← België

Arrest 155355 - - 21/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.355 Rolnummer: A. 127245/XIV-11863 Zaak: Arrest 155355 - - 21/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 10:22 Fiche Arrest nr 155.355 van 21 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.355 van 21 februari 2006 in de zaak A. 127.245/XIV-11.

  1. In zake : XXX, wonende te 2018 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 25 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 augustus 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.863-1/11 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat M. DRIESSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Angolese nationaliteit, komt op 8 oktober 2001 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 3 mei 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 14 mei 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 3 juni 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, dat “kennelijk ongegrond voorkomt”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
  7. Op de zitting van 21 juni 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat F. PEELS, gehoord. 1.
  8. Op 22 augustus 2002 neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. XIV-11.863-2/11 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de aanvraag van de echtgenote van appellant Joana Elisabeth (VB 02-0820B) gesteund is op dezelfde feiten als deze van appellant; dat gelet op de verknochtheid van deze aanvragen het past beide verzoeken samen te behandelen; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat: ‘Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal op 8 april 2002 bezit u de Angolese nationaliteit en behoort u tot de Bakongo-etnie. In 1991 werd u lid van de UNITA (unão National para a Independencia Total de Angola) en begon u te werken als ‘chef van de propaganda en mobilisatie en van de diamantproductie' in het dorp Shamuhondo (Lunda Sul). In 1995 huwde u met J. E. waarmee u in 1996 en in 1998 twee kinderen kreeg. Uw gezin woonde in Luanda en u ging hen regelmatig bezoeken. In januari 2001 werd het gebied waar u werkte in het kader van de operatie 'Restauro' door de regeringstroepen aangevallen en moest u vluchten. U ging eerst naar Saurimo (Lunda Sul) en nam vandaar het vliegtuig naar Luanda. In mei 2001 vertrok u dan naar Lucapa (Lunda Norte) in de hoop opnieuw in de diamantsector werk te vinden. Op 1 juni 2001 begon u te werken voor een Zuid-Afrikaans diamantbedrijf in de mijnen van Luwo (Lunda Norte), een gebied in handen van het regeringsleger. Op 21 september 2001 werd u bij de chef van de juridische dienst van het bedrijf geroepen. Nadat u uw identiteitskaart en werkpasje had afgegeven, werd u gevraagd waar u voordien gewerkt had. U antwoordde dat u in Luanda goederen op de markt had verkocht maar de chef leek u niet te geloven. U kreeg te horen dat u zich op maandag opnieuw moest aanmelden en dat uw documenten zolang in beslag werden genomen. Die avond ging u langs bij het hoofd van de Human Resources van het bedrijf in de hoop te weten te komen wat er aan de hand was. Zo vernam u dat bepaalde personen u herkend hadden en verklaard hadden dat u voordien voor de UNITA gewerkt had. De staatsveiligheid zou ingeschakeld worden en u zou berecht worden. Omdat u niet in de handen van de regering wou vallen, vluchtte u op 22 september 2001 te voet naar Lucapa, waar u gedurende één week bij een vriend ondergedoken bleef. Op 30 september 2001 vloog u met een Russisch Antonov-vliegtuig van Lucapa naar Luanda. Daar ging u uw broer opzoeken en vernam u dat onbekenden bij uw echtgenote waren langsgekomen om naar u te informeren. Uw echtgenote was naar het huis van haar moeder gevlucht en kwam nu ook naar uw broer. Er werd besloten dat de situatie voor u te gevaarlijk geworden was en dat u beter het land kon verlaten. Op 7 oktober 2001 reisde u samen met uw echtgenote en een minderjarig kind per vliegtuig naar België, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van enig document om uw identiteit te staven. Niettegenstaande de Dienst Vreemdelingenzaken uw aanvraag ontvankelijk verklaarde, dient na onderzoek ten gronde te worden vastgesteld dat uw relaas geen elementen bevat die een vrees voor vervolging volgens de criteria van de Geneefse Vluchtelingenconventie kunnen verrechtvaardig(d)en. Zo dient vooreerst opgemerkt te worden dat uw verklaringen, afgelegd op het Commissariaat-generaal niet volledig overeenstemmen met de verklaringen van uw echtgenote, eveneens afgelegd op het Commissariaat-generaal. Zo verklaart u dat u na uw onderhoud met de chef van de juridische dienst van de SPM naar het huis van het hoofd van de Human Resources van het bedrijf ging, dat u daar hoorde dat uw vroegere werkzaamheden voor de UNITA ontdekt waren, dat u berecht zou worden en dat u daarop te voet naar Lucapa vluchtte (p.3) en vermeldt u helemaal niets over een verblijf in noch een ontsnapping uit een gevangenis. Nochtans verklaart uw echtgenote dat u in Luwo gevangen genomen was, dat u in de gevangenis zat, dat uw chef u hielp uit de gevangenis te ontsnappen en dat u daarop naar Lucapa vluchtte (verhoorverslag Commissariaat-generaal Joana Elisabeth, p.3). Vervolgens dient erop gewezen te worden dat uw verklaringen betreffende 'Operatie Restauro' alsook de aanval op Shamuhondo niet overeenstemmen met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt U beweert immers dat de ‘Operatie Restauro’, in januari 2001 door de Angolese regering gelanceerd werd, dat Shamuhondo van 1991 tot januari 2001 onafgebroken in handen van de UNITA was en pas rond 20-25januari 2001 door de regeringstroepen XIV-11.863-3/11 werd aangevallen (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 25/10/'01, vraag 42 & Commissariaat-generaal p. 6) Nochtans blijft uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat 'Operatie Restauro' in september 1999 door de Angolese regering werd gelanceerd en reeds beëindigd werd in de loop van januari
  9. Bovendien herwon de Angolese regering gedurende deze operatie de controle over bijna 90% van het territorium en werd er in de uitgebreide opzoekingen uitgevoerd door de researchers van het Commissariaat-generaal geen enkele informatie teruggevonden over een plaats genaamd Shamuhondo noch over aanvallen aldaar (zie informatie Cedoca in administratief dossier) Het is dan ook bijzonder onwaarschijnlijk dat Shamuhondo in het kader van 'Operatie Restauro' in januari 2001 werd aangevallen. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat er in de uitgebreide opzoekingen uitgevoerd door de researchers van het Commissariaat-generaal geen enkele informatie teruggevonden werd over een Zuid-Afrikaans diamantbedrijf met de naam SPM (Sociedade de Produção Mineira). Bovenstaande vaststellingen, in combinatie met de bedrieglijke aard van de verklaringen afgelegd door uw echtgenote (zie beslissing Joana Elisabeth, 01/25221B), ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen zodanig dat er geen verder geloof meer kan gehecht worden aan uw asielrelaas. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (foto’s van uzelf in Shamuhondo en Luwo, informatie over Savimbi) wijzigen hetgeen hierboven uiteengezet werd niet. De foto’s hebben immers geen objectieve bewijskracht voor uw asielrelaas en de informatie over Savimbi wordt hier niet betwist. Uit het bovenstaande kan niet besloten worden dat u uw land verlaten hebt en ervan verwijderd wil blijven uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, lid 2 van de Vluchtelingenconventie van Genève van 28 juli1951.” Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling coherent en consistent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die een poging moet ondernemen om in de mate van het mogelijke bewijselementen neer te leggen teneinde zijn relaas te staven; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dienaangaande dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des Procédures et Critères à appliquer pour déterminer le Statut de Réfugié Genève, januari 1992, p. 53); dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing (R.v.St., Munsiensi, nr.46.530, 16 maart 1994; zie eveneens FERNHOUT, R., Erkenning en toelating als vluchteling in Nederland Kluwer, Deventer, 1990, p.76, nr. 95 ; HATHAWAY, J.C., The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 74-75); dat deze stelling voortvloeit uit de definitie van vluchteling, zoals geformuleerd in het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, waarin het criterium "gegronde vrees voor vervolging" het wezenlijke is; dat determinerend is bij onderzoek van dit criterium of appellant thans een toevluchtsoord nodig heeft voor een te verwachten risico van vervolging in zijn land van oorsprong; Overwegende dat uit de informatie waarover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen beschikt, blijkt dat de burgeroorlog in Angola in september 1994 aan de onderhandelingstafel het voorwerp uitmaakte van de akkoorden van Lusaka; dat hierin in grote lijnen overeengekomen werd dat Unita zou ontwapenen en gebieden zou teruggeven; dat de toestand verbeterde en Unita een aanzienlijk aantal volksvertegenwoordigers kreeg

(70); dat Unita op 9 april 1997 tot de regering toetrad met vier ministerportefeuilles en zeven vice-ministers; dat echter Unita weigerde een aantal gebieden terug te geven, waardoor de spanning aanzienlijk steeg en de reeds vermelde volksvertegenwoordigers uit hun mandaat werden geschorst; dat er zich in het najaar van 1998 een scheuring voordeed binnen Unita, waarbij de Unita-Renovada werd opgericht; dat deze laatste fractie geneigd was de akkoorden te respecteren; Overwegende dat op 22 februari 2002 de leider van Unita Jonas Savimbi werd gedood in een vuurgevecht met het Angolese leger; dat de Angolese regering op 13 maart 2002 een vredesplan bekend maakte en er een bestand volgde met Unita; dat een officieel staakt-het-vuren volgde op 4 april 2002 en Unita massaal haar wapens inleverde; dat de veiligheidssituatie aanzienlijk is verbeterd volgens de recente rapporten (aanvullend XIV-11.863-4/11 ambtsbericht op het Algemeen Ambtsbericht Angola-situatie in verband met asielprocedures dd 13/02/2002, Minbuza Nederland, 17 april 2002);dat volgens het UNHCR de recente vrede onomkeerbaar is en dat zij de repatriering organiseert (17 juni 2002- www.unhcr.ch - Peace in Luanda is irreversible); Overwegende dat appellant ter zitting stelt dat deze nieuwe gewijzigde situatie slechts een schijnsituatie betreft; dat Unita weliswaar ontwapent, maar het boos gevoel binnen de mensen blijft; dat appellant verwijst naar de tijdschriften die hij in dit verband neerlegt; dat hieraan geen objectieve waarde kan gehecht worden; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verwijst naar de reeds eerder geciteerde rapporten; Overwegende dat de appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Biongo Domingos de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, verzoeker het volgende aanvoert: “Doordat, de VBC stelt dat 'de Angolese regering op 13 maart 2002 een vredesplan bekend maakte en er een bestand volgde met Unita; dat een officieel staakt-het-vuren volgde op 4 april 2002 en Unita massaal haar wapens inleverde; dat de veiligheidssituatie aanzienlijk is verbeterd volgens de recente rapporten (aa(n)vullend ambtsbericht op het Algemeen Ambtsberch(i)t' Angola situatie in verband met asielprocedures ' dd 13/02/2002, Minbuza Nederland, 17 april 2002); dat volgens het UNHCR de recente vrede onomkeerbaar is en dat zij de repatriëring organiseert (17 juni 2002 - www.unhcr.ch - Peace in Luande is irreversible)'; [paragraaf 1] Overwegende dat appellant ter zitting stelt dat deze nieuwe gewijzigde situatie slechts een schijnsituatie betreft; dat Unita ontwapent, maar het boos gevoel binnen de mensen blijft; dat appellant verwijst naar de tijdschriften die hij in dit verband neerlegt; dat hieraan geen objectieve waarde kan gehecht worden; dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verwijst naar de reeds eerder geciteerde rapporten. [paragraaf 2] Terwijl, ten eerste , wel degelijk een boos gevoel leeft binnen de mensen. Dat de VBC door anders te oordelen, de feiten schendt; Dat de VBC ten onrechte de artikels weert die door verzoeker werden neergelegd; dat die artikels de werkelijkheid in Angola aangeven; Dat door louter te zeggen dat die artikels niet objectief zijn, dit geen afbreuk doet aan de waarheidsgetrouwheid van de artikels. Dat ook subjectieve artikels met de werkelij(k)heid kunnen overeenstemmen. Dat de VBC hierin de motiveringsplicht schendt. Dat de door de VBC aangebrachte artikels enkel spreken over de vredesakkoorden op nationaal politiek en militair vlak; dat verzoeker tijdens haar mondelinge uiteenzetting voor de VBC spreekt over vrede op sociaal en lokaal vlak tussen de bevol(k)ings- groepen. Dat derhalve de door de VBC geciteerde artikels de artikels van verzoeker niet tegenspreken; dat de VBC ten onrechte de argumenten van verzoeker verwerpt door te verwijzen naar de door de VBC geciteerde artikels. Dat de VBC hierin de motiveringsplicht schendt. Dat de Unita decennialang een terreurbewind voerde. Dat daarbij duizenden onder het geweer van de Unita zijn omgekomen; dat militaire en politieke vredesakko(o)rden de boze gevoelens die die moorden bij de bevolking hebben opgewekt, niet plotsklaps doen verdwijnen. XIV-11.863-5/11 Dat een vredesproces op politiek niveau, niet betekent dat in alle geledingen van de Angolese maatschappij vrede heerst. Dat de gewone bevolking terug naar elkaar toe moet groeien; dat dit het proces van 'reconciliatie' heet; dat dit proces tijd vergt; dat die reconciliatie op sociaal en lokaal niveau niet tezamen loopt, en niet tezamen voltooid is, met de reconciliatie op nationaal politiek en militair niveau. Dat dit proces van reconciliatie lege is in landen waarbij burgertwisten op politiek en militair niveau worden beëindigd, zie bijvoorbeeld de reconciliatieprocedures in Zuid- Afrika, ex-yougoslavië, Rwanda, Burundi, etc. Dat de reconciliatie die nu moet volgen in Angola, in zovele woorden is beschreven in de internationale pers; De hierna geciteerde passages geven aan dat het nu, na het sluiten van de vredesakkoorden, tijd is voor reconciliatie (verzoening) tussen de Angolese bevolkingsgroepen; dat dit per definitie inhoudt dat er boze gevoelens zijn; dat anders reconciliatie niet nodig zou zijn. “Tomorrow the formal signing of the Luena memorandum will take place, which will allow us to say, with great joy, that war in Angola is over and peace has come forever. Before the silence of guns, I am appealing to all Angolans without distinction to fully share the Peace. For this to happen it is necessary that each of us and all of us be able to pardon and forget, that is to move away the feelings of hatred and revenge, which will never contribute for the construction of a worthier and fairer world for the Angolan people. Each community, each family, each individual should cultivate serenity and constructive attitudes. It is imperative that each one looks at the past with wisdom, with humbleness of someone willing to learn with the mistakes, respecting the other. Those who indeed love peace have to know how to forgive and reconcile with the neighbo(u)r, thus contributing for a real, solid union of Angolans... ... The advent of peace and ongoing reconciliation increases the responsibilities of all Angolans ... May the road for Peace and reconciliation now started in Angola serve as example and encouraging to a peaceful resolution of armed conflicts which still last in other parts of Africa and of the world. ... Long live peace and national reconciliation' (Address to the nation by the president of the republic of Angola, his excellency mr. José Eduardo dos santos, dd. 3 april 2002 - http://www.angola.org/referenc/speeches/dossantosO50201E.html) ACT [Action by churches together] is making it possible for local pastors and church leaders in the war-torn eastern provinces to be trained by the United Nations as human rights counselors, and seminars on peace and reconciliation are planned in cooperation with local church leaders and traditional village authorities. ACT is also supporting the work of the Interchurch committee for Peace in Angola, an ecumenical group seeking to provide Angola's churches with participation in the national debate about the country's post-war future. 'It's much easier to distribute food and blankets, but this work of building peace and reconciliation is extremely important,' said Carl Von Seth, the Lutheran World Federation /ACT representative in Angola' One of the reasons that past cease-fires didn't succeed was that no one was speaking up about human rights violations' ('Churches confront post-war Angola's humanitarian crisis', dd. 23 juli 2002. http://gbgm-unic.org/umcor/emergency/angolachurches.cfm) After decades of war, Angola is struggling to make peace with itself. Yet in the wake of a war in which brutality often took precedence over rights, constructing a culture of peace and mutual respect will take a while. Reconciliation won't be easy. (Churches help make peace a reality in post-war Angola, dd. 29 juli 2002 - http:// umns.umc.org/02/July/329.htm) 'I would like to commend the government of Angola and Unita for demonstrating true commitment to peace in the last six months. You have made a promising start. And now, for peace to hold reconciliation to be achieved and for hope to return, both the government and Unita must reach out to all concerned Angolans in search of deep reconciliation' ... Reconciliation will not be easy, but it must begin now... ' XIV-11.863-6/11 (rede Secretary of State, Colin Powell bij zijn bezoek aan Angola begin september 2002; zie vb. 'Angola: Powell calls for real reconciliation', dd. 5 sept. 2002 http://www.reliefweb.int) Among the obligations entered into by the government in signing the memorandum of Understanding on 4 april, was that the demobilised [unita-soldaten] are to be protected, housed and fed in training centers, ... ('Demobilisation committee to take over', dd. 02 aug. 2002 http://www.actsa.org/Angola/apm/apm0811.htm - eigen onderlijning) 'Le gouvernement [angolais] doit permettre aux partis politiques de s'organiser et, surtout, de s'exprimer en tant que partis à part entière. C'est cela, la conrepartie. Il ne s'agit pas simplement de nommer trois gouverneurs, six ambassadeurs et une dizaine d 'administration municipaux. Il faut aller plus loin pour que la paix militaire, signée le 4 av(r)il, conduise à la paix civile, à la paix sociale, à une véritable réconciliation nationale. ... L'Antagonisme entre l'Unita et le MPLA date de la fondation de notre mouvement [unita], en 1966. L'exclusion a commencé à cette date. On nous disait : 'on vous combat parce que vous êtes la créature de l'état portugais.’ Ce à quoi nous répondions: il ne faut pas nous exclure, nous voulons apporter notre contribution à la lutte de libération nationale.' Les rapports entre le MPLA et l'Unita sont toujours caractérisés par la haine qui engendre forcément la violence. ... Nous sommes prêts à dialoguer. Mais les gens du gouvernements pensent que maintenant que l'accord est signé, on encaserne, on désarme, et après ce sera la démobilisation. Est-ce la paix? Non, c'est plutôt l'absence de la guerre.' (Paul Lukamba 'Gato', voorzitter van de politieke vleugel van Unita, in l'autre Afrique, 2002, n/ 25 (31 juli 2002 - 3 september 2002), p. 24-27 - eigen onderlijning) Dat, samengevat, de VBC haar beslissing niet deugdelijk motiveert door te oordelen dat thans geen boze gevoelens tussen de Angolese bevolking leeft. Terwijl, ten tweede, de VBC, uit de door haar aangebrachte artikels, afleidt dat de situatie in Angola ook voor verzoeker veilig is. Dat de VBC immers voorhoudt dat geen bewijs voorligt dat verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging waarvoor hij de bescherming van de Angolese overheid niet kan of niet wil inroepen. Dat de VBC, door in de artikels te lezen dat de situatie in Angola ook voor verzoeker veilig is, de feiten in de door haar aangebrachte artikels verkeerd kwalificeert; Dat de door de VBC aangebrachte artikels enkel spreken over de terugleiding ('repatriation') van vluchtelingen ('refugees') naar Angola; volgens de artikels kan de repatriëring naar Angola worden aangevat van de duizenden vluchtelingen in de onomliggende kampen; immers, er wordt geen gewapende strijd meer gevoerd tussen de m.p.l.a. en de Unita in het woongebied van die vluchtelingen; de vluchtelingen waarvan sprake in de artikels van de VBC betreffen de burgers die woonden in de gebieden waar de gevechten plaats vonden; zij vluchtten om te ontkomen aan het oorlogsgeweld. Verzoeker is geen vluchteling in de zin van die artikels; hij is een UNITA-lid dat gevlucht is om aan de sancties van de Angolese overheid te ontsnappen. Uit de door de VBC voorgebrachte artikels kan niet worden afgeleid dat het voor verzoeker veilig is te worden gerepatrieerd naar Angola. Dat de artikels die door de VBC worden aangebracht hoopvol zijn; doch dat zij met vele voorbehouden zijn geformuleerd; Dat de VBC de artikels verkeerd kwalificeert, indien zij zich daarop baseert om te oordelen dat verzoeker kan gerepatrieerd worden. Het artikel van de UNHCR spreekt enkel over: The peace process seems to be irreversible this time ... The conditions are precarious and do not exist for a large scale repatriation process .... Morjane said the political goodwill shown now should be followed with effective reconciliation. Dat er daarentegen toch nog veel wantrouwen heerst over het definitieve karakter van het vredesproces. Dat het blijvend karakter van de vrede nog af te wachten is; men XIV-11.863-7/11 denke daarbij aan de vorige vredesakkoorden die gesloten en verbroken werden in 1985, 1991 en 1994. Door het blijvend karakter van het vredesproces als onvoorwaardelijk uitgangspunt te gebruiken, is de VBC voorbarig en schendt zij de teneur van de door haar aangebrachte artikels. 'The two sides also pledged to resume compliance with the terms of a U.N. brokered 1994 peace accord which collapsed almost four years ago. However, the foes must overcome lingering mistrust and disputes over the extent of power-sharing which have thwarted previous attempts to secure a long-term settlement.’ Elizabeth Sidirpoulos of South Africa's Institute for International Affairs said 'a sense of skepticism' about a possible peace accord is inevitable after deals signed in 1975, 1991 and 1994 collapsed.' (Angolan government, rebels sign cease-fire deal, search for peace settlement, dd 4 april 2002 - www.unhcr.ch - eigen onderlijning) 'Angola's peace process suffered a setback as thousands of Unita rebels fled demobilization camps to avoid starvation, threatening to spark a new wave of instability...' (Angola: Blow to peace process as rebels flee demobilization camps to avoid starvation, dd. 15 juni 2002 - www. unhcr.
  1. ch)'Si aux dires des officiers de l'Unita eux-mêmes, il reste encore quelques milliers de militaires de l'organisation [unita] qui ne sont pas rendus dans les camps créés à cet effet, parfois pour des raisons logistiques, mais aussi par méfiance, on considère généralement l'opération de démobilisation des rebelles comme un succès' (Les batailles de l'après-guerre, in Afrique Asie, n/ 156 (september 2002), p. 52 - eigen onderlijning) Dat de VBC de werkelijkheid geweld aandoet; dat het vredesproces gaande is, doch dat zij niet onvoorwaardelijk is; dat de VBC dit echter voorhoudt; dat zij immers van oordeel is dat de situatie voor verzoeker in zijn thuisland veilig is; dat de VBC derhalve de feiten verkeerd kwalificeert. Doordat, ten tweede de VBC stelt dat 'appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1 par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28juli 1951'. [paragraaf 3] Terwijl, ten eerste de VBC [paragraaf 3] baseert op [paragraaf 1] en [paragraaf 2]; dat de VBC de feiten van [1] en [2] verkeerd heeft gekwalificeerd; dat zij zich nochtans beroept op die verkeerde kwalificatie om te komen tot [3]; Dat zij daardoor haar beslissing ondeugelijk motiveert. Dat de VBC er immers van uit gaat dat de situatie in Angola dusdanig is dat repatriëring voor verzoeker kan aanvangen; dat de VBC, door die situatie als de huidige situatie in Angola te beschouwen, niet deugdelijk kan oordelen dat verzoeker niet het bewijs levert dat hij geen bescherming kan of wil inroepen van de Angolese overheid. Dat er interne spanningen leven onder de Angolese bevolking; dat door die interne spanningen het leven en de fysieke integriteit van verzoeker in gevaar kunnen komen; dat de VBC hiermee geen rekening houdt. Dat verzoeker mikpunt kan worden van wraakacties; dat de Angolese overheid hiertegen machteloos staat; dat onmogelijk elke vorm van represailles tegen (ex)-unita leden kan worden voorkomen; dat het onrealistisch is het tegendeel te beweren. Dat politieke goodwill op nationaal niveau niet per se, noch onmiddellijk, tot bij de lokale bevolking doordringt of kan overtuigen; dat verklaringen en goede intenties op nationaal, politiek en militair vlak de boze gevoelens niet wegneemt; dat hiertoe enkel kan worden opgeroepen. Dat de VBC verkeerdelijk voorhoudt dat geen boze gevoelens leven bij de Angolese bevolking; dat zij derhalve in haar oordeel dat verzoeker geen bewijs levert dat hij de bescherming van de Angolese overheid niet kan of niet wil inroepen, met die boze gevoelens geen rekening heeft gehouden; dat echter ten eerste, die boze gevoelens aanwezig zijn, en dat ten tweede, de Angolese overheid onmogelijk kan verhinderen dat verzoeker hiervan het slachtoffer zou worden. Dat de realiteit noopt vast te stellen dat verzoekers veiligheid niet gegarandeerd is. Dat verzoeker onmogelijk de bescherming van de Angolese overheid kan inroepen tegen elke wraakactie van de bevol(k)ing tegen zijn persoon. XIV-11.863-8/11 Dat de VBC geen rekening houdt met de realiteit. Dat de VBC derhalve haar beslissing ondeugdelijk motiveert door te zeggen dat geen bewijs voorligt. Dat bovendien, de VBC in haar beslissing ontkent, noch betwist dat verzoeker leidinggevende activiteiten uitoefende voor UNITA. Dat men, zoals gezegd, uit [paragraaf 3] niet kan afleiden dat de VBC het relaas van verzoeker betreffende zijn activiteiten voor UNITA ongeloofwaardig vindt. Dat de VBC zich enkel uitspreekt over de al of niet aanwezigheid van 'bewijs'; dat die vraag los staat van de vraag naar de geloofwaardigheid van de verklaringen; dat de VBC dit zelf in haar beslissing aangeeft (zie p. 4, met verwijzing naar UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugie) Dat bijgevolg mag worden aangenomen dat de VBC aanvaardt dat verzoeker als verantwoordelijke actief was bij UNITA. In het licht daarvan, kan de VBC niet rechtmatig beslissen dat geen bewijs voorligt dat verzoeker geen bescherming kon of wilde inroepen van de Angolese overheid. Dat alsdusdanig zijn hoedanigheid van (ex)- Unita-lid vaststaat. Men kent het lot dat vele leidinggevende personen bij UNITA heeft opgewacht. Zij werden gedood of vervolgd door de Angolese overheid (de regeringspartij m.p.l.a.). Sinds de vredesakkoorden van 4 april 2002 tussen de m.p.l.a. en UNITA is er weliswaar opmerkelijk beterschap; de weg naar vrede in Angola is realistisch; het is echter niet realistisch te verwachten dat partijen eensklaps hun wantrouwen jegens de andere overboord gooien. Voorzichtigheid en scepticisme bij de huidige situatie blijven geboden (zie citaten boven). Dat de VBC daarentegen voorhoudt dat verzoeker veilig is (
  2. in)Angola, althans dat hij de bescherming van de Angolese overheid kan inroepen, en zal kunnen blijven inroepen. Dat dit echter niet vaststaat, noch uit de door de VBC aang(e)haalde artikels kan worden afgeleid. Dat de VBC derhalve haar beslissing niet deugdelijk motiveert.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur" doordat wordt verwezen naar internationale rapporten en de commissie geen waarde hecht aan de informatie die verzoeker overmaakt, Terwijl Eerste onderdeel, er wel degelijk een boos gevoel leeft bij de mensen. Verzoeker gaat ervan uit dat een vredesproces op politiek niveau niet betekent dat in alle geledingen van de Angolese maatschappij vrede heerst en citeert, om dat aan te tonen teksten die uit internet publicaties worden geplukt. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het evident is dat het vredesproces van lange duur zal zijn. Er anders over oordelen zou getuigen van gebrek aan realisme. Anderzijds blijkt uit geen enkele tekst die verzoeker voorlegt, als zou hij niet de bescherming van zijn land van herkomst kunnen inroepen in de zin van de Geneefse conventie. Nog minder toont hij aan als zou hij enige vervolging moeten vrezen. Tweede onderdeel, er een verkeerde interpretatie plaats had van de feiten die in de door de vaste beroepscommissie voorgestelde artikels worden aangebracht. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat gezien het asielrelaas van verzoeker niet als geloofwaardig wordt bevonden door de vaste beroepscommissie, er evenmin moet worden van uitgegaan als zou verzoeker als verantwoordelijke actief zijn geweest bij de Unita. Verzoeker bewijst dat feit immers niet op basis van materiële bewijsvoering, met als gevolg dat ook de bewering omtrent het lidmaatschap, laat staan de rol bij Unita, niet aannemelijk is. De uiteenzetting omtrent de vrees die verzoeker zou koesteren in die niet bewezen hoedanigheid kan dan ook geen invloed hebben op de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Het tweede middel mist iedere grond.”; XIV-11.863-9/11 2.3. Overwegende dat verzoeker repliceert : “III.1 tweede middel, eerste onderdeel De VBC ontkent in de bestreden beslissing dat een boos gevoel leeft bij de mensen. Zij steunt zich hiervoor op welbepaalde rapporten, die zij citeert, waarin echter het 'boos gevoel' bij de Angolese bevolking niet wordt behandeld. Het boze gevoel is nochtans onmiskenbaar. Pikant detail: in haar memorie van antwoord, beschouwt de verwerende partij de spanningen tussen de mensen als een evidentie (memorie van antwoord, pag. 5) Een en ander gaat uiteraard niet op. De rapporten zijn irrelevant voor de situatie waarnaar verzoekende partij verwijst (met name, de haat die op lokaal en individueel vlak blijft bestaan). Bijgevolg schendt de VBC, daar waar zij verwijst naar de betreffende rapporten teneinde de stelling van verzoekende partij betreffende het 'boze gevoel' te ontkrachten, de materiële motiveringsplicht. III.2. tweede middel, tweede onderdeel De VBC besluit dat verzoekende partij niet bewijst dat zij thans - op het ogenblik van de beslissing van de VBC - een gegronde vrees heeft voor vervolging. De VBC beoordeelt de bewijsmiddelen die door verzoekende partij worden voorgebracht, in het licht van haar overweging dat Angola thans een veilige plaats is. In voorgaande paragrafen en in het inleidende verzoekschrift, heeft verzoekende partij echter aangetoond dat dat niet zo is/ dat er wel nog intense spanningen leven tussen de Angolese bevolking -. Bijgevolg schendt de VBC de motiveringsplicht, daar waar zij besluit dat de verzoekende partij geen bewijs levert van gegronde vrees, terwijl een van de premissen waarop zij die beslissing steunt - met name, het veilig is/ er geen spanningen leven tussen de bevolking -, kennelijk verkeerd is.”; 2.4. Overwegende dat ter zitting verzoeker, onder verwijzing naar een aantal tijdschriften in dit verband, betoogde dat de Unita weliswaar ontwapent, doch dat het boos gevoel binnen de mensen blijft; dat, om verzoekers beroep te verwerpen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich beperkt tot de verwijzing “naar de reeds eerder geciteerde rapporten”, waaruit blijkt “dat de Angolese regering op 13 maart 2002 een vredesplan bekend maakte en er een bestand volgde met Unita”, “een officieel staakt-het- vuren volgde”, “de veiligheidssituatie aanzienlijk is verbeterd volgens de recente rapporten” en “dat volgens het UNHCR de recente vrede onomkeerbaar is en dat zij de repatriëring organiseert”; dat noch deze in volstrekt algemene bewoordingen gestelde motivering, noch de nadere lezing van de geciteerde bronnen het de Raad van State mogelijk maakt om na te gaan of verzoekers betoog in aanmerking is genomen en om de redenen waarom er geen rekening mee is gehouden op hun wettigheid te toetsen; dat uit de bestreden beslissing niet genoegzaam blijkt om welke redenen verzoekers stelling werd verworpen; dat het tweede middel gegrond is, XIV-11.863-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 22 augustus 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandstalige Kamer, waarbij wordt geweigerd verzoeker als vluchteling te erkennen. Artikel 2. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel 3. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.863-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.