id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.458 Rolnummer: A. 170053/VII-35422 Zaak: Arrest 155458 - - 22/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 10:36 Fiche Arrest nr 155.458 van 22 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.458 van 22 februari 2006 in de zaak A. 170.053/VII-35.
- In zake : de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE, die woonplaats kiest bij advocaten E. DESAIR en N. JONCKHEERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Alfred Coolsstraat 2 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaten A. VANDAELE en Fr. TULKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE op 9 februari 2006 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid te vorderen van de tenuitvoerlegging van "het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dd. 26 januari 2006, waarbij de eerdere beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2005 wordt ingetrokken, opnieuw uitspraak wordt gedaan inzake het beroep ingediend door verzoekster tegen de beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 en waarbij dit beroep ontvank- elijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en zodoende aan verzoekster een verlenging van de milieuvergunning wordt toegekend voor een duur van 1 jaar en negen maanden 'niet verlengbaar', vanaf de vervaldatum van de oorspronkelijke vergunning (...), dit is dus tot 2 mei 2007"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; VII-35.422-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DESAIR, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de hoogdringendheid en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende aanvoert : "
- De bestreden beslissing kent aan Multogas een milieuvergunning toe tot 2 mei 2007, dit is voor een periode van minder dan 15 maanden te rekenen vanaf heden. Het bestreden besluit bepaalt bovendien dat de milieuvergunning na 2 mei 2007 niet meer zal worden verlengd. Multogas zal hierna aantonen dat het bestreden besluit (zoals ook de vorige beslissing van de Brusselse regering dd. 29/09/2005) kennelijk onwettig is en dat er een absolute noodzaak bestaat dat Uw Raad hierover binnen een zeer korte termijn oordeelt opdat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van Multogas zou kunnen vermeden worden,
- Investeringen op grond van het Benzinestationbesluit
- Multogas staat vooreerst voor belangrijke investeringen in het kader van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations (hierna 'Benzinestationbesluit'). Het benzinestation diende inderdaad tegen 1januari 2006 te voldoen aan de artikelen 5 tot 14, 15, § 2 en §3, 16 tot 66 en 72 van dit Benzinestationbesluit. De geraamde kost van de noodzakelijke vernieuwingswerken is geraamd op 550.000 EUR (stuk 43) 25 Multogas heeft deze investeringen tot op heden niet kunnen doen omdat het Milieucollege (26/07/05) en vervolgens de Brusselse regering (29/09/05) op kennelijk onwettige wijze de verlenging van haar milieuvergunning nà 2 augustus 1999 hebben geweigerd. Multogas is verplicht geweest zich hij hoogdringend- VII-35.422-2/12 heid tot Uw Raad te wenden, die de onwettigheid van de regeringsbeslissing bij arrest dd. 19 oktober 2005 heeft vastgesteld. Vervolgens heeft de Brusselse regering verzuimd om de door haar begane onwettigheid onverwijld (en minstens voor 01/01/2006) recht te zetten, terwijl zij nochtans zelf perfect op de hoogte is van de toen nakende investeringsdeadli- ne van 1 januari 2006 van haar eigen Benzinestationbesluit. Zodoende heeft tegenpartij Multogas geplaatst in een situatie van aanho udend e r echt so nzeker heid omt rent haar t oekomst ige exploitatiemogelijkheden. In die omstandigheden was het voor Multogas financieel compleet onhaalbaar om 550.000 EUR te investeren in haar site.
- Door nu een milieuvergunning toe te kennen voor slechts 15 maanden (d.i. te rekenen vanaf de datum van de bestreden beslissing), plaatst tegenpartij Multogas andermaal doelbewust in een onmogelijke positie, aangezien Multogas noodgedwongen tijdens die 15 maanden enkel zal kunnen exploiteren in strijd met het Benzinestationbesluit. Opnieuw is het immers bedrijfseconomisch gezien onmogelijk om 550.000 EUR te investeren in een volledige nieuwe site, waarvan de Brusselse regering nu al aankondigt dat zij uiterlijk op 2 mei 2007 zal moeten afgebroken worden. Weze nog opgemerkt dat het niet alleen financieel, maar ook operationeel, niet haalbaar is om de gevraagde investeringen uit te voeren voor een exploitatieduur van 15 maanden. Immers, tegen de tijd dat materieel de conversie van de site zou uitgevoerd zijn, zouden er in het beste geval nog 6 maanden resten om de vernieuwde site te exploiteren, vooraleer ze (volgens het bestreden besluit) opnieuw zou moeten afgebroken worden, De nieuwe beslissing van de Brusselse regering over de verlengingsaanvraag van Multogas - die kennelijk onwettig is (zie hierna onder de middelen) - is dan ook niets anders dan een verdoken herneming van de weigeringsbeslissing van tegenpartij dd. 29 september 2005, die door Uw Raad reeds geschorst werd bij arrest van 19 oktober
- Om uit voormelde impasse te geraken, is het voor Multogas dan ook prioritair dat Uw Raad op zeer korte termijn uitspraak doet over de onwettigheid van de beperking van de vergunning tot 2 mei 2007, met uitsluiting van elke mogelijkheid tot verlenging. Dit arrest zal tegenpartij er immers hopelijk toe brengen om het dossier op haar merites te beoordelen, rekening houdend met de overwegingen van het tussen te komen arrest van Uw Raad. Op die manier kan Multogas op korte termijn te weten komen of zij de investeringen vereist krachtens het Benzinestationbesluit nu wel of niet moet doen, en kan zij er voor zorgen dat - in het scenario van een voortzetting van de exploitatie- haar site onverwijld conform de regelgeving zal zijn. De huidige door de Brusselse regering gecreëerde situatie hypothekeert aanzienlijk de exploitatiezekerheid van Multogas gelet op de handhavingsmaatregelen die de bevoegde overheden desgevallend zouden kunnen trachten te nemen.
- BOFAS-problematiek
- De uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering van Multogas blijkt ook uit de BOFAS-problematiek. Het terrein van Multogas is verontreinigd met brandstoffen in grond en grondwater over de gehele oppervlakte van het tankstation. Er werden eveneens drijflagen puur product aangetroffen. De saneringskost werd door de deskundige geraamd op 1.000.000 EUR (stuk 44).
- Krachtens artikel 13 van hel Samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations VII-35.422-3/12 kan een exploitant, ingeval van sluiting van zijn site, in aanmerking komen voor de volledige vergoeding van de saneringskosten van zijn benzinestation. Hij moest daartoe een aanvraag indienen uiterlijk op 26 maart
- Multogas heeft -onder alle voorbehoud- deze aanvraag tijdig ingediend (zie stuk 45), en dit voor het geval de Haven van Brussel en de Brusselse regering desgevallend bereid zouden gevonden zijn om een minnelijke regeling te treffen inzake de vroegtijdige beëindiging van haar concessierechten (wat tot op heden niet het geval blijkt te zijn). BOFAS heeft bij schrijven dd. 22 november 2005 (stuk 45) bevestigd dat indien Multogas deze aanvraag wil handhaven, en dus wil kunnen genieten van de volledige tussenkomst van BOFAS, zij haar activiteiten uiterlijk op 26 maart 2006 dient te staken : 'Met verwijzing naar de verbintenissen die U in de overeenkomst met BOFAS heeft aangegaan menen wij deze hierbij nog eens onder uw aandacht te moeten brengen 26 maart 2006 : uiterste datum waarop de uitbating nog actief mag zijn! De aanvrager zal de bewijsplicht moeten kunnen leveren dat de verkoop van brandstoffen definitief is stopgezet. 26 mei 2006 : uiterste datum waarop alle bovengrondse installaties (pompen, leidingen, tanks, etc.) dienen verwijderd te zijn en ondergrondse houders en leidingen gereinigd en ontgast moeten zin (dit laatste dient aangetoond via attesten die aan BOFAS moeten worden overgemaakt). Bovenstaande punten zullen door BOFAS worden geaudit !'. De deadline is dus nakende. Indien Multogas vóór voormelde deadline haar activiteiten niet staakt, dan valt zij in het regime van artikel 16 van het Samenwerkingsakkoord. Dit laat aan exploitanten die hun exploitatie willen verder zetten toe om eveneens een aanvraag tot tussenkomst in de saneringskosten in te dienen hij BOFAS (uiterlijk op 26 maart 2006), doch deze tussenkomst is geplafonneerd tot 62.000 EUR. Indien Multogas haar exploitatie dient stop te zetten tegen 2 mei 2007 (cf. bestreden besluit), dan zal zij op dat moment moeten overgaan tot sanering van haar terrein, en zal zij zelf moeten opdraaien voor de saneringskost van minstens 938.000 EUR.
- Het is ook daarom absoluut cruciaal dat Multogas op zeer korte termijn uitsluitsel krijgt over de vraag of de bestreden beslissing houdende beperking van de verlenging van haar milieuvergunning tot 2 mei 2007 (met uitsluiting van elke verlengingsmogelijkheid) al dan niet wettig is. Mocht Uw Raad onmogelijkerwijze van oordeel zijn dat deze beperking van de vergunningsduur (rekening houdend met de aangehaalde motieven en met de uitsluiting van enige verlenging) wettig zou zijn, dan zal Multogas immers moeten beslissen of het in die hypothese niet aangewezen zou zijn haar activiteiten voor 26 maart 2006 te staken, dit ten einde haar faillissement te voorkomen door het moeten ophoesten van een saneringskost van om en bij de 1.000.000 EUR.
- De Brusselse regering is zeer goed op de hoogte van voormelde BOFAS-problematiek. De raadsman van Multogas heeft daarover immers nà het schorsingsarrest van Uw Raad dd. 19 oktober 2005 een officiële brief gestuurd aan de raadslieden van de Brusselse regering en de Haven van Brussel (zie brief dd. 29 november 2005; stuk 46). De Haven heeft steeds gereageerd door te stellen dat ze met de hele zaak niets te maken heeft (sic) (zie brieven dd. 6 december 2005, 22 december 2005 en 29 december 2005; stukken 47, 48 en 49). De raadslieden van de Brusselse regering danrentegen gaven geen teken van leven. Pas daags voor het verzenden van de bestreden beslissing, d i. bij brief dd. 31 januari 2005, VII-35.422-4/12 hebben zij de nietszeggende boodschap gestuurd dat er eerstdaags een nieuwe milieuvergunning zou worden betekend (stuk 50). Alhoewel de Brusselse regering perfect op de hoogte was van de extreme urgentie omwille van de BOFAS-deadline, en a fortiori ook perfect op de hoogte was van de extreme urgentie omwille van de deadlines opgelegd door haar eigen Benzinestationbesluit, heeft zij nà het schorsingsarrest van 19 oktober 2005 geen enkele actie ondernomen om verdere schade in hoofde van Multogas te vermijden. Daardoor bevindt Multogas zich nu in de hoger geschetste situatie, die noodzaakt dat er op een zo kort mogelijke termijn opnieuw uitspraak wordt gedaan over de bestreden beslissing, die niets meer is dan een verkapte weigeringsbeslissing.
- Ten overvloede voegt Multogas een verslag van bedrijfsrevisor Fabré, dat aan de hand van de boekhoudstukken aantoont dat het voor Multogas niet haalbaar is om voormelde investeringen en saneringskosten te dragen voor een exploitatieduur van slechts 15 maanden (stuk 51), en dat Multogas hier als integraal hernomen beschouwt. Dit verslag illustreert dus eens te meer dat Multogas niet anders kan dan zijn toevlucht te nemen tot de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid in een poging om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel - zijnde haar faillissement - af te wenden. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- Ingevolge de bestreden beslissing beschikt Multogas over een milieuvergunning tot 2 mei
- De bestreden beslissing geeft nu al aan dat de vergunning niet meer verlengbaar zal zijn, zodat Multogas haar exploitatie zal dienen to staken over minder dan 15 maanden. Zoals aangegeven onder dc toelichting van de uiterst dringende noodzakelijkheid, dient Multogas evenwel op zeer korte termijn investeringen uit te voeren opgelegd door het Benzinestationbesluit voor een bedrag geraamd op 550.000 EUR. Tevens wacht haar bij stopzetting op 2 mei 2007 een saneringskost van om en bij de 1 .000.000 EUR, aangezien de tussenkomst van BOFAS bij de verderzetting van de exploitatie nà 26 maart 2006 geplafonneerd zal zijn tot 62.000 EUR. Het is uiteraard financieel onhaalbaar om voormelde kosten te dragen, wetende dat nog slechts gedurende 15 maanden kan worden geëxploiteerd Dit blijkt genoegzaam uit het rapport opgesteld op 8 februari 2006 door de heer Fabre, bedrijfsrevisor (stuk 51). Het is dan ook duidelijk dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit onherroepelijk zal leiden tot het faillissement van Multogas Service bvba, wat volgens vaste rechtspraak van Uw Raad een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is"; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop repliceert : “II. UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID
- Verzoekende partij rechtvaardigt de uiterst dringende noodzakelijkheid op grond van de investeringen die ze krachtens het benzinestationbesluit van 21 januari 1999 moet doen en op grond van de BOFAS problematiek. Geen van deze twee elementen kan de uiterst noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen. VII-35.422-5/12 §
- Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations (hierna ‘benzinestationbesluit’)
- Het benzinestationbesluit legt een aantal verplichtingen op aan de uitbaters van tankstations. Krachtens artikel 71, §3, 3/ van het besluit moet de uitbater van een bestaande tankstation zich ten laatste tegen 1 januari 2006 aan de voorschriften van het besluit aanpassen. Verzoekende partij beweert dat de noodzakelijke investeringen die ze krachtens het benzinestation moet doen ongeveer 550.000 EUR zullen bedragen. Ter ondersteuning van die bewering verwijst ze naar een raming van de investeringskosten (zie stuk 43 van het dossier van verzoekende partij). Verzoekster stelt dat zij de investeringen niet heeft kunnen doen omdat het Milieucollege op 26 juli 2005 en verwerende partij op 29 september 2005 de verlening van de milieuvergunning hebben geweigerd. Ook de bestreden beslissing zou het onmogelijk maken om de investeringen te doen.
- Verzoekster haspelt twee verschillende zaken door mekaar De verplichtingen in het kader van het benzinestationbesluit staan los van de onderhavige procedure, met name de toekenning van de milieuvergunning. Verzoekster kende sinds 1999 de inhoud van het benzinestationbesluit en heeft dus in tempore non suspecto dit is nog voor er enige betwisting was gerezen betreffende de milieuvergunning, geen enkel initiatief ondernomen om de nodige aanpassingswerken door te voeren. Zoals reeds vermeld, beweert verzoekster in de procedure inzake de concessie dat zij zesjarige termijnen heeft bedongen in de concessieovereenkomst die zij afsloot met de Haven van Brussel, ten einde haar toe te laten de concessie te verbreken wanneer het economisch slecht zou gaan in de oliesector (zie randnummer 6 van het verzoekschrift). Daarnaast dateren de laatste investeringen aan het tankstation blijkbaar reeds van 1981, terwijl de geschillen met bertrekking tot de milieuvergunning pas midden 2005 ontstonden. Het is dienvolgens meer dan 22 jaar geleden dat verweerster nog belangrijke investeringen heeft gedaan, blijkbaar omdat zij er van bij het begin van de concessie rekening mee hield dat zij na elke periode van 6 jaar de concessie kon verbreken. Verzoekster kan dan ook niet zomaar opwerpen dat de recente betwistingen met betrekking tot de milieuvergunning sinds midden 2005 en meer specifiek de bestreden beslissing van 26 januari 2006, de reden is dat zij niet is overgegaan tot de investeringen die vereist zijn in het kader van het benzinestationbesluit van 21 januari l
- A fortiori toont verzoekende partij helemaal niet aan dat het voor haar financieel en operationeel niet haalbaar zou zijn om op korte termijn de nodige investeringen uit te voeren.
- Daarnaast bewijst verzoekende partij helemaal niet welke de omvang is van de financiële hoogdringendheid die zij inroept. Verzoekende partij verwijst naar stuk 43 van haar dossier ter staving van de financiële implicaties van de noodzakelijke investeringen. Dit stuk overtuigt evenwel geenszins, nu het hier gaat om een korte e-mail van Piet Van Mullem, zaakvoerder van verzoekende partij, aan een zekere Andre Schelfhout, waarbij de heer Van Mullem het telefonisch gesprek met laatstgenoemde bevestigt. De e-mail komt dus zelfs niet rechtstreeks van een deskundige. De e-mail is ook zeer vaag en algemeen opgesteld: (...) Verzoekende partij kan zich moeilijk beroepen op deze e-mail voor een duidelijke en precieze becijfering van haar investeringen. VII-35.422-6/12
- Ten slotte worden de investeringen berekend op een waarde van 250.000 EUR en 300.000 EUR. Deze bedragen lijken uit de hemel te vallen. Minstens zou de hoogdringendheid moeten worden aangetoond door een bestek, opgesteld door een deskundige, die een gedetailleerde opsomming en becijfering weergeeft van de noodzakelijke werken vereist door het benzinestationbesluit. De zogenaamde raming is enkel en alleen een unilaterale schatting, zonder enige juridische of wetenschappelijke waarde Verzoekende partij laat dienvolgens na aan te tonen dat de kosten vereist door het benzinestationbesluit het gebruik van de hoogdringendheid rechtvaardigen. §
- Verplichtingen in het kader van BOFAS
- Volgens verzoekende partij zou de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ook blijken uit de BOFAS problematiek. Verzoekende partij geeft zelf toe dat het terrein van het tankstation verontreinigd is. Het BIM vroeg reeds bij brief van 5 april 2004 aan verzoekende partij om een prospectief bodemonderzoek te laten uitvoeren (stuk 14). Dat toont aan dat reeds vanaf dat ogenblik, en niet sinds de bestreden beslissing van 26 januari 2006, de bodemproblematiek aan de orde was. Verzoekende partij heeft reeds een verslag prospectief bodemonderzoek en een voorstel tot nader onderzoek hij het BIM ingediend. Op 5 juli 2005 heeft het BIM het verslag prospectief bodemonderzoek (opgesteld door het studiebureau Mava) goedgekeurd alsook het voorstel tot nader bodemonderzoek. In die zelfde brief heeft het BIM aan Multogas 90 dagen de tijd gegeven om haar het nader bodemonderzoek over te maken (stuk 14). Dat is tot op heden nog niet gebeurd. De verlenging van de milieuvergunning vereist dat het nader bodemonderzoek binnen de 90 dagen aan het BIM dient overgemaakt te worden.
- Verzoekende partij betrekt opnieuw ten onrechte een ander dossier in onderhavige procedure, met name de discussie rond de bodemverontreiniging van het terrein en de tussenkomst van BOFAS. BOFAS is een fonds dat opgericht werd ter ondersteuning van de tankstations die wettelijk tot sanering verplicht zijn of die op vrijwillige basis tot sanering overgaan. Elke exploitant, eigenaar of feitelijke gebruiker van een tankstation die aan de wettelijk vastgelegde voorwaarden van het Samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de federale Staat en de drie gewesten betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstation voldoet, kan hij BOFAS een aanvraag indienen voor financiële en/of operationele steun bij de uitvoering van de bodemsanering. De tussenkomst van de Fonds is verschillend naargelang van het scenario (sluiting of voortzetting van de uitbating). In geval van sluiting betaalt BOFAS alle onderzoeks- en saneringskosten (art. 13 van het samenwerkingsakkoord), terwijl in een scenario van voortzetting van activiteiten deze tussenkomst geplafonneerd is tot 62000 EUR (art. 15 van het samenwerkingsakkoord). De termijnen om een aanvraag tot tussenkomst bij BOFAS in te dienen zijn ook verschillend: in geval van stopzetting diende de aanvraag vóór 26 maart 2005 ingediend te worden (art. 13 van het samenwerkingsakkoord), terwijl de termijn om een aanvraag tot tussenkomst in te dienen in geval van voortzetting nog tot 26 maart 2006 loopt (art. 16, § 1, van het samenwerkingsakkoord). Bovendien dient ook nog opgemerkt te worden dat in geval van stopzetting, het tankstation uiterlijk tegen 26 maart 2006 gesloten moet worden en tegen 26 mei 2006 verwijderd moet worden (art. 14, §2, 4, van het samenwerkingsakkoord). VII-35.422-7/12 Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij bij BOFAS tijdig een aanvraag tot tussenkomst in geval van sluiting heeft ingediend (zie pagina 12 van het verzoekschrift). Volgens verzoekende partij moet zij thans beslissen of het niet aangewezen zou zijn haar activiteiten vóór 26 maart 2006 te staken, dit ten einde haar faillissement te voorkomen door het moeten betalen van een saneringskost van ongeveer 1.000.000 EUR (zie pagina 13 van het verzoekschrift). Volgens verzoekende partij zou de bestreden beslissing tot gevolg hebben dat ze enkel over een beperkte tussenkomst van BOFAS (namelijk 62.000 EUR) zou kunnen genieten aangezien ze haar activiteiten tot 2 mei 2007 zou voortzetten. De bestreden beslissing zou tot gevolg hebben dat ze op 2 mei 2007 enkel over 62.000 EUR zou kunnen beschikken en bijgevolg 938.000 EUR zelf zou moeten betalen voor de sanering. 25 De beslissing om de activiteit te stoppen (en bijgevolg over een volledige tussenkomst van BOFAS te beschikken) of voor te zetten (en bij gevolg over een beperkte tussenkomst van BOFAS te beschikken) is voor verzoekende partij een louter bedrijfseconomische beslissing die niets te maken heeft met de bestreden beslissing. Dat verzoekende partij die beslissing dient te nemen is geen reden om te oordelen dat er in casu een uiterst dringende noodzakelijkheid bestaat.
- Verzoekende partij beweert daarenboven dat de bodemsaneringskosten geraamd zijn op 1.000.000 EUR en verwijst daarvoor naar stuk 44 van haar dossier. Die bewering is niet correct en spreekt stuk 44 zelfs gedeeltelijk tegen. Stuk 44 is een brief van 6 februari 2006, opgesteld door Mava. Uit stuk 44 blijkt immers heel duidelijk dat: ‘een raming van de saneringskost is op dit moment zeer moeilijk aangezien de verontreiniging nog niet afgeperkt werd (die gebeurt pas in het nader bodemonderzoek) en wij bijgevolg enkel kunnen gissen naar de exacte omvang ervan. Dit heeft uiteraard grote implicaties voor de saneringstechniek en de kostprijs.” (...). Verder gebruikt Mava de termen “ruwweg”, “schatten” en “vuistregels”. Het is wel zo dat Mava de saneringskosten raamt op ongeveer 1.000.000 EUR, maar die schatting heeft geen enkele wetenschappelijke waarde, zoals Mava het in zijn brief zelf toegeeft. Die schatting is gebaseerd op een theoretische en worst case scenario. Het is evident dat saneringskosten in casu niet geraamd kunnen worden aangezien verzoekende partij heel recent pas een bodemonderzoek heeft laten uitvoeren (prospectief onderzoek). Dit prospectief onderzoek is zeer algemeen en heeft de verontreiniging nog niet afgeperkt. Daarom werd door het BIM een nader onderzoek geëist. Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd en werd nog niet aan het BIM overgemaakt. De saneringskosten zullen enkel precies berekend kunnen worden nadat een saneringsvoorstel opgesteld wordt, waarin de verschillende saneringstechnieken zullen worden opgesomd en hun kost zal worden becijferd (zie artikel 60 van het benzinestationbesluit) De bewering dat de sanering 1.000.000 EUR zal kosten is voortijdig, niet wetenschappelijk onderbouwd en dus niet pertinent. De vordering is dus onontvankelijk wegens gebrek aan uiterst dringende noodzakelijkheid.
- De schorsingsprocedure wegens uiterst dringende noodzakelijkheid mag volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad slechts worden aangewend in uitzonderlijke omstandigheden, met name wanneer verzoeker duidelijk aantoont aan de hand van precieze en concrete feiten die in de vordering tot schorsing worden uiteengezet (zie bijvoorbeeld Raad van State, nr. 46.978, 22 april 1994; Raad van State, nr. 49.110, 20 september 1994). Verzoeker toont enkel aan dat zij bepaalde investeringen moet doen, zonder evenwel concreet aan te duiden VII-35.422-8/12 waaruit die investeringen bestaan. Daarenboven zijn die investeringen enkel vereist in het licht van andere wetgevende en reglementaire verplichtingen en vinden deze investeringen geenszins hun grond in de bestreden beslissing. Verzoekende partij slaagt er dan ook niet in om aan te tonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen (zie in die zin R.v.St., nr. 75.
- 6 augustus 1998). III. MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL
- Verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing tot het faillissement van Multogas zou leiden omdat Multogas op korte termijn investeringen dient uit te voeren krachtens het benzinestationbesluit voor een bedrag van 550.000 EUR en omdat bij de sluiting van de uitbating op 2 mei 2007, Multogas een saneringskost van 1.000.000 EUR zal moeten betalen. Verzoekende partij verwijst ten onrechte naar het verslag van de bedrijfsrevisor (zie stuk 51 van het dossier van verzoekende partij). In dit verslag wordt enkel aangetoond dat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn om binnen een tijdspanne van vijftien maanden investeringen te maken ten bedrage van 1.550.000 EUR (zijnde 1.000.000 voor de sanering en 550.000 voor de renovatie). In het verslag wordt evenwel geenszins gespecifieerd hoe men tot deze bedragen is gekomen. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is het louter inroepen van een financieel nadeel niet voldoende om het moeilijk te herstellen ernstig karakter ervan aan te tonen. Dit geldt des te meer indien, zoals reeds werd uiteengezet, verzoekende partij de ingeroepen bedragen niet kan staven op grond van precieze en concrete elementen.
- Zelfs indien Uw Raad zou oordelen dat een financieel nadeel moeilijk te herstellen en ernstig zou zijn (quod non), vereist de vaste rechtspraak van uw Raad dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de bestreden beslissing en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, 2002, p 992; zie ook Raad van State, Wetgeving en procedure, Die Keure, 2004, p 32), wat in casu niet het geval is. Reeds bij de bespreking van het uiterst dringende karakter van de vordering bleek duidelijk dat het financieel nadeel niet te wijten is aan de bestreden beslissing. De bestreden beslissing gunt een milieuvergunning aan verzoekende partij voor de verdere uitbating van de tankstation tot 2 mei
- Zoals reeds vermeld, heeft de bestreden beslissing niets te maken met de investeringen die verzoekende partij dient te maken krachtens het benzinestationbesluit, noch met de tussenkomst van BOFAS in de saneringskosten. Aangezien het nadeel te wijten is aan andere factoren, wordt dus niet voldaan aan de voorwaarde die Uw Raad stelt met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
- Verzoekende partij toont bovendien niet aan dat ze aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen in het geval haar milieuvergunning voor 15 jaar zou worden verleend. Verzoekende partij toont immers niet aan dat ze in 15 jaar het saneringsbedrag zou kunnen dragen dat zij zelf raamt op 1.000.000 EUR. Het kan bovendien met uitgesloten worden dat in 10 of 15 jaar de bodemverontreiniging erger zou worden door de verspreiding van de bestaande verontreiniging, wat de saneringskosten nog zou doen stijgen en bijgevolg verzoekende partij in een nog moeilijkere financiële situatie zou brengen. Verzoekende partij heeft dus niet voldoende aangetoond dat zij enkel en alleen in geval van een korte verlenging van haar milieuvergunning haar verplichtingen niet kan naleven en failliet zou gaan. VII-35.422-9/12 Het verslag van de bedrijfsrevisor dat door verzoekende partij neergelegd werd (zie stuk 51 van het dossier van verzoekende partij) bewijst evenmin dat Multogas haar verplichtingen zal kunnen vervullen binnen een tijdsbestek van 15 jaar. In het verslag toont de bedrijfsrevisor enkel aan dat het bedrijfseconomisch niet haalbaar is om 1.550.000 EUR (zijnde 1.000.000 voor de sanering en 550.000 voor de renovatie) te investeren binnen een tijdsperiode van vijftien maanden. Dit betekent dat men niet met zekerheid kan stellen dat verzoekende partij niet failliet zal gaan indien ze een lange verlenging zou krijgen.
- Ten slotte was het nadeel voorzienbaar. Multogas wist al sinds 1999 dat ze investeringen zou moeten doen om te voldoen aan de voorwaarden van het benzinestationbesluit. Multogas wist ook al lang dat ze een bedrijfseconomische keuze zou moeten maken vôôr 26 maart 2006 met betrekking tot de tussenkomst van BOFAS. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een ernstig moeilijk te herstellen nadeel. De rechtsleer stelt immers het volgende: ‘Quand bien même un préjudice est grave, la jurisprudence tend á l’ écarter s’il est prévu dans l’ordre des choses ou du moins dans l’ordre du prévisible’ (M. Leroy, Contentieux administratif, Bruylant, 2004, p 791).
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat er een ernstig moeilijk te herstellen nadeel bestaat in de zin van artikel 17, § 2, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wat betekent dat de vordering verworpen dient te worden”; 3.
- Overwegende dat de rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderingsprocedure is, vermits ze de rechten van de verdediging tot een minimum beperkt, en een behoorlijk procesverloop ten zeerste bemoeilijkt; dat er dan ook slechts in uitzonderlijke omstandigheden een beroep mag worden op gedaan, en op voorwaarde onder meer dat alleen dergelijke procedure het ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, kan voorkomen; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing de verzoekende partij toelaat haar inrichting verder uit te baten tot 2 mei 2007; dat een "gewone" schorsingsprocedure in principe, en ook in de praktijk, vóór die datum tot een arrest moet leiden; dat de verzoekende partij het tegendeel ook niet aanvoert; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij ter adstructie van de urgentie in essentie, op de eerste plaats, stelt dat zij ten gevolge van het besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations op zeer korte termijn belangrijke vernieuwingswerken moet uitvoeren ten belope van 550.000 EUR., en, op de tweede plaats, dat op haar site de bodem dient te worden gesaneerd, dat de kosten daarvoor op ongeveer 1 miljoen EUR. worden geraamd, en dat die kosten via een tussenkomst in het kader van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, bijna volledig VII-35.422-10/12 kunnen worden gerecupereerd, doch slechts op voorwaarde onder meer dat zij haar activiteiten uiterlijk op 26 maart 2006 stopzet; dat zij daaruit letterlijk besluit dat het absoluut cruciaal is dat zij op zeer korte termijn "uitsluitsel" krijgt over de vraag of de bestreden beslissing al dan niet wettig is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij zelf aangeeft dat de "deadline" voor de dringende investeringswerken die ten gevolge van het Benzinestationbesluit van 21 januari 1999 -en dus niet ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing- moeten verricht worden, reeds sedert 1 januari 2006 verstreken is; dat alleen deze vaststellingen reeds de urgentie, wat dit aspect betreft, tegenspreken; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij, wat het aspect van de noodzakelijke bodemsanering betreft, verwijst naar de "deadline" van 26 maart 2006; dat de keuze de activiteiten vóór die dag al dan niet stop te zetten en zo al dan niet beroep te doen op financiële tussenkomst voor die sanering, dan wel om voort te exploiteren en later op eigen kosten de bodem te saneren, op de eerste plaats een bedrijfseconomische keuze is die moet gemaakt worden, niet ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, maar ten gevolge van de verontreiniging van de site en de regelgeving op het vlak van de bodemsanering; dat bovendien de uiterst dringende kortgedingprocedure bij de Raad van State niet de finaliteit heeft het nemen van dergelijke beslissingen te vergemakkelijken; dat daarbij nog komt dat een gebeurlijk schorsingsarrest gewezen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, gelet op het zeer voorlopig karakter van de uitspraak, die enkel op de "ernst" van de middelen betrekking heeft, de verzoekende partij niet het gevraagde "uitsluitsel" over de wettigheid van de bestreden beslissing, en nog minder de zekerheid van het bekomen van een vergunning, voor de door haar gewenste periode van vijftien jaar dan nog, kan geven; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont dat de vordering de door de Raad van State-wet vereiste hoogdringendheid bezit, VII-35.422-11/12 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-35.422-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.458 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.