← België

Arrest 155008 - - 15/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.008 Rolnummer: A. 133932/VII-34838 Zaak: Arrest 155008 - - 15/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 09:40 Fiche Arrest nr 155.008 van 15 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 155.008 van 15 februari 2006 in de zaak A. 133.932/VII-34.838 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 3 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 oktober 2002 tot weigering van regularisatie, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 februari 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 14 december 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; VII-34.838-1/10 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij heeft op 30 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  3. Op 14 februari 2002 werd de verzoekende partij gehoord door de Commissie voor Regularisatie. 1.
  4. De Commissie voor regularisatie heeft op 10 oktober 2002 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Het advies bevat de volgende overwegingen: "Gelet op de beschikking van 15 januari 2002 van de heer Herman Pas, vice-Eerste voorzitter van de commissie voor Regularisatie, met toewijzing van dit ingediende verzoek tot regularisatie van verblijf aan de Nederlandse kamer voor behandeling ervan en waarna de verzoekende partij op regelmatige wijze werd opgeroepen voor de zitting van 14 februari
  5. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon, drukte zich ter zitting in het Nederlands uit en werd er bijgestaan door zijn raad mr. Suzanne Van Rossem advocaat aan de balie van Antwerpen. Er werd overeengekomen dat bijkomende stukken nog tot 21 februari 2002 aan de Commissie konden worden bezorgd. Bij het in beraad nemen van deze zaak werd door de Commissie vastgesteld dat dit niet meer gebeurd was. Aangezien de verzoekende partij moest kennis hebben kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 9 maart 2001 waarin werd gesteld dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en dat de aanvraag met een negatief advies aan de Minister werd overgemaakt (artikel 12 § 1 van de wet van 22 december 1999). Dit advies werd verzonden op 6 april
  6. De betrokkene beschikte vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister en dit per aangetekende brief. Verzoeker ondertekende op 24 april 2001 voor kennisname van vermeld advies tegenover de politie. Bij aangetekend schrijven verzonden op 13 april 2001 door zijn raad mr Van Rossem was daarop reeds gereageerd. Hierbij werd gesteld dat verzoeker reeds sinds 1998 illegaal in België vertoefde en zich hier geen vluchteling had verklaard noch een bevel had gekregen om het grondgebied te verlaten en dat hij reeds werk had gevonden omwille van 'de kennis van de taal en zich reeds in onze Belgische maatschappij had geïntegreerd. Er worden enkele verder niet toetsbare verklaringen bijgevoegd waaronder deze van de heer Barbar Zaheer, zaakvoerder van de bvba Rana te Antwerpen, dat hij XXX heel goed VII-34.838-2/10 kent sinds 1997 hetgeen betekent dat hij deze dus kende vooraleer hij volgens zijn eigen verklaring in België toekwam. In het Belgisch recht is een bekentenis een van de sterkste mogelijkheden voor bewijsvoering. Verzoeker stelt dus zelf dat hij zich slechts in 1998 illegaal in België vestigde. Toch worden daarnaast kopijen voorgelegd van huurgelden die hij in Antwerpen in 1997 reeds zou hebben betaald. Dit doet dus twijfelen aan de eerlijkheid van verzoeker. In het advies dat werd opgesteld door onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie werd het voorgesteld dat de aanvraag ingediend was op grond van artikel 2,40 van de wet van 22 december 1999 maar in de aanvraag zelf, gedateerd op 30 januari 2000, werd voor geen enkel artikel gekozen door betrokkene zodat in werkelijkheid de rechtsgrond voor de aanvraag ontbreekt maar verzoeker vroeg toen wel om door de wetgever niet voorziene Engelstalige procedure. Hij schreef in de aanvraag als zijn enige voornaam XXX terwijl later de voornaam XXX werd gebruikt. De Commissie kon, zoals bepaald in artikel 14 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken en waarbij dit het nummer 4.998.249 -draagt. Er moeten worden van uit gegaan dat verzoeker zelf kennis had van alle daarin opgenomen gegevens vermits deze zich beperkten tot over hem in dit land gedane vaststellingen. Daarin staat vermeld dat hij bij controle op de luchthaven van Zaventem op 12 februari 2001 wilde vertrekken naar Lissabon met de vlucht Sabena SN 4129 en dat hij XXX, zich uitdrukkend in het Engels, alias Ahmed Malik Nasir geboren te Sialkot (Pakistan) op 1 januari 1969 in het bezit was van een totaal valse identiteitskaart en in het gezelschap van Ullah Kalim (O.V. 4.719.826 en 4.987.549 ?) geboren te Muzafar Gahr (Pakistan) op 22 september
  7. De uitvoerders van die controle hebben het vermoeden geuit dat hij vermoedelijk naar Portugal wilde reizen om ook aldaar een regularisatiedossier te bekomen. Ter zitting vertelde verzoeker dat tiet paspoort was afgenomen waarmee hij destijds per vliegtuig naar België was gekomen en hij verwees naar Tariq Mahmood die toen samen met hem zou gekomen zijn en die reeds een verblijfsvergunning zou hebben bekomen. De Commissie moest vaststellen dat een genaamde Taricq Mahmood afkomstig uit Pakistan (dossier 9000-2000-012900916 DVZ 4.824.273) evenwel een ongunstig advies had bekomen op 19 december 2001 op de Commissie voor Regularisatie. Aangezien de verzoekende partij nergens uitdrukkelijk een artikel ingeroepen heeft waarop hij zijn regularisatie wilde steunen. Indien dit moest gebeurd zijn op grond van artikel 2, 4/, waarvan de hoger vermelde nota van het onderzoekssecretariaat dus ten onrechte is uitgegaan, dan zou hij zich gesteund hebben op humanitaire redenen en in het land ontwikkelde duurzame sociale bindingen. Gezien artikel 9, 9/ van diezelfde wet stelde dat een vreemdeling die dat artikel inriep bewijs moest leveren van een aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Volgens ditzelfde artikel 9, 9/ wordt een verblijf waartoe de kandidaat-vluchteling in afwachting van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag toelating krijgt op het grondgebied te verblijven niet aanzien als een relevant wettig verblijf evenmin als een verblijf op grond van een toeristenvisum of een verblijf waartoe studenten gemachtigd worden. Verzoeker zelf stelde dat hij slechts in 1998 het land is binnen gekomen. Toch houdt hij daarnaast voor dat hij ook reeds in 1997 in dit land gewerkt heeft. Hij bezorgde zoals reeds werd vermeld een ganse reeks verder niet toetsbare verklaringen van verschillende personen die aangeven dat ze verzoeker in het verleden zouden gekend hebben en hem op prijs stellen. Verzoeker bezorgde op 13 april 2001 kopij van een huurovereenkomst ingaande vanaf 1 januari 2000 waarvan enkel artikel 18 voor de huurder de verplichting voorziet van registratie van dat huurcontract op zijn kosten. Van die registratie, bewijs van VII-34.838-3/10 echtheid van datum, kon geen kennis worden genomen. De kopij van de bladzijde waarop artikel 19 voorkomt verwekt de indruk dat de onderste helft ervan niet mee werd gekopieerd. De kopij van de Arbeidsovereenkomst met ingang van 16 februari 2001 welke aan de Commissie werd bezorgd is niet gedateerd en bevat zowel teksten geschreven met een schrijfmachine als in handschrift hetgeen op zichzelf toch minstens eigenaardig is. Op die overeenkomst is de bvba Mamoet Schoonmaakbedrijf gevestigd Offerandestraat 33 te Antwerpen. Het ontvangstbewijs als laatste bladzijde van de kopij van het arbeidsreglement is slechts op 6 april 2001 gedateerd terwijl hij alleen kopij bezorgde van loonfiches over februari en maart 2001 bij dat bedrijf. In de tweede helft van 2001 gaat hij voor een beter officieel loon bij een ander bedrijf in Mons werken. De VDAB verleende op 31 oktober 2000 toelating tot werken vanaf 6 november 2000 tot 5 november 2001 bij de bvba Mammoet Schoonmaakbedrijf Boterlaarbaan nr 383 te Antwerpen. De loonfiches die werden voorgelegd zijn afkomstig van de bvba Mammoet Schoonmaakbedrijf opnieuw Boterlaarbaan 383 te Antwerpen. De bij dat bedrijf bekomen loonfiches geven dergelijke lage maandelijkse brutolonen aan dat het onmogelijk moest zijn daarvan in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Uit de gegevens waarvan de Commissie kennis kon nemen kan niet worden afgeleid dt verzoeker een continu verblijf had in het Rijk tijdens de aan de aanvraag door de wetgever vereiste periode van zes jaar waarbij al evenmin enig toetsbaar element kan worden ontdekt over zijn daadwerkelijke aanwezigheid op het grondgebied op 1 oktober
  8. Gezien het feit dat verzoeker na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie heeft willen aantonen dat hij toetrad tot het officiële arbeidscircuit kan daar niets aan wijzigen. Aangezien het noodzakelijk is alle ingediende aanvragen tot regularisatie op voet van gelijkheid te behandelen hetgeen betekent dat de situatie van de verzoekende partij moet onderzocht worden zoals deze zich voordeed einde januari 2000 wanneer de verzoeken tot regularisatie moesten ingediend zijn zoniet zouden verzoekers die in het begin van de werking van de Commissie moesten verschijnen benadeeld zijn geweest tegenover diegenen die slecht veel later hiervoor werden opgeroepen hetgeen dan een ontoelaatbare ongelijke behandeling zou betekenen. Verzoeker kon dus ook geen voor hem geldende humanitaire motieven geloofwaardig maken noch echt aantonen dat hij hier duurzame sociale persoonlijk bindingen had opgebouwd wanneer hij zijn aanvraag tot regularisatie indiende en ook daarna kan geen verdere ontwikkeling daarvan worden vastgesteld. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad 10 januari 2000 p.588-592) en in werking getreden op 10 januari 2000.". 1.
  9. Op 10 oktober 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij dit advies. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  10. Op 6 februari ontvangt de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit bevel is als volgt gemotiveerd: "(...) Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: VII-34.838-4/10 De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 10/10/
  11. (...).". Dit is de tweede bestreden beslissing.
  12. Beoordeling. 2.1.1.
  13. In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht van verdediging. Zij zet het middel in haar verzoekschrift als volgt uiteen: "(...) Dat de beslissing van de Minister van 25/03/02 verzoeker nooit werd betekend en dus niet op een correcte en zorgvuldige wijze werd genomen en wel om de volgende redenen; Alleen het advies van de Commissie werd gevolgd. Dit betekent dat men met de brief van 11/11/2002 niet in het minst rekening gehouden heeft. Dit blijkt u uit de beslissing van de Minister zelve die klakkeloos het advies overneemt om tot dezelfde beslissing te komen. Dat na contacten met DVZ blijkt dat men inderdaad toegeeft dat er fouten zouden zijn kunnen gemaakt. Dat men dus geoordeeld heeft zonder verzoeker zijn opmerkingen dat er manifeste verkeerde informatie is gebruikt om tot de beslissing te komen op geen enkel moment aan bod is gekomen. Dat de motivering van de bijlage 13 alleen bestaat uit het feit dat de minister de regularisatie heeft afgewezen Dat echter de achterliggende redenen nl. de afwijzing van de regularisatieaanvraag volledig ten onrechte werd genomen en gegrond is op onvolledige kennis van het dossier. Dat verzoeker ondertussen bijna zeven jaar in België verblijft. . Het is niet verzoeker die in gebreke is gebleven , maar de overheid die de procedure twee jaar heeft laten aanslepen, en dus onredelijk lang heeft gewacht om uiteindelijk tot een dergelijke beslissing te komen zonder rekening te houden met de elementen die hij ondertussen heeft toegevoegd. Dat de Minister hierdoor nieuwe illegalen creëert , waar zijn administratie zelf voor verantwoordelijk is. Dat men dus alleen maar kan vaststellen dat de beslissing van 10/10/02 en de motivering ervan niet correct is en de aanvraag werd beoordeeld zonder rekening te houden met de aangebrachte argumenten noch stukken. Dat het openbaar bestuur dan ook niet kan stellen dat een grondig onderzoek werd gevoerd om tot de huidige negatieve beslissing te komen , dat er zelfs geen onderzoek werd gevoerd om te komen tot de huidige beslissing van 6 februari 2003 dat met verzoeker zijn verdediging niet in het minst werd rekening gehouden bij het nemen van de huidige beslissing. Dat hij om humanitaire redenen niet kon terugkeren , dat hij hier zijn leven heeft uitgebouwd. Dat hij nergens elders terecht kan Dat zijn vriend die in een identieke situatie zat wel een positief advies en nadien ook een positieve beslissing heeft gekregen. Dat daarom ook huidig verzoek wordt ingediend."; VII-34.838-5/10 2.1.1.
  14. In haar memorie van wederantwoord voegt zij daar nog het volgende aan toe: "(...) Dat uiteindelijk bij het verkrijgen van de beslissing bleek dat de beslissing gebaseerd was op fouten en argumenten die ter zitting nooit zijn aan bod gekomen en waarop verzoeker zich nooit heeft kunnen verweren.
  15. Er wordt geen rekening gehouden met het neergelegde bundel van verzoeker.
  16. Er wordt gewag gemaakt als zou de heer Tariq Mohmood niet geregulariseerd zou zijn, terwijl dit wordt tegengesproken door de feiten zelve, waarvan het gunstig advies trouwens bij aanvraag tot nietigverklaring werd gevoegd.
  17. Dat verzoeker zou een poging gedaan hebben om te reizen, dat dit niet waar is en wanneer hiervoor gebeld wordt naar de regularisatiecommissie om hen zelfs voor te stellen vingerafdrukken te nemen om te bewijzen dat dit niet waar is, wordt gesteld dat dit effectief mogelijk is om een vergissing te maken aangezien men vijf regularisatieaanvragers heeft gekend onder de naam XXX. Uiteindelijk komt er geen gevraagd onderzoek maar volgt men zonder meer bet ongunstig advies zonder enig grondig onderzoek
  18. Dat in de memorie wordt gesteld dat er niet zou geantwoord zijn op de 'vermeende brief'. Dat deze brief effectief onmiddellijk na het verkrijgen van het negatief advies aan de minister werd aangetekend opgestuurd door de raadsman van verzoeker, met alle opmerkingen in vermeld. Dat echter klakkeloos het ongunstig advies met alle foute gegevens erin wordt overgenomen Dat dit de hoofdredenen zijn waarom verzoeker stelt niet gehoord te zijn en/of stelt dat zijn zaak niet grondig werd onderzocht. Dat dit immers de gegevens die vermeld staan in de beslissing fout zijn en dat hij zich daarop nooit heeft kunnen verweren."; 2.1.
  19. Het beginsel van het recht van verdediging is als dusdanig niet van toepassing op de administratieve procedure zoals voorzien door de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. De brief van 11 november 2002, waarover sprake in het middel, dateert van na de bestreden beslissing. Het feit dat met die brief geen rekening werd gehouden kan de wettigheid van de bestreden beslissing dus uiteraard niet aantasten. Het feit dat de eerste bestreden beslissing pas ter kennis van de verzoekende partij zou zijn gebracht op het ogenblik van de betekening van het bevel houdt niet in dat die beslissing zou zijn genomen met miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel. De wijze waarop een beslissing werd betekend of ter kennis gebracht tast trouwens de geldigheid van de beslissing niet aan. Voor het overige bevat de uiteenzetting slechts vage feitelijke beweringen, die niet in concreto aantonen dat de verwerende partij een onwettigheid heeft begaan. Het middel komt niet op tegen de vaststelling in het advies van de Commissie voor regularisatie, die de verwerende partij in de bestreden beslissing tot de hare maakt, dat de VII-34.838-6/10 verzoekende partij noch een voortdurend verblijf in het Rijk gedurende zes maanden kan aantonen, noch zijn aanwezigheid op het grondgebied sedert 1 oktober
  20. Deze vaststelling volstond om de regularisatieaanvraag af te wijzen. Het middel, zoals gesteld in het verzoekschrift en verder “uitgewerkt” in de memorie van wederantwoord kan niet tot nietigverklaring leiden. Ter terechtzitting ontwikkelt de verzoekende partij nog een aantal feitelijke gegevens die niet kaderen in hetgeen in het verzoekschrift en de memorie werd uiteengezet. Op grond van artikel 37, § 3 van het eerder genoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 mogen ter terechtzitting evenwel geen andere middelen worden voorgedragen dan die welke in de vordering, het verzoekschrift of de memories zijn uiteengezet. Overigens hebben deze beschouwingen evenmin betrekking op de vaststellingen omtrent de wettelijke voorwaarde van de duur van het verblijf en kunnen zij zelfs indien ze ontvankelijk en gegrond zijn, niet tot nietigverklaring leiden. 2.2.1.
  21. Als tweede middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringsverplichting. De verzoekende partij zet daarover in het verzoekschrift het volgende uiteen: "De overheid en dus ook de MINISTER heeft de verplichting om zijn beslissingen uitdrukkelijk te motiveren. Dat hieraan zeker niet voldaan werd bij het nemen van de huidige beslissing. Dat de motivering bovendien ernstige gebreken bevat aangezien ze tegenstrijdig is met het dossier op zich. Dat verzoeker immers uit de genomen beslissing zeker niet kan afleiden waarom er tot een dergelijke beslissing is gekomen.. Integendeel dat hij alleen kan vaststellen uit de motivering dat het de overheid zelve is die een fout heeft gemaakt in zijn dossier, dat met zijn aangetekend schrijven en met zijn elementen geen rekening werd gehouden Immers in de motivering van de minister staat als volgt; Ik heb de eer u in bijlage een kopie te sturen van de beslissing die ik ten aanzien van genoemde aanvraag nam. Verstuurd op dezelfde dag als het advies is uitgebracht. Voor het overige werd er op de totale feitelijke problematiek van dit dossier , niet ingegaan. Dit gedeelte van de motivering is tegenstrijdig met het dossier aangezien dat duidelijk blijkt dat verzoeker wel degelijk tijdig en adequaat gereageerd heeft. Dat hij wel degelijk humanitaire en duurzame bindingen heeft aangehaald, dat dit immers volgens het advies ook zo is maar dat hij in zijn verklaringen niet volledig waarheidsgetrouw zou zijn geweest dat dit gebaseerd is op foute informatie dat dit onmiddellijk is overgemaakt aan de Minister per aangetekend schrijven. Hij verblijft bier ondertussen ongeveer 7 jaar, werkt, is ingeburgerd, heeft zijn vrienden hier dat er voldoende humanitaire redenen en duurzame bindingen aan de basis liggen van hun aanvraag. Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoeker meent dat de motivering dan ook zeer oppervlakkig is aangezien men zijn dossier niet heeft onderzocht en dat terwijl voor hem belangrijke redenen onbeantwoord zijn gebleven. Dat de motivering tegenstrijdig is aan het dossier... VII-34.838-7/10 Het louter en alleen verwijzen naar het advies van de commissie bij zijn regularisatieaanvraag is niet voldoende om aan verzoeker duidelijk te maken waarom deze werden afgewezen .. Dat hij dan ook niet kan begrijpen dat met dit alles geen rekening is gehouden. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering en de hiermee gepaard gaande oppervlakkige benadering van het probleem."; 2.2.1.
  22. In haar memorie van wederantwoord voegt zij daaraan het volgende toe: "Dat de overheid verplicht is om zijn beslissing uitdrukkelijk te motiveren, dat hiervoor verwezen wordt naar de motiveringsverplichting in bestuurszaken. Dat het dan ook onredelijk is om een dergelijk zwaarwichtige beslissing met ernstige gevolgen op allerlei vlakken voor verzoeker. Namelijk verlies van recht op verblijf verlies van werk verlies van mutualiteiten en ziektevergoeding enz... Dat een dergelijke beslissing uitdrukkelijk moet gemotiveerd zijn en dat het dan ook zeker niet voldoende is om een ongunstige beslissing te volgen zonder te motiveren waarom deze gevolgd wordt aangezien verzoeker zeer duidelijk in het schrijven via zijn raadsman op de fouten had gewezen die gemaakt zijn in het beoordelen van zijn dossier."; 2.2.
  23. De bestreden beslissing is naar behoren formeel gemotiveerd. Zij verwijst naar het advies van de Commissie voor regularisatie dat aan de verzoekende partij behoorlijk en tijdig ter kennis was gebracht, en de verwerende partij maakt de motieven van dit advies tot de hare. De formele motiveringsplicht heeft overigens tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Zij heeft dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De toetsing van de formele motivering houdt overigens in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de regularisatieaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij immers niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde VII-34.838-8/10 onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld noch dat de motieven kennelijk onredelijk zouden zijn. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de verwerende partij maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. Het middel is niet gegrond.
  24. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd zodat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  25. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.838-9/10 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.838-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.