id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.288 Rolnummer: A. 170307/VII-37489 Zaak: Arrest 155288 - - 20/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 10:16 Fiche Arrest nr 155.288 van 20 februari 2006 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.288 van 20 februari 2006 in de zaak A. 170.307/IX-
- In zake : de BVBA CARPE DIEM, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERDONCK, kantoor houdende te SINT-MICHIELS, Koning Albert I-laan 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA CARPE DIEM op 18 februari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 februari 2006 van het diensthoofd van de dienst Zeevisserij van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij het quotum voor het vissen van schol, waarover zij voor het eerste trimester van 2006 beschikt, wordt verminderd en waarbij haar visvergunning wordt ingetrokken voor een periode van 5 dagen vanaf 20 februari 2006; Gelet op de beschikking van 18 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2006, om 15.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VERDONCK, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verwerende partij niet ter terechtzitting vertegenwoordigd was; dat zij ook geen administratief dossier aan de Raad van State IX-5234-1/5 heeft laten geworden; dat de door de verzoekende partij overgelegde feitelijke gegevens voor waar worden aanvaard;
- Overwegende dat verzoekster eigenaar is van de boot Z 284 ‘Antonia Matruida’; dat die boot in de periode tussen 1 oktober 2005 en 31 december 2005 66.426 kg schol aangevoerd heeft vanuit ICES-gebieden II en IV terwijl er voor de genoemde periode een quotum van 53.250 kg beschikbaar was; dat de verwerende partij met het thans bestreden besluit, op grond van die overschrijding van het quotum “met bijna 25%”, tegen verzoekster twee maatregelen genomen heeft: enerzijds de vermindering van het quotum voor schol voor de periode van 1 januari tot 30 juni 2006 met 15.811 kg -gesteund op de vaststelling dat overeen- komstig artikel 12, § 5, van het ministerieel besluit van 17 december 2004 houdende tijdelijke aanvullende maatregelen tot het behoud van de visbestanden in zee de overschrijding van het quotum resulteert in de vermindering van het quotum voor de eerstvolgende periode met een getal dat overeenstemt met de overschrijding vermenigvuldigd met 1,2- en anderzijds de intrekking van de visvergunning van het vaartuig voor een periode van vijf opeenvolgende dagen, ingaande op de derde dag na de aanzegging van het besluit -gesteund op artikel 24 van hetzelfde ministerieel besluit van 17 december 2004; dat volgens verzoekster die aanzegging gebeurd is met een telefaxbericht van 17 februari 2006;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoer- legging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 4.
- Overwegende, wat de hoogdringendheid betreft, dat de bestreden intrekking van de visvergunning ingaat op 20 februari 2006 en dat zij over een periode van vijf dagen loopt; dat zulks, mede gelet op het nadeel dat de verzoekende partij uiteenzet, een beroep op de procedure bij hoogdringendheid rechtvaardigt; 4.2.
- Overwegende evenwel dat de Raad van State, rekening houdend met het minimaal onderzoek dat aan de zaak gegeven kan worden, er niet toe verplicht kan worden om samen met een uitspraak over de wettigheid van een bepaald onderdeel van een besluit ook uitspraak te doen over de wettigheid van een afsplitsbaar onderdeel van hetzelfde besluit dat voor de verzoekende partij geen IX-5234-2/5 onmiddellijke dreiging inhoudt, ook al maken beide deelbeslissingen formeel deel uit van een en hetzelfde besluit en al worden tegen beide deelbeslissingen dezelfde middelen aangevoerd; dat ook de omstandigheid dat verzoekster er aldus toe verplicht wordt twee vorderingen in te stellen, met name een vordering volgens de procedure bij hoogdringendheid tegen de intrekking van de vergunning en een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure tegen de vermindering van het quotum, die verplichting niet kan inhouden; 4.2.
- Overwegende dat in dit geval het bestreden besluit twee maatregelen bevat die aan de verzoekende partij worden opgelegd; dat de twee maatregelen elk een specifieke rechtsgrond hebben -artikel 12 van het ministerieel besluit van 17 december 2004 enerzijds, artikel 24 van hetzelfde besluit anderzijds-, dat de ene zonder de andere kan bestaan en dat het effect ervan in de tijd ook anders geregeld is: de intrekking van de vergunning loopt van 20 tot 24 februari 2006, de vermindering van het quotum geldt voor de vangsten in de eerste helft van 2006 en heeft dan ook slechts op het einde van die periode effect; 4.2.
- Overwegende dat verzoekster, wat de vermindering van haar vangstquotum betreft, stelt dat het nadeel volledig zal ondergaan zijn op 30 juni 2006 zodat een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen; dat de Raad van State die mening niet bijvalt, nu de gewone schorsingsprocedure het wel degelijk mogelijk maakt dat er tegen 30 juni 2006 een arrest wordt gewezen; 4.
- Overwegende dat het beroep op de procedure bij hoogdringend- heid dan ook enkel gerechtvaardigd is ten aanzien van de beslissing waarbij de vergunning van verzoekster wordt ingetrokken tussen 20 februari 2006 en 24 februari 2006; 5.
- Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekende partij verwijst naar het feit dat zij gedurende vijf dagen niet kan vissen, terwijl haar levensvatbaarheid in het gedrang is, aangezien zij een moeilijke periode achter de rug heeft -hoge brandstofkosten; dringende herstellingen- die zelfs geleid heeft tot een “handelsonderzoek” door de rechtbank van koophandel te Oostende; dat de desbetreffende wettelijke voorwaarde vervuld is; 6.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 26 van het ministerieel besluit van 17 december 2004 doordat de verwerende partij haar op 17 februari 2006 een visverbod oplegt maar dat IX-5234-3/5 dergelijk verbod, dat steunt op artikel 24 van hetzelfde besluit, onregelmatig is aangezien die bepaling buiten werking getreden is op 31 december 2005; 6.
- Overwegende dat artikel 26 van het ministerieel besluit van 17 december 2004 bepaalt dat het besluit in werking treedt op 1 januari 2005 en dat het buiten werking treedt op 31 december 2005 om 24 uur, met uitzondering van de artikelen 6, 8, 12, 16, 20bis, 20ter en 22; dat in dit geval het bestreden visverbod aan de verzoekende partij steunt op artikel 24 van het besluit; dat die bepaling sinds 1 januari 2006 geen uitwerking meer heeft en dat zij aldus aan de verwerende partij ook geen rechtsgrond biedt voor de bestreden intrekking van de visvergunning; dat, voor zover de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging zicht kan krijgen op de reglementering, geen andere reglementaire bepaling de verwerende partij toelaat om in 2006 aan inbreuken, gepleegd of vastgesteld in 2005, een maatregel van visverbod te koppelen; dat immers, zo de tijdelijke beslissingen, waarmee de verwerende partij de visquota voor het jaar 2006 geregeld heeft, ook in de mogelijkheid voorzien om in geval van overtreding de vergunning in te trekken, de desbetreffende bepalingen duidelijk beperkt zijn tot overtreding van de quota voorzien in die besluiten zelf, te weten de quota voor het jaar 2006, zonder nog te verwijzen naar de overtreding van de quota voor het jaar 2005; dat het middel ernstig is, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 februari 2006 van het diensthoofd van de dienst Zeevisserij van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in de mate dat de visvergunning van de BVBA CARPE DIEM wordt ingetrokken van 20 tot 24 februari
- Artikel
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
- IX-5234-4/5 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig februari 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5234-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.288 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.415 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.