id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.096 Rolnummer: A. 90107/XII-2512 Zaak: Arrest 155096 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:48 Fiche Arrest nr 155.096 van 16 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.096 van 16 februari 2006 in de zaak A. 90.107/XII-2512. In zake : 1. CVBA ACCOUNTANTSKANTOOR VAN WEMMEL, 2. Ruddy DE WILDE, 3. BVBA ACCOUNTANTSKANTOOR VERCAMMEN, 4. William WILS, 5. NV ACCOUNTANTSKANTOOR LIESENS , 6. BVBA ACCOUNTANTSKANTOOR A. VINDEVOGEL, samen vormend de tijdelijke vereniging “Accountantsgroep Van Wemmel - De Wilde - Vercammen - Wils - Liesens - Vindevogel”, die woonplaats kiezen bij advocaat J. Mertens, kantoor houdende te Gent, Bagattenstraat 124 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Ridderstraat 2, bus 2. tussenkomende partij : CVBA ARTHUR ANDERSEN, Bedrijfsrevisoren, thans CVBA Deloitte & Partners, Bedrijfsrevisoren, die woonplaats kiest bij advocaat B. Martens, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat CVBA Accountantskantoor Van Wemmel, Ruddy De Wilde, BVBA Accountantskantoor Vercammen, William Wils, NV Accountantskantoor Liesens en BVBA Accountantskantoor A. Vindevogel, samen vormend de tijdelijke vereniging “Accountantsgroep Van Wemmel - De Wilde - Vercammen - Wils - Liesens - Vindevogel” op 9 maart 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een beslissing van de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming houdende de gunning van een overheidsopdracht van diensten, na algemene offerteaanvraag (bestek XII-2512-1/11 ABC-1999-01 : financiële controle op het Gemeenschapsonderwijs) aan de CVBA Arthur Andersen en zodoende ook de impliciete beslissing tot verwerping van de offerte van verzoek(st)ers, bestreden beslissing waarvan de precieze datum aan de verzoek(st)ers onbekend is en die hen werd meegedeeld met een aangetekende brief zonder vermelding van datum (later opgegeven als zijnde 11/01/2000)” en waarbij zij “bovendien een beperkt annulatieberoep” instellen tegen “die onderdelen van de administratieve beslissing tot vaststelling van het bijzonder bestek nr. ABC-1999-01 waarbij : (
- a)niet werd gesteld dat het dragen van de beroepstitel of hoedanigheid van geldende wettelijke bepalingen, een selectiecriterium en het bewijs daarvan een ontvankelijkheidvoorwaarde van de inschrijvingen uitmaakte, (
- b)Gelet op het arrest nr. 90.023 van 3 oktober 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 27 november 2000 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 januari 2001; Gelet op de beschikking van 23 januari 2001 die de tussenkomst van CVBA Arthur Andersen, Bedrijfsrevisoren, thans CVBA Deloitte & Partners, bedrijfsrevisoren toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-2512-2/11 Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Poelemans, die loco advocaat J. Mertens verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat O. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. Schurmans, die loco advocaat B. Martens verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden geschetst als volgt : De verwerende partij schrijft een algemene offerteaanvraag betreffende een opdracht van aanneming van diensten uit met als voorwerp de financiële controle op het Gemeenschapsonderwijs. Volgens het toepasselijke bestek nr. ABC-1999-01 is de opening van de offertes vastgesteld op 3 december 1999. De opdracht betreft de financiële controle op de aanwending door het Gemeenschapsonderwijs van de door de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking gestelde financiële middelen. XII-2512-3/11 Het bestek (II.1. omschrijving van de opdracht) specificeert daarbij hetgeen volgt : “Deze controle omvat een onderzoek van het financieel evenwicht van de begroting en de rekeningen en een onderzoek van de rekeningen en de financiële staten. Hierbij kan de accountant advies geven met betrekking tot aan te brengen correcties en met betrekking tot de boekhoudkundige organisatie. Het Gemeenschapsonderwijs is gegroepeerd in 29 scholengroepen [...]. De raden van bestuur beheren het budget van de scholengroep en beheren de middelen, met dien verstande dat zij de instellingen een eigen budget kunnen toekennen. De scholengroepen komen vanaf 1 januari 2000 onder het financieel toezicht te staan van het college van accountants. Op het centrale niveau wordt de huidige centrale raad vanaf 1 januari 2003 vervangen door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. Vanaf die datum komt dat bestuursniveau eveneens onder het toezicht van het college van accountants. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de criteria voor de verdeling van de werkingsmiddelen tussen de scholengroepen. Bevoegd- heden van dit niveau op financieel vlak zijn onder meer de planning en uitvoering van de grote infrastructuurwerken. Het centrale niveau zal ook diensten aanbieden aan de scholen en de scholengroepen waarvoor op lokaal vlak niet de nodige kennis of middelen aanwezig zijn. Een afgevaardigd-bestuurder leidt de centrale administratie. Hij zal verantwoordelijk zijn voor de begroting en de rekeningen van het centrale niveau en zal de begroting en de rekeningen van de scholengroepen consolideren. Bovenstaande controleopdracht wordt elk jaar afgesloten met een verslag over de financiële toestand van het Gemeenschapsonderwijs, dat aan het parlement wordt meegedeeld. Daarnaast heeft het college van accountants een taak in het kader van het toezicht door het centrale niveau op de scholengroepen. De Raad of de afgevaardigd-bestuurder kunnen een tussentijds accountantsverslag vragen over een welbepaalde scholengroep, wanneer zij menen dat er binnen die scholengroep een budgettair onevenwicht bestaat of dreigt te ontstaan. Dit betekent dat de opdrachtnemer niet alleen in staat moet zijn de jaarlijkse controles uit te voeren, maar dat hij ook, op vraag van de Raad of de afgevaardigd-bestuurder op korte termijn een tussentijdse doorlichting moet kunnen verrichten. Het college van accountants bestaat uit vijf leden. Ze verkiezen één uit hun midden als coördinator. De leden van het college van accountants, en de coördinator in het bijzonder, zullen regelmatig worden uitgenodigd door de administratie en door de minister om overleg te plegen over hun werkzaamheden”. Volgens artikel II.6. van het bestek loopt de opdracht over een termijn van 8 jaar, met aanvang op 1 januari 2000. In artikel V. worden de gunningscriteria als volgt bepaald : “1. de prijs (35%); 2. de service die de dienstverlener kan bieden tegen de geboden prijs (manier waarop het gebied wordt bediend, vorm waarin de conclusies en suggesties aan XII-2512-4/11 de betrokken scholengroepen worden gecommuniceerd, snelheid waarmee tussentijdse verslagen mogelijk zijn) (25%); 3. bereikbaarheid en beschikbaarheid van de dienstverlener (zowel administra- tie als de afzonderlijke accountants) voor de scholengroepen, de centrale diensten, en de administratie van de Vlaamse Gemeenschap(15%); 4. de bewezen kennis van de dienstverlener van de in België en Vlaanderen geldende begrotingswetgeving, van de onderwijsregelgeving (in de mate dat deze relevant is bij de financiële controle) en van andere relevante wetgeving (15%); 5. de in de offerte gedane suggesties (10%)”. Er worden zes offertes ingediend. Vier tijdelijke verenigingen, waaronder deze van de verzoekende partijen, dienen een offerte in en voorts zijn er offertes van enerzijds CVBA Arthur Andersen en anderzijds Deloitte & Touche fiduciaire. De administratie stelt een verslag op : de offerte van Deloitte & Touche fiduciaire wordt onontvankelijk verklaard. Als besluit wordt de offerte van CVBA Arthur Andersen als de meest voordelige gerangschikt. De secretaris-generaal zendt met een nota van 14 december 1999 dat verslag met commentaar door aan de bevoegde minister. De minister deelt met een nota van 20 december 1999 aan de secretaris-generaal mee akkoord te gaan met het voorstel om de opdracht te gunnen aan de CVBA Arthur Andersen. Met een op 11 januari 2000 ter post aangetekende brief wordt aan de verzoekende partijen medegedeeld dat beslist is de opdracht te gunnen zoals voormeld waarbij een korte motivering wordt gegeven. Bij brief van 9 februari 2000 vragen de verzoekende partijen een afschrift van het gunningsverslag en van “het rapport waarin de offertes worden afgewogen” en inzage in het dossier. Met een brief van 15 februari 2000 nodigt de verwerende partij de verzoekende partijen uit om op 21 februari 2000 inzage te komen nemen van het dossier; 2. Het decretale kader. XII-2512-5/11 Overwegende dat het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs bepaalt : “TITEL IV. - Toezicht HOOFDSTUK 1 - Financieel toezicht Afdeling 1. - Algemeen Art. 46. 1. De scholengroepen en het Gemeenschapsonderwijs, bij wege van de Raad, voeren ten aanzien van alle voorzieningen, elk wat hen betreft, een volledige boekhouding, volgens een door de regering vast te stellen eenvormig boekhoudkundig plan. § 2. Elk jaar vóór 30 april dienen de scholengroepen een goedgekeurde jaarrekening over het voorgaande begrotingsjaar in bij de Raad. § 3. Elk jaar vóór 30 september dient de Raad een goedgekeurde jaarrekening over het voorgaande begrotingsjaar in bij de regering. § 4. De regering bepaalt de voorschriften waaraan de jaarrekeningen bedoeld in § 2 en § 3 moeten voldoen. § 5. Het college van accountants, en elk lid ervan, beschikt over alle bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn controle- opdracht. Ze kunnen door de algemene vergadering van de scholengroepen en door de afgevaardigd-bestuurder worden gehoord over alle punten die tot hun opdracht behoren en door dezelfden worden verzocht een tussentijds accountantsverslag op te stellen. Afdeling 2. - Toezicht op scholengroepen Art. 47. § 1. De financiële controle op het beheer van de scholengroepen wordt voor rekening van het Gemeenschapsonderwijs, verricht door een college van vijf accountants, hiertoe aangesteld door de regering voor een termijn van vier jaar. § 2. Het eerste college van accountants wordt aangesteld voor een termijn van 8 jaar. § 3. Het college verkiest onder zijn leden een coördinator. Art. 48. De controle door een lid van het college van accountants heeft betrekking op de aanwending van door de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking gestelde financiële middelen. Art. 49. De controle omvat : 1/ het financieel evenwicht van de begroting en de rekeningen; 2/ het onderzoek van de rekeningen en de financiële staten. Art. 50. § 1. Het college van accountants, of elk lid ervan, kan de scholen- groepen in het algemeen, of een scholengroep in het bijzonder, adviseren aangaande de boekhoudkundige organisatie en omtrent de aan te brengen correcties. Art. 51. § 1. Elk lid van het college stelt jaarlijks een verslag op van zijn bevindingen, en deelt het mee aan de raad van bestuur van de betrokken scholengroep en aan de coördinator van het college van accountants. § 2. Het verslag, bedoeld in § 1, wordt gevoegd bij het jaarverslag. Art. 52. [...] Afdeling 3. - Het niveau van de Vlaamse Gemeenschap Art. 53. § 1. Het college van accountants is met betrekking tot het financieel toezicht op de Raad belast met dezelfde opdracht als bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk. § 2. Het college voert zijn controleopdracht op de Raad voor rekening van de regering. Art. 54. Het college van accountants stelt een jaarlijks accountantsverslag op met zijn bevindingen, en voegt het bij het jaarverslag van de Raad, zoals bedoeld in de artikelen 60 en 61 van dit bijzonder decreet.”; XII-2512-6/11 3. De ontvankelijkheid. 3.1. Overwegende, ambtshalve, dat luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepen tot nietigverklaring verjaren zestig dagen nadat de bestreden akte werd bekendgemaakt of betekend en indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, die termijn ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad; dat te dezen moet worden aangenomen dat uiterlijk op 3 december 1999, de dag van de opening der offertes, de verzoekende partijen die een offerte hebben ingediend kennis hadden van het bestek; dat zij zulks in hun laatste memorie niet betwisten; dat zij daarin wel betogen dat, ingeval zoals te dezen de bestreden besteksvoorwaarden de verzoekende partijen niet definitief uitsluiten, zij geen afzonderlijk annulatieberoep tegen de beslissing tot vaststelling van die besteksvoorwaarden kunnen instellen bij gebrek aan voldoende belang om enkel en alleen de bestreden besteksvoorwaarden aan te vechten; dat zij in dat standpunt niet worden gevolgd; dat niet wordt ingezien om welke reden de verzoekende partijen enkel belang zouden hebben om een beslissing tot vaststelling van besteksvoorwaarden onmiddellijk aan te vechten indien ze die verzoekende partijen definitief uitsluit; dat immers bestekbepalingen ook dadelijk grievend kunnen zijn buiten het geval dat zij een gegadigde meteen van toewijzing van de opdracht uitsluiten; dat aldus de verzoekende partijen de beslissing tot vaststelling van het bestek konden aanvechten binnen de termijn van zestig dagen; dat zij te dezen pas op 9 maart 2000 en bijgevolg buiten die termijn het beroep hebben ingesteld; dat het dienvolgens betreffende de beslissing tot vaststelling van het bestek te laat en dus niet ontvankelijk is ingesteld; dat zulks overigens niet wegneemt dat de onrechtmatighe- den die een inschrijver aan een besteksbepaling verwijt, nog op ontvankelijke wijze mogen worden ingeroepen tegen latere beslissingen in het kader van de gunningspro- cedure; XII-2512-7/11 3.2.1. Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt opgeworpen dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het de impliciete beslissing betreft tot verwerping van de offerte van de verzoekende partijen; dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie deze exceptie niet ter sprake brengen, laat staan weerleggen; dat in die omstandigheden de verzoekende partijen geacht mogen worden van het betrokken deel van hun beroep afstand te hebben gedaan; dat, in zoverre de verzoekende partijen de indruk wekken daar ter terechtzitting nog te willen op terugkomen, dit niet wordt aanvaard; dat hun argumentatie terzake immers in hun geschreven stukken had moeten zijn opgenomen; dat de behandeling van een zaak voor de Raad van State krachtens artikel 22 van de op 12 januari 1973 gecoördineer- de wetten op de Raad van State immers in principe schriftelijk geschiedt; 3.3.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in een exceptie betoogt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep; dat in die exceptie daartoe nader wordt uiteengezet dat de verzoekende partijen enkel de nietig- verklaring nastreven om daarna de reeds tot stand gekomen overeenkomst tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij door de burgerlijke rechter te doen ontbinden en enkel beogen “subjectief rechtsherstel” te verkrijgen en ten slotte dat de verzoekende partijen slechts als vierde gerangschikt waren zodat, “zelfs in het geval er een hergunning zou uitgevoerd worden (desgevallend na een tussen te komen annulatie-arrest van uw Raad) het niet waarschijnlijk is dat de opdracht aan verzoekende partijen zou gegund worden”; 3.3.2. Overwegende dat de verzoekende partijen, met hun voorliggend beroep, van de Raad van State niet de ontbinding van de betrokken overeenkomst vorderen of “subjectief rechtsherstel”, maar de nietigverklaring van een toewijzings- beslissing, een van de overeenkomst afsplitsbare bestuurshandeling waardoor zij zijn voorbijgegaan; dat de verzoekende partijen, als inschrijvers, aan dat voorbijgaan een gekwalificeerd moreel belang ontlenen dat gediend wordt, en spijts de overeenkomst en haar uitvoering, gediend blijft door de nietigverklaring van die toewijzings- beslissing; dat de verzoekende partijen daarbij terecht opmerken dat het niet ter zake doet of zij al dan niet nog een procedure voor de gewone rechter zullen voeren, strekkende tot ontbinding van de overeenkomst of tot schadevergoeding; Overwegende dat voorts de verzoekende partijen met grote stelligheid betwisten dat de opdracht niet aan hen kan worden toegewezen maar integendeel argumenteren dat de opdracht juist enkel aan hen mocht worden XII-2512-8/11 toegewezen als enige regelmatige inschrijver; dat, mede gelet op het uitblijven van enig verweer daarop van de andere gedingpartijen, door de Raad van State wordt aangenomen dat hetgeen de tussenkomende partij niet “waarschijnlijk” noemt, namelijk de toewijzing van de opdracht aan de verzoekende partijen, toch na een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest, mogelijk is; dat de exceptie niet wordt aanvaard; 4. De gegrondheid van het beroep. 4.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel in een tweede onderdeel onder meer de schending aanvoeren van de artikelen 46 tot en met 54 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschaps- onderwijs, doordat als opdrachtnemer voor de controlewerkzaamheden slechts één enkele vennootschap met rechtspersoonlijkheid is aangesteld, terwijl zowel artikel 47, § 1, van het voornoemde decreet, de aankondiging en het bestek voorschrijven dat een “college” van vijf accountants moet worden aangesteld, en niet slechts één enkele rechtspersoon die dan zelf vijf door die rechtspersoon “gecontroleerde vennoten, aangestelden, onderaannemers of lasthebbers” zou kunnen aanwijzen “om dat ‘college’ te bemannen”; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat de stelling van de verzoekende partijen nergens in de parlementaire voorbereiding wordt ontwikkeld en dat zij zou inhouden dat “men de opdeling van de opdracht in loten zou doen”, hetgeen “niet opportuun geacht [werd] daar de 29 scholengroepen en het centrale niveau één rechtspersoon vormen”; dat de tussenkomende partij tegen het middel nog doet gelden dat de door de verzoekende partijen vermelde decreets- bepalingen helemaal niet uitsluiten dat één rechtspersoon wordt aangewezen, binnen dewelke vijf individuele personen de toezichthoudende taak kunnen waarnemen; 4.3. Overwegende dat de in het geding zijnde opdracht uitvoering geeft aan de hierboven aangehaalde artikelen van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 dat in het bestek (I.6.) wordt vermeld bij de “toepasselijke bepalingen”; dat zulks overigens door geen van de partijen wordt betwist; dat artikel 47, § 1, van dat bijzonder decreet in een “college van vijf accountants” voorziet, “aangesteld door de regering”; XII-2512-9/11 Overwegende dat in het bijzonder decreet noch in de parlementaire voorbereiding ervan nader wordt verduidelijkt wat met de term “college” wordt bedoeld; dat, ingeval de decreetgever het van geen belang zou hebben bevonden dat de vijf accountants tegenover elkaar niet in een volledig onafhankelijke verhouding staan, hij had kunnen gewag maken van “vijf accountants”; dat hij echter in de genoemde bepaling een “college” van vijf accountants heeft voorgeschreven en om die bepaling zinvol te maken, de interpretatie moet worden voorgestaan dat dergelijk “college” niet gelijkgesteld wordt met om het even welke samenwerkingsvorm van vijf accountants; dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daaromtrent de volgende overwegingen maakt : “[...] art. 47, §1 van het Decreet. Daarin staat immers uitdrukkelijk dat het college van 5 accountants moet worden aangesteld door de Regering. Dat betekent dat elk van de 5 accountants door de Regering moest worden gekend bij naam en benoemd. Het doel daarvan is dat elk lid van het college zich, in volle onafhankelijk[heid] ook inlaat met enige controle op de prestaties en de integriteit van de anderen en daarover desnoods opmerkingen maakt. Dat een evenwicht wordt gevonden tussen verschillende leidende persoonlijkheden en benaderingswijzen en niet een hiërarchische structuur met een gezamenlijke doelstelling die vreemd is aan de bestaansreden van het college. [...] In de bestreden beslissing is er slechts één enkele rechtspersoon aangeduid, die bovendien zelf ook de wettelijke titel van Bedrijfsrevisor voert. In werkelijkheid is er dus slechts één enkele bedrijfsrevisor aangeduid, die alle opdrachten uitvoert en waarvan de organen bepalen wie de rechtspersoon vertegenwoordigt bij de uitvoering, wie werkelijk de prestaties levert, zelfs niet noodzakelijkerwijs beperkt tot 5 ‘accountants’. Dat houdt o.m. het risico in dat de besluitvorming van het ‘college’ veeleer gebeurt op grond van de bevoegdheidsregels uit de statuten, en/of de interne reglementen, de interne feitelijke gezagsverhoudingen en de beslissingen van de bestuursorganen van de Tussenkomende Partij en niet op grond van individuele debatten en vrije stemmingen binnen het door de Decreetgever gewilde college van 5. Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid is geen college.”; dat deze opvatting moet worden bijgevallen; dat één rechtspersoon niet als een “college” mag worden beschouwd; dat in de bestreden beslissing de bevoegde minister “akkoord gaat om de opdracht te gunnen aan de CVBA Arthur Andersen” en aldus in elk geval geen “college” van vijf accountants aanstelt, in weerwil van de meervermelde bepaling van artikel 47, §1, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998, daargelaten de vraag of het hier niet de aanstelling van een of meer bedrijfs-revisoren betreft in plaats van accountants; dat de stelling van de verwerende partij, dat dergelijke conclusie zou inhouden “dat men de opdeling van de opdracht in loten zou doen”, niet kan worden betrokken op de hierboven aan de orde zijnde vraag naar de interpretatie van de term “college” in de voormelde decreetsbepaling; dat in zoverre het middel gegrond is, XII-2512-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs van 20 december 1999 om de opdracht voor de financiële controle op het Gemeenschapsonderwijs (Bestek nr. ABC-1999-01) toe te wijzen aan de CVBA Arthur Andersen, thans de CVBA Deloitte & Partners. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 2 082,31 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2512-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.096 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div