← België

Arrest 155148 - - 16/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.148 Rolnummer: A. 124484/XIV-11007 Zaak: Arrest 155148 - - 16/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 09:58 Fiche Arrest nr 155.148 van 16 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.148 van 16 februari 2006 in de zaak A. 124.484/XIV-11.007. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1954 en van Marokkaanse nationaliteit, op 25 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van onbekende datum tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 28 april 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 29 april 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-11.007-1/16 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. Op 26 oktober 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie gehoord. 1.3. Op 12 december 2001 heeft de tweede Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. 1.4. Op 22 januari 2002 vraagt de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Commissie voor Regularisatie toelichting omtrent dit advies omdat de Commissie zowel tot de conclusie was gekomen dat verzoeker op 1 oktober 1999 in België verbleef als tot de conclusie dat hij op 1 oktober 1999 niet in België verbleef. 1.5. Op 21 februari 2002 is verzoeker opnieuw voor de Commissie voor Regularisatie verschenen. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker per vergissing voor deze zitting werd opgeroepen en dat de kamer zich bijgevolg onbevoegd verklaarde. 1.6. Op 17 maart 2002 heeft de tweede Kamer van de Commissie voor Regularisatie een nieuw ongunstig advies verleend waarin de materiële vergissing in het advies van 12 december 2001 werd rechtgezet. Dit advies luidt als volgt: “(...) Gehoord de aanvrager die opgeroepen werd voor en in persoon verscheen ter zitting van 26/10/2001, om 10.45 uur, Gelet op de aanvraag tot regularisatie op grond van: humanitaire reden en duurzame sociale bindingen (art.2,4/ van de wet van 22 december 1999) ingediend door verzoeker op 11.01.2000. Gelet op de nota van het onderzoekssecretariaat dd. 06.09.2000. Verzoeker verschijnt in persoon, bijgestaan door zijn raadsman op de zitting van 26.10.2001 en legt bijkomende stukken neer. Overwegende dat verzoeker geen wettig verblijf bewijst en evenmin een verklaring betreffende een bevel om het grondgebied te verlaten toevoegt. De verklaring betreffende het bevel wordt pas neergelegd ter zitting. Dat wat een langdurig verblijf betreft van meer dan 6 jaar, er stukken voorliggen die betrekking hebben op de jaren 1991, 1992, 1993, 1995. Er worden geen stukken voorgebracht waaruit zou moeten blijken dat verzoeker hier op 1 oktober 1999 was. XIV-11.007-2/16 De stukken bewijzen geen continu verblijf aangezien er onderbrekingen voorkomen nl. voor 1994, 1997,1998,1999. Het stuk dat zou moeten aantonen dat verzoeker in België was in 1997 staat op naam van Hamed JB daar waar verzoekerXXX noemt. Dat de bewijzen trouwens te weinig in aantal zijn, te disparaat of niet objectief natrekbaar om er zonder betwisting te kunnen uit afleiden dat de aanvrager gedurende de volle vereiste periode aanwezig was. Daarenboven spreekt verzoeker geen Nederlands voor iemand die beweert reeds 10 jaar in België te verblijven. Zelfs als (

  1. al)zou worden aangenomen dat verzoeker meer dan zes jaar continu in ons land verblijf(
  2. t)dan nog moeten “de humanitaire redenen en sociale bindingen” (die) in elk geval aanwezig zijn krachtens art 9 van de wet van 22 december 1999. Dit is het standpunt van de commissie. Verzoeker toont onvoldoende humanitaire redenen aan of dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land: Uit de voorgelegde stukken en het onderhoud ter zitting blijkt dat verzoeker: - onvoldoende lang continu in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet “relevant” is in de zin van art. 9,9/ van de wet van 22 december 1999, -geen Nederlands spreekt, -geen lessen Nederlands volgt, -sinds juli 2000 tewerkgesteld is, -geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont. Integratie bestaat uit een oriëntering op de Belgische samenleving op diverse vlakken. Op basis van de vastgestelde feitelijke elementen heeft de commissie geconstateerd dat er bij betrokkene geen of alleszins onvoldoende integratie aanwezig is. Dat verzoeker duidelijk nog zeer sterke bindingen heeft met zijn land van herkomst. Overwegende dat verzoeker onvoldoende aantoont dat hij alhier noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren. De Commissie kan geen enkel argument van sociale integratie ontdekken, de zeer recente tewerkstelling daargelaten. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen, de aanvraag niet tot een gunstig advies kan leiden. OM DEZE REDENEN Verleent de Commissie, aan XXX, een ONGUNSTIG advies tot regularisatie van verblijf in België op grond van art. 2,4/ van de wet van 22 december 1999. (...)”. 1.7. Op onbekende datum heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Overwegende dat de 2e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt, door u ingediend bij de Burgemeester te ANTWERPEN, op 25 januari 2000 en dat het nummer 21002000012805035 draagt; Overwegende dat u zich bij uw regularisatieverzoek beriep op criterium 2, 4/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat u humanitaire redenen meent te kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land zou hebben ontwikkeld; Overwegende dat de 2e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in haar advies van 17 maart 2002 stelde dat u geen bewijsstuk aanbracht waaruit blijkt dat u daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober 1999 en dat u derhalve niet voldeed aan de in artikel 9, 2/ gestelde formele voorwaarde; dat dit ongunstige advies van 17 maart 2002 een materiële rechtzetting is van een foutieve weergave in het eerste advies van diezelfde 2e Nederlandstalige Kamer van 12 december 2001; dat u echter bij vergissing van het griffie-secretariaat van de Commissie voor Regularisatie opnieuw werd opgeroepen en dit voor de zitting van 21 februari 2002; dat de zaak reeds behandeld was door de 2e Nederlandstalige Kamer en dat deze tot een advies was gekomen weliswaar aangetast door een materiële vergissing, dat gezien deze vergissing enkel en alleen tot een materiële rechtzetting noodde werd deze vergissing in het advies van 17 maart 2002 rechtgezet; om deze redenen verklaarde de voorzitter zich op de zitting van 21 februari 2002 dan ook terecht onbevoegd om de zaak opnieuw ten gronde te behandelen; Overwegende dat u conform artikel 2 en artikel 9, 2/ van de wet van 22 december 1999 dient te bewijzen dat u daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober 1999; dat XIV-11.007-3/16 noch uit het administratieve dossier noch uit de door u ter zitting aangebrachte bewijsstukken onomstotelijk kan blijken dat u op 1 oktober 1999 op het grondgebied verbleef, dat u derhalve niet beantwoordt aan de formele voorschriften van artikel 9 van de voornoemde wet van 22 december 1999; Overwegende dat volgens artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 verzoeker die zich beroept op artikel 2, 4/ van dezelfde wet van 22 december 1999 dient aan te tonen dat zijn of haar aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat verzoeker wettig in België verbleven heeft en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat verzoeker in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat er geen sprake is van minderjarige kinderen die op het ogenblik van het regularisatieverzoek, te weten 25 januari 2000, de leeftijd hebben om naar school te gaan, en op 1 oktober 1999 in België verbleven; Overwegende dat u derhalve dient aan te tonen dat op het ogenblik van uw aanvraag uw aanwezigheid in België derhalve teruggaat tot meer dan zes jaar, dat u verklaart dat u in België bent aangekomen in 1991, dat de door u voorgelegde bewijsstukken zeer fragmentarisch zijn en niet toelaten een ononderbroken verblijf te vermoeden; dat de 2e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in haar advies van 17 maart 2002 stelt dat de bewijzen te weinig in aantal zijn, te disparaat of niet objectief natrekbaar om er zonder betwisting te kunnen uit afleiden dat de aanvrager gedurende de volle vereiste periode aanwezig was; dat de Minister deze argumentatie tot de zijne neemt; Overwegende dat u op het ogenblik van de aanvraag, te weten op 25 januari 2000, geen wettig verblijf bezat in de zin van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende dat u verklaart dat u in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten; dat de aangetoonde verblijfsduur in België echter onvoldoende significant is om mogelijk te maken dat men uw verklaring dat u geen bevel heeft gekregen om het land te verlaten als alternatief zou kunnen nemen voor de vereiste in artikel 9§9 van de wet van 22 december 1999, luidens hetwelk de aanvrager het bewijs moet bijbrengen dat zijn aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan 6 jaar vóór de aanvraag voor regularisatie; dat de Minister deze argumentatie tot de zijne neemt; Overwegende dat u derhalve niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende dat de genoemde 2e Nederlandstalige Kamer in haar advies van 17 maart 2002 stelt dat u onvoldoende humanitaire redenen aantoont of dat u duurzame sociale bindingen zou hebben ontwikkeld in ons land; dat op basis van de vastgestelde feitelijke elementen geconstateerd kan worden dat er in uw hoofde geen of alleszins onvoldoende integratie aanwezig is; dat de genoemde 2e Nederlandstalige Kamer besluit dat u onvoldoende aantoont dat u alhier noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren; Overwegende dat u evenwel bewijzen van tewerkstelling en het volgen van Nederlandse lessen aanbrengt, maar dat deze zeer recente integratie dateert uit een periode ruime tijd na het indienen van het regularisatieverzoek; dat de ingeroepen redenen voor het regularisatieverzoek die zowel door de Commissie voor Regularisatie als door de Minister worden geëvalueerd dienen te gelden op het ogenblik van de aanvraag, in u geval is dit 25 januari 2000; dit om te vermijden dat de dossiers niet op gelijke wijze zouden behandeld worden; Overwegende dat u volgens een verklaring een relatie zou hebben met een vrouw van Belgische nationaliteit, maar dat u dit vreemd genoeg niet ter sprake brengt op de zitting en dat er eveneens geen bewijzen worden voorgelegd van de duurzaamheid en de langdurigheid van deze relatie; Overwegende dat de voorgelegde bewijsstukken, zoals ook reeds het advies van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart 2002 stelde, onvoldoende aantonen dat er voor u humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aanwezig zijn; dat er onvoldoende bewijzen voorliggen van integratie in en gerichtheid op de Belgische samenleving; Overwegende dat het eventuele bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen van ondergeschikt belang is aan de vereiste van artikel 2 en artikel 9, 2/ van de wet van 22 december 1999, namelijk het bewijs leveren van de aanwezigheid op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied; dat u echter aan deze formele vereiste niet beantwoordt waardoor u het criterium van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 niet kan laten gelden; BESLUIT: De regularisatieaanvraag nr. 21002000012805035, ingediend door mijnheer XXX op 25 januari 2000 bij de Burgemeester van ANTWERPEN wordt afgewezen. (...)”. 1.8. Op 8 juli 2002 werd aan verzoeker het bevel van dezelfde datum ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het XIV-11.007-4/16 grondgebied van het Rijk te verlaten. Tegen deze beslissing heeft verzoeker een beroep ingediend bij de Raad van State, gekend onder het nr. 124.483/XIV-11.006. In deze zaak wordt op dezelfde datum uitspraak gedaan. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel aanvoert dat er tijdens de procedure voor de Commissie voor Regularisatie tal van fouten en vergissingen zijn gebeurd; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel betoogt dat hij in België was op 1 oktober 1999; dat hij stelt dat hij voldoende bewijsstukken heeft naar voor gebracht die een ononderbroken verblijf vóór 1 oktober 1999 aantonen, en dat het hem niet ten grieve kan worden geduid dat hij geen bewijsstuk kan voorleggen van exact deze datum; dat verzoeker hiervoor verwijst naar een andere zaak en naar de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de Commissie voor Regularisatie; dat verzoeker eveneens verwijst naar het advies van de Commissie voor Regularisatie van 12 december 2001; Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat hij zes jaar ononderbroken in België verbleef; dat verzoeker betoogt dat hij voldoende stukken heeft voorgelegd waaruit zijn verblijf sinds 1991 in België blijkt; dat verzoeker doet gelden dat in andere zaken minder streng werd geoordeeld over dit ononderbroken verblijf van minstens zes jaar, en dat hij ook hier verwijst naar de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de Commissie voor Regularisatie, gesteund op de parlementaire werkzaamheden; Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel aanvoert dat in de adviezen van de Commissie voor Regularisatie geen motivering is terug te vinden over het feit dat aan verzoeker geen bevel werd ter kennis gebracht om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoeker stelt dat deze voorwaarde als alternatief kan dienen wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarde van de verblijfsduur; dat verzoeker betoogt dat het desbetreffend motief in de bestreden beslissing een miskenning inhoudt van de artikelen 2, 4/ en 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); XIV-11.007-5/16 Overwegende dat verzoeker in een vijfde onderdeel aanvoert dat de bestreden beslissing fouten bevat inzake de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen; dat hij ter verduidelijking citaten uit de adviezen weergeeft en betoogt dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de kennis van het Nederlands van verzoeker en ten onrechte de tewerkstelling van verzoeker na de indiening van de regularisatieaanvraag niet aanvaardt; dat verzoeker daaraan toevoegt dat het hem vóór die datum niet was toegestaan te werken; dat verzoeker tevens aanvoert dat de Belgische vrouw met wie hij een relatie heeft, aanwezig was ter zitting van de Commissie voor Regularisatie en dat hij haar daarom niet ter sprake bracht; dat verzoeker verwijst naar de parlementaire werkzaamheden en de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de Commissie voor Regularisatie over de sociale bindingen en humanitaire omstandigheden; dat hij doet gelden dat zijn verblijf van meer dan 11 jaar een doorslaggevend vermoeden inhoudt van deze bindingen en omstandigheden; dat verzoeker een opsomming geeft van de stukken die hij in dit verband heeft voorgelegd; dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom de richtlijnen van de Algemene Vergaderring en de vroegere verklaringen van de Minister van Binnenlandse Zaken worden tegengesproken en waarom de stukken die verzoeker indiende, worden genegeerd; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat verzoeker door zijn inhoudelijke kritiek blijk geeft van kennis te hebben van de motieven van de bestreden beslissing; dat verzoeker bijgevolg geen belang heeft bij het middel; dat de verwerende partij subsidiair repliceert dat er wel degelijk rekening werd gehouden met het schrijven van verzoeker gericht aan de Minister, maar dat dit schrijven geen nieuwe elementen bevatte; dat in de bestreden beslissing niet moest worden geantwoord op alle argumenten die verzoeker vooraf had aangevoerd; dat de Minister niet diende te motiveren waarom hij “afgeweken is van de unanieme richtlijnen van de algemene vergadering”, omdat deze richtlijnen interne documenten zijn van en voor de leden van de Commissie voor Regularisatie, die de wettelijke formele motiveringsplicht van de Minister niet kunnen uitbreiden; dat de voorwaarde van een verblijf in België op 1 oktober 1999 slechts één wettelijke voorwaarde betreft waaraan cumulatief met één of meerdere andere voorwaarden moet zijn voldaan; dat het volstaat dat de bestreden beslissing formeel is gemotiveerd op één punt dat de afwijzing van de aanvraag rechtvaardigt; dat de verwerende partij voor het overige verwijst naar haar repliek op het tweede middel, omdat het middel voor het overige een kritiek betreft op de algemene feitelijke beoordeling van de regularisatieaanvraag en geen verband meer houdt met de vereiste van de formele motiveringplicht; 2.1.3. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat er inderdaad materiële vergissingen zijn gebeurd in de loop van de regularisatieprocedure; dat deze materiële vergissingen evenwel telkens werden rechtgezet en dat verzoeker niet aantoont welke nadelige gevolgen dit voor hem inhield; dat dit duidelijk wordt uitgelegd in het advies van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart XIV-11.007-6/16 2002; dat de datum van de bestreden beslissing, met name 20 december 2001, niet anders dan een materiële vergissing kan zijn omdat in deze beslissing wordt verwezen naar het advies van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart 2002; dat het eerste onderdeel ongegrond is; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het eerste middel samenvalt met het tweede middel en onder punt 2.2.3. van dit arrest vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de bestreden beslissing tot weigering van regularisatie voldoet aan de door voornoemde wet opgelegde motiveringplicht wanneer deze de redenen vermeldt waarop de Minister zijn beslissing steunt en waaruit blijkt dat hij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat hij die correct heeft beoordeeld en dat hij op grond daarvan wettig tot zijn besluit is kunnen komen; dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - verzoeker voldoet niet aan de voorwaarde van een daadwerkelijk verblijf op het Belgisch grondgebied op 1 oktober 1999 (artikel 2 en artikel 9, 2/ van de Regularisatiewet); - verzoeker toont niet aan dat zijn verblijf in het Rijk op het ogenblik van zijn aanvraag, teruggaat tot meer dan zes jaar (artikel 2, 4/ en artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet): de door verzoeker voorgelegde bewijsstukken zijn zeer fragmentarisch en laten niet toe een ononderbroken verblijf te vermoeden, het advies van de tweede kamer van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart 2002 stelt dat de bewijzen te weinig in aantal zijn, te disparaat of niet objectief natrekbaar om er zonder betwisting uit te kunnen afleiden dat verzoeker gedurende de volle vereiste periode aanwezig was, de Minister neemt deze argumentatie tot de zijne; dat verzoeker op het ogenblik van de aanvraag geen wettig verblijf bezat in de zin van artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; - verzoeker verklaart dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat zijn aangetoonde verblijfsduur in België echter onvoldoende significant is om mogelijk te maken dat men deze verklaring als alternatief zou kunnen nemen voor de vereiste in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, naar luid waarvan de aanvrager het bewijs moet bijbrengen dat zijn aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan 6 jaar vóór de aanvraag tot regularisatie, de Minister neemt deze argumentatie tot de zijne; verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; XIV-11.007-7/16 - verzoeker voldoet niet aan de voorwaarde van humanitaire redenen of duurzame sociale bindingen: de Commissie voor Regularisatie stelt in haar advies van 17 maart 2002 dat verzoeker hieraan niet voldoet omdat op basis van de vastgestelde feitelijke elementen blijkt dat er in zijn hoofde geen, of alleszins onvoldoende, integratie aanwezig is, en in dit advies wordt beslist dat verzoeker onvoldoende aantoont dat hij in België noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren; dat verzoeker wel bewijzen van tewerkstelling en van het volgen van Nederlandse lessen heeft ingediend, maar dat deze zeer recente integratie dateert van een periode ruim na het indienen van de regularisatieaanvraag; dat de elementen van de regularisatieaanvraag moeten gelden op het ogenblik van de aanvraag, te weten 25 januari 2000, dit om de dossiers op gelijke voet te behandelen; dat verzoeker heeft verklaard een relatie te hebben met een vrouw van Belgische nationaliteit, maar dat hij dit niet ter sprake heeft gebracht op de zitting van de Regularisatiecommissie en dat hij geen bewijzen voorlegt van de duurzaamheid en de langdurigheid van deze relatie; - het eventuele bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen is van ondergeschikt belang aan de vereiste van artikel 2 en van artikel 9, 2/, van de Regularisatiewet, namelijk dat de aanvrager het bewijs moet leveren van de aanwezigheid op 1 oktober 1999 op het grondgebied van het Rijk; dat verzoeker niet beantwoordt aan deze formele vereiste en dat hij daardoor het criterium van artikel 2, 4/ niet kan laten gelden; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing voldoet aan de vereiste van de formele motivering; Overwegende dat wat het tweede, het derde, het vierde en het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft, wordt verwezen naar de analyse van het tweede middel; Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2 en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); van artikel 3 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; XIV-11.007-8/16 Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel aanvoert dat hij het bewijs heeft geleverd van een ononderbroken aanwezigheid in België sinds 1991, zodat hij voldoet aan de voorwaarde van een verblijf van meer dan zes jaar; dat verzoeker stelt dat hij eveneens voldoet aan de voorwaarde dat hij geen bevel heeft ontvangen om het grondgebied van het Rijk te verlaten, gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan de regularisatieaanvraag, en dat deze voorwaarde geen verblijf van vijf jaar oplegt; dat verzoeker stelt dat zijn verblijfssituatie alleen reeds omwille van het voldoen aan deze voorwaarde moet geregulariseerd worden; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat hij geen humanitaire redenen en sociale bindingen kan doen gelden, terwijl hij bewezen heeft dat hij meer dan 15 of 11 jaar in België verblijft en dat uit dit langdurig verblijf een sterk doorslaggevend vermoeden kan worden afgeleid van sociale bindingen en humanitaire redenen; dat verzoeker aanvoert dat hij daarnaast nog stukken heeft ingediend in dit verband en zijn eigen verwezenlijkingen opsomt (kennis Nederlandse taal, in orde zijn met alle papieren betreffende de sociale wetgeving, Belgische partner); Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat hij aanwezig was in het Rijk op 1 oktober 1999; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat verzoeker de schending van artikel 1 van de Regularisatiewet niet op concrete wijze toelicht en dat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; dat de verwerende partij stelt dat de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekers regularisatieaanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen; dat de verwerende partij vervolgt dat in de bestreden beslissing en in het advies van de Commissie voor Regularisatie, de elementen zijn weergegeven die aan de basis liggen van het oordeel dat verzoeker niet voldoet aan de primordiale toepassingsvoorwaarde van de Regularisatiewet, te weten een verblijf op het Belgische grondgebied op 1 oktober 1999, en dat verzoeker evenmin voldoet aan het voorschrift van artikel 2, 4/ van deze wet, te weten het bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen; dat de verwerende partij meent dat de opmerkingen van verzoeker in dit verband in het middel geen afbreuk kunnen doen aan deze beoordeling; dat de verwerende partij daaraan toevoegt dat de verwijzingen naar de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de Commissie voor Regularisatie niet ter zake dienend zijn, gelet op de specificiteit van verzoekers situatie, net zoals de beschouwingen van verzoeker betreffende de eenheid van de behandeling van de aanvragen; dat dit streven naar eenheid immers geen afbreuk kan doen aan de opdracht van de kamers van de Commissie en van de Minister om het dossier van elke aanvrager op zijn eigen verdiensten en individueel te beoordelen in functie van de kenmerken dat het vertoont; dat de verwerende partij daaraan toevoegt dat de bewering van verzoeker, dat hij ter zitting van de XIV-11.007-9/16 tweede kamer van de Commissie voor regularisatie bepaalde zaken heeft verklaard en verschillende stukken zou hebben ingediend, niet te verifiëren is en dat deze elementen de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengen; dat de verwerende partij vervolgt dat het voorleggen van een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager geen bevel heeft ontvangen om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet volstaat om in aanmerking te komen voor regularisatie en dat de verwijzing naar de “processen-verbaal van de algemene vergadering van de Commissie voor Regularisatie in het kader van artikel 3 van het K.B. van 5/01/2000” hieraan niets afdoen, omdat verzoeker immers niet het bewijs heeft geleverd van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen; dat wat de “verklaringen van gekendheid” betreft die verzoeker heeft ingediend, terecht werd vastgesteld dat de vermeldingen in deze stukken vaag en weinig geloofwaardig zijn, en dat verzoekers tewerkstelling na en mogelijk gemaakt door zijn regularisatieaanvraag, evenmin op duurzame bindingen of humanitaire redenen wijst; 2.2.3.1. Overwegende dat het daadwerkelijk verblijf in België op 1 oktober 1999 (derde onderdeel van het tweede middel) voorzien in artikel 2, eerste lid, van de Regularisatiewet de essentiële voorwaarde is, het conditio sine qua non, opdat de aanvraag zou worden onderzocht; dat volgens de voorbereidende werken van voornoemde wet, de vereiste van een daadwerkelijk verblijf in België op 1 oktober 1999 tot doel heeft te vermijden dat vreemdelingen zouden worden geregulariseerd “die speciaal voor deze gelegenheid uit een ander land gekomen zijn”, “om een aanzuigeffect te vermijden die de ganse operatie in het gedrang zou brengen” (Gedr. St. Kamer, memorie van toelichting, 1999-2000, DOC 50 0234/001, p. 6); dat de verplichting om het bewijsstuk neer te leggen waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk in België verbleef op 1 oktober 1999 wordt herhaald in artikel 9, 2/, van deze wet, waarin de stukken worden opgesomd, dat het bij de aanvraag gevoegde dossier dient te bevatten; dat de tweede kamer van de Commissie voor regularisatie in haar advies stelt, en in navolging de Minister van Binnenlandse Zaken, dat aan deze voorwaarde niet is voldaan; Overwegende dat verzoeker deze vaststelling betwist en hiervoor verwijst naar zijn langdurig verblijf in België vóór 1 oktober 1999, dat hij naar eigen zeggen aantoont door diverse arbeidsovereenkomsten, een huurovereenkomst en het feit dat hij de Nederlandse taal goed beheerst, evenals door verschillende documenten waaruit zijn verblijf in 1999 blijkt, met name de stukken neergelegd ter zitting van 26 oktober 2001; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken overweegt dat “noch uit het administratieve dossier noch uit de door u ter zitting aangebrachte bewijsstukken onomstotelijk kan blijken dat u op 1 oktober 1999 op het grondgebied verbleef” en dat de Commissie in haar advies stelt dat “er stukken voorliggen die betrekking hebben op de jaren 1991, 1992, 1993, 1995. Er worden geen stukken voorgebracht waaruit zou moeten blijken dat verzoeker hier op 1 oktober 1999 was”; dat deze overwegingen XIV-11.007-10/16 steunen op de gegevens van het administratief dossier; dat bijgevolg de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken hieruit terecht konden afleiden dat niet onomstotelijk vaststaat dat verzoeker daadwerkelijk in België verbleef op 1 oktober 1999; dat het de Raad van State in casu niet toekomt om de feiten opnieuw te evalueren en te kwalificeren, vermits in tegenstelling tot de taak van de appelrechter van de rechterlijke orde, het proces voor de Raad van State niet volledig wordt overgedaan, aangezien het enkel de taak is van de Raad van State om de wettigheid van een administratieve rechtshandeling te toetsen en om na te gaan of het bestuur, gelet op de feitelijke gegevens van de zaak, op wettige wijze kon komen tot zijn beslissing, wat in casu het geval is; 2.2.3.2. Overwegende dat de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken in deze zaak tevens de regularisatieaanvraag ten gronde hebben onderzocht, meer bepaald werd er nagegaan of verzoeker voldoet aan het door hem ingeroepen regularisatiecriterium, te weten de aanwezigheid van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen (artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet); Overwegende dat uit de samenlezing van artikel 2, 4/ en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker stukken heeft voorgelegd waaruit een verblijf in het Rijk blijkt in de jaren 1991, 1992, 1993 en 1999 (eerste onderdeel van het middel); dat in het advies van de Commissie voor Regularisatie wordt overwogen dat deze stukken geen continu verblijf bewijzen aangezien er onderbrekingen voorkomen, namelijk voor de jaren 1994, 1997, 1998 en 1999; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing overweegt dat verzoeker verklaarde het Rijk te zijn binnengekomen in 1991, maar dat de door hem voorgelegde bewijsstukken zeer fragmentarisch zijn en niet toelaten een ononderbroken verblijf te vermoeden; dat de Minister hiervoor verwijst naar het advies van de Commissie waarin wordt gesteld dat deze bewijzen te weinig in aantal zijn, te disparaat of niet objectief natrekbaar om er zonder betwisting te kunnen uit afleiden dat verzoeker gedurende de volle vereiste periode van zes jaar vóór de aanvraag aanwezig was; Overwegende dat verzoeker deze vaststellingen betwist en hiervoor verwijst naar zijn verblijf in België in 1991 en naar andere stukken die zouden aantonen dat hij van in 1991 tot op heden in België heeft verbleven, met name zijn huurovereenkomst, XIV-11.007-11/16 “andere officiële en niet officiële stukken van verzoeker”, getuigenverklaringen en een verklaring van gekendheid; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat het huurcontract ingaat op 1 januari 2001, dat de tewerkstellingscontracten en loonbrieven, evenals het bewijs van aansluiting bij een mutualiteit en stukken betreffende sollicitaties dateren van 2000 en later, dat de verklaring van gekendheid uitgaat van één kennis die verklaart verzoeker te kennen sinds 1992; Overwegende dat de vaststelling dat verzoeker stukken voorlegt waaruit een verblijf in België blijkt in de jaren 1991, 1992, 1993 en 1999, steunt op de gegevens van het administratief dossier; dat de vaststelling dat er onderbrekingen voorkomen voor de andere jaren, eveneens steunt op de gegevens van het dossier; dat de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken derhalve wettig konden vaststellen dat verzoeker geen ononderbroken verblijf bewijst van zes jaar voorafgaand aan de aanvraag, en dat hij derhalve niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat dit volstaat om de regularisatieaanvraag op grond van de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet af te wijzen; dat de kritiek in het tweede onderdeel van dit middel, op de overige motieven niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt overwogen dat verzoeker een schriftelijke verklaring heeft voorgelegd waarin hij meedeelt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten; dat de Minister desbetreffend overweegt dat “de aangetoonde verblijfsduur in België echter onvoldoende significant is om mogelijk te maken dat men uw verklaring (...) als alternatief zou kunnen nemen voor de vereiste in artikel 9, 9/, van de wet van 22 december 1999"; dat deze appreciatie van de Minister correct is en dat het niet aan de Raad van State toekomt om de feiten opnieuw te evalueren en te kwalificeren; Overwegende dat de verzoekende partij niet de schending kan aanvoeren van de richtlijnen die zijn vastgesteld door de algemene vergadering van de Commissie voor Regularisatie; dat het hier om richtlijnen gaat die geen bindende kracht hebben; dat het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk bovendien niet voorziet dat de algemene vergadering bindende regels kan opleggen; XIV-11.007-12/16 2.2.3.3. Overwegende dat verzoeker betreffende de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen (tweede onderdeel van het middel) kritiek uit op de bestreden beslissing; dat uit hetgeen hierboven werd uiteengezet, blijkt dat deze kritiek niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is, en tevens het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel van het eerste middel; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 12 § 1, laatste lid, van de Regularisatiewet; van de artikelen 17, 5/ en 18 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel aanvoert dat het advies moet uitgaan van de voltallige kamer van de Commissie voor Regularisatie en niet van de voorzitter; dat het advies van 19 maart 2001 (bedoeld wordt 17 maart 2002) waarin deze fout wordt rechtgezet, hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat artikel 12 § 1 van de Regularisatiewet voorziet dat wanneer de Minister wenst af te wijken van een advies, hij de zaak aanhangig maakt bij de kamer van de Commissie voor Regularisatie die na een procedure op tegenspraak een nieuw advies uitbrengt; dat verzoeker betoogt dat de zaak enkel aanhangig werd gemaakt bij de voorzitter van de kamer en dat hij en zijn Advocaat “werden geweigerd”; Overwegende dat verzoeker stelt dat artikel 17, 5/ van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 bepaalt dat in het advies van de kamer van de Commissie voor Regularisatie de identiteit van de advocaat of van de derde, die de aanvrager heeft bijgestaan, moet worden vermeld; dat verzoeker betoogt dat dit in geen van de adviezen, evenmin als in de bestreden beslissing, is gebeurd; Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat het advies van 12 februari 2001 (bedoeld wordt 2002) hem nooit werd betekend; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de schending van artikel 12, § 1, van de Regularisatiewet niet opgaat omdat het in casu een loutere rechtzetting van een materiële vergissing betreft; dat de verwerende partij stelt dat verzoeker per vergissing werd opgeroepen voor de zitting van 21 februari 2002, en dat uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt dat het ging om een voltallige kamer met drie leden; dat de voorzitter van deze kamer zich op dat moment terecht onbevoegd verklaarde omdat de zaak reeds voordien behandeld was; dat de verwerende partij met betrekking tot XIV-11.007-13/16 de ingeroepen schending van artikel 17, 5/ van het koninklijk besluit van 5 januari 2000, erop wijst dat er gedurende de hele procedure correspondentie werd gevoerd met de Advocaat van verzoeker en dat verzoeker nu pas gewag maakt van deze schending, terwijl uit de gegevens van het dossier blijkt dat de betrokken Advocaat wel degelijk telkens op de hoogte werd gebracht van de genomen beslissingen; dat de verwerende partij besluit dat de materiële vergissing zich situeert in het advies van 12 december 2001 en dat deze vergissing werd rechtgezet bij advies van 17 maart 2002; 2.3.3. Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel is gebleken dat het advies van 12 december 2001 materiële vergissingen bevat, die worden rechtgezet in het advies van 17 maart 2002; dat derhalve enkel rekening dient te worden gehouden met het advies van 17 maart 2002; dat eveneens uit de analyse van het eerste middel is gebleken dat verzoeker per vergissing werd opgeroepen voor de zitting van 21 februari 2002; dat verzoeker reeds regelmatig werd opgeroepen en gehoord op de zitting van 26 oktober 2001; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het advies van 17 maart 2002 werd verleend door een voltallige Kamer van de Commissie voor Regularisatie; dat de kamer was samengesteld uit de voorzitter, een Advocaat en een vertegenwoordiger van een NGO, ter zitting bijgestaan door een griffier; dat het eerste onderdeel van het derde middel feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het tweede onderdeel van het derde middel eveneens feitelijke grondslag mist omdat de Minister niet afwijkt van het advies van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart 2002, en dat verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, werd gehoord ter zitting van 26 oktober 2001; Overwegende, wat het derde onderdeel van het derde middel betreft, in het advies melding wordt gemaakt van de aanwezigheid en de identiteit van verzoeker en van de aanwezigheid van zijn Advocaat; dat verzoeker niet met concrete gegevens aanvoert hoe het niet vermelden in het advies, van de identiteit van de Advocaat of van de derde, afbreuk doet aan de wettigheid van de bestreden beslissing; dat het niet vermelden van wat voorafgaat geen substantiële formaliteit uitmaakt; Overwegende dat het advies van de Commissie voor Regularisatie van 17 maart 2002 aan verzoeker werd ter kennis gebracht; dat de brief met uitleg van de Kamervoorzitter van 12 februari 2002 gericht tot de Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie, een schrijven betreft dat niet aan verzoeker diende ter kennis te worden gebracht; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; XIV-11.007-14/16 2.4.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 11 van de Gecoördineerde Grondwet; van de artikelen 3 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BUPO-verdrag) in combinatie met artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 5 januari 2000; dat verzoeker aanvoert dat er verschillen bestaan in de rechtspraak van de onderscheiden kamers van de Commissie voor Regularisatie, meer bepaald wat betreft het al dan niet ononderbroken zijn van de periode van langdurig verblijf en de kennis van één der landstalen, en tevens dat er verschillen bestaan in de behandeling van dossiers die het eerst aan bod kwamen en dossiers die later werden behandeld; dat dit een ongelijke behandeling uitmaakt; dat de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de kamers van de Commissie voor Regularisatie hieraan trachtten te verhelpen maar dat de Minister deze richtlijnen heeft genegeerd; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat het middel faalt naar recht in zover het betrekking heeft op het door hem ingeroepen Grondwetsartikel, evenals de door hem ingeroepen verdragsartikelen; dat het Grondwetsartikel op zichzelf niet relevant is voor verzoekers situatie omdat dit het genot van rechten en vrijheden betreft middels wet en decreet aan Belgen verleend, dat artikel 14 van het BUPO-verdrag niet van toepassing is op een bestuursorgaan van een staat, en dat artikel 3 van hetzelfde verdrag de gelijke behandeling betreft bij het genot van de in dit verdrag bepaalde rechten en vrijheden, waarvan de aangevoerde schending niet relevant is zonder nadere vermelding van de betrokken rechten en vrijheden; dat de verwerende partij vervolgt dat de situatie van verzoeker specifiek is en dat deze specificiteit de wijze verantwoordt waarop de regularisatieaanvraag is behandeld, en tevens de verschillen verklaart die eventueel kunnen worden vastgesteld ten opzichte van andere dossiers en ten opzichte van richtlijnen die zijn genomen op grond van andere individuele dossiers; dat overigens de door verzoeker aangevoerde verschillen in behandeling niet verifieerbaar zijn, omdat verzoeker geen concrete gegevens uit andere dossiers aanbrengt om zijn beweringen te staven; 2.4.3. Overwegende dat, zoals in het tweede middel reeds werd overwogen, verzoeker niet de schending kan aanvoeren van de richtlijnen die zijn vastgesteld door de algemene vergadering van de Commissie voor Regularisatie, noch het feit dat deze richtlijnen niet werden gevolgd; dat verzoeker geen adviezen voorlegt waaruit blijkt dat er in zaken met gelijkaardige feiten, in andere zin werd geadviseerd dan in het advies genomen ten opzichte van verzoeker; dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing, waarbij het advies van de Commissie wordt gevolgd, de door hem ingeroepen bepalingen schendt; Overwegende dat het vierde middel ongegrond is, XIV-11.007-15/16 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.007-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.