id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.098 Rolnummer: A. 169810/XII-4634 Zaak: Arrest 155098 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 09:48 Fiche Arrest nr 155.098 van 16 februari 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.098 van 16 februari 2006 in de zaak A. 169.810/XII-
- In zake : de NV FDA ARCHITECTEN & INGENIEURS, die woonplaats kiest bij advocaat E. Empereur, kantoor houdende te Antwerpen, Uitbreidingstraat 2 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BILZEN, dat woonplaats kiest bij advocaten K. Geelen en K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
- tussenkomende partij : de BVBA ARCHITECTENBUREAU ARCH-I, die woonplaats kiest bij advocaten C. De Wolf en L. De Smet, kantoor houdende te Maarkedal, Etikhovestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV FDA Architecten & Ingenieurs op 27 januari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Raad van het OCMW van de gemeente Bilzen van 18 januari 2006, houdende toewijzing van de geïntegreerde ontwerpopdracht omvattende architec- tuur, stabiliteit en speciale technieken, met inbegrip van bijzondere studies zoals akoestiek e.d., en met inbegrip van de buitenaanleg, aan Arch-I uit Berchem”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2006 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-4634-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Verlinden, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten C. De Wolf en L. De Smet, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de BVBA Arch-I met een verzoekschrift van 6 februari 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; De bestreden beslissing Overwegende dat bij arrest nr. 152.403 van 8 december 2005 de Raad van State de beslissing van 26 oktober 2005 tot toewijzing van de in het geding zijnde opdracht aan de voormelde inschrijver BVBA Arch-I in haar tenuitvoerlegging heeft geschorst; dat na dat arrest de verwerende partij op 18 januari 2006 die beslissing heeft ingetrokken en vervangen door de te dezen bestreden beslissing die onder meer luidt als volgt : “[...] Gezien omwille van de complexiteit en de financiële omvang van het project, het belang van de referentiewaarde en een objectieve beoordeling van de inschrijvers, een beroep gedaan werd op het studiebureau At Osborne voor het onderzoek en de evaluatie van de ingediende offertes; Gezien deze toewijzing gebeurde op grond van het geïntegreerde analyse- verslag van het studiebureau At Osborne d.d. 21 september 2005; Gezien uit voormeld verslag bleek dat op basis van het aantal behaalde punten de gunstigste regelmatige inschrijving ingediend werd door Arch-I; [...] Gelet op het tussengekomen arrest van de Raad van State van 8 december 2005 houdende schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van voormelde raadsbeslissing van 26 oktober 2005; Gelet op onze beslissing van 21 december 2005 waarbij de aanstelling van advocatenmaatschappij Monard-D’Hulst om voormeld dossier voor de Raad van State te verdedigen, werd bekrachtigd; XII-4634-2/11 Gezien de OCMW-raad in deze vergadering tevens kennis genomen heeft van het advies van de raadsman d.d. 12 december 2005 m.b.t. het gevolg dat dient gegeven te worden aan het tussengekomen arrest; Overwegende dat de schendingen weerhouden door de Raad van State betrekking hebben op : C de formele motiveringsplicht (op grond van de wet van 29 juli 1991) C het zorgvuldigheidsbeginsel bij de toetsing van het gunningscriterium kostprijs C weging van de subcriteria; Gelet op de vraag aan studiebureau At Osborne vanwege het OCMW om een nieuw gunningsverslag op te stellen rekening houdend met de opmerkingen van de Raad van State en dit ter vervanging van het verslag van 21 september 2005; Overwegende dat de raad ingevolge de opmerkingen van de Raad van State in haar arrest van 8 december 2005 haar besluit van 26 oktober 2005 intrekt en nu beslist als volgt : Gezien de aangehaalde grieven over de zorgvuldigheid bij de beoordeling van het criterium prijs, werd in het analyseverslag een toelichting gegeven m.b.t. de wijze van evaluatie en waardering van het element ‘kostprijs van het bouwpro- ject’; Overwegende dat aan alle subcriteria een gelijke weging werd toegekend rekening houdende met principiële gelijkwaardigheid van criteria en subcriteria; Gezien de toegekende punten in het eerste analyserapport een correcte waardering blijken te zijn van elk van de ingediende offertes en bijgevolg niet gewijzigd zijn door voormelde werkwijze; Overwegende dat door de ongewijzigde punten en de toegepaste weging het totaal van de punten per kandidaat wel wijzigt, maar niet de rangorde van de kandidaten; Gezien de originele scoretabel als bijlage toegevoegd werd aan het gunnings- verslag waaruit blijkt dat er bij het opmaken van dit nieuwe verslag niet herrekend is met als doel één van de inschrijvers te bevoor- of te benadelen; Gezien de OCMW-raad zich het evaluatieverslag van 16 januari 2006 eigen maakt en instemt met de bevindingen; Gezien op basis van de analyse van de inschrijvingen voorgesteld wordt de opdracht te gunnen aan Arch-I onder de financiële voorwaarden genoemd in hun offerte d.d. 6 juli 2005; Gezien de motivering van het voorstel van At Osborne gebaseerd is op het aantal behaalde punten; Gezien wat kwaliteit van het ontwerpteam en visie betreft er een duidelijke aftekening is tussen de drie best geplaatste kandidaten enerzijds, en de twee overige anderzijds, waarbij gesteld wordt dat ook de twee laagst geplaatste teams een verdienstelijke offerte indienden; Overwegende dat de twee best geplaatste kandidaten op dit gebied gewaagd zijn aan elkaar en dat de doorslag gegeven wordt door het criterium kostprijs. Gezien dit naast de hoogte van het honorarium ook een evaluatie van de wijze waarop de ontwerpers met kostprijs omgaan en de garanties die geboden worden om de totale kosten en het honorarium te beperken, omvat; Willende ingevolge de conclusies en de motivering vermeld in het analyse- rapport van At Osborne de opdracht dan ook toewijzen aan de eerst gerang- schikte kandidaat, architectenbureau Arch-I; [...] Art.
- - Onze beslissing d.d. 26 oktober 2005 houdende aanstelling van architectenbureau Arch-I, Hof ter Schriecklaan 26, 2600 Berchem als ontwerper voor de bouw van een woon- en zorgcentrum samen met het gunningsverslag opgesteld door studiebureau At Osborne d.d. 21 september 2005 in te trekken en te beslissen als volgt : XII-4634-3/11 Art.
- - De opdracht met als voorwerp ‘aanstelling van een ontwerper voor de bouw van een woon- en zorgcentrum’ wordt ingevolge een offertevraag met Europese publicatie toegewezen aan architectenbureau Arch-I, Hof ter Schriecklaan 26, 2600 Berchem en dit op basis van de analyse van de offertes uiteengezet in het gunningsverslag van studiebureau At Osborne d.d. 16 januari
- [...]”; De grondvoorwaarden voor schorsing Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste en de derde in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft, dat de verzoekende partij zich inzake het nadeel beroept op de mogelijkheid om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren; dat zij daarbij ook verwijst naar de grote financiële omvang van de opdracht en zijn referentiewaarde; dat zij voorts haar keuze voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid motiveert door te verwijzen naar het risico, dat de bestreden toewijzingsbeslissing aan de gekozen inschrijver zou worden betekend en aldus een overeenkomst tot stand zou komen; Overwegende dat door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing tussen de verwerende en de tussenkomende partij inderdaad een overeenkomst zou tot stand komen tengevolge waarvan, in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, arrest nr. 87.983 van 15 juni 2000 van de algemene vergadering van de afdeling administratie, een gewone vordering tot schorsing naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen; dat het bestaan van die overeenkomst de betrachting van de verzoekende partij om zelf de opdracht nog uit te voeren, ernstig zou bemoeilijken en een mogelijk herstel in natura verder af zou brengen; dat aldus moet worden aanvaard dat de verzoekende partij, mede gelet op de aanzienlijke waarde van de in het geding zijnde opdracht, door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig XII-4634-4/11 nadeel kan ondergaan; dat voorts, wegens de dreigende betekening die, onder verwijzing naar artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, door de verwerende partij in een brief van 19 januari 2006 wordt aangekondigd, te dezen wordt aanvaard dat de verzoekende partij een beroep deed op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat het vervuld zijn van de eerste en derde schorsingsvoorwaarde overigens door de verwerende partij niet wordt betwist en door de tussenkomende partij ter beoordeling aan de wijsheid van de Raad van State wordt overgelaten; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de schending van onder meer de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel “Doordat, de bestreden beslissing werd genomen op basis van een gunnings- verslag dat gebrekkig en derhalve niet afdoende werd gemotiveerd; dat de bestreden beslissing inhoudt dat de offerte van de verzoekende partij niet wordt weerhouden omwille van een foutieve beoordeling en een gebrekkige motivering van de offerte van de verzoekende partij ten aanzien van het eerste en derde gunningscriterium, Terwijl, in hoofde van een aanbestedende overheid, zoals in casu verwerende partij, de verplichting bestaat tot afdoende motivering van beslissingen inzake overheidsopdrachten, teneinde waarborgen te kunnen bieden voor een correcte toepassing van de verplichting voor de aanbestedende overheid om in het kader van de algemene offerteaanvraag de economisch voordeligste regelmatige offerte te selecteren; en terwijl de motivering van een bestuurshandeling met individuele strekking in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn”; dat daarbij nader wordt betoogd onder meer hetgeen volgt : “Verzoekende partij wenst te onderstrepen dat de verwerende partij zich bij het vaststellen van de bestreden beslissing ook nu in hoofdzaak baseerde op het evaluatieverslag van het studiebureau At Osborne dd. 16 januari 2006 [...] De bestreden beslissing bevat zelf immers slechts een zeer beperkte uiteenzetting van de motieven waarom de uiteindelijk weerhouden inschrijver als economisch meest voordelig diende te worden aangemerkt. Onderstaande grieven worden derhalve geuit zowel ten aanzien van het eigenlijke bestreden besluit, als ten aanzien van het gunningsverslag. Vooreerst dient te worden gesteld, dat de motivering van het bestreden besluit niet kan worden aangenomen, laat staan dat deze afdoende is voor het rechtvaardigen van de toewijzing van de opdracht aan Arch-I. Tevens vormt deze motivering een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Uiteindelijk wordt de opdracht toegewezen aan Arch-I op basis van de samenvattende puntentabel op pagina 38 van het gunningsverslag. XII-4634-5/11 AR-TE Boeckx/ Grontmij/ FDA Archi-I STABO D&D/ A20 Libost 1 ontwerpteam 18,79 18,25 11,49 19,17 18,50 2 visie 20,69 14,28 23,20 23,39 23,07 3 kostprijs 18,70 11,33 8,00 15,70 18,55 TOTAAL 58,19 43,86 42,69 58,25 60,13 Uit deze tabel blijkt dat voor wat betreft de verschillende gunningscriteria punten werden toegewezen aan de offertes van de vijf inschrijvers. Hierbij werden in alle gevallen, behoudens één, zelfs cijfers na de komma aan de offertes toegewezen. Evenwel kan uit de opgegeven tekstuele beoordeling evenwel niet worden afgeleid hoe tot de precieze berekening van deze punten wordt gekomen. De tekstuele motivering spreekt immers enkel van een ‘neutrale’ beoordeling, een ‘licht positieve’, een ‘matig positieve’, een ‘vrij positieve’ of een ‘positieve’ beoordeling, een ‘licht negatieve’ of een ‘negatieve’ beoordeling. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid hoe de puntenberekening (die leidde tot getalwaar- den met cijfers na de komma!) uiteindelijk werd vastgesteld. Het gunningsver- slag bevat aldus geen formele en materiële motivering van de uiteindelijk toegewezen punten. De door de verwerende partij ingeroepen redenen kunnen geenszins de uiteindelijke feitelijke en juridische overwegingen worden afgeleid die aan de beslissing ten grondslag liggen. Dit geldt des te meer ten aanzien van de in Bijlage 2 gevoegde scoretabel. Het is geheel onduidelijk hoe de tekstuele beoordeling van de offertes heeft geleid tot de exacte puntenverdeling, zoals weergegeven in de scoretabel gevoegd als Bijlage
- Aldus dient te worden opgemerkt dat de toewijzing van de punten voor de gunningscriteria met ernstige onduidelijkheid is behept. Nergens wordt door de verwerende partij aangegeven hoe wordt gekomen tot de precieze punten voor elk van de criteria en subcriteria. Zo wordt onvoldoende onderbouwd op basis van welke precieze puntenverdeling tot de uiteindelijke puntentoewijzing wordt gekomen. Nochtans moet een aanbestedende overheid in het gunningsverslag aangeven op welke wijze de beoordeling en puntentoewijzing precies ge- schiedt.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota de kritiek “onterecht” noemt en ter ondersteuning daarvan verwijst naar het feit dat zij bij haar administratief dossier als stukken 3 en 4 “twee uitgebreide evaluatietabellen” voegt “waarbij enerzijds per element van een subcriterium de punten worden duidelijk gemaakt en anderzijds voor deze zelfde elementen de percentages worden medegedeeld”; dat die nieuwe stukken, die doorslaggevend lijken om de evaluatie volgens de gunningscriteria te begrijpen, de verzoekende partij er ter terechtzitting toe brengt ook op de inhoud van die tabellen kritiek uit te brengen; XII-4634-6/11 Overwegende dat de samenloop tussen regelgeving, eensdeels, betreffende motiveringsverplichtingen en, anderdeels, betreffende een schorsings- procedure die zoals te dezen wettelijk verplicht bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient te worden ingesteld, soms problematisch is; dat zulks onder meer het geval is ingeval een verwerende partij in haar beslissing zelf motiveert door verwijzing naar stukken en deze stukken, waaruit de motieven van haar beslissing blijken, niet, of zoals te dezen niet volledig, voorafgaand aan het inleiden van de schorsingsprocedure aan de verzoekende partij heeft medegedeeld; dat een verzoekende partij dan in de situatie wordt geplaatst waarin zij een verzoekschrift moet indienen binnen een uiterst korte termijn zonder kennis van alle motieven maar wel met kennis van enkele; dat daaruit volgt dat zij zoals te dezen eventueel ook reeds elementen van de materiële motieven in haar middelen kan betrekken, maar haar kritiek, zowel op de formele motivering als op de materiële motieven vanzelfsprekend deels irrelevant wordt na kennisname van de nieuwe medegedeelde stukken; Overwegende dat in een dergelijk geval, waarbij sommige maar niet alle motieven worden medegedeeld, de opmerking van de verwerende partij, dat niet tegelijkertijd de schending van formele en materiële motivering kan worden ingeroepen, niet lijkt te gelden; dat voor de Raad van State in een dergelijk geval dan de vraag rijst op welke wijze het ernstig karakter van middelen of middelonderdelen aangebracht in het inleidend verzoekschrift en gesteund op de schending van de formele motiveringsverplichting of ondeugdelijkheid van de materiële motieven, moet worden onderzocht en eveneens wat het lot is van nieuwe middelen, die voor het eerst op de terechtzitting bij wijze van mondeling geuite kritiek worden geformuleerd; dat het geheel of gedeeltelijk irrelevant worden van middelen in een schorsingsverzoekschrift in de geschetste omstandigheden niet ten nadele van de rechtsbescherming van de verzoekende partij mag werken; dat aldus de gebrekkige mededeling van stukken die motieven bevatten die gekend moeten zijn om de bestreden beslissing te begrijpen, in elk geval in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een middel gesteund op niet afdoende formele motivering ernstig maken; Overwegende dat te dezen door de verwerende partij niet wordt ontkend dat de voormelde stukken 3 en 4 van het administratief dossier niet waren medegedeeld aan de verzoekende partij, waarin nochtans de gegeven punten “duidelijk gemaakt” worden en die dus noodzakelijk lijken voor een deugdelijke kennis van de motieven; dat aldus de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van XII-4634-7/11 29 juli 1991 geschonden lijken; dat immers krachtens die bepalingen de juridische en feitelijke overwegingen in de motivering van de bestreden beslissing vermeld moeten zijn en zulks op afdoende wijze; dat die motivering een belanghebbende in staat dient te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren op het stuk van de motieven met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat aan die voorschriften te dezen niet lijkt te zijn voldaan; dat het middel in die mate ernstig is; Overwegende dat het in de voorliggende zaak passend is ook het derde middel te onderzoeken aangezien dit verderstrekkend is dan het eerste middel; dat de verwerende partij opmerkt dat dit middel “reeds in de eerste procedure [werd] opgeworpen, maar door de Raad van State niet is weerhouden als een ernstig middel”; dat dit verweer niet wordt aanvaard in zoverre daarmee wordt bedoeld te stellen dat in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarbij minstens één middel ernstig wordt bevonden, alle middelen die niet worden onderzocht, door de Raad van State impliciet als niet ernstig zouden worden beschouwd; Overwegende dat in dit derde middel onder meer het “gelijkheids- beginsel” en het “motiveringsbeginsel” geschonden worden geacht “Doordat, tijdens de toewijzingsprocedure van de opdracht door de aanbestedende overheid een bijkomende bevraging werd uitgevoerd, in het bijzonder met betrekking tot de aangehaalde referenties en het verschuldigde ereloon, En doordat, de bijkomende bevraging enkel en alleen werd uitgevoerd ten aanzien van de onderaannemer van de inschrijver, c.q. verzoekende partij.”; dat zij daartoe nader betoogt : “In het voorliggend geval moet worden vastgesteld dat na de opening van de offertes, én nadat AT Osborne reeds een officiële evaluatie van de offertes had gemaakt en had verwerkt in het analyserapport op 21 september 2005, alsnog een bevraging werd gehouden met betrekking tot ‘de aangehaalde referenties en het verschuldigd ereloon’; De uitvoering van deze bevraging blijkt duidelijk uit het gunningsverslag bij het gunningsbesluit dd. 26 oktober 2005 (stuk 7) en uit het gunningsbesluit dd. 26 oktober 2005 zelf (stuk 5). Meer nog. Uit het gunningsverslag en het besluit dd. 26 oktober 2005 is gebleken dat de verwerende partij niet rechtstreeks contact heeft genomen met de inschrijver, doch in casu wél contact heeft genomen met een onderaannemer van de verzoekende partij (Crea). [...] Dienaangaande merkt de verzoekende partij nog op dat het voorliggende gunningsverslag dd. 16 januari 2006 niet transparant is omtrent het tijdsverloop van de uitgevoerde bevraging. Zo wordt immers geschreven in het gunnings- XII-4634-8/11 verslag dd. 16 januari 2006 : ‘Om alle verwarring te vermijden, zijn in deze versie alle verwijzingen naar bijkomende acties tussen het eerste en tweede rapport verwijderd, (resultaat van het klantenonderzoek, en simulatie van de kostprijs) deze speelden immers geen rol in de evaluatie van de kandidaten op basis van hun dossier en toelichting. In die zin is ook de gewraakte term ‘bevraging’ vervangen door ‘toelichting’ - term die correcter weergeeft wanneer en onder welke vorm bijkomende informatie is ingewonnen, en zijn uitnodigingen tot het geven van deze toelichting, met de daarin geformuleerde opmerkingen, in bijlage 1 toegevoegd’ [...]. Evenwel blijkt dat de in bijlage 1 gevoegde uitnodigingen betrekking hebben op de toelichtingsvergadering dd. 7 september 2005, i.e. voordat het eerste analyserapport werd opgemaakt. En dit terwijl de kwestieuze bevraging van de onderaannemer van verzoekende partij heeft plaatsgevonden nadat het eerste gunningsverslag op 21 september 2005 reeds werd opgemaakt en voordat op 26 oktober een nieuw gunningsverslag werd vastgesteld. Omwille van dergelijke foutieve, minstens verwarring scheppende, vermelding in het gunningsverslag dd. 16 januari 2006, dient de motivering van dit gunningsverslag ernstig in vraag te worden gesteld. [...] Overigens wordt door de verwerende partij in het bestreden besluit evenmin verdere toelichting verstrekt bij de tijdens de toewijzingsprocedure uitgevoerde bevraging. Zo is het hoogst onduidelijk welke bijkomende vragen aan de inschrijvers werden gericht, en welke de precieze resultaten waren van deze bevraging. Evenzeer is de bedoeling van de verwerende partij bij de organisatie van de bijkomende bevraging uiterst onduidelijk. [...] In elk geval is het strijdig met het transparantiebeginsel dat de uitvoering van deze bevraging wordt verzwegen in het gunningsverslag dd. 16 januari
- Verwerende partij tracht aldus te laten uitschijnen dat met deze bevraging geen rekening werd gehouden bij het nemen van de nieuwe gunningsbeslissing dd. 18 januari 2006 (‘deze speelden immers geen rol in de evaluatie van de kandidaten op basis van hun dossier en hun toelichting’). Evenwel, zelfs wanneer de uitvoering van de bevraging niet expressis verbis voorkomt in het gunningsverslag, dient te worden geoordeeld dat de uitvoering van deze bevraging op zichzelf reeds de wettigheid van de gehele gunningsprocedure aantast.”; Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat in het gunningsverslag van 16 januari 2006 uitdrukkelijk wordt gesteld dat van elke actie ondernomen tussen het eerste verslag van 21 september 2005 en het tweede verslag van 26 oktober 2005 afstand wordt gedaan, dat als gevolg van de intrekking van het besluit van 26 oktober 2005 en van het gunningsverslag van dezelfde datum, de verwerende partij zich opnieuw heeft geplaatst op het ogenblik dat het eerste verslag werd opgesteld en dat de “zogeheten bevraging” geen enkele invloed gehad heeft op de resultaten van de evaluatie; dat de tussenkomende partij in dezelfde zin argumenteert en nog stelt dat artikel 115, voorlaatste lid van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, juist wel het recht verleent om in contact te treden met inschrijvers indien zij de inhoud van hun offerte XII-4634-9/11 moeten preciseren of aanvullen en zulks a fortiori voor onderaannemers moet gelden, voorgesteld door de inschrijver zelf; Overwegende dat niet lijkt te worden betwist dat een “bevraging” van onderaannemer Crea heeft plaatsgevonden in voorbereiding van het gunningsverslag van 26 oktober 2005; dat overigens in de eerste toewijzingsbeslissing van 26 oktober 2005 uitdrukkelijk wordt gesteld dat beslist werd een bijkomende “bevraging” te laten doen met betrekking tot de aangehaalde referenties en het verschuldigd ereloon; dat de verzoekende partij terecht lijkt te stellen dat, ook al wordt verklaard dat geen rekening is gehouden met die bevraging, ze toch heeft plaatsgevonden; dat in elk geval, betreffende haar onderaannemer architectenbureau Crea, voor haar minder positieve vaststellingen werden gedaan in het eerste gunningsverslag zoals “er is, gezien de lange doorlooptijd van het project, enige twijfel over de continuïteit binnen de lokale partner (bureau Crea). Bij bevraging hierover wordt ontwijkend geantwoord” en “Kennis en ervaring van VIPA -en overheidsprocedures wordt, zelfs na bevraging, slechts zwak aangetoond”; dat dit gegeven en het feit dat de verwerende partij zelf in de bestreden -nieuwe- beslissing stelt dat “de toegekende punten in het eerste analyserapport een correcte waardering blijken te zijn van elk van de ingediende offertes” en dat de oorspronkelijk toegekende punten niet zijn gewijzigd, maar enkel de wegingen, lijken te moeten leiden tot het besluit dat de grief van de “bevraging” waaruit een voor de verzoekende partij negatief beeld van haar onderaannemer voorvloeit zonder dat zijzelf in die bijzondere bevraging blijkt te zijn betrokken, nog nuttig mag worden ingebracht tegen de bestreden beslissing ook al is formeel het bedoelde gunnings- verslag samen met de eerste toewijzingsbeslissing ingetrokken; dat de genoemde werkwijze strijdig lijkt met hetgeen een opdrachtgevende overheid als zorgvuldig handelend bestuur moet doen bij naleving van het principe van de gelijkheid der inschrijvers; dat verwijzingen naar het genoemde artikel 115 te dezen niet relevant lijken omdat dit artikel enkel van “inschrijvers” gewag maakt en in de huidige stand van de procedure wordt aanvaard dat een “onderaannemer” van een inschrijver niet gelijkgesteld moet worden met een “inschrijver”; dat die vaststellingen volstaan om in zoverre ook het derde middel ernstig te vinden; Overwegende dat aldus is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, XII-4634-10/11 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de BVBA Arch-I in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Raad van het OCMW van de gemeente Bilzen van 18 januari 2006 houdende toewijzing van de opdracht “aanstelling van een ontwerper voor de bouw van een woon-en zorgcentrum” aan de BVBA “Architectenbureau Arch-I”. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2006, door : De H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4634-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.098 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.