← België

Arrest 155147 - - 16/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.147 Rolnummer: A. 139564/XIV-16079 Zaak: Arrest 155147 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 09:57 Fiche Arrest nr 155.147 van 16 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.147 van 16 februari 2006 in de zaak A. 139.564/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woont te 1080 BRUSSEL tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 22 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 oktober 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 1 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.079-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GOEMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op12 juni 2000 en zich vluchteling verklaart op op14 juni 2000; dat op 29 oktober 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Les moyens Considérant que le requérant prend un moyen unique de la violation de l’article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951, des articles 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980, des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ainsi que de l’erreur manifeste d’appréciation et de la violation du principe général qui impose à l’autorité administrative, lorsu’elle statue, de prendre en considération l’ensemble des éléments pertinents à la cause. En ce que le commissarie générale prend une décision confirmative de refus de séjour sur la base de l’article 52 de la loi du 15 decembre
  4. Alors que le requérant avait envoyé un certificat médical à l’attention du comissarie pour lui signaler de son indisponibilité de répondre à cette convocation pour raison de maladie.”; 2.
  5. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan gegeven geven”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 23 april 2003 een oproeping voor een verhoor op 6 mei 2003 om 08.30u en een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat in die brief wordt gesteld dat de verzoekende partij bij een geval van overmacht om gevolg te geven aan de XIV-16.079-2/4 oproeping, binnen de maand de reden en een bewijs van die overmacht moet opsturen; dat in de brief verder wordt gesteld: “Indien u niet komt, mag ik krachtens de wet uw asielaanvraag weigeren zonder de inhoud ervan te hebben onderzocht. Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen. IN dat geval zal ik uw dossier onderzoeken zonder dat ik verplicht ben u opnieuw op te roepen. In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.” Overwegende dat uit die formulering duidelijk blijkt dat het niet enkel om een “oproeping” doch tevens om een “verzoek om inlichtingen” in de zin van het voormelde artikel 52, § 2, 4/ gaat; Overwegende dat de verzoekende partij met een ter post aangetekend schrijven van 6 mei 2003 een medisch attest van dr. Zahoor MANZOOR aan het commissariaat-generaal heeft overgemaakt, waarin wordt gesteld dat de verzoekende partij van 5 tot en met 7 mei 2003 arbeidsongeschikt is, doch dat zij de woning mag verlaten; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij met de bestreden beslissing echter niet wordt verworpen omdat zij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping, maar wel omdat zij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat de verzoekende partij het voornoemd medisch attest, dat enkel een driedaagse arbeidsongeschiktheid vaststelt met de mogelijkheid om de woning te verlaten en zonder enige verduidelijking omtrent de aard of de ernst van de ziekte, geen geldige reden aannemelijk maakt om niet binnen de maand op dat verzoek om inlichtingen van 23 april 2003 in te gaan; dat zij, gezien de duidelijke inhoud van de brief van 23 april 2003, geen onwetendheid kan aanvoeren over de noodzaak om inlichtingen aan het commissariaat- generaal mee te delen; dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 14 februari 2003 te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat XIV-16.079-3/4 overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het enige middel ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.079-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.