← België

Arrest 155457 - - 22/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.457 Rolnummer: A. 170305/X-12711 Zaak: Arrest 155457 - - 22/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 10:35 Fiche Arrest nr 155.457 van 22 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.457 van 22 februari 2006 in de zaak A. 170.305/X-12.

  1. In zake :
  2. Roger SCHOOFS,
  3. Gabriëlle LAVAERTS, die woonplaats kiezen bi Advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : de gemeente TESSENDERLO. tussenkomende partij : de nv Centrum voor Management en Service (C.M.S.), die woonplaats kiest bij Advocaten C. DENS, A. VANBETS en S. VAN DER VELPEN, kantoor houdende te 3290 DIEST, Hasseltsestraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger SCHOOFS en Gabriëlle LAVAERTS op 17 februari 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente TESSENDERLO van 5 december 2005 waarbij aan de nv C.M.S. de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het plaatsen van terrasschermen op een perceel gelegen te Tessenderlo, Boshuis 18, kadastraal bekend sectie A, nrs. 852S en 864G; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 22 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat N. OZDEMIR die loco X-12.711-1/6 Advocaat P. VANAGT verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat S. VAN DER VELPEN die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de nv C.M.S. met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat wat de voorwaarde betreffende het aanvoeren van ernstige middelen betreft, de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij in essentie aanvoeren dat het gebouw waarop de bestreden vergunning slaat volgens het toepasselijke gewestplan is gelegen in woongebied en conform de bepaling van een op 19 augustus 2003 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg "Kom der gemeente" in een zone voor verplicht handel en wonen en gesloten bebouwing, dat de verenigbaarheid van de vergunde schermen met de onmiddellijke omgeving niet afdoende is gemotiveerd; dat zij voorts stellen dat het feit dat het bouwperceel is gelegen binnen de perimeter van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg aan deze verplichting geen afbreuk doet, nu dit plan van aanleg inzake de gevallen waarin en de wijze waarop terrasschermen kunnen of moeten worden geplaatst helemaal niets voorziet en een verwijzing naar de verenigbaarheid met de voorschriften van dit bijzonder plan van aanleg niet volstaat; X-12.711-2/6 Overwegende dat nog aangenomen dat de voorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg onvoldoende gedetailleerd zouden zijn opdat een verwijzing naar de verenigbaarheid met de voorschriften ervan zou kunnen volstaan ter motivering van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, dient in deze stand van het geding te worden vastgesteld dat uit de libellering en inzonderheid uit de aanhef van het middel duidelijk blijkt dat de verzoekende partijen het criterium van de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving situeren binnen de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen; Overwegende dat het eerste lid van artikel 5, 1.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze "taken" van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen slechts mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat uit deze bepaling volgt dat, althans in het oogpunt van bestemming, in de bij artikel 5, 1.0., bedoelde woongebieden zonder beperking zijn toegelaten, de voor woning bestemde gebouwen; dat aldus in een woongebied de vergunning voor dergelijke gebouwen niet kan worden geweigerd op grond van de bestemming van het gebied of op grond van de niet-verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, bedoeld zijnde de niet-verenigbaarheid met de aan de gebouwen en gronden, in de onmiddellijke omgeving, gegeven en door artikel 5, 1.0., eerste lid, geoorloofde bestemming; Overwegende dat de bestreden vergunning tot voorwerp heeft het plaatsen van terrasschermen aan een bestaand appartementsgebouw; dat op het eerste gezicht de betrokken terrasschermen inherent zijn aan en in functie staan van de bestemming wonen bedoeld in het geschonden geachte artikel 5, 1.0.; dat derhalve uit het hiervoor aangehaalde volgt dat deze bepaling inzake het thans voorliggende voorwerp van de vergunning geen toetsing oplegt naar de verenigbaarheid van de X-12.711-3/6 aanvraag met de onmiddellijke omgeving zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde (planologische) zin; dat het eerste middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen doordat het bestreden besluit stelt dat door de tenuitvoerlegging van de vergunning het uitzicht van het gebouw niet grondig zal veranderen en de vergunningverlenende overheid onder het mom hiervan werken vergunt die, eens uitgevoerd, een aanfluiting zullen zijn van elk degelijk begrip van een goede ruimtelijke ordening, terwijl uit het dossier blijkt dat de vergunningverlenende overheid zich klaarblijkelijk bezondigt aan een verkeerde interpretatie van de feiten, nu de aanvraag net en uitsluitend slaat op de doorvoering van een aantal wijzigingen aan het geveloppervlak door het plaatsen van in profielen gevat mat glas bovenop de gemene muur, waardoor uiteraard het uitzicht van het gebouw grondig wijzigt, dat bovendien de afgifte van de vergunning kennelijk onredelijk is, nu door de uitvoering van de werken ter hoogte van de achtergevel van het gebouw een "eclectisch en disharmonisch geheel" zal ontstaan, een situatie die aan elk begrip van een goede ruimtelijke ordening vreemd is; Overwegende dat op het eerste gezicht artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen niet van toepassing lijkt op een vergunning zoals de voorliggende, die is afgegeven in toepassing van een bijzonder plan van aanleg; dat het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen evenwel op het eerste gezicht een bevestiging inhoudt van het beginsel dat de vergunningverlenende overheid elke bouwaanvraag dient te beoordelen op haar verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg; dat deze beoordelingsbevoegdheid wordt begrensd door de stedenbouwkun- dige voorschriften van de geldende plannen van aanleg zoals te dezen een bijzonder plan van aanleg; dat uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht het middel moet worden geacht te zijn afgeleid uit de schending van het voornoemde beginsel; Overwegende dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve X-12.711-4/6 overheid; dat hij wel bevoegd is na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat de verzoekende partijen kritiek uiten op de juiste interpretatie van de feiten en op het kennelijk onredelijk karakter van de beoordeling van de goede plaatselijke ordening; dat op het eerste gezicht de kritiek van de verzoekende partijen weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de vergunningverlenende overheid, maar dat de verzoekende partijen voorshands niet aannemelijk maken dat de vergunningverlenen- de overheid in verband met de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. Het verzoek tot tussenkomst van de nv C.M.S. in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  6. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. X-12.711-5/6 Artikel
  7. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenk- omende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.711-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.