id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.094 Rolnummer: A. 62986/XII-2954 Zaak: Arrest 155094 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 09:47 Fiche Arrest nr 155.094 van 16 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.094 van 16 februari 2006 in de zaak A. 62.986/XII-
- In zake :
- de NV STRUKTON DE MEYER,
- de NV BETONAC, die woonplaats kiezen bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen : de NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. Gerard, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Strukton De Meyer en de NV Betonac, samen een tijdelijke vereniging vormend, op 27 maart 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een beslissing, getroffen op 27 januari 1995 door de Raad van Bestuur van de N.M.B.S., waarbij de inschrijving van de Tijdelijke Vereniging C.F.E.-M.B.G. voor de offerteaanvraag m.b.t. de nieuwe spoorverbinding lijn 36 C - Air terminal Zaventem - Uitvoering ruwbouw spoortunnel onder luchthaven + gedeelte station t.h.v. het luchthavengebouw, uitgeschreven als een algemene offerteaanvraag, weerhouden werd en de opdracht aan deze T.V. werd toegewezen, en waarbij de inschrijving d.d. 25.10.1994 van beide verzoekers als Tijdelijke Vereniging niet werd weerhouden”; Gelet op het arrest nr. 52.492 van 23 maart 1995 waarbij de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verwerpt; XII-2954-1\12 Gelet op het arrest nr. 54.050 van 28 juni 1995 waarbij de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verwerpt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 20 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting en de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 6 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. Ronse, die loco advocaat Ph. Gerard verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verwerende partij schrijft voor de uitvoering van de ruwbouw van de spoortunnel onder de luchthaven van Zaventem en het gedeelte van het station XII-2954-2\12 ter hoogte van het luchthavengebouw een algemene offerteaanvraag uit. De opening van de offertes wordt vastgesteld op 25 oktober
- 1.
- De inschrijvers moeten prijs indienen voor een zogenoemd project 1 en project
- Dat laatste project veronderstelde een bijzonder tijdsplan voor de werken en impliceerde een andere uitvoeringswijze. Het is de inschrijvers toegestaan suggesties in te dienen : een aantal voorwaarden, beschreven in het bestek op de bladzijden 11-12, dienen strikt te worden nageleefd. Als gunningscriteria zijn bepaald : “
- het totaalbedrag van de offerte;
- de technische waarde van de voorgestelde uitvoeringswijze (o.a. type boormachine) voor het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes;
- de waarborgen die de offerte inhoudt met het oog op een degelijke verzorgde technische uitvoering van de kokerwanden d.m.v. beschoeide sleuven. Hierbij zal voornamelijk aandacht besteed worden aan de aangetoonde ervaring in het uitvoeren van diepe beschoeide sleuven vanuit beperkte ondergrondse ruimten;
- de waarborgen die de offerte inhoudt met het oog op een degelijke studie en de levering van de uitvoeringsplans voor de delen waarvoor de studie is uit te voeren in opdracht van de aannemer. Hierbij zal voornamelijk aandacht besteed worden aan de referenties van het door de aannemer voorgestelde studiebureau in het kader van gelijkaardige ondergrondse kunstwerken. Alle criteria staan op gelijke voet”. 1.
- Negen inschrijvers dienen offertes in, onder meer de tijdelijke vereniging gevormd door de verzoekende partijen. Zij dienen ook een suggestie in maar zonder prijs omdat -volgens het verzoekschrift- “zij er zich bewust van waren dat deze juridisch niet in rangschikking kon opgenomen worden gezien de beperkingen die aan de suggesties in het bestek werden gesteld”. 1.
- Een commissie stelt individuele steekkaarten op per inschrijver en bespreekt de offertes in vergaderingen van 10 november 1994 en 23 november
- De inschrijving van de verzoekende partijen wordt voor wat betreft het tweede criterium als volgt beoordeeld : “- Het grondig onderzoek van het voorgestelde schildtype wijst uit dat het hier wel gaat om een 'full-face' schildmachine doch dat het front niet volledig afsluitbaar is zoals opgelegd in het bijgevoegd art. 10 van het bijzonder bestek. - Het onderzoek van de bij de inschrijving gevoegde referentielijst geeft aanleiding tot volgende bemerkingen : - de opgegeven referenties met 'directional drilling' zijn buispersingen met kleine diameters voor pijpleidingen en zijn uitgevoerd met XII-2954-3\12 technieken die niet vergelijkbaar zijn met deze nodig voor de werken beschreven in dit bestek, - het beperkt aantal als eigen werk te beschouwen referenties werd grotendeels uitgevoerd met schilden met open front of met gronddrukschilden, - de boring t 1.500 mm met een lengte van 113 m op de luchthaven van Zaventem heeft volgens toelichting van R.L.W. aanleiding gegeven tot nogal wat moeilijkheden. Besluit : Gezien het niet beantwoorden van de voorgestelde machine aan de strikte besteksvoorwaarden en de beperkte van toepassing zijnde referenties, geeft de commissie de waarde 1 (op 5) op basis van het hierboven vermelde. In de toegevoegde tabel 3 wordt dit waarde 2 (herwerkt op een schaal van 0 tot 10)”. De commissie stelt als definitieve evaluatie voor de projecten P1 en P2 een tabel op die voor de verzoekende partijen en voor de tijdelijke vereniging M.B.G.-C.F.E. er uitziet als volgt : Criteria De Meyer - M.B.G.-C.F.E. Betonac P1 P2 P1 P2 1 prijs 10 10 7 7 2 persen buizen 2 2 10 10 3 beschoeide sleuven 2 2 10 10 4 studiebureau 3 3 6 6 totaal 17 17 33 33 1.
- Op 1 december 1994 stelt de commissie een verslag op betreffende het onderzoek van de offertes. De door de verzoekende partijen ingediende suggestie wordt onregelmatig bevonden “wegens ontbreken van alle essentiële documenten en prijsopgave”. Als algemeen besluit wordt gesteld : “Gelet op het feit dat : - de inschrijvingen van de T.V. M.B.G.-C.F.E. voor projekt 1 en voor projekt 2 regelmatig zijn, - deze inschrijvingen bij de evaluatie volgens de in het bestek vermelde gunningscriteria als voordeligste gerangschikt zijn, [...] wordt besloten dat volgens de gunningscriteria van het bijzonder bestek de inschrijving van de T.V. M.B.G.-C.F.E. de voordeligste is, en dit zowel voor projekt 1 (t.b.v. 1.439.743.670,- BEF) als voor projekt 2 (t.b.v. 1.364.372.125,- BEF)”. XII-2954-4\12 Als slotbeschouwing wordt gesteld dat de prijs van voormelde inschrijver ongeveer 20% onder de raming ligt en wordt gewezen op de besparing die gerealiseerd kan worden door toewijzing van project
- 1.
- Door het departement infrastructuur wordt een document voor de raad van bestuur van 27 januari 1995 opgesteld waarin een korte samenvatting gegeven wordt en voorgesteld wordt de offerte voor project 2 goed te keuren. 1.
- Op 27 januari 1995 besluit de raad van bestuur, zoals voorgesteld in het voormelde document, de uitvoering van project 2 op te dragen aan de voormelde tijdelijke vereniging M.B.G.-C.F.E., omdat zij de interessantste regelmatige offerte heeft ingediend. Met een brief van 22 februari 1995 wordt de goedkeuring van de offerte medegedeeld aan die inschrijver;
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, waar het strekt tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, in zoverre daarbij “de inschrijving d.d. 25.10.1994 van beide verzoekers als tijdelijke vereniging niet werd weerhouden”; dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie aan deze exceptie geen enkele aandacht besteden; dat er dientengevolge moet worden van uitgegaan dat zij zich bij de conclusie van het auditoraat aansluiten; dat hierna de bestreden beslissing enkel nog wordt onderzocht in zoverre deze de toewijzing van de opdracht aan de tijdelijke vereniging MBG-CFE betreft;
- De gegrondheid. 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel de schending aanvoeren van artikel 14 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en van de artikelen 4, § 4, en 44 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten; XII-2954-5\12 3.1.
- Overwegende dat zij in een eerste onderdeel betogen dat zij voor de gunningscriteria 2, 3 en 4 gelijkwaardige kwaliteit hebben geboden, dat de verwerende partij evenwel door een ongeoorloofde, niet in het bestek voorkomende interpretatie van een der criteria de gunning liet bepalen, namelijk in wezen door de voorgebrachte referenties met betrekking tot het tweede criterium; dat de verzoekende partijen daartoe nader betogen dat bij het tweede criterium -de technische waarde van de uitvoeringswijze- voor het ondergronds persen van buizen, voor de offerte van de T.V. C.F.E-M.B.G wordt geopteerd omdat die vereniging een beroep doet op de onderaannemer Smet-Boring waarbij voor die aannemer wordt gekozen uitsluitend omdat het de enige Belgische aannemer is die ooit de techniek van het buizendak heeft toegepast, waardoor het criterium er een van referenties wordt, en niet van technische waarde; dat voor wat betreft het derde criterium -de waarborgen voor de technische uitvoering van de kokerwanden door middel van beschoeide sleuven- de verzoekende partijen erop wijzen dat één van de door hen voorgestelde drie onderaannemers dezelfde is als die voorgesteld door de T.V. C.F.E.-M.B.G. en naar het voornoemde verslag van 23 november 1994 verwijzen, alwaar onder rubriek 2.2.
- voor het vierde criterium, met name de waarborgen van een degelijke studie, wordt gesteld : “Na overleg besluit de commissie toch, op basis van de ervaringen van N.M.B.S. en C.S.D. en op basis van de referenties der studiebureaus in deze materie, een rangschikking op te maken van de door de inschrijvers voorgestelde studiebureaus”; dat de verzoekende partijen in hun memories betreffende het tweede gunningscriterium nog aanvullend argumenteren dat zij “met klem betwisten dat de schildmachine een niet volledig afsluitbaar front zou bezitten” en een beschrijving toevoegen, uitgaande van de constructeur; dat zij daarbij vragen dat daaromtrent nog een deskundig onderzoek zou worden verricht; dat zij wat het derde criterium betreft, nog stellen niet in te zien waarom de opgave van drie mogelijke onderaannemers als nadelig moest worden beoordeeld; dat zij inzake het vierde criterium nog betogen dat het niet vanzelfsprekend is dat referenties daarbij “niet in concurrentie worden beoordeeld met geboden waarborgen”; Overwegende, wat dit eerste onderdeel betreft, dat inzake het tweede criterium (“de technische waarde van de voorgestelde uitvoeringswijze (o.a. type boormachine) voor het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes”) uit het verslag van 23 november 1994 blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat de door de verzoekende partijen voorgestelde schildmachine XII-2954-6\12 niet aan de strikte besteksvoorwaarden beantwoordt omdat het front van die machine niet volledig afsluitbaar is zoals opgelegd door artikel 10 van het bestek; dat, alhoewel de verzoekende partijen bij het indienen van hun beroep dat verslag kenden, zij die vaststelling in hun inleidend verzoekschrift niet betwisten; dat zij voor het eerst in hun memorie van wederantwoord tegenspreken dat hun machine niet aan de besteksvereisten zou beantwoorden en daartoe een verklaring van de constructeur bijbrengen; dat zij aldus in wezen in die memorie een nieuw middel ontwikkelen dat op een concrete nieuwe grief steunt; dat het dienvolgens niet ontvankelijk is; dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie betogen dat zij die betwisting wel reeds vroeger aanbrachten, namelijk in hun verzoekschrift en daartoe verwijzen naar de zinsnede “de technische waarde van de uitvoeringswijze voor het ondergronds persen van buizen voor verzoekers dezelfde is als voor de TV GFE-MBG”; dat daarin echter geenszins de bedoelde concrete grief duidelijk is verwoord; dat dienvolgens ook de vraag van de verzoekende partijen tot het aanstellen van een deskundige om betreffende dit twistpunt advies te verlenen, niet dienstig is; Overwegende, voorts, dat specifiek voor wat betreft het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes, artikel 15, punt 5, van Deel I van het bestek (blz. 14) bepaalt dat bij de inschrijving moet worden gevoegd : “Een dokument met daarin de vermelding van : - de voorgestelde uitvoeringswijze (o.a. type(s) boormachine(s), tussenstations e.d.) voor het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes; - de referentielijst m.b.t. de voorgestelde uitvoeringswijze van reeds uitgevoerde buispersingen in gelijkaardige omstandigheden, meer bepaald moeten voor deze referenties zeker volgende inlichtingen verstrekt worden : - een korte beschrijving van het werk en de wijze van uitvoering; - de opdrachtgever (+ naam leidend ingenieur of projectingenieur); - het totaalbedrag der werken; - uitvoeringstermijn en jaar van voorlopige oplevering; - zo deze referenties of de voorgestelde uitvoeringswijze gebaseerd zijn op een keuze van onderaannemer dient de gekozen onderaannemer vermeld; deze keuze is bindend en kan zonder toestemming van de Leidend Ingenieur niet gewijzigd worden.”; dat, zoals de verzoekende partijen zelf stellen, de NV Smet-Boring een bepaalde uitvoeringsmethode van het buizendak aanwendt; dat de door de T.V. C.F.E.-M.B.G. voorgestelde uitvoeringswijze blijkt te zijn gesteund op een keuze van die onderaannemer; dat niet blijkt dat de keuze van de verwerende partij gesteund is op referenties, maar wel op een toepassing van een bepaalde techniek, aangewend door een bepaalde onderaannemer; dat het gegeven dat de referenties een rol hebben XII-2954-7\12 gespeeld ter ondersteuning van de beoordeling van de voorgestelde uitvoeringswijze niet inhoudt dat daardoor te dezen een referentie een gunningscriterium is geworden; dat moet worden aangenomen dat de in het bestek opgelegde verplichting tot bijvoeging bij de offerte van “een lijst met referenties van alle grote gelijkaardige of vergelijkbare werken die door de inschrijver de laatste jaren uitgevoerd werden” (artikel 15, punt 4), met daarnaast in het bijzonder een referentielijst met betrekking tot onder meer de voorgestelde uitvoeringswijze van reeds uitgevoerde buispersingen (aangehaalde punt 5), bedoeld is als een middel tot verificatie en beoordeling van onder meer de voorgestelde uitvoeringswijze voor het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes; dat daarenboven de bewering van de verzoekende partijen dat enkel de referentie van de NV Smet-Boring bepalend is geweest, wordt tegengesproken door het feit dat de verwerende partij voor het tweede criterium acht punten heeft toegekend aan de T.V. D.D.C., alhoewel blijkens het verslag van de commissievergadering van 10 november 1994 die vereniging geen ervaring bezit in de uitvoering van buizendaken en zij niet de uitvoeringswijze van de NV Smet-Boring heeft gekozen maar deze van de NV Denys; Overwegende dat, wat het derde gunningscriterium betreft, voor de realisatie van de kokerwanden door middel van beschoeide sleuven, in het bestek (blz. 14) onder artikel 15, punt 6, een gelijksoortige bepaling is opgenomen voor het in de grond persen van de verschillende aan te wenden buistypes als in het hiervoor geciteerde artikel 15, punt 5; dat hetgeen hiervoor bij het tweede criterium werd vastgesteld, kan worden betrokken op het onderzoek van de beoordeling aan de hand van het derde criterium; dat daarenboven in het bestek is bepaald dat bij de beoordeling van het derde criterium “voornamelijk” aandacht zal worden besteed aan de aangetoonde ervaring in het uitvoeren van diepe beschoeide sleuven vanuit beperkte ondergrondse ruimten; dat het middel om ervaring aan te tonen het opgeven van controleerbare referenties is, zoals gevraagd in het artikel 15, punt 6; dat, ofschoon in het laatstgenoemde artikel is bepaald dat “de” gekozen onderaannemer dient te worden vermeld en dat die keuze bindend is en zonder toestemming van de leidend ingenieur niet kan worden gewijzigd, de verzoekende partijen in een bijlage bij hun offerte “voorzien” dat zij beroep zullen doen “op meerdere onderaannemers, waaronder De Dender-Votquenne, Icos Benelux en Franki” zonder dat duidelijk blijkt dat zij de keuze lieten aan het bestuur; dat de verwerende partij bij de beoordeling van de offerte van de verzoekende partijen voor het derde criterium dan ook vermocht rekening te houden met het door de onderaannemer Icos Benelux XII-2954-8\12 voorgestelde uitvoeringssysteem, dat lager gewaardeerd werd dan de door de onderaannemers De Dender-Votquenne en Franki voorgestelde systemen; Overwegende, wat het vierde gunningscriterium betreft, dat het bestek daaromtrent duidelijk stelt dat voor de beoordeling van dat criterium “voornamelijk” aandacht zal worden besteed aan de referenties van het door de aannemer voorgestelde studiebureau in het kader van gelijkaardige ondergrondse kunstwerken; dat de verzoekende partijen er zich aldus bezwaarlijk kunnen over beklagen dat ervaring gestaafd door referenties een doorslaggevende rol bij de beoordeling van dat criterium heeft gespeeld; Overwegende dat aldus de beoordeling van de offertes van de verzoekende partijen en van de gekozen inschrijver niet in tegenstrijd is met het bestek door op de hiervoor geschetste wijze met referenties rekening te houden; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede onderdeel aanklagen dat in het bestek aan de toegelaten suggesties dusdanige beperkingen worden aangebracht dat het absoluut onmogelijk was om een ernstige alternatieve oplossing aan te bieden; dat zij in dat verband verklaren dat zij een suggestie hebben gedaan maar niet hebben geprijsd “vanuit de wetenschap dat ze gelet op de gestelde beperkingen niet haalbaar was”; Overwegende dat het tweede onderdeel van het middel niet gegrond is; dat een bestuur immers in de eerste plaats het recht heeft het indienen van suggesties toe te staan onder strikte voorwaarden; dat voorts de door de verzoekende partijen ingediende suggestie onregelmatig was wegens het ontbreken van een prijsopgave; dat voorts uit het dossier blijkt dat de verwerende partij bepaalde suggesties van inschrijvers heeft aanvaard zodat de absolute onmogelijkheid tot het indienen van conforme suggesties waarvan de verzoekende partijen gewag maken feitelijke grondslag mist; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde onderdeel betogen dat de verwerende partij de vier gelijkwaardige criteria niet als gelijk- waardige criteria heeft toegepast; dat zij daarbij laten gelden dat binnen elk criterium afzonderlijk een “onevenwichtige puntentoebedeling” plaatsvond en het “criterium prijs ten opzichte van de drie andere criteria werd ondergewaardeerd”; dat zij ter XII-2954-9\12 staving van hun grief een extrapolatie doorvoeren van het verschil in punten toegekend op basis van het tweede, het derde en het vierde criterium naar de kostprijs toe, zijnde het eerste criterium; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de verwerende partij aan elk van de vier criteria een maximale waarde van tien punten heeft toegekend; dat hieruit blijkt dat zij aan elk criterium principieel hetzelfde belang heeft gehecht, zoals voorgeschreven door het bestek; dat voorts geen wettelijke of reglementaire bepaling zich verzet tegen dat gebruik van een puntensysteem en de uitwerking ervan na de opening van de offertes, zeker ingeval niet blijkt dat het systeem ertoe strekt of bedoeld is om een bepaalde inschrijver te bevoordelen; dat de verzoekende partijen alvast zelf stellen dat zij op het criterium prijs tien punten kregen zonder dat de verzoekende partijen concreet aangeven welke andere inschrijver door het puntensysteem zou zijn bevoordeeld; dat door het doorvoeren van een extrapolatie van het verschil in punten toegekend op grond van de drie andere criteria dan de prijs, naar het criterium van de prijs, de verzoekende partijen de gunningscriteria hun zelfstandigheid ontnemen hetgeen niet verenigbaar is met hun gelijkwaardigheid; dat het middelonderdeel niet gegrond is; dat het middel in zijn geheel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van de formele motiveringsplicht, voorgeschreven door artikel 44, zevende lid, van het voormelde koninklijk besluit van 22 april 1977 en door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (eerste onderdeel), alsmede van het redelijkheidsbeginsel (tweede onderdeel); dat zij in het eerste onderdeel betogen dat de aangevochten beslissing niets meer bevat dan een verwijzing naar het verslag van het departement infrastructuur, dat op zijn beurt verwijst naar de commissie- verslagen van de gemengde werkgroep, waarvan zij pas inzage kregen naar aanleiding van de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat zij het in het tweede onderdeel als “absoluut onredelijk” beschouwen dat de verwerende partij, geconfronteerd met een inschrijving die van alle ingediende offertes veruit het laagste totaalbedrag vertegenwoordigt, haar keuze laat vallen op een inschrijving waarvan het bedrag 150 miljoen frank hoger ligt en dit op grond van een loutere kwestie van referenties; XII-2954-10\12 3.2.
- Overwegende dat wat de in het eerste onderdeel aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting betreft, dat de motivering in de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zulks op afdoende wijze; dat die motivering een belanghebbende in staat dient te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van de motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat daaruit volgt dat wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de verplichting tot formele motivering is bereikt; dat in zulk een geval het niet naleven van die verplichting niet tot nietigverklaring van die handeling kan leiden; Overwegende dat te dezen door inzage van het door de verwerende partij ter gelegenheid van de procedures tot schorsing neergelegde administratief dossier de verzoekende partijen vo'o'r het indienen van het voorliggende beroep kennis hebben gekregen van de motieven van de bestreden beslissing vervat in diverse verslagen en overigens die motieven in het eerste middel betwisten; dat zo te zien de verzoekende partijen in de huidige zaak geen nadeel hebben ondergaan ten gevolge van het niet of niet afdoende formeel gemotiveerd zijn van het bestreden besluit; dat het onderdeel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat het krachtens artikel 14 van de voormelde wet van 14 juli 1976 eigen is aan een offerteaanvraag dat de overheid de regelmatige offerte kiest die haar het voordeligst lijkt, rekening houdend onder meer met de in het bestek vermelde criteria, en niet noodzakelijkerwijze de goedkoopste, zoals dat volgens artikel 12, §1 van die wet het geval is bij een aanbesteding; dat dienvolgens het gegeven dat de prijs van de offerte van de verzoekende partijen 150 miljoen frank lager ligt dan de gekozen offerte niet met zich meebrengt dat de verwerende partij bij haar keuze “absoluut onredelijk” heeft gehandeld; dat voorts de grief dat uitsluitend en in strijd met het bestek referenties een rol hebben gespeeld bij de keuze van de meest voordelige offerte, werd weerlegd bij de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel; dat het middelonderdeel niet gegrond is; dat aldus het middel in zijn geheel niet gegrond is, XII-2954-11\12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2954-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.