id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.279 Rolnummer: A. 167495/IX-5117 Zaak: Arrest 155279 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 20/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 10:10 Fiche Arrest nr 155.279 van 20 februari 2006 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.279 van 20 februari 2006 in de zaak A. 167.495/IX-
- In zake : Patrick POELMAN, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE WALSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 250, bus
- tegen : de NV NMBS Holding, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en I. VOS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick POELMAN op 4 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de NMBS waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor de schriftelijke openbare proef voor aanwerving van bestuurders rangeringen en van treinbestuurders; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-5117-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE WALSCHE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. SCHELLEKENS die, loco advocaten D. D’HOOGHE en I. VOS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Met twee berichten van 31 mei 2005 wordt door de NMBS Holding meegedeeld dat er openbare proeven worden georganiseerd voor de indienstneming van treinbestuurders respectievelijk bestuurders-rangeringen. Verzoeker schrijft zich in voor de beide proeven. De beide proeven bestaan uit een geschiktheidstest en een onderhoud. De geschiktheidstest is een computergestuurde proef die identiek is voor de beide aanwervingsproeven. Volgens het examenreglement slaat dit gedeelte op de kennis van de moedertaal en de wiskunde en heeft zij tot doel de verbale, rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaat te beoordelen. Enkel de kandidaten die “voldaan hebben” voor het schriftelijk gedeelte worden toegelaten tot het mondeling gedeelte. 1.
- Op 2 juli 2005 neemt verzoeker deel aan een verplichte informatie- vergadering waarop volgens de uitnodiging de selectieprocedure in detail zal worden uiteengezet. 1.
- De proef vindt voor verzoeker plaats op 16 augustus
- Verzoeker behaalt de volgende resultaten : IX-5117-2/12 Resultaten Kandidaat normscore nauwkeurigheid snelheid nauwkeurigheid snelheid Collationering 100% 111 87% 85 Rekenen 89% 124 71% 92 Vraagstukken 93% 120 57% 91 Redenering 50% 84 55% 84 Ruimtelijk 76% 89 71% 89 inzicht Omdat de behaalde nauwkeurigheidsscore voor de test “Redenering” onder de normscore ligt wordt verzoeker niet geslaagd verklaard. Dit is de bestreden beslissing. 1.
- Met een formulier P103-A vraagt verzoeker op 30 augustus 2005 naar de reden waarom hij van verdere deelname aan de proef wordt uitgesloten. Hij stelt hierbij dat hij voor de vier afzonderlijke vakken van de proef respectievelijk 93%, 89%, 50% en 76% behaalde, bijgevolg een gemiddelde van 77%. 1.
- Verzoeker wordt vervolgens op de hoogte gebracht van het feit dat hij niet geslaagd is. In reactie daarop vraagt hij op 21 september 2005 opnieuw een formulier P103-A voor de cijfers van de proef. 1.
- Op 13 oktober 2005 krijgt hij het volgende antwoord : “Ten gevolge uw P103 van 30 augustus jl. betreffende uw niet slagen voor de geschiktheidstest van de openbare proef voor de indienstneming als treinbestuurder/bestuurder-rangeringen, georganiseerd op 16 augustus 2005, kunnen wij u enkel de inhoud van ons schrijven van 5 september 2005 bevestigen, waarin wij u hebben medegedeeld dat u niet slaagde voor boveng- enoemde proef. Evenwel kunnen wij u de volgende bijkomende verduidelijking mededelen, in verband met het niet slagen. De geschiktheidstest bestaat uit een aantal subtesten van de BFTA, een algemene psychotechnische vaardigheidsproef, meerbepaald de subtesten IX-5117-3/12 Collationering, Rekenen, Vraagstukken, Redenering en Ruimtelijk Inzicht. Tijdens de instructies wordt steeds aangegeven dat deze geschiktheidstest eliminerend is. De resultaten van de kandidaat worden vergeleken met een normscore voor zowel de snelheid als de nauwkeurigheid van werken per subtest. Deze normscore werd bekomen door een statistische analyse van de resultaten op de BFTA van de aspirant treinbestuurders en bestuurders rangeringen die slaagden in hun basisopleiding(N=1009). Uw resultaten zien er als volgt uit : Resultaten Normscore Nauwkeurigheid Snelheid Nauwkeurigheid Snelheid Collationering 100% 111 87% 85 Rekenen 89% 124 71% 92 Vraagstukken 93% 120 57% 91 Redenering 50% 84 55% 84 Ruimtelijk 76% 89 71% 89 inzicht De behaalde nauwkeurigheidsscore op de subtest Redenering (50%) ligt onder de vereiste normscore (55%)”.
- Over de ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is omdat verzoeker het georganiseerd intern administratief beroep niet heeft uitgeput zodat de beslissing die hij bestrijdt geen in laatste aanleg genomen beslissing is; dat zij hierbij verwijst naar artikel 3 van Hoofdstuk XIII van het statuut van het personeel van de NMBS; Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; IX-5117-4/12
- Over de gegrondheid van de vordering Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende dat wat de eerste voorwaarde betreft, verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het legaliteitsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel en van de materiële en formele motiveringsplicht; dat hij uiteenzet dat volgens de NMBS-reglementering de schriftelijke geschiktheidstest slaat op “de kennis van de moedertaal en wiskunde en tot doel heeft de verbale, rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaten te beoordelen” maar dat de afgenomen geschiktheidstest bestond uit deelproeven “collationering”, “rekenen”, “vraagstukken”, “redenering” en “ruimtelijk inzicht”; dat, omdat rekenen en vraagstukken geacht kunnen worden de kennis van wiskunde te testen, het voor de andere deelproeven niet zo vanzelfsprekend is dat zij onder de voornoemde reglementaire omschrijving vallen; dat de test bijgevolg niet voldoet aan de reglementen van de NMBS; dat bovendien de beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor de geschiktheidsproef niet naar behoren gemotiveerd is aangezien de weigering alleen steunt op het feit dat verzoeker de normscore niet gehaald zou hebben op een onderdeel van de test dat niet voorzien is in de reglementering; dat de weigering derhalve niet steunt op wettige motieven; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar antwoord hierop stelt dat zij niet inziet waarom de voornoemde onderdelen van de proef niet zouden overeenstemmen met de in het reglement vooropgestelde test; dat zij stelt dat rekenen en vraagstukken onmiskenbaar valt onder de noemer “kennis van wiskunde”; dat de subtest “collationeren” een vergelijkingsproef inhoudt waarbij het vermogen van de kandidaat wordt nagegaan om kleine verschillen op te merken tussen twee stimuli die tegelijk op het scherm verschijnen; dat ook in het kader van deze subtest de verbale en logische vaardigheden van de kandidaat kunnen worden beoordeeld; dat de subtest “ruimtelijk inzicht” eveneens verband houdt met het toetsen van de rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaat en dat daarbij moeilijk kan worden betwist dat het om een belangrijke vaardigheid gaat in hoofde van de IX-5117-5/12 kandidaat treinbestuurder of de kandidaat bestuurder rangeringen; dat, steeds volgens de verwerende partij, verzoeker overigens geen belang heeft bij het betwisten van de inhoud van de geschiktheidsproef, met uitzondering van de subtest “redene- ring” aangezien hij uitsluitend voor deze subtest niet voldeed; dat voorts de subtest “redenering” het inductief en abstract redeneervermogen wil toetsen en om die reden oefeningen bevat waarbij aan de kandidaat wordt gevraagd om op een logische wijze verbanden te leggen tussen reeksen van letters; dat het aldus geen twijfel lijdt dat deze test de logische vaardigheden van de kandidaat beoordeelt en derhalve wel degelijk aansluit bij de reglementaire inhoud van de geschiktheidstest; dat bijgevolg de inhoudelijke beoordeling van de examencommissie volkomen in overeenstemming is met de principes die vooropgesteld worden in het toepasselijk reglement en niet valt in te zien hoe verzoekers vertrouwen zou zijn geschonden temeer daar hij op de informatieve zitting inlichtingen had kunnen inwinnen over de verscheidene af te leggen proeven doch zulks niet heeft gedaan; 3.1.
- Overwegende dat het de zaak is van de examencommissie om vast te stellen welke vragen dienen te worden gesteld en de erop gegeven antwoorden te beoordelen; dat de Raad van State een examen slechts vermag te vernietigen wanneer de gestelde vragen kennelijk niet het karakter hadden van het soort vragen die in een zodanig examen gesteld mogen worden of indien ze kennelijk niet vallen binnen het programma; dat bij dezen uit het administratief dossier blijkt dat de tests die verzoeker heeft afgelegd gesteund zijn op een beproefde testbatterij die, onder meer, ook door de Franse spoorwegen wordt gebruikt; dat luidens het examenreglement de proef slaat op “de kennis van de moedertaal en wiskunde en (dat) (...) ze tot doel (heeft) de verbale, rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaten te beoordelen”; dat verzoeker dit aldus lijkt te lezen dat de testen alleen maar op moedertaal en wiskunde mogen slaan; dat dit een te strakke zienswijze is; dat immers de proef krachtens de tekst zelf van het reglement een geschiktheidstest is en geen kennistest, zodat de bedoeling van de test niet in de eerste plaats is de kennis van de moedertaal en de wiskunde te testen maar wel de verbale, rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaten; dat het voorwerp van de proef dan ook zo moet worden begrepen dat het de bedoeling is de verbale, rekenkundige en logische vaardigheden van de kandidaten te testen langs taal en wiskunde, zodat elke test die toelaat door middel van taalkundige of rekenkundige elementen deze vaardigheden te testen onder de omschrijving van het examenreglement valt; dat bovendien de verwerende partij terecht stelt dat verzoeker geen belang heeft om die deelproeven te bestrijden waarop hij goed scoorde omdat zij de bestreden beslissing niet IX-5117-6/12 beïnvloeden; dat verzoeker immers alleen een onvoldoende score behaalde op de subtest “redenering” en dat die subtest er in bestond de logische band tussen een reeks van lettercombinaties te vinden om alzo de reeks verder te kunnen zetten; dat deze subtest geacht kan worden te vallen binnen het voorwerp van de proef zoals ze in het examenreglement is gedefinieerd; dat het middel niet ernstig is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het legaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwens- beginsel en van de materiële en formele motiveringsplicht; dat hij hierbij uiteenzet dat hij niet geslaagd werd verklaard omdat hij op één van de deelproeven een nauwkeu- righeidsscore heeft behaald van 50% en niet minstens 55% terwijl deze vereisten niet voorkomen in de toepasselijke reglementering; dat volgens deze reglementering de kandidaat enkel moet “voldaan” hebben en bij gebrek aan bijzondere reglementering betekent 50% dat hij voldaan heeft; dat hij bovendien op de andere onderdelen van de geschiktheidstest ruimschoots meer scoorde dan de gevraagde percentages zodat, zelfs indien hij niet zou voldaan hebben op een onderdeel van de test, zijn score voor de volledige test wel als voldaan moet worden aanzien; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat er geen enkele wettelijke verplichting bestaat om bij reglement te bepalen welke waarde er aan de verschillende onderdelen van een examen zal worden gegeven of welke uitsluitingsdrempels bij de beoordeling zullen worden gehanteerd noch om deze vooraf mee te delen aan de kandidaten; dat indien er in de reglementering niet wordt bepaald wanneer een kandidaat geslaagd is voor een proef het dan tot de discretionaire bevoegdheid van de examencommissie behoort om dat te bepalen; dat de examencommissie dienaangaande normscores heeft gehanteerd die werden berekend op basis van de opleidingsresultaten van de aspirant-treinbestuurders en aspirant-bestuurders rangeringen van de jaren 2001-2002-2003 waarbij ervoor werd geopteerd om te evalueren met minimaal te behalen normscores op twee vlakken, met name nauwkeurigheid en snelheid voor de verschillende subtests; dat het onjuist is dat het behalen van een score 50% zou betekenen dat men voldaan heeft voor de test; dat uit verzoekers testresultaat blijkt dat hij op de bewuste test 6 opgaven correct beantwoordt, zes foutief en 12 onbeantwoord laat; dat de 50% nauwkeurigheidsscore betekent dat hij de helft van het aantal beantwoorde opgaven correct heeft; dat hij evenwel in werkelijkheid van de 24 opgaven slechts de helft heeft beantwoord, waarvan de helft correct en de helft foutief; dat ook de percentages van 50% en 55% geenszins wijzen op een gemiddeld percentage dat men IX-5117-7/12 zou behaald hebben voor de test omdat die percentages geen schoolse percentages zijn in de zin dat een score van 50% zou willen zeggen dat men voldaan heeft; dat bij dezen de kandidaat zowel voor de nauwkeurigheid als de snelheid boven de normscore moet presteren om geslaagd te zijn; dat voorts, steeds volgens de verwerende partij, verzoeker voor de test werd uitgenodigd voor een verplichte informatievergadering waarop de selectieprocedure in detail werd uiteengezet en waar er mogelijkheid was om vragen te stellen aan vertegenwoordigers van de personeelsdienst en dat hij geen vragen gesteld heeft noch enig bezwaar heeft geuit; dat ten slotte de resultaten aan verzoeker zijn meegedeeld onmiddellijk na de test bij een mondelinge bespreking, zoals blijkt uit zijn schrijven van 30 augustus 2005; dat zulks hem dan nadien schriftelijk is bevestigd; dat er bijgevolg geen sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel, noch van het legaliteitsbeginsel; dat de verwerende parij besluit dat evenmin is aangetoond dat zij kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld en dat, aangezien de beoordeling in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van de reglementering, bovendien niet valt in te zien hoe het vertrouwen van verzoeker zou zijn geschonden; 3.2.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de door de verwerende partij gebruikte test steunt op de “Batterie Factorielle de Tests d*Aptitudes” (hierna BFTA), een test die bij de selectie van treinbestuurders reeds sinds jaren gebruikt wordt door de “Société Nationale des Chemins de Fer Français”; dat dit een psychologische test is die het resultaat is van jarenlange ervaring en die steunt op wetenschappelijke theorieën over de intelligentie; dat de beoordeling van de prestatie van de kandidaat gebeurt aan de hand van het aantal gegeven goede antwoorden, onjuiste antwoorden, weglatingen, niet beantwoorde opgaven, enz., en dat de resultaten moeten worden getoetst, onder meer, aan de gemiddelde score van de algemene populatie; dat uit de door de verwerende partij verschafte uitleg betreffende de juiste betekenis van de door verzoeker behaalde score van 50% op afdoende wijze blijkt dat de behaalde percentages per deelproef op zich niet toelaten te bepalen of een kandidaat heeft voldaan of niet; dat de kandidaat zowel op de nauwkeurigheid als op de snelheid de vereiste minimumscores moet behalen en dat die minimumscores wetenschappelijk verantwoorde normen lijken te zijn die de verwerende partij toelaten te besluiten dat de kandidaat die niet de minimumnorm behaalt niet voldoet; dat verzoekers redenering die er op neerkomt dat 50% betekent dat hij “voldaan” heeft in de termen van de reglementering dan ook niet opgaat; dat het middel niet ernstig is; IX-5117-8/12 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht; dat hij hierbij uiteenzet dat de normscore waarmee hij werd vergeleken behaald werd door een statistische analyse van de resultaten op de BFTA van de aspirant-treinbestuurders en aspirant-bestuurders rangeringen die slaagden in hun basisopleiding en dat dit betekent dat kandidaten met een gelijke of lagere score dan verzoeker in het verleden reeds toegelaten werden tot de opleiding en dus geslaagd werden verklaard voor de geschiktheidstest; dat zulks volgens hem dan ook het gelijkheidsbeginsel schendt; dat volgens hem dit wordt aangetoond aan de hand van een aantal berekeningsmethodes die gebruikt “zouden kunnen zijn” om te komen tot de normscores; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij - terecht - antwoordt dat het gelijkheidsbeginsel haar er alleen toe verplicht om de deelnemers aan eenzelfde proef op gelijke wijze te behandelen; dat verzoekers situatie niet vergelijkbaar is met die van kandidaten die in het verleden reeds deelnamen aan een examen voor treinbestuurder of bestuurder rangeringen; dat gelet op het principe van de veranderlijkheid van het bestuur niemand een recht kan laten gelden op een on- gewijzigde reglementering voor de toekomst; dat de reglementering gewijzigd werd vóór de berichten van 31 mei 2005; dat het bestuur ervoor gekozen heeft om de reeds bestaande selectieprocedure te optimaliseren door een normscore te berekenen op basis van de opleidingsresultaten van de aspirant-bestuurders van de jaren 2001, 2002 en 2003 omdat werd vastgesteld dat het percentage niet-geslaagden voor de beroepsopleiding zeer hoog lag waardoor er veel opleidingsmiddelen verloren gingen; dat de normscore voor elk van de subtesten vastgelegd op percentiel 2.5 wat betekent dat per subtest 97,5% van de geslaagden een score haalt die minstens gelijk is aan de normscore of omgekeerd dat de kans dat een kandidaat die een score haalt onder de normscore behoort tot de groep geslaagden kleiner is dan 2,5%; dat die nieuwe regels op alle kandidaten die deelnamen aan de proeven die werden aangekondigd door de berichten van 31 mei 2005 volkomen gelijk toegepast waren zodat er “geen sprake (is) van een schending van het gelijkheidsbeginsel”; dat het middel evenmin ernstig is; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht; dat hij hierbij van de onderstelling uitgaat dat zijn dossier verwisseld werd met een ander dossier en/of dat zijn resultaten verward werden met die van een andere kandidaat zodat de IX-5117-9/12 beslissing om hem niet geslaagd te verklaren niet berust op een pertinente motivering; dat hij die onderstelling afleidt uit het gegeven dat in de brief van 13 oktober 2005 waarmee hem toelichting werd gegeven van de reden waarom hij niet geslaagd werd verklaard twee onjuiste vermeldingen voorkomen; dat vooreerst in die brief gesteld wordt dat de inhoud van het schrijven van 5 september 2005 wordt bevestigd terwijl de brief waarin hem wordt meegedeeld dat hij niet geslaagd was voor de openbare proef voor indienstneming van treinbestuurders de datum van 6 september 2005 draagt en de brief waarin hem wordt medegedeeld dat hij niet geslaagd is voor de proef voor bestuurder-rangeringen niet gedateerd is; dat vervolgens de genoemde brief van 13 oktober 2005 vermeldt dat het een antwoord is op een P103 van 30 augustus 2005 terwijl verzoeker pas, logischerwijze, na ontvangst van de brieven van begin september en wel met een formulier P103 van 21 september 2005, om nadere toelichting heeft verzocht; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat dit middel feitelijke grondslag mist; dat immers, zoals verzoeker het zelf zegt, een van de twee brieven waarmee het resultaat van verzoeker werd meegedeeld niet gedateerd was terwijl de andere dateert van 6 september 2005; dat aangezien beide brieven betrekking hadden op dezelfde proef het aannemelijk is dat de niet gedateerde brief dateert van 5 of 6 september 2005; dat, steeds volgens de verwerende partij, uit het administratief dossier blijkt dat de niet gedateerde brief werd geviseerd op 5 september 2005 zodat hij wellicht op 6 september is verzonden; dat ook blijkt dat verzoeker reeds op 30 augustus 2005 een P103 overmaakte aan de verwerende partij en er bijgevolg “geen sprake (is) van een materiële vergissing”; dat voorts, hoe dan ook, uit de individuele fiche die over verzoekers tests werd opgesteld en uit het feedback-rapport van de psycholoog blijkt, dat in het schrijven van 13 oktober 2005 de juiste percentages in aanmerking werden genomen; 3.4.
- Overwegende dat wat verzoeker in dit middel in hoofdzaak aanvoert is dat hij vermoedt dat zijn dossier werd verwisseld met dat van een andere kandidaat en dat de hem meegedeelde resultaten niet de zijne zijn; dat uit het administratief dossier afdoende blijkt dat de resultaten van de tests op een juiste wijze worden toegedicht aan verzoeker; dat immers die tests computergestuurd zijn afgenomen, wat in de regel de kans op vergissing bij de identificatie van de kandidaat merkelijk verkleint; dat de documenten van het administratief dossier geen elementen bevatten die doen twijfelen aan de juistheid van de inhoud ervan, en meer in het bijzonder aan de identificatie van de kandidaat; dat de gegevens die verzoeker IX-5117-10/12 aanvoert als bewijs van de onzorgvuldigheid waarmee de verwerende partij tewerk zou zijn gegaan op het eerste gezicht evenmin toelaten te twijfelen aan de correctheid ervan; dat het inderdaad volkomen aannemelijk is dat de niet gedateerde brief waarmee aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet geslaagd was voor de proef voor werving van bestuurders-rangering zou dateren van 5 september 2005; dat eveneens uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker reeds op 30 augustus 2005 een P103 overmaakte aan de verwerende partij waarin hij nadere uitleg vraagt over de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren en dat er bijgevolg terecht in de brief van 13 oktober 2005 wordt gesteld dat hij een antwoord is op de bedoelde Pl03 van 30 augustus; dat het middel niet ernstig is;
- Overwegende dat bij ontstentenis van ernstige middelen niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5117-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig februari 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5117-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.