id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.123 Rolnummer: A. 82055/VII-17689 Zaak: Arrest 155123 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 09:52 Fiche Arrest nr 155.123 van 16 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.123 van 16 februari 2006 in de zaak A. 82.055/VII-17.
- In zake : de stad NINOVE tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Roger VAN DER VELDEN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. PATYN, kantoor houdende te EVERGEM, Schoonstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad NINOVE op 20 januari 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 november 1998 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ninove van 14 juli 1998, waarmee aan Roger en Chris VAN DER VELDEN de milieuvergunning wordt geweigerd voor het exploiteren van een landbouwbedrijf, gelegen op de percelen kadastraal bekend onder Ninove, Afdeling 5, sectie A, perceelnr. 89 aan de Gotestraat te Ninove (Neigem), wordt ingewilligd, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 juli 1999; Gelet op de beschikking van 24 augustus 1999 die de tussenkomst van Roger VAN DER VELDEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; VII-17.689-1/11 Gelet op de beschikking van 21 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. VAN DER JEUGHT die, loco Advocaat S. VAN DER JEUGHT verschijnt voor de verzoekende partij, van Bestuurssecretaris F. COCRIAMONT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. PATYN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De tussenkomende partij exploiteert een landbouwinrichting in Gooik, vlak tegen de grens met Ninove. Op 24 september 1990 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik akte genomen van de aangifte door tussenkomen- de partij van 40 varkens en 30 schapen, en de opslag van 112 m³ dierlijke mest. Deze vergunning is van rechtswege vervallen wegens niet-exploitatie. Op 2 oktober 1990 heeft het college van burgmeester en schepenen van de gemeente Gooik akte genomen van de aangifte door een andere exploitant van 40 grote zoogdieren en de opslag van 138 m³ dierlijke mest. Op 9 februari 1998 neemt hetzelfde college akte van de overname door de tussenkomende partij, Roger VAN DER VELDEN, en zijn zoon Chris. VII-17.689-2/11 1.
- Op 12 maart 1998 dienen Roger en Chris VAN DER VELDEN een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een stal voor 16.000 slachtkippen, en de opslag van 5.000 liter petroleum. De stal zou worden ingeplant bij de bestaande bedrijfsgebouwen, maar op het grondgebied van Ninove, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei
- 1.
- Op 14 juli 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Ninove de vergunning op grond van volgende motivering : "(...) Overwegende dat geur- en lawaaihinder van een stal voor 16.000 legkippen niet ondenkbaar is en in de aanvraag niet voldoende wordt gemotiveerd welke maatregelen zullen genomen worden om deze overlast tot een minimum te bespreken; Overwegende dat de te bouwen stal gepland wordt op 500 meter van de dorpskern van Neigem; Overwegende dat de geur- en lawaaihinder voor de dorpskern niet ondenk- baar is en het derhalve niet aangewezen is deze vergunningsaanvraag in te willigen; (...)". 1.
- De aanvragers tekenen tegen voornoemde beslissing administratief beroep aan. Ze wijzen er onder meer op dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend, en dat VLAREM II een afstandsregel instelt van slechts 150 meter ten aanzien van hindergevoelige gebieden. 1.
- Volgende adviezen worden verleend : - de Buitendienst Oost-Vlaanderen van Aminal-Milieuvergunningen adviseert gunstig, mits het opleggen van een groenscherm als bijzondere vergunningsvoor- waarde; - de afdeling ROHM adviseert gunstig, op voorwaarde dat de inplantingsplaats enigszins wordt gewijzigd; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; - de Provinciale milieuvergunningsdeskundige adviseert gunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig; ze neemt de voorwaarde inzake het groenscherm over, maar niet de door AROHM voorgestelde gewijzigde inplanting, daar deze niet realiseerbaar is. VII-17.689-3/11 1.
- Op 26 november 1998 wordt de bestreden beslissing genomen. De vergunning wordt verleend. Als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd "daar waar mogelijk" een groenscherm aan te leggen rond de stal. De motivering luidt als volgt : "(...) Overwegende dat de geplande stal van het strooiseltype is, voorzien van mechanische verluchting met verticale uitstoot, zonder geurfilter en met uitlaat hoger dan 0,8 m boven de nok en met pet; dat de stal parallel met de straat wordt gebouwd (afmetingen 18 m x 50 m); Overwegende dat de toevoeging volgens het gewestplan 'Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem' gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied op minstens 1000 m afstand van het dichtstbijgelegen hindergevoelig gebied; dat de onmiddellijke omgeving dun bebouwd is; dat binnen de 100 m straal rondom de perceelsgrenzen van de inrichting zich één woning bevindt (bewoond door familie van de exploitanten) op ca. 30 m afstand van de inplanting van de geplande pluimveestal; dat de dorpskom van Neigem op ca. 500 m ten westen van de inrichting ligt; Overwegende dat de inrichting verenigbaar is met de bestemming van het gebied; Overwegende dat gezien de ruime afstand tot de hindergevoelige gebieden, geen milieuhinder voor deze gebieden dient gevreesd; dat de dorpskern van Neigem gunstig ligt t.a.v. de overheersende zuidwestenwinden, zodat ook voor deze woonkern de milieuhinder tot het aanvaardbare beperkt zou kunnen blijven; Overwegende dat volgens art. 5.9.5.
- van Vlarem II en in voorliggend geval een minimumafstand van 200 m vereist is t.o.v. elk hindergevoelig gebied (bij een aantal waarderingspunten Overwegende dat de mestproductie afkomstig van 40 runderen (10 woorde mestafzet verzekerd is; dat tevens volgens de VLM wordt voldaan aan alle criteria van art. 4 par. 2, 3/ van het Vergunningenbesluit; Overwegende dat in Ninove nog een opvulmogelijkheid van 13.307 kg P2O5 bestaat; Overwegende dat voorzover de bovengrondse petroleumhouder wordt ingekuipt en de mestopslagplaatsen waterdicht zijn uitgevoerd, geen bodem- en grondwaterverontreiniging dient gevreesd; Overwegende dat de nieuwe geplande stal aansluit bij het bestaande bedrijf; dat ter beperking van de visuele hinder een groenscherm rondom de inrichting zou dienen te worden aangebracht; (...)"; VII-17.689-4/11
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de "schending van de wet" aanvoert; dat zij doet gelden wat volgt : "Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en met het gewestplan dd. 30.05.1996 'Aalst -Ninove-Zottegem-Geraardsbergen'. Volgens voornoemd gewestplan is kwestieus perceel, waar de hinderlijke inrichting wordt toegelaten, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De onmiddellijke omgeving is dun bebouwd en de dorpskom van Neigem ligt op + /- 500 meter ten westen van de inrichting. De beoogde stal zou parallel met de straat worden gebouwd en dit met afmetingen 18 meter x 50 meter. Een dergelijke inrichting is onverenigbaar met de bestemming van het gebied en dit des te meer met het waardevol karakter van het agrarisch gebied. De onmiddellijke omgeving is dun bebouwd, zodat het (heuvel)landschap van het pajottenland primeert. Een dergelijk landschap kan niet bezwaard worden door de inplanting van een pluimveestal, hetgeen ontegensprekelijk een grote visuele hinder in het landschap betekent. Het eventueel aanbrengen van een groenscherm rondom de inrichting - dat meestal 'vergeten' wordt door de aanvrager na het bekomen van de vergunning - doet daar geen afbreuk aan, temeer gezien het heuvelachtig landschap van de omgeving. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van het bedrijf, zijnde in eerste instantie het reeds bestaand bedrijf, nl. 40 runderen en 250 m³ mestopslag, alsmede met de omvang van de inrichting na de uitbreiding (en ipso facto de ermee gepaard gaande bijkomende hinder) ervan, nl. 40 runderen, 16.000 slachtkippen, opslag van 360 m³ dierlijk mest en opslag van 5.000 liter petroleum bovengronds. Ingevolge het intrinsieke hinder- lijk/storend karakter van het bedrijf en het bijzonder karakter van het landschap- pelijk waardevol agrarisch gebied kan een dergelijke inplanting niet worden toegestaan. Bij de beoordeling van de reden van onverenigbaarheid dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard of het gebruik van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, nl. de dun bebouwde omgeving en heuvelachtig landschap, waarin de bestreden inplanting visueel storend is en de korte afstand van de dorpskom van Neigem op + /- 500 meter van de beoogde inplanting. Ten overvloede zal de bouw van een stal voor 16.000 slachtkuikens inherent aanleiding geven tot overmatige hinder, voornamelijk geurhinder, die door de wind ver wordt verspreid. In de aanvraag wordt een stalsysteem voorzien met mechanische verluchtingssystemen, die niet aangesloten zijn op een installatie ter bestrijding van geurhinder. De mestopslag gebeurt in een open mestopslag. Naast de aan het bedrijf inherente geurhinder zal er eveneens een inherente lawaaioverlast zijn, gezien het grote aantal dieren. De inrichting is derhalve noch planologisch noch milieuhygiënisch verenigbaar met de omgeving"; VII-17.689-5/11 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : "(...) De inrichting betreft een landbouwbedrijf, hetgeen naar zijn aard in overeenstemming is met de agrarische bestemming volgens het gewestplan. Voor het overige staat in de bestreden beslissing duidelijk te lezen waarom de Bestendige Deputatie van oordeel is dat de inrichting stedenbouwkundig verenigbaar is met het gebied. De onmiddellijke omgeving is dun bebouwd, binnen de 100 m-straal rondom de inrichting bevindt zich slechts één woning. De dorpskern van Neigem bevindt zich op ca. 500 m ten westen van de inrichting, d.i. gunstig t.o.v. de overheersende zuidwestenwinden, zodat ook de woonkern gevrijwaard wordt van milieuhinder. Ook de visuele hinder blijft tot het aanvaardbare beperkt, aangezien de nieuwe stal aansluit bij het bestaande bedrijf. Bovendien werd als bijzondere milieuvoorwaarde de aanleg van een groenscherm opgelegd. Ten slotte dient te worden beklemtoond dat de aanvraag door AROHM (evenals door alle andere adviserende instanties) beoordeeld werd op haar planologische en stedenbouwkundige aspecten. Het valt dan ook niet in te zien hoe de inplanting van dit bedrijf in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied de Stedenbouwwet of het gewest- plan kan schenden"; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord daarop als volgt antwoordt : "Een landbouwbedrijf is inderdaad in overeenstemming met de agrarische bestemming volgens het gewestplan, doch het betreft een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Derhalve dient een strengere norm gehanteerd te worden. Anderzijds dient de aandacht gevestigd te worden op de omvang van de inrichting, die na uitbreiding omvat : - 40 runderen; - 16.000 slachtkippen; - opslag van 5.000 L petroleum; - opslag van 360 m³ dierlijke mest. Er kan niet ontkend worden dat een bedrijf in se overmatige hinder veroorzaakt in een dergelijk landschappelijk waardevol gebied. Inderdaad, een dergelijk bedrijf brengt ontegensprekelijk reuk-, lawaai- en visuele hinder met zich mee. Ten overvloede gebeurt de mestopslag in een open mestopslag en is de geplande stal voorzien van een mechanische verluchting met verticale uitstoot, zonder geurfilter. Het feit dat de onmiddellijke omgeving thans dun bebouwd is, neemt niet weg dat deze in de toekomst dichter bebouwd zal/kan worden. De dorpskern (dichtbebouwd) van Neigem bevindt zich op minder dan 500 meter ten westen van de inrichting. De tegenpartij stelt dat dit een gunstige ligging zou zijn t.o.v. de overheersen- de zuidwestenwinden. A contrario is dit een ongunstige ligging, gezien de overheersende westenwinden. De dorpskern van Neigem ligt derhalve volledig in de 'reukzone' van dit bedrijf. Kwestieuze inplanting heeft onvermijdelijk een devaloriserend effect op de omgeving. VII-17.689-6/11 Het kan niet ontkend worden dat de omgeving rond deze inplanting een minwaarde ondergaat door de uitbreiding van de inplanting met 16.000 slacht- kuikens en bovengrondse opslagplaats van 5.000 liter petroleum. Niemand vindt het aangenaam om de intrinsieke hinder, dat een dergelijk bedrijf met zich meebrengt dagelijks en constant te moeten ondergaan"; 2.1.
- Overwegende dat tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst vooreerst opmerkt dat de verzoekende partij in haar beslissing in eerste aanleg zelf overwoog : "dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat ten aanzien van de aangevoerde schending van het landschappelijk waardevol karakter van de omgeving zij doet gelden : "(...) Verzoekster is slecht gekomen wanneer zij stelt dat de inrichting van de tussenkomende partij onverenigbaar is met de bestemming van het gebied, daar zij eerder zelf aangenomen heeft dat de verandering van de inrichting verenig- baar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (...). Verzoekster heeft dan ook geen belang bij dit onderdeel van het middel. Dit onderdeel van het middel is onontvankelijk, zoniet minstens ongegrond. (...) Hetzelfde geldt waar verzoekster stelt dat de op te richten pluimveestal ontegensprekelijk een grote visuele hinder in het landschap betekent. (...) Bovendien behoort het beantwoorden van de vraag of een uitbreiding al of niet verenigbaar is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied tot de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid die op dit punt een ruim appreciatierecht heeft. Het komt de Raad van State enkel toe na te gaan of de overheid is uitgegaan van de feitelijke en in rechte juiste gegevens en of haar appreciatie niet kennelijk onredelijk is (LANCKSWEERDT E, De milieurechtspraak van de Raad van State, TMR 1995 p. 455 randnr. 50 en de aldaar aangehaalde rechtspraak o.m. R. v. St. nr. 53.664, 12 juni 1995, Loontjens (schorsingsarrest).). Verzoekster toont in elk geval niet aan dat de Bestendige Deputatie in haar beslissing dat de inrichting verenigbaar is met de bestemming van het gebied en dat de visuele hinder kan beperkt worden door de aansluiting bij het bestaande bedrijf en door het aanplanten van een groenscherm rondom de inrichting, uitgegaan is van feitelijke of in rechte onjuiste gegevens, noch dat haar appreciatie kennelijk onredelijk is"; dat wat betreft de aangevoerde geur- en lawaaihinder ze stelt wat volgt : "Ook hier komt het de Raad van State enkel toe na te gaan of de overheid is uitgegaan van de feitelijke en in rechte juiste gegevens en of haar appreciatie niet kennelijk onredelijk is. Uit de argumenten aangehaald in het bestreden besluit volgt dat de Bestendige Deputatie zeer terecht aangenomen heeft dat de aangevraagde uitbreiding geen overmatige geurhinder, noch lawaaioverlast zal teweegbrengen voor de omgeving (ruime afstand tot de dichtste bewoning/geurhindergevoelige gebieden, gunstige ligging uit de overheersende zuidwestenwinden, enz...). VII-17.689-7/11 De Bestendige Deputatie haar appreciatie op dit vlak is zeker niet kennelijk onredelijk"; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in de toelichtende memorie, na kennisname van de memorie van wederantwoord, nog betoogt dat de inrichting ook na de uitbreiding haar kleinschalig karakter zal behouden, waardoor "elke reuk-, lawaai- en visuele hinder uitgesloten" is, dat gezien het gebouw goed aansluit bij de bestaande bedrijfsgebouwen het groenscherm niet wordt opgelegd om het gebouw te onttrekken aan het zicht, doch louter en alleen om het gebouw te integreren in het landschap ter plaatse, dat overigens ook de bestaande bedrijfsgebouwen niet onttrokken zijn aan het zicht, dat de mestopslag geen voorwerp uitmaakt van de in het geding zijnde vergunning, dat gelet op de overheersende westen- en zuidwestenwinden eventuele geuruitstoot wegdrijft van de dorpskern zodat hinder is uitgesloten; dat zij daaraan nog toevoegt dat volgens artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II de minimale afstand van een bedrijf zoals het hare tot de geurhindergevoelige gebieden 200 meter bedraagt, terwijl de dorpskern van Neigem zich op ruim 500 meter van de inrichting bevindt; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog doet gelden dat het ontegensprekelijk is dat een kippenstal met 16.000 kippen een bovenmatige geur- en lawaaihinder meebrengt, temeer daar de kippenstal enkel een mechanische verluchting heeft met verticale uitstoot en zonder geurfilter en dat een landbouwbedrijf met vergunning voor het houden van 40 grote zoogdieren, 40 gespeende varkens, 70 biggen tot tien weken, 50 kleine zoogdieren en opslag van dierlijke mest met een bijkomende inrichting van 16.000 kippen geen kleinschalige inrichting is; 2.1.7.
- Overwegende dat de tussenkomende partij terecht doet gelden dat het beantwoorden van de vraag of de exploitatie van de inrichting verenigbaar is met het landschappelijk waardevol gebied waarin het bedrijf is gelegen, tot de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid behoort die op dit punt een ruim appreciatierecht heeft; dat, vooreerst, het college van burgemeester en schepenen van de verzoekende partij, toen het in eerste aanleg zelf moest oordelen over de milieuvergunningsaanvraag, net als de verwerende partij expliciet stelde "dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat in de bestreden beslissing daarbij nog wordt gesteld dat de nieuwe stal aansluit bij de bestaande gebouwen -hetgeen niet door de VII-17.689-8/11 verzoekende partij wordt betwist- en parallel met de straat wordt gebouwd; dat ook nog de aanleg van een groenscherm wordt opgelegd; dat in acht genomen die gegevens, het oordeel van de verwerende partij, wat de verenigbaarheid van de inrichting met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied betreft, niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat de in het verzoekschrift door de verzoekende partij aangebrachte argumentatie dat de onmiddellijke omgeving van de inrichting dun is bebouwd en het landschap heuvelachtig is, er niet toe noopt de beoordeling van de verwerende partij als kennelijk onredelijk aan te merken; 2.1.7.
- Overwegende dat, voorts, de verzoekende partij nog doet gelden dat de inrichting voor de op 500 meter gelegen dorpskern overmatige geurhinder en lawaaihinder zal meebrengen voor de op 500 meter van de inrichting gelegen dorpskern; dat, vooreerst, niet valt in te zien hoe deze grief verband houdt met het in het verzoekschrift geschonden geacht "artikel 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en met het gewestplan dd. 30.5.1996 'Aalst-Ninove-Zottegem-Geraardsbergen'"; dat, voorts, de verzoekende partij de stelling in het bestreden besluit dat de vergunning voor het houden van 40 varkens en 30 schapen sedert 10 februari 1998 van rechtswege is vervallen niet betwist; dat aldus de inrichting van de tussenkomende partij, wat het aantal dieren betreft, enkel vergund is voor 40 grote zoogdieren (aktename van 2 oktober 1990) en 16.000 slachtkippen; dat de verzoekende partij in haar laatste memorie dan ook ten onrechte gewag maakt van een inrichting met vergunning "voor het houden van 40 grote zoogdieren, 40 gespeende varkens, 70 biggen tot tien weken, 30 kleine zoogdieren en (...) 16.000 legkippen"; dat in alle redelijkheid moet worden aangenomen dat de exploitatie van de inrichting niet meer hinder teweeg brengt dan kan worden verwacht in agrarisch gebied, dat precies bestemd is voor landbouwactiviteiten; dat de opmerking van de verzoekende partij dat de thans dun bebouwde onmiddellijke omgeving in de toekomst dichter bebouwd kan worden dan ook niet relevant is; dat de verzoekende partij de overweging in het bestreden besluit dat "volgens art. 5.9.5.
- van Vlarem II er in voorliggend geval een minimumafstand van 200 m is vereist t.o.v. elk hindergevoelig gebied (...) ook niet betwist; dat hieraan ruimschoots wordt voldaan"; dat de verzoekende partij nalaat in concreto aannemelijk te maken waarom deze afstandsregels niet zouden volstaan; dat, de voorgaande elementen in acht genomen, de verzoekende partij ook niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de dorpskern die zich op ongeveer 500 meter ten westen van de inrichting bevindt, volledig in de "reukzone" van het bedrijf zou liggen, gezien de overheersende westenwinden; VII-17.689-9/11 2.1.7.
- Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat het tweede middel als opschrift draagt "Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur : de redelijkheid"; dat het middel als volgt wordt geadstrueerd : "De hinder - reuk, lawaai en visuele hinder - is onbetwistbaar en onverenigbaar met de omgeving. De vergunning die dergelijke activiteiten toelaat, schendt het beginsel van de redelijkheid doordat ze het evenwicht tussen naburige erven en de waardevolle omgeving op ernstige wijze verstoort"; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop als volgt antwoordt : "Het bestreden besluit stelt terecht vast dat geen geur- of lawaaihinder dient gevreesd te worden gelet op de ruime afstand tot de hindergevoelige gebieden en de gunstige ligging t.o.v. de dorpskern van Neigem. M.b.t. de visuele hinder werd reeds bij de bespreking van het eerste middel aangeduid dat de nieuwe stal aansluit bij het bestaande bedrijf en dat een groenscherm werd opgelegd in de bijzondere milieuvoorwaarden, zodat ook de visuele hinder tot een minimum beperkt blijft. Het verlenen van een milieuvergunning aan een landbouwbedrijf in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat geen geur-, lawaai- of visuele hinder veroorzaakt, schendt geenszins het redelijkheidsbeginsel"; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "(...) Het weze herhaald dat de dorpskern, ingevolge overheersende westenwind en de afstand van minder dan 500 meter tot de geplande inplanting, juist in een hindergevoelig gebied komt te liggen. Tevens kan een groenscherm nooit de visuele hinder van kwestieuze inplanting doen verdwijnen, laat staan tot een minimum beperken. Inderdaad, kwestieuze inplanting zal steeds op geruime hoogte boven het verplicht groenscherm uitsteken. Bovendien zal het groenscherm enkel in de maanden, waarin de struiken bladeren hebben enig - en dan nog zeer beperkt - effect kunnen hebben. Dit is hoogstens zes maanden op een jaar. Het beweerd effect van het verplicht groenscherm kan derhalve niet staande worden gehouden"; 2.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij haar standpunt als volgt uiteenzet : "Het tweede middel tot nietigverklaring is louter een herhaling van wat gesteld werd in het eerste middel. Het volstaat dan ook wat dit middel betreft te verwijzen naar de bespreking van het eerste middel. VII-17.689-10/11 Daaruit blijkt dat verzoekster zeer ten onrechte stelt dat het aangevochten besluit het evenwicht tussen naburige erven en de waardevolle omgeving op ernstige wijze verstoort"; 2.2.
- Overwegende dat de summiere feitelijke onderbouwing van het tweede middel steunt op wat reeds werd aangevoerd in het eerste middel; dat dit middel ongegrond werd bevonden; dat het onderzoek van het eerste middel eveneens tot de conclusie leidt dat niet is aangetoond dat de bestreden milieuvergunning "het evenwicht tussen naburige erven en de waardevolle omgeving op ernstige wijze verstoort" en "het beginsel van de redelijkheid'' schendt; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.689-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.