vals werd beschouwd; Dat zij een vriendschaprelatie aanknoopten met een studente en haar familieleden die wel politiek actief waren is bijgevolg helemaal niet uitgesloten . - Het is volledig foutief te stellen dat "de moeilijkheden met het Iraanse regime" het gevolg waren van een optreden tijdens de Islamles, waar zij inderdaad het bestaan van de Velyat-é-Faquih negeerden; Grotendeels van de moeilijkeden in dewelke de meisjes geraakten is inderdaad te wijten aan deze feiten : zij werden hierdoor van de universiteit uitgesloten, konden verder aan geen enkele job geraken ontdanks het feit dat zij de aanwervingstesten hadden voldaan, waren zeker geseind als dissident door de autoriteiten. Deze "eerste" moeilijkheden zijn echter te cumuleren met het feit dat zij eveneens politieke activiteiten hadden, zodat zij het risiko niet konden nemen opgepakt te zijn of opgespoord te worden in dit kader. Het is de globale situatie van de meisjes , met hun antecedenten die had moeten worden beoogd ter beoordeling van de al dan niet toekenning van het statuut van vluchteling; - Hetgeen degelijk ter beoordeling van de toekenning van statuut pertinent en bepalend is, is het feit dat de meisjes, , in het openbaar, gedurende een les en zonder dubbelzinnigheid beweerd hebben dat Velyat-é-Faquih niet bestaat en niets met de XIV-20.282-5/9 bevolking te maken heeft, dat zij niet het recht hadden om te beslissen voor iedereen; Hieromtrent zij de tweelingszussen het steeds eens geweest, en het betreft de kern van hun verhaal; De manier waarop zij a posteriori hun uitspraken trachten te draaien door te verwijzen naar één of andere politieke figuur waarvan zij dachten dat zij met het principe niet eens waren, is volkomen subsidiair; Het is des temeer subsidiair dat de dossierbehandelaar op het CGVS gedurende het interview ten gronde zelf bemerkte " Zeer eigenaardig dat jullie kritiek geven op Velyat-é-Faquih, terwijl kleinste kind in Iran weet dat je dat niet in twijfel kan trekken" ( gehoor van tweelingszus van verzoekster, blz 8 en 9); Dat het CGVS zelf verder stelde dat zij door hun opmerkingen te maken moesten weten dat zij van de unief zouden "buitenvliegen" ( cfr gehoor van tweelingszus , blz 9 " Wat ik niet begrijp is studeren, moeite doen om unief binnen te raken en van l/ j aar zorgen dat je buitenvliegt , want je weet dat je buitenvliegt als je zo iets zegt"; Dat verzoekende partij hierbij eveneens op een flagrante tegenstrijdigheid wijst tussen de beoordeling van het CGVS en de beoordeling van de VBCV wat de gevolgen kunnen zijn van dergelijke tussenkomst. Voor het CGVS is de sanctie van het in twijfel brengen van de Velyat-é-Faquih evident, vanzelfsprekend, daar waar de VBCV stelt dat 'dat ze zichzelf een belang toekennen dat geenszins in verhouding staat met de mogelijke impact van hun vragen tijdens de Islamleer; dat ze ter zitting niet kunnen aantonen dat deze feiten aanleiding kunnen geven tot een noodzaak voor (internationale) bescherming;’ Dat het hier gaat om een essentiële, fundamentale tegenstrijdigheid, die op zich reeds op het gebrek aan ernst wijst in de behandeling van het dossier van verzoeken- de partij, in de opeenvolgende fasen van behandeling; Des temeer, dat noch het CGVS , noch de VBCV naar enige informatiemateriaal verwijzen, om hun respectievelijk en totaal uiteenlopende meningen te staven; Bijkomend dient te worden opgemerkt dat het feit dat beide zussen al dan niet een grondige kennis zouden hebben gehad van de verschillende, eventueel uiteenlopen- de stellingen die voor- of tegenstaanders van de Velyat-é-Faquih zouden hebben geuit, als van weinig of geen belang voortkomt, vermits het het dogma is dat op zich niet mag worden aangetast; Het dogma van de Velyat-é-Faquih, fundament van de absolute oppermacht van de religieuze chiïten, boven elk ander gezag; Uit de documentatie van het CGVS over Iran (Nederland Ambstbericht 2001) die vaak in verband met Iraanse vluchtelingen voorgelegd wordt, doch naar dewelke in casu NIET is verwezen, blijkt dat de situatie in de 2d' helft van 2000 en de eerste maanden van 2001 in Iran is verslecht, onder meer wat betreft de vrijheid van meningsuiting; Alles wijst thans naar de overmacht van het regime, stevig bijgestaan door het Bewakingscomité en de veiligheidsdiensten, naar de politieke wanhoop van de bevolking die afstand maakt van politiek bewustzijn ( 90% ging niet stemmen voor de lokale verkiezingen van maart 2003 met als gevolg dat Teheran aan de clericale kliek overgelaten werd), naar de uitputting van de studentenbeweging uit angst voor repressie ;”; 1.2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen in hoeverre van de vreemdeling mag verwacht worden dat hij bepaalde aspecten van zijn relaas, waaronder de reisweg, voldoende kan toelichten; dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen overigens duidelijk aangeeft waarom verzoeksters verklaringen hieromtrent ontoereikend zijn, met name omdat zij “geen minimale beschrijving kan geven XIV-20.282-6/9 van deze stad (Bazargan)”, zij “onbekend is met de controles op Iraans en op Turks grondgebied”, “zij onwetend is over de afstand van Tabriz tot de grens”, “ze geen beschrijving kan geven van de toen gevolgde grensovergang niettegenstaande de winter en de hoge bergpassen”, “ze ook van dit opmerkelijke stadje (Dogubeyazit) geen beschrijving kan geven” en “ze geen markant feit of gebeurtenis kan vertellen van haar reisweg in Turkije, van het binnenrijden in Istanbul of van haar verblijf van meer dan een maand in Istanbul”; dat het motief met betrekking tot de contacten van verzoekster met haar familie langs moederszijde van bijkomstige aard is, zodat kritiek op dit overtollig motief niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat de bestreden beslissing genoegzaam wordt geschraagd door de motieven, ontleend aan de tegenstrijdige verklaringen omtrent essentiële elementen in haar asielrelaas en het feit dat zij niet aantoont dat de door haar voorgehouden feiten aanleiding kunnen geven tot een noodzaak voor (internationale) bescherming; dat het volstaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aangeeft waarom het antwoord van de vreemdeling, in casu omtrent de studierichting boekhouden, verkeerd is; dat zij in haar beslissing niet moet vermelden op welke informatiebron(nen) haar oordeel steunt; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt op zijn beurt de juistheid van de door verzoekster ten aanzien van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verstrekte uitleg na te gaan; dat de Raad enkel kan vaststellen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft waarom verzoeksters verklaringen in verband met haar studies niet overtuigen, waar zij er onder meer op wijst dat het door verzoekster geciteerd vak “inleiding tot de fysica” geheel vreemd is aan de richting boekhouden en zij het vak “inleiding tot de wiskunde” niet kan omschrijven, zodat zij hieruit wettig kon afleiden dat verzoekster niet aannemelijk maakt effectief een bachelorsgraad in boekhouding te hebben gevolgd; dat verzoekster in ieder geval niet aantoont dat deze gevolgtrekkingen onjuist zijn; dat de bevestiging van verzoekster ter zitting dat haar moeilijkheden met het Iraanse regime het gevolg waren van haar optreden tijdens de Islamles, opgenomen is in een authentieke akte, te weten de geschreven beslissing van een administratief rechtscollege, en derhalve geacht moet worden met de werkelijkheid overeen te stemmen; dat uit voormelde vaststellingen (met name het niet voorleggen van een studentenkaart en de gebrekkige kennis van de door haar beweerdelijk gevolgde studies) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook wettig kon afleiden dat, voor zover verzoekster verklaarde dat zij via een studiegenote aan de universiteit in contact werd gebracht met de Hezb-i Melat, de politieke activiteiten hieraan verbonden niet kunnen overtuigen; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de tegenstrij- digheden omtrent het aantal vergaderingen een nuance betreft; dat door het hoger beroep de zaak voor een volledig nieuw onderzoek aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat deze volle rechtsmacht bezit, hetgeen, onder meer, impliceert dat zij niet in het minst gebonden is door de eerdere weigeringsmotieven, doch op eigen grond uitspraak vermag te doen; dat zij dan ook op grond van de vaststelling “dat appellantes verklaringen over de discussies die ze uitlokte tijdens de les Islamleer niet getuigen van een algemene kennis van de standpunten van de voornaamste politici van haar land” en “dat hun XIV-20.282-7/9 vraag tijdens de Islamles aldus ongefundeerd blijkt en het in elk geval niet duidelijk is waarom een docent Islamleer hiervoor moeilijk zou doen wanneer het voor hem gemakkelijk is hierop positieve aanmerkingen te maken” kan besluiten “dat ze zichzelf een belang toekennen dat geenszins in verhouding staat met de mogelijke impact van hun vragen tijdens de Islamleer”, zelfs al had de dossierbehandelaar op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daaromtrent tijdens het verhoor van verzoeksters zus opgemerkt “dat zij door hun opmerkingen te maken moesten weten dat zij van de unief zouden ‘buitenvliegen’.”; 1.2.
- Overwegende dat het enig middel feitelijke grondslag mist daar uit geen enkel stuk van het administratief dossier kan worden afgeleid dat verzoekster een studentenkaart van het jaar 2000 zou hebben neergelegd; 1.2.
- Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.282-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.282-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.