id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.356 Rolnummer: A. 137824/XIV-15507 Zaak: Arrest 155356 - - 21/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 10:23 Fiche Arrest nr 155.356 van 21 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.356 van 21 februari 2006 in de zaak A. 137.824/XIV-15.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat V. MUYSERS, kantoor houdende te 3600 GENK, Sint-Lodewijkstraat 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 12 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 1 april 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op het arrest nr. 131.782 van 26 mei 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-15.507-1/13 Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. MUYSERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Albanese nationaliteit, komt op 21 februari 2002 België binnen en vraagt op 22 februari 2002 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 22 november 2002 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 4 december 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 1 april 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat G. MULLENS, gehoord. 1.
- Op 1 april 2003 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. XIV-15.507-2/13 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat (dat) de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: ‘U werd verhoord op 18 september 2002 en 16 oktober 2002 op de zetel van het Commissariaat- generaal in het bijzijn van een tolk die de Albanese taal machtig is en in aanwezigheid van uw advocaat, Mr. Mullens. U kwam in België aan op 21 februari 2002 en u vroeg hier op 22 februari 2002 asiel aan. U bent in het bezit van een identiteitskaart; een certificaat van familiesamenstelling; een huwelijksakte en een geboorteakte; drie geboorteatkes(aktes) van uw echtgenote en kinderen en attesten mbt tot het overlijden van uw vader. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: twee politiebadges; uw diploma van de politieacademie, uitgereikt in Tirana op 27 september 2001; een attest van het militair hospitaal van Tirana, dd. 24 december 2001; een attest, dd. 20 december 2001, van het directoraat van de politie in het departement Tirana; een artikel uit de krant EuroAlbania van februari 2002, over de problemen die u kende met A. A. tijdens de verkiezingen van 2001 en een anonieme dreigbrief, gedateerd op 25.12.
- Volgens uw verklaringen zou u de Albanese nationaliteit hebben en woonachtig zijn geweest in Tirana. In februari 1992 zou u beginnen werken zijn als politieagent, eerst als commandant die instond voor de veiligheid van het gebouw van het Ministerie van Openbare Orde en later, vanaf 1995, als begeleider van geldtransporten. In 1995 zou u tevens uw studies aan de politieacademie aangevangen hebben, die u in september 2001 met succes beëindigde. Op 24 juni 2001, de dag van de verkiezingen, zou u als politieagent ingeschakeld zijn in het kiesbureau nummer 34 van Tirana. Na de sluiting van de stembusgang zou A. A., de kandidaat voor de Socialistische Partij in deze zone, langsgekomen zijn. Hij zou, tegen elke regel in, het kiesbureau willen betreden hebben. U zou dit toen belet hebben, waarna hij en zijn medestanders u zouden beledigd en bedreigd hebben. Na enige tijd, en na tussenkomst van leden van de kiescommissie, zouden ze vertrokken zijn. U zou de volgende dag bij aankomst op uw werk te horen hebben gekregen dat u ontslagen was. Er zou u hiervoor geen enkele reden meegedeeld zijn. U vermoedt evenwel dat A. A. hier voor iets tussenzit. Hij zou namelijk nauwe politieke banden hebben met Spartak Poci, de minister van Openbare Orde. Nog diezelfde dag zou u samen met een vriend/politieagent naar het directoraat van de politie van het arrondissement Tirana - een orgaan van het Ministerie van Openbare Orde dat toekijkt op de naleving van de regels in de politiekantoren van Tirana - zijn gegaan om er beroep tegen uw ontslag aan te tekenen. Van de officier van wacht zou u toen te horen hebben gekregen dat u de volgende dag diende terug te komen en dat u dan zou geholpen worden. Op 26 juni 2001 begaf u zich wederom, in aanwezigheid van dezelfde vriend die in uniform was, naar het directoraat. U passeerde de controlepost en kreeg van de aanwezige officier aan het onthaal te horen dat u eventjes diende te wachten op de koer van het directoraat. Plots zouden vijf onbekende gewapende personen in burger, die daar ook waren, naar u toegestapt zijn. U zou door hen lastiggevallen zijn. Vervolgens zouden ze u, gedurende misschien wel een half uur, geslagen hebben tot u het bewustzijn verloor. Uw vriend in uniform en de officier van het onthaal zouden u tevergeefs proberen helpen hebben. Ze zouden evenwel niet tegen deze personen opgewassen zijn geweest. Volgens u waren uw belagers politieagenten, aangezien ze gewapend waren en zich bevonden in een orgaan van het Ministerie van Openbare Orde. Anders zouden ze er niet binnengeraakt zijn. Hierna zou uw vriend u naar het hospitaal gebracht hebben. Reeds de volgende dag zou u het hospitaal verlaten hebben. Hierna zou u zich zoveel mogelijk gedeisd gehouden hebben. U hoopte dat dit alles van voorbijgaande aard was. Hoe dan ook, u zou niets meer tegen uw ontslag ondernomen hebben. Ongeveer één maand nadat u het hospitaal verlaten had zou u anonieme dreigtelefoons beginnen krijgen zijn en dit ongeveer twee á drie keer per maand. U zou hiervoor, misschien in oktober 2001, naar de politie gestapt zijn. Daar zou men uw klacht genoteerd hebben. Dit zou nadien tot niets geleid hebben. Tot 25 december 2001 zou u geen andere problemen gekend hebben. Die dag zou u evenwel een anonieme dreigbrief ontvangen hebben. U zou hiermee naar het plaatselijke politiekantoor zijn gestapt Daar zou men uw klacht andermaal genoteerd hebben en vervolgens aan het politiecommissariaat doorgegeven hebben. De dag dat u deze dreigbrief ontving zou u uw vrouw naar haar tante in Tirana gebracht hebben. U zou vervolgens naar uw ouders in Puke vertrokken zijn, waar u tot 14 januari 2002 zou gebleven zijn. Op 15 januari 2002 zou u samen met uw gezin naar XIV-15.507-3/13 uw woning in Tirana teruggekeerd zijn. Op 20 januari 2002 was u op wandel met een vriend voor uw woning. Plots zou er een wagen zonder nummerplaat opgedoken zijn, van waaruit onbekenden in jullie richting zouden beginnen schieten zijn. Uw vriend zou toen geraakt en later aan zijn verwondingen overleden zijn. U zou er zonder kleerscheuren vanaf gekomen zijn en uiteindelijk kunnen wegvluchten zijn. Volgens u was het evenwel hun bedoeling u en niet uw vriend te raken. Deze laatste zou immers, naar uw weten, geen problemen gekend hebben en evenmin politiek actief zijn geweest. De politie zou vervolgens ter plaatse zijn gekomen en een expertise verricht hebben. U zou die dag evenwel geen contact met de politie gehad en gezocht hebben. Die avond zou u met uw vrouw naar een tante van haar in Tirana vertrokken zijn. De volgende dag zouden jullie dan naar het dorp van uw ouders, Kokdod (Fier), gegaan zijn. Na één week zou u naar Tirana teruggekeerd zijn, waar u tot 13 februari 2002 ondegedoken zou geleefd hebben. Daarna zou u naar Kokdod teruggekeerd zijn. Op 15 februari jl. zouden jullie Albanië verlaten hebben, om uiteindelijk op 21 februari 2002 hier in België aan te komen.”; Overwegende dat appellant ter zitting herhaalt dat hij vanaf 1995 tot september 2001 studeerde aan de politieacademie in Tirana; dat hij deze studies per correspondentie volgde en ondertussen werkte; dat appellant tijdens het dringend beroep stelt dat deze studies op universitair niveau zijn; dat de bestreden beslissing er terecht op wijst: "Het feit dat u bovendien in september 2001 uw diploma behaalde aan de politieacademie van Tirana, terwijl u in juni 2001 op staande voet ontslagen zou zijn, is op zijn minst bevreemdend.”; Dat appellant ter zitting gevraagd werd naar de vakken die hij moest afleggen; dat hij stelt: "Algemene opsporing op lokaal en nationaal vlak, Algemene orde en Civiele rechten” en geen andere cursussen spontaan kon vermelden; dat appellant gevraagd naar de inhoud van het vak "Algemene orde” toelicht dat het een specifiek vak is "Het betreft de openbare orde en we leren om professioneel op te treden, om een eenheid op een snelle manier te creëren tegen onrust, rellen.”; dat hij geen nadere beschrijving kan geven over dit vak; dat hij in verband met het vak 'Civiele rechten' stelt " hoe gearresteerden moeten behandeld worden, ze mogen niet geslagen en verkracht worden.”, dat appellant het antwoord schuldig blijft op de vraag welke rechten de gearresteerden dan wel hebben; dat appellant ter zitting toelicht dat hij geen zaken leerde die hij in de praktijk kon testen omdat hij nooit in de praktijk de job van politieman uitoefende; dat hij het geldvervoer begeleidde; dat appellant het ter zitting niet aannemelijk maakt dat hij gedurende zes jaar studeerde aan de politieschool; Overwegende dat appellant zijn functie van politieman niet aannemelijk maakt; dat hij weliswaar een aantal documenten neerlegt doch dat zijn verklaringen deze documenten niet ondersteunen; dat op de neergelede politiebadge bij appellants graad "politie" staat en dit bezwaarlijk als een graad kan worden beschouwd; dat hij ter zitting stelt dat hij geen andere middelen had om zijn hoedanigheid van politieman aan te tonen omdat hij geen loonbriefjes kon krijgen aangezien hij zelf ontslag nam; dat hij later op de zitting verklaart dat hij loonbriefjes ontving; Dat appellant verklaart dat hij van 1995 tot 2001 onafgebroken de leiding had van een groep van acht politiemannen die geldtransporten moest begeleiden; dat appellant stelt dat hij in deze periode geen promotie kreeg; dat appellant stelt dat het systeem in Albanië specifiek is en er geen promotie mogelijk is; dat dergelijke antwoorden niet ernstig zijn noch gegrond; Overwegende dat appellant zijn ontslag niet aantoont; dat appellant ter zitting toelicht dat hij mondeling ontslagen werd en daarom in dit verband geen document kan neerleggen; dat dit niet overtuigt en appellant niet kan toelichten hoe hij beroep kon aantekenen tegen een ontslag dat hij formeel niet kreeg; dat dit bovendien tegenstrijdig is met appellants verklaring ter zitting dat hij zelf ontslag nam (en daarom geen loonbriefjes kon neerleggen); Overwegende dat appellant als bewijs van zijn relaas een krantenartikel neerlegt uit een krant van democratische strekking waarin de gebeurtenissen van 24 juni 2001 worden gemeld en waarin appellant met naam en functie geciteerd wordt; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er terecht op wijst dat: "De objectiviteit van hun berichtgeving kan dan ook ten zeerste in vraag worden gesteld...... Hier kan nog aan toegevoegd worden dat het toch wel opmerkelijk is dat het door u neergelegde artikel verscheen in de krant van februari 2002, de periode waarin u in België asielaanvroeg, terwijl de feiten waarvan sprake in dit artikel teruggaan tot in juni XIV-15.507-4/13 2001.”; dat uit vele publieke bronnen blijkt dat de media in Albanië onmiskenbaar misbruikt worden voor financiële en politieke doeleinden; dat kranten veelvuldig ongefundeerde beschuldigingen en laster publiceren en het in Albanië bovendien eenvoudig is om een artikel tegen betaling in een krant te laten opnemen (zie onder mee HOMEOFFICE UK, Country Information and Policy Unit, October 2001: 'Albania Assessment, US DEPARTMENT OF STATE, March 2002: "Country Report on Human Rights Practices 2001.”, FREEDOMHOUSE : “Nations in Transit 2001 - Albania Country Report, Independent media.”, BBC.UK.com); dat dit krantenartikel slechts één element is uit het dossier en onvoldoende is om de geloofwaardigheid ervan te herstellen; Overwegende dat de raadsman van appellant ter zitting stelt dat het onderzoek in deze zaak moet worden verdergezet; dat de verklaringen van de asielzoeker coherent en plausibel moeten zijn; dat in elke zaak de relevante feiten op de eerste plaats door de asielaanvrager zelf moeten geleverd worden; dat op hem de plicht rust alle bewijselementen aan te reiken, waarover hij beschikt of kan beschikken en bij het ontbreken hiervan een aannemelijke uitleg moet geven; dat de verklaringen geloofwaardig moeten zijn (UNHCR, Guide des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, par. 195 e.v., Genève, 1979); dat dit in casu niet het geval is; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Delia Shkelqim de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert : “a. Schending van de regels van behoorlijk bestuur De door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op 01.04.2003 genomen beslissing is volledig gesteund op onjuiste motieven en is, bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak, onjuist en onvoldoende gemotiveerd door middel van niet-bewezen veronderstellingen; De beslissing hier bestreden beslissing werd foutief en slechts lichtzinnig gemotiveerd. De Vaste Beroepscommissie heeft volstrekt ten onrechte een weigeringsbeslissing van de hoedanigheid van vluchteling voor verzoeker uitgevaardigd; Op grond van de volledig foute motivering komt de Vaste Beroepscommissie tot het besluit dat het beroep van verzoeker ongegrond is omdat verzoeker niet op gegronde wijze dient te vrezen voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; a. Ten eerste wordt ten onrechte de authenticiteit van het door verzoeker neergelegde attest van de directie van de politie van het departement Tirana, dd. 20 december 2001, alsook van het attest van het militair hospitaal van Tirana, dd. 24 december 2001 in twijfel getrokken. Vervolgens wordt -hierop steunend- volstrekt ten onrechte en zonder verder enig onderzoek gevoerd te hebben de bewijskracht ervan in twijfel getrokken. Verzoeker wordt verweten niet coherent en plausibel te zijn; eer de Vaste Beroepscommissie zulke beschuldigingen uit opzichtens verzoeker, dient de authenticiteit voldoende nagegaan te worden, hetgeen volstrekt niet is geschied door de Vaste Beroepscommissie, noch voorafgaandelijk door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen; b. Ook de bewering van de Vaste Beroepscommissie dat verzoeker zijn ontslag niet aantoont, is onterecht; de inhoud van het door verzoeker neergelegde attest van de directie van de politie van het departement Tirana strookt met de door verzoeker gedane verklaringen; de beslissing en motivering van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie dd. 01.04.2003 is volledig onterecht. XIV-15.507-5/13 Als verzoeker verklaarde op 25 juni 2001 zonder enige reden ontslagen te zijn en op 26 juni 2001 zich begeven te hebben naar het directoraat van de politie, waar hij klacht tegen zijn ontslag wou indienen, strookt dit met de waarheid. De Vaste Beroepscommissie bewijst volstrekt niet het tegendeel, doch beperkt zich ertoe te beweren dat de versie van verzoeker niet aannemelijk en plausibel zou zijn, zonder dit degelijk op grond van objectieve criteria te staven; de hier bestreden beslissing wordt enkel maar gemotiveerd a.d.h.v. vermoedens; Verzoeker is correct waar hij stelt dat zijn ontslag direct in verband dient te worden gebracht met de persoon van Anastas Angeli waarmee hij op 24 juni 2001 problemen heeft gekend. Dat verzoeker volgens het door hem neergelegde attest op 26 juni 2001 heeft deelgenomen aan de protestbetogingen van de oppositie gericht tegen de manipulatie van de verkiezingen, waarna hij wegens verstoring van de openbare orde door de politie van Tirana werd opgepakt, is dit enkel een weergave van hetgeen er gebeurd is die dag. De Vaste Beroepscommissie slaagt er niet in om de terechte beweringen van verzoeker op gegronde wijze te weerleggen. Het baseert zich hiervoor enkel op eenzijdige interpretaties, zonder ook maar enig onderzoek in te stellen naar de oprechtheid van de verklaringen van verzoeker. Dat de Vaste Beroepscommissie onvoldoende heeft onderzocht wat er werkelijk de aanleiding voor was, zulks uitdrukkelijk gesteld in de hypothese dat de Vaste Beroepscommissie een afdoende reden zou hebben gehad om te twijfelen aan het asielrelaas van verzoeker, quod certe non; De door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dd. 01.04.2003 genomen beslissing is dan ook volledig gesteund op onjuiste motieven en is, bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak, onjuist en onvoldoende gemotiveerd door middel van niet-bewezen veronderstellingen; Ten onrechte meent de Vaste Beroepscommissie uit de feitelijke situatie te kunnen afleiden dat verzoeker geen vrees zou hebben voor systematische en gerichte vervolging overeenkomstig de Conventie van Genève. Dat de Vaste Beroepscommissie op basis van onjuiste motieven en onvolledige gegevens en na een overdreven summier onderzoek naar de ware toedracht gegevens meent te mogen veronderstellen dat verzoeker het bewijs niet leverde dat hij moet vrezen om vervolgd te worden; dat zulks eveneens een onjuiste gevolgtrekking is; immers het feit dat verzoeker thans Albanië is moeten ontvluchten vanwege beledigingen, bedreigingen en het racistisch beleid van de Albanese autoriteiten - periode waarin hij en zijn echtgenote meermaals het slachtoffer werden van slagen en onmenselijke gedragingen van medeburgers en autoriteiten, periode waarin hij elke vorm van het leiden van een normaal leven in zijn land van herkomst heeft moeten missen - toont op zich aan dat verzoeker wel degelijk vreest voor daadwerkelijke, persoonsgerichte en systematische vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie van Genève; niet voor niets doorstaat verzoeker in Europa reeds al deze ontberingen, ontberingen dewelke zijn niet te beurt zouden vallen in zijn land van herkomst wanneer hij daar niet het slachtoffer was van vervolgingen tegen moslims en personen van een verschillende etnische afkomst; c. De Vaste Beroepscommissie twijfelt duidelijk aan de oprechtheid van de verklaringen van verzoeker, doch het slaagt er geenszins in om de objectiviteit ervan te weerleggen, zoals het ten onrechte probeert te doen. Integendeel, op grond van voornoemde ten onrechte geuitte twijfel, trekt de Vaste Beroepscommissie nog bijkomende foutieve conclusies, en dit op volstrekt ten onrechte wijze. Namelijk wordt geen geloof gehecht aan de door verzoeker gestelde bewering dat hij problemen had in de periode juist na de verkiezingen van 24 juni 2001, ten bewijze waarvan hij een krantenartikel heeft neer(ge)legd over de door verzoeker beweerde gebeurtenissen van 24 juni 2001, waarbij verzoeker met naam en functie geciteerd werd. Dat het hier een krant van democratische strekking betreft, die aanleunt bij de Democratische Partij, de grootste oppositiepartij van Albanië die in een nauwe machtsstrijd is betrokken met de Socialistische partij, doet volstrekt niet ter zake. De objectiviteit van de berichtgeving van verzoeker wordt dan ook volstrekt ten onrechte in twijfel getrokken. XIV-15.507-6/13 De Vaste Beroepscommissie verwijst naar informatie waaruit zou blijken dat in Albanië de media flagrant gebruikt worden voor politieke doeleinden, en dat kranten vaak ongefundeerde beschuldigingen en laster zouden publiceren om hun eigen politieke voordeel mee te halen; dit is een bewering die er totaal niet kan toe leiden dat er getwijfeld zou kunnen worden aan de oprechte verklaringen van verzoeker. Dat het in Albanië eenvoudig zou zijn om een artikel tegen betaling in een krant te laten publiceren, doet niet ter zake en is geenszins een argument om te twijfelen aan de oprechtheid van de verklaringen van verzoeker, temeer daar er totaal geen onderzoek desbetreffend werd gevoerd. d. Ten aanzien van het door verzoeker volgehouden asielrelaas dient te worden vastgesteld dat er in casu wel degelijk sprake is van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, nu verzoeker duidelijk te kennen heeft gegeven geen beroep te kunnen doen op de bescherming van de eigen (lokale) Albanese autoriteiten. Noch voor de dreigtelefoons, noch voor de dreigbrieven kon verzoeker bij hen terecht, temeer omdat de klacht van verzoeker enkel maar werd genoteerd, zonder meer en zonder dat hieraan enig gevolg werd voorbehouden. e. Dat de Vaste Beroepscommissie op grond van de voormelde lichtzinnige en foutieve motieven derhalve ten onrechte besluit dat verzoeker, niettegenstaande de initiële ontvankelijkheidsbeslissing, over onvoldoende elementen beschikt om te getuigen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par. A, lid 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 195 1, reden waarom hem de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling geweigerd wordt; Verzoeker heeft ondermeer uitvoerig verklaard dat hij bedreigd en geslagen werd door Politiediensten. De problemen die verzoeker uitgebreid beschrijft getuigen zeer zeker welvan een vervolging omwille van zijn ras. nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging, nu er tegenstanders en aanhangers zijn, hetgeen dient begrepen te word"en als behorende tot een bepaalde sociale groep, in de zin van de Conventie. Verzoeker heeft -in tegenstelling met het gestelde in de hier bestreden beslissing dd. 01.04.2003- wel degelijk aangetoond dat hij omwille van redenen zoals vermeld in de Conventie van Genève geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten. De autoriteiten in Albanië zijn corrupt en verzoeker wordt in Albanië geen bescherming geboden door de autoriteiten, hoewel hij hierom gevraagd heeft. Dat verzoeker thans zeer grondig wordt geviseerd door de Politiediensten in Albanië, dewelke het vel van verzoeker willen; Dat de door verzoeker aangehaalde motivering waarom hij geen bescherming verkreeg in zijn land, dan ook toereikend is. Dat verzoeker en zijn gezin wel degelijk een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging formuleren, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli
- De Vaste Beroepscommissie geeft geen enkele motivering over de belangrijkheid van de verklaringen van verzoeker in het Albanees en over de door hem opgeworpen argumenten, die wel degelijk diens persoonlijke situatie betreffen; Verzoeker verklaarde enkel de motieven die hem persoonlijk ertoe hebben aangezet om Albanië te ontvluchten alsook de motieven die hem doen geloven dat zijn leven of zijn vrijheid nog in gevaar zijn; Verzoeker haalde aan waarom hij in zijn geboorteland ernstig geviseerd en bedreigd werd door de politiediensten en op basis van deze globale feiten kan men besluiten dat betrokkene het slachtoffer is van systematische vervolgingen in zijn land van oorsprong; De verklaringen van de kandidaat-vluchteling zijn trouwens een voldoende bewijs van zijn hoedanigheid van vluchteling; de verklaringen van verzoeker waren wel degelijk mogelijk, geloofwaardig en eerlijk; Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op basis van onjuiste motieven en onvolledige gegevens en na een overdreven summier onderzoek naar de ware toedracht gegevens meent te mogen veronderstellen dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging zou formuleren, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 De Vaste Beroepscommissie gaat duidelijk té ver in haar gevolgtrekking en schiet duidelijk tekort in haar motivering; hoewel de verklaringen van verzoeker mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn, doch deze door de Vaste Beroepscommissie onvoldoende werden beoordeeld en volledig uit hun verband werden gerukt. XIV-15.507-7/13 Dergelijke houding van de Vaste Beroepscommissie is strijdig met de beginselen van een behoorlijk bestuur. Dat dit middel dusdanig ernstig is dat de schorsing van de beslissing zich opdringt. Minstens dringt zich een verder onderzoek door de Belgische autoriteiten op. De verklaringen van verzoeker werden immers niet gemotiveerd en slechts op de achtergrond ter informatie vermeld; bovendien werden zij blijkbaar uit hun context getrokken en verkeerdelijk geïnterpreteerd; b. Schending van de motiveringsplicht De Vaste Beroepscommissie besluit in de beslissing dd. 01.04.2002 slechts als volgt: “dat verzoeker zijn functie van politieman niet aannemelijk maakt; dat hij weliswaar een aantal documenten neerlegt doch dat zijn verklaringen deze documenten niet ondersteunen; ... Dat verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951; Op grond van de hiervoor besproken motieven werd besloten dat -gelet op het voorgaande kan wat verzoeker betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli
- worden vastgesteld. De door verzoeker ter staving van zijn asielaanvraag en die van zijn echtgenote neergelegde documenten kunnen de hiervoor vermelde conclusie niet wijzigen. Dat de Vaste Beroepscommissie de beslissing -gelet op het voorgaande- foutief en onvolledig motiveert zonder ook maar enig verder onderzoek ingesteld te hebben. De bestreden beslissing dd. 01.04.2003 is bijgevolg niet alleen gemotiveerd op basis van onjuiste gegevens, zij is bovendien ook onvoldoende gemotiveerd bij gebreke van een duidelijk onderzoek van de ware toedracht van de zaak. De hier bestreden beslissing is dan ook genomen met machtsoverschrijding. Bovendien zijn de argumenten aangehaald door verzoeker uit hun verbanden gerukt en niet in het minst beantwoord, hetgeen trouwens een schending van de motiveringsplicht uitmaakt, zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet. Dat verzoeker dienvolgens de Raad van State verzoekt de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie dd. 01.04.2003 te vernietigen. Het is duidelijk dat de door de Vaste Beroepscommissie aangehaalde motieven niet van die aard zijn dat zij de door haar genomen beslissing kan motiveren; de Vaste Beroepscommissie heeft geen grondig onderzoek naar de grond van de zaak gevoerd; De bestreden beslissing dd. 01.04.2003 werd derhalve slechts lichtzinnig en foutief gemotiveerd. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft nagelaten de door verzoeker aangehaalde feitelijkheden en omstandigheden op grondige wijze te onderzoeken. Op grond van de voornoemde motivering komt de Vaste Beroepscommissie tot het besluit dat het beroep van verzoeker ongegrond is en dat aan verzoeker de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling geweigerd wordt;”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Eerste middel "Schending van de regels van behoorlijk bestuur." Volgens verzoeker wordt ten onrechte de authenticiteit in twijfel getrokken van het attest van de politie van het departement Tirana van 20 december 2001 evenals het attest van het militaire hospitaal d.d. 24 december
- Hij stelt eveneens wel degelijk te hebben aangetoond ontslagen te zijn geweest, door neerleggen van een attest van de directie van de politie van het departement Tirana. Ook zijn deelname aan een protestbetoging gericht tegen de manipulatie van de verkiezingen is aangetoond, zo stelt hij. XIV-15.507-8/13 De afwijzende beslissing steunt volgens verzoeker op onjuiste motieven en bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak, zou die onjuist en onvoldoende gemotiveerd zijn. Zo stelt hij een krantenartikel te hebben voorgelegd over de gebeurtenissen van 24 juni 2001, waarbij hij met naam en functie wordt geciteerd. Het argument van de mogelijkheid om de pers te misbruiken voor politieke doeleinden wordt niet bevestigd door onderzoeksresultaten. De vervolging zou zijn aangetoond, nu verzoeker aantoont geen beroep te kunnen doen op zijn overheid. Evenmin wordt een motivering gebracht omtrent het belang van de verklaringen in het Albanees en over de argumenten met betrekking tot zijn persoonlijke situatie. De bestreden beslissing wordt niet gedragen door de motieven. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat het de asielzoeker toekomt het bewijs te leveren van de aangevoerde argumenten. Door verzoeker werden verklaringen afgelegd die door de commissaris - generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als bevreemdend werden bestempeld en waaromtrent, verzoeker, ook in het huidige beroep, geen uitleg verstrekt. Verzoeker, die zich voorstelt als zijnde een politieman met de leiding van een groep van acht agenten, zou gedurende zes jaar hebben gestudeerd aan de politieschool. Ondervraagd over de vakken die hij volgde en die volgens hem op Universitair niveau zouden zijn, blijft hij een coherent antwoord schuldig. Ondanks de vaststelling dat die analyse er toe heeft geleid dat de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen sterke twijfels uit over zijn hoedanigheid, brengt hij in het beroep tot nietigverklaring, geen enkel argument bij dat die conclusie zou kunnen ontkrachten. Verzoeker rept er integendeel geen woord over, evenmin over de afwezigheid van loonbriefjes. Ook stelt de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen een ernstige tegenstrijdigheid vast, daar waar verzoeker in de ene stelling zich voordoet als zijnde ontslagen en in de andere als zijnde ontslaggevend. De gevolgtrekking gemaakt door de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen over het tijdstip van de publicatie in de krant, vooral toen verzoeker al in België was om een asielaanvraag in te dienen en niet kort na de feiten die aanleiding waren tot het krantenartikel, wordt door verzoeker op geen enkele wijze weerlegd. Hij verwijst in tegendeel naar zijn verklaringen en naar de door hem aan zijn aanvraag gevoegde stukken, zonder zelfs een poging te doen de conclusie van de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen te ontkrachten. Er kan niet worden gesteld als zou de bestreden beslissing gekenmerkt zijn door onbehoorlijk bestuur, zoals verzoeker voorhoudt. De door verzoeker aangebrachte elementen werden getoetst aan de gegevens waarover de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen beschikt op basis van haar uitgebreide informatiebronnen. Geen van de door de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen gedane conclusies worden tegengesproken. Het eerste middel mist iedere grond. Tweede middel: "Schending van de motiveringsplicht". Verzoeker verwijt de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen onvoldoende onderzoek te hebben gedaan, te hebben gemotiveerd op basis van onjuiste gegevens en bijgevolg onvoldoende te hebben gemotiveerd. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat zoals in de bestreden beslissing terecht wordt aangehaald, de plicht alle bewijselementen aan te reiken, op appellant, hier verzoeker, berust. Het komt de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen niet toe in de plaats te treden van verzoeker om de bewijsvoering van zijn relaas te doen. In de bestreden beslissing wordt met nodige zorg en aandacht aangegeven waarom verzoekers relaas niet overtuigt en waarom de aangebrachte bewijzen niet worden weerhouden. Het tweede middel is eveneens gegrond.”; XIV-15.507-9/13 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “Eerste middel: schending van de regels van behoorlijk bestuur. Verzoeker verwijst ook hier naar zijn beroepsverzoekschrift doch wil het volgende benadrukken. a. Zoals reeds gesteld heeft de Vaste Beroepscommissie geen enkel zinnig argument om twee attesten die verzoeker heeft bijgebracht om zijn asielverhaal te staven (attest van de politie van Tirana dd. 20/12/2001 en een attest van het militaire hospitaal van 24/12/2001) in twijfel te trekken. Hoe kan verzoeker vanuit België aantonen dat de attesten die hij bijbrengt echt zijn ? Wordt hij verondersteld hiervoor even terug te keren naar zijn thuisland waar hij vervolgd wordt ? Het behoort zonder meer aan de Vaste Beroepscommissie, aan te tonen -voor zover zij dit meent- dat de attesten niet waarheidsgetrouw zouden zijn. De commissaris slaagt niet in dit bewijs zodat de attesten als waarachtige stukken dienen opgenomen in het asieldossier van verzoeker. Verzoeker bewijst nota bene met een attest van de directie van de politie van het departement Tirana dat hij ontslagen is geweest. De commissaris bij de Vaste beroepscommissie bewijst ook hier niet waarom dit attest niet echt zou zijn. b. In haar memorie van antwoord schrijft verwerende partij verder dat verzoeker verklaringen heeft afgelegd die door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als « bevreemdend » werden bestempeld. Het is niet omdat de Commissaris de verklaringen « bevreemdend » vindt dat ze onjuist zijn. De Commissaris noch de Vaste Beroepscommissie bewijzen op geen enkele manier dat de verklaringen niet stroken met de werkelijkheid en kan geen enkel stuk of argument bijbrengen dat de verklaringen van verzoekende partij ontkracht. De uitspraak « raar (bevreemdend) maar waar » is bijgevolg zeker van toepassing op dit dossier. c. Verder zou de Vaste Beroepscommissie, een zogenaamde «ernstige tegenstrijdigheid» hebben ontdekt zou erin bestaan dat verzoeker in de ene stelling (welke stelling, dit is voor verzoeker niet controleerbaar) zich voordoet als zijnde ontslagen en in de andere (welke andere stelling, waar zou hij dit gezegd hebben ?) als zijnde ontslaggevend. In ieder geval was verzoeker niet meer in de mogelijkheid zijn werk als politieman uit te oefenen en hij brengt het schriftelijk bewijs bij dat hij werd ontslagen. d. De Vaste beroepscommissie verwijst tenslotte naar geen enkele van haar zogenaamde informatiebronnen waaraan zij de aangebrachte elementen van verzoeker heeft getoetst zodat het voor verzoeker onmogelijk is na te gaan of deze informatiebronnen überhaupt bestaan. Besluit: De bestreden beslissing wordt niet gedragen door de motieven en het eerste middel is gegrond. Tweede middel : schending van de motiveringsplicht. De beslissing werd wel formeel doch niet inhoudelijk (materieel) afdoende gemotiveerd Terecht merkt verwerende partij op dat de bewijslast in eerst instantie op verzoeker rust. Echter wanneer verzoeker diverse stukken bijbrengt om zijn asielverhaal te staven en de commissaris twijfelt aan deze stukken, rust de bewijslast om de waarachtigheid van deze stukken te ontkrachten wel degelijk op de commissaris. De bewijslast m.b.t de hoedanigheid van vluchteling ligt inderdaad in beginsel bij de kandidaat-vluchteling maar omwille van de bijzondere problematiek geldt een gedeelde bewijslast. Het U.N.H.C.R. bevestigde dat de taak om de relevante feiten vast te stellen en in te schatten gedeeld is tussen de asielaanvrager en de beslisser (Vaste beroepscommissie). In bepaalde gevallen zal de beslisser alle middelen waarover hij beschikt moeten inzetten om de nodige bewijzen te vinden. Dergelijk onafhankelijk onderzoek zal echter niet altijd tot resultaat leiden en bepaalde verklaringen kunnen niet bewezen worden. In dergelijke gevallen zal de asielzoeker het voordeel van de twijfel verleend worden tenzij er ernstige tegenaanwijzingen zijn. In het onderhavig dossier is er geen enkele tegenaanwijzing tegen de bewijskrachtige stukken en verklaringen van verzoeker. Besluit : de Vaste Beroepscommissie heeft onvoldoende gemotiveerd.”; XIV-15.507-10/13 2.4.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat het niet volstaat op algemene wijze te beweren dat op de argumentatie vervat in het beroepschrift niet is geantwoord of dat deze argumenten uit hun verband werden gerukt; dat in het verzoekschrift voldoende nauwkeurig moet worden toegelicht welk verweermiddel precies door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is genegeerd en welke argumenten uit hun verband werden gerukt; dat, bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel van het middel niet in aanmerking kan worden genomen; 2.4.
- Overwegende dat de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van de feitelijke elementen die de vreemdeling in zijn opeenvolgende verklaringen heeft aangebracht; dat hij slechts, wat de controle van de feiten betreft, zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen voor zover er sprake is van een foutieve kwalificatie van de feiten ten opzichte van de juridisch toepasselijke regels of van een miskenning van de bewijskracht van de stukken van het administratief dossier, waaronder de verhoorverslagen, door er een uitlegging aan te geven op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; dat in casu de bestreden beslissing geen dergelijke grief ten laste kan worden gelegd; dat uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- zijn verklaringen niet geloofwaardig zijn; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat het bevreemdend is dat hij zijn diploma in september 2001 behaalde terwijl hij in juni 2001 op staande voet zou zijn ontslagen, dat hij noch zijn studies aan de politieschool noch zijn functie van politieman aannemelijk maakt, dat hij zijn ontslag niet aantoont en dat het neergelegde krantenartikel, zo het al objectief is, onvoldoende is om de geloofwaardigheid van het relaas te herstellen; dat verzoeker eraan voorbijgaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, met uitzondering van het motief omtrent het krantenartikel, de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weerhouden motieven niet overneemt, zodat zijn kritiek op deze motieven, die overigens een quasi letterlijke weergave is van de in zijn beroepschrift ontwikkelde argumenten, niet dienend is; dat verzoeker er tevens aan voorbijgaat dat, zo de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van mening is dat verzoeker zijn ontslag niet aantoont, dit is omdat zijn verklaring mondeling te zijn ontslagen en daarom in dit verband geen documenten te kunnen neerleggen, niet overtuigt daar hij “niet kan toelichten hoe hij beroep kon aantekenen tegen een ontslag dat hij formeel XIV-15.507-11/13 niet kreeg” en “dit bovendien tegenstrijdig is met (zijn) verklaringen ter zitting dat hij zelf ontslag nam”; dat de motiveringsplicht bovendien niet inhoudt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voor elk motief in haar beslissing rechtsbronnen dient te vermelden; dat de bestreden beslissing genoegzaam doet blijken op welke bronnen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich baseert om aan de objectiviteit van het neergelegde krantenartikel te twijfelen, te weten HOMEOFFICE UK, Country Information and Policy Unit, October 2001: “Albania Assessment, US DEPARTMENT OF STATE, March 2002: Country Report on Human Rights Practices 2001.”, FREEDOMHOUSE: “Nations in Transit 2001 - Abania Country Report: Independant Media”, BBC.UK.com; 2.4.
- Overwegende dat, voor zover de middelen ertoe strekken aan te tonen dat verzoeker wel degelijk omwille van een gegronde vrees voor vervolging zijn land van herkomst is ontvlucht, zij beogen de feitelijke beoordeling door de Raad van State te laten over doen, hetgeen evenwel buiten zijn bevoegdheid als administratieve cassatierechter valt; dat de Raad van State immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad “niet in de beoordeling van de zaak zelf” mag treden; dat het dan ook uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen en over de bewijswaarde van de voorgelegde stukken; dat de beide middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.507-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.507-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.