id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.460 Rolnummer: A. 134656/XIV-14392 Zaak: Arrest 155460 - - 22/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-07-04 03:41 Fiche Arrest nr 155.460 van 22 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.460 van 22 februari 2006 in de zaak A. 134.656/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 641 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Colombiaanse nationaliteit, op 27 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 25 februari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-14.392-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Colombiaanse nationaliteit, komt op 12 oktober 2000 België binnen en vraagt op 19 januari 2001 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 19 december 2002 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 2 januari 2003 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 25 februari 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat L. VANNOOTE, gehoord. 1.
- Op 25 februari 2003 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlands Kamer, de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “(...) Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: "U verklaarde de Colombiaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Cali. Sinds 1989 zou u bij de muziekgroep Latin Brothers gespeeld hebben als bassist. In juni 1997 zou u met de groep naar Peru gereisd zijn om daar te werken in opdracht van A. G. en J. M.. Na enkele maanden gewerkt hebben, zouden jullie nog steeds niet betaald zijn en zouden er problemen ontstaan zijn. In de periode van augustus 1997 tot oktober 1997 zou uw echtgenote omwille van deze problemen dreigtelefoontjes ontvangen hebben. Op 7 december 1997 zou u uiteindelijk met de hele groep naar Colombia teruggekeerd zijn. Eén week na uw terugkeer naar Colombia, zou u samen met twee andere orkestleden klacht ingediend hebben bij de politie van Cali. In januari 1998 zou u met uw twee XIV-14.392-2/9 dochters verhuisd zijn, uw echtgenote zou zich in Yumbo gevestigd hebben. Vervolgens zou u tussen februari 1998 en juni 1998 dreigbrieven ontvangen hebben. Op 4 juni 1998 zou Piper de orkestleider, vermoord zijn door huurmoordenaars waarna u tot juni 1999 geen verdere problemen zou gekend hebben. In juni 1999 zou u dan naar België gekomen zijn om hier op te treden met uw nieuwe orkestband. U zou toen tot 30 augustus 2000 in België gebleven zijn. Die dag zou u naar Colombia teruggegaan zijn omdat u zich zorgen maakte over uw familie. Op 12 oktober 2000 zou u dan met uw twee dochters uit Colombia vertrokken zijn en naar België teruggekeerd zijn. Op 19 januari 2001 vroeg u asiel aan.”; Overwegende dat appellant zijn identiteit aantoont aan de hand van zijn paspoort, de paspoorten van zijn twee kinderen, zijn geboorteakte en de geboorteaktes van zijn dochters; Overwegende dat appellant elektronicus was van beroep en werkte in een firma voor montage en reparatie van apparaten; dat hij daarnaast ook muzikant was en in verschillende salsa-orkesten speelde; dat hij meerdere keren buiten Colombia optrad, in Latijns Amerika en in Europa; dat hij onder meer ook speelde bij groep "the Latin Brothers" en hiermee in 1997 naar Peru is gegaan; dat hij nooit deelnam aan de opnames van de CD's van "the Latin Brothers" en zijn naam daarom niet bekend voorkomt; dat het aannemelijk is dat appellant occasioneel als muzikant optrad voor "the Latin Brothers"; Overwegende dat appellant ter zitting herhaalt dat hij de onderdirecteur was van "the Latin Brothers"; dat hij toelicht dat hij instond voor de repetities, de klederen en besliste welke liederen werden gespeeld; dat hij de leider van de groep, Piper Pimienta Diaz, tijdens diens afwezigheid verving; dat appellant over deze functie van onderdirecteur geen elementen neerlegt; dat het niet geloofwaardig is dat hij Piper Pimienta Diaz als leider van de groep verving daar ter zitting blijkt dat appellant niet bekend is met de wijze waarop concerten worden georganiseerd en gecontracteerd; dat "the Latin Brothers" een orkest is van de platenmaatschappij Disco Fuentes en ter zitting blijkt dat appellant onbekend is met de zakelijke wereld rond optredens en orkestbezetting; dat appellant zijn functie binnen "the Latin Brothers" niet aannemelijk maakt; Overwegende dat appellant in zijn verzoekschrift stelt dat zijn problemen in 1997 begonnen; dat in 1997 "the Latin Brothers" in Peru een aantal concerten gaven in opdracht van de Colombiaan A. G. en de Peruviaan J. M.; dat de financiële beloften niet werden nagekomen; dat noch de reiskosten, noch de hotelkosten in Peru van de muzikanten werden betaald; dat appellant tezamen met Piper Pimienta Diaz een klacht had ingediend tegen deze twee zakenmannen; Overwegende dat appellant geen begin van bewijs neerlegt van deze klacht; dat hij slechts krantenknipsels aanbrengt; dat hij niet aantoont dat hij betrokken was bij deze klacht; dat hij evenmin het causaal verband aantoont tussen hemzelf en de moord op Piper Pimienta Diaz en de klacht; dat Piper Pimienta Diaz als schuldeiser verschillende processen had lopen in verband met onbetaalde prestaties; dat appellant ter zitting bevestigt dat Piper Pimienta Diaz net voor zijn moord een proces had gewonnen tegen de discotheek Monterey in Buenaventura waardoor hij een aanzienlijk bedrag zou worden uitbetaald; dat appellant niet weet waarom Piper Pimienta Diaz werd vermoord; dat deze moord officieel ook niet werd opgelost; overwegende dat de bestreden beslissing stelt: "De motieven waarop u zich beroept voor uw asielaanvraag houden immers geen verband met één van de criteria van de Conventie van Genève en zijn als dusdanig vreemd aan asiel. De problemen die u aanhaalt, situeren zich immers in de privé-sfeer en beperken zich tot privé-personen. Uit uw verklaringen blijkt namelijk dat de problemen die zou gehad hebben veroorzaakt werden door maffialeden en dus van gemeenrechtelijke aard zijn (zie verhoorverslag CGVS p. 13).” dat hij in zijn verzoekschrift stelt: “Mijn cliënt heeft klacht neergelegd tegen twee machtige mannen, waaronder een Colombiaans politicus 'de heer Garces voornoemd), in dit in een land waar politiek, leger enz corrupt is. Dit kan dan ook niet meer aanzien worden als een privé-zaak! Het is immers algemeen geweten dat in Colombia het leger (publiek orgaan!) soms wordt ingeschakeld om ‘privé-problemen op te lossen'. Derhalve mag deze zaak niet zomaar worden afgedaan als zijnde een ‘privé-zaak’, maar XIV-14.392-3/9 dient ze eerder in die zin te worden begrepen rekening houdend met de huidige binnenlandse politiek van Colombia.”; dat appellant noch in zijn verzoekschrift noch ter zitting het verband kan verduidelijken tussen een Colombiaanse politicus voor wie "the Latin Brothers" soms optraden in Colombia, en het onbetaalde hotel en reiskosten van een tournee in Peru; dat het dan ook niet aannemelijk is dat appellants leven wordt bedreigd voor een klacht die niet hijzelf, maar wel Piper Pimienta Diaz, heeft ingediend tegen een Peruviaans zakenman en die mogelijks met de dood van Piper Pimienta Diaz werd geseponeerd; dat ten slotte kan worden opgemerkt dat "the Latin Brothers" een orkest is van de platenmaatschappij Disco Fuentes dat nog steeds bestaat en concerten geeft; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen begrijpt dat appellant zich zorgen maakt over een eventuele uitwijzing uit België; dat er terecht kan gesteld worden dat de situatie in Colombia bijzonder verontrustend is; dat de reeds veertig jaar durende oorlog een complex conflict geworden is waarin de gewapende opstandelingen, paramilitaire troepen en het regeringsleger en de politie tegenover elkaar staan; dat de verplaatsing van grote groepen mensen inherent geworden is aan deze voortdurende burgeroorlog; dat sedert1985 meer dan twee miljoen mensen omwille van extreme vormen van politiek geweld en ernstige mensenrechtenschendingen genoodzaakt werden te verhuizen naar alle hoeken van het land; dat velen toevlucht zoeken in de omringende landen (zie mensenrechtenrapporten van Amnesty International en Human Rights Watch, Norwegian Refugee Council, http://www.idpproject.org/, U.S Committee for refugees http://www.refugees.org, UNHCR http://www.unhcr.org); dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook van mening is dat de advocaat van appellant terecht verwijst naar het uitzonderlijke situatie in Colombia; dat de beoordeling van het recht op verblijf in België omwille van klemmende humanitaire redenen echter niet behoort tot de bevoegdheden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Riascos Cardona Marco de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en uit de manifeste appreciatiefout, het volgende aanvoert: “Schending van artikel 1, al. 2 van Het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd en bekrachtigd bij Wet van 14 juli 1987, artikel 149 van de Grondwet, van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en de manifeste appreciatiefout. Doordat de bestreden beslissing ten onrechte besluit dat de asielaanvraag ongegrond is en zich hiervoor baseert, zonder enige tegenstrijdigheid te weerhouden in het relaas van verzoeker, o.a. op het feit dat verzoeker geen bewijs heeft neergelegd van het feit dat hij klacht heeft neergelegd en hij ook het causaal verband tussen hemzelf en de moord XIV-14.392-4/9 op Piper Pimienta Diaz en de klacht niet aantoont; dat zij eigenlijk besluit dat verzoeker met die zaak niets te zien heeft en derhalve geen angst dient te koesteren. Terwijl de bestreden beslissing aanneemt dat verzoeker inderdaad als muzikant is opgetreden bij "the Latin Brothers", cruciaal gegeven in het feitenrelaas dat aan de basis ligt van het vluchtverhaal. Terwijl ook niet wordt getwijfeld aan het feit dat verzoeker meerdere keren buiten Colombia is opgetreden met die groep. Terwijl het anderzijds niet vereist is om bewijzen bij te brengen voor zover de verklaringen coherent en plausibel zijn; terwijl verzoeker i.v.m. de feiten en de klacht zelf voldoende duidelijke, volledige en coherente verklaringen heeft afgelegd. Terwijl i.v.m. de moord op Piper Pimienta Diaz inderdaad dient gesteld dat het gaat om een onopgehelderde moord, zodat men uiteraard niet mag verwachten van een privé- persoon, die geen enkele toegang heeft tot het gerechtelijk onderzoek, dat hij een causaal verband positief kan aantonen; dat dit een manifeste appreciatiefout uitmaakt; terwijl het anderzijds wel zo is dat hij een gegronde vrees koestert omdat ook hij doodsbedreigingen ontving en het zeer goed mogelijk is dat deze ook jegens hem zouden kunnen uitgevoerd worden, temeer daar zij samen een gemeenschappelijke klacht hadden lopen; terwijl zijn vrees in die zin dus wel degelijk kan gegrond zijn. Doordat de bestreden beslissing zelf niet antwoord op het verweer dat de problemen van verzoeker zich wel degelijk afspelen onder het actieterrein van de Conventie van Genève en geen louter privé-aangelegenheden zijn, of problemen van gemeenrechtelijke aard; doordat de bestreden beslissing op dit punt het motief van het CGVS overneemt en vervolgens het verweer uit het verzoekschrift, zonder echter zelf hieromtrent standpunt in te nemen. Terwijl dit toch een cruciaal element is in de kwalificatie van de feiten. Terwijl hoe dan ook dient herhaald te worden dat verzoeker geen bescherming van zijn overheid kan inroepen tegen de praktijken van criminele, maffieuze groepen die echter meestal allemaal een of andere politieke strekking vertegenwoordigen; terwijl dit immers moet gezien worden in de context van aanhoudende burgeroorlog in Colombia. Doordat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat verzoeker geen verband kan aantonen tussen de Colombiaanse politicus voor wie de Latin Brothers soms optraden in Colombia en het onbetaalde hotel en reiskosten van een tournee in Peru; Terwijl verzoeker toch steeds duidelijk heeft verklaard dat de tournee plaats vond in opdracht van die politicus en nog een ander Peruviaans zakenman. Terwijl verzoeker overigens steeds herhaald heeft dat hij zelf, samen met Piper Pimienta Diaz en nog een andere muzikant de klacht hebben neergelegd; dat hier wederom een manifeste appreciatiefout wordt gemaakt. Doordat de bestreden beslissing enerzijds rekening houdt met de politieke context en deze begrijpt maar anderzijds geen enkel verband legt tussen het probleem van verzoeker en deze context die maakt dat er wel een bescherming vanwege de Conventie van Genève kan ingeroepen worden. Terwijl de Conventie van Genève immers niet vereist dat de vervolging moet uitgaan van de overheid of haar organen maar dient alleen maar aangetoond te worden dat de betrokkene de bescherming van zijn land niet kan of wil inroepen. Uiteraard is de Colombiaanse overheid niet in staat zijn inwoners te beschermen tegen acties van de guerrilla en/of maffia, dewelke in Colombia ook meteen verstrengeld zijn en steeds een of ander politieke strekking vertegenwoordigen. Dat het middel duidelijk is en momenteel geen verdere ontwikkeling vraagt. Dat verzoeker zich echter het recht voorbehoud om in de loop van de procedure deze argumenten verder toe te lichten en te ontwikkelen na eventuele kennisname van het standpunt van de tegenpartijen en/of de Auditeur.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers enige middel: "Schending van artikel 1, al 2 van Het Internationaal Verdrag van betreffende de status van de vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28.07.1951; van artikel 57/22 van de wet van 15.12.1980 en de manifeste appreciatiefout". ! Betreffende de opgeworpen schending van artikel 57/22 van de wet van 15.12.
- Betreffende de vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij gelden dat de beslissing van de Vaste XIV-14.392-5/9 Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd en is er geen sprake van een schending van het art. 57/22, temeer daar art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. AR P.94.0068.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass. 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522). De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval verzoekers verklaringen niet aannemelijk kunnen worden geacht en verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, al 2 van het Verdrag van Genève van 28.07.
- Zo wordt in de in casu bestreden beslissing onder meer verwezen naar het gegeven dat: - het aannemelijk is dat verzoeker occasioneel optrad voor "The Latin Brothers"; - verzoeker zijn functie binnen de groep niet aannemelijk maakt; - verzoeker onbekend is met de zakelijke wereld rond optredens en orkestbezetting; - er na een aantal concerten in Peru tegen twee zakenmannen klacht werd ingediend wegens het niet nakomen van hun financiële beloften; - verzoeker geen begin van bewijs neerlegt van deze klacht en niet aantoont dat hij bij deze klacht betrokken was; - verzoeker geen enkel causaal verband aantoont tussen hemzelf, de dood van Piper Pimienta Diaz en de klacht; - het niet aannemelijk is dat verzoekers leven wordt bedreigd voor een klacht die niet hijzelf, maar Piper Pimienta Diaz heeft ingediend tegen een Peruviaans zakenman en die mogelijks met de dood van Piper Pimienta Diaz werd geseponeerd; - er dient opgemerkt te worden dat "the Latin Brothers" een orkest is van de platenmaatschappij Disco Fuentes en nog steeds bestaat en optredens geeft; - de Vaste Beroepscommissie begrijpt dat verzoeker zich zorgen maakt over de eventuele uitwijzing uit België, gezien de situatie in Colombia; - de beoordeling van het recht van verblijf in België omwille van klemmende humanitaire redenen echter niet behoort tot de bevoegdheden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; - verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, al 2 van het Verdrag van Genève van 28.07.
- Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. Immers, de argumentatie van verzoeker is hoofdzakelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meer bepaald m.b.t. de aannemelijkheid van de door verzoeker afgelegde verklaringen en het verband van het vluchtrelaas met de Conventie van Genève. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht en de geloofwaardigheid van de door verzoeker aangebrachte elementen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze elementen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. XIV-14.392-6/9 De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers enige middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen te betwisten, dient het middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers enige middel, in de mate dat het steunt op dit onderdeel, niet kan worden aangenomen. ! Betreffende de opgeworpen schending van artikel 1, al 2 van het Internationaal Verdrag van betreffende de status van de vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28.07.
- In zijn enig middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van art. 1, A,
(2)van het verdrag van Genève dd. 28.07.1951 betreffende de status van vluchtelingen. De verwerende partij merkt vooreerst op dat de ter zake geldende bewijslast in beginsel op verzoeker rust, derwijze dat hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen ter staving van zijn relaas (zie onder meer de Guide de procédures et critères à appliquer pour determiner le statut de réfugié van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, Genève, 1979, 53). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is terecht van oordeel dat verzoeker op dit punt in gebreke is gebleven. Uit de gegevens van de zaak blijkt genoegzaam dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen binnen de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid die de voormelde verdragsbepaling haar biedt, heeft kunnen beslissen dat verzoekers verklaringen niet aannemelijk moeten worden geacht. Hetgeen door verzoeker in zijn middel wordt aangevoerd, is geenszins van aard om tot een ander besluit te kunnen komen, nu deze zich daarin beperkt tot het uiten van ongestaafde kritiek op de in casu bestreden beslissing die neerkomt op het vragen naar een feitelijke herbeoordeling van zijn aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gedane asielrelaas. Verzoekers middel bestaat overigens deels uit een loutere letterlijke herneming van dit relaas. De Raad van State kan de beoordeling die verzoeker van haar verlangt niet maken. Immers, niet enkel zou het gaan om een vervormde beoordeling van verzoekers asielaanvraag, aangezien verzoeker zijn voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gedane verklaringen isoleert van degene die hij in de administratieve fase van het onderzoek van de genoemde aanvraag heeft afgelegd, alsook van het asielrelaas van zijn broer (waardoor de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vastgestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers verklaringen daar omtrent niet toetsbaar wordt), de Raad van State is bovenal niet bevoegd tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van een asielaanvraag, zeker niet wanneer zij, zoals te dezen het geval is, optreedt als administratief cassatiegerecht (zie bv. R.v.St. nr. 50.272, 18.11.1994; nr. 47.325, 6.5.1994; nr. 45.632, 4.1.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft in casu in haar bestreden beslissing alle vaststellingen opgenomen die voor de beoordeling van het door verzoeker bij haar ingestelde beroep relevant zijn en die de afwijzing van dit beroep rechtvaardigen. Door op basis van de haar eigen feitelijke beoordelingsbevoegdheid verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig te achten en de daartoe in aanmerking genomen gegevens in haar beslissing te vermelden heeft zij het vluchtelingbegrip geenszins miskend. Immers, uit een arrest van de Raad van State dd. 12.01.1999 (nr. 78.054) blijkt dat wanneer het verhaal van de asielzoek(st)er kennelijk niet geloofwaardig (niet aannemelijk) is, er geen reden is om het verhaal van de betrokkene nog te toetsen aan de bovengenoemde verdragsbepaling. Bovendien beroept verzoeker zich op motieven die geen verband houden met één van de criteria van de Conventie van Genève en zijn deze als dusdanig vreemd aan asiel. Verzoeker slaagt er niet in zijn verklaringen aannemelijk te maken en toont geen enkel causaal verband aan tussen hemzelf, de dood van Piper Pimienta Diaz en de klacht. Het is niet aannemelijk dat verzoekers leven wordt bedreigd voor een klacht die niet hijzelf, XIV-14.392-7/9 maar Piper Pimienta Diaz heeft ingediend tegen een Peruviaans zakenman en die mogelijks met de dood van Piper Pimienta Diaz werd geseponeerd. Verzoeker slaagt er niet in het verband tussen zijn asielrelaas en de criteria van Conventie van Genève te bewijzen, of minstens aannemelijk te maken. Er kan derhalve geen sprake zijn van de door verzoeker ingeroepen schending van die verdragsbepaling. In de mate dat het op deze schending is gesteund, is verzoekers enig middel dan ook ongegrond. ! Betreffende de opgeworpen manifeste appreciatiefout. Er kan geen sprake zijn van enige manifeste appreciatiefout in de mate dat de bestreden beslissing stelt dat verzoeker geen enkel causaal verband aantoont tussen hemzelf, de dood van Piper Pimienta Diaz en de klacht en dat het niet aannemelijk is dat verzoekers leven wordt bedreigd voor een klacht die niet hijzelf, maar Piper Pimienta Diaz heeft ingediend tegen een Peruviaans zakenman en die mogelijks met de dood van Piper Pimienta Diaz werd geseponeerd. Verzoeker slaagt er namelijk niet in zijn beweringen aannemelijk te maken. Bovendien betreft het hier slechts een element van de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende motivering, vermits in verzoekers asielrelaas elk verband met de Conventie van Genève ontbreekt. Verzoeker toont niet aan, noch maakt hij aannemelijk dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, al 2 van het Verdrag van Genève van 28.07.1951.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de memorie van antwoord alleen een uiteenzetting bevat van de argumenten ten opzichte van het door hem ontwikkelde middel en dat hij in die zin niets heeft toe te voegen aan hetgeen hij in zijn inleidend verzoekschrift heeft uiteengezet; 2.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat hij, enerzijds, zijn functie als onderdirecteur van “The Latin Brothers” niet aannemelijk maakt en zijn betrokkenheid bij de klacht tegen twee zakenmannen niet aantoont en omdat hij, anderzijds, het verband niet verduidelijkt tussen een Colombiaanse politicus en het onbetaalde hotel en reiskosten van een tournee in Peru; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn vlucht, foutief zou hebben gekwalificeerd; dat niettegenstaande -zoals verzoeker terecht opmerkt- er sprake van vervolging kan zijn indien de overheid niet bij machte is om afdoende bescherming te bieden aan haar burgers tegen de vervolgende partij (zoals daar in Colombia zijn: de guerrilla en de maffia), niettemin, opdat er sprake zou zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dient te worden aangetoond dat de vervolging, uitgaande van hetzij de overheid zelf, hetzij van derden waartegen de overheid geen bescherming kan bieden, geschiedt omwille van één van de vijf redenen vermeld in het Vluchtelingenverdrag, te weten omwille van ras, religie, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; dat, zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing opmerkt, verzoeker “noch in zijn verzoekschrift noch ter zitting het verband verduidelijkt (...) tussen een Colombiaans politicus voor wie “the Latin Brothers” soms optraden in Colombia, en XIV-14.392-8/9 het onbetaalde hotel en reiskosten van een tournee in Peru”, met andere woorden dat hij niet duidelijk maakt dat het niet betalen van de gemaakte kosten ingegeven zou zijn door één van de in het Vluchtelingenverdrag vermelde redenen; dat het feit dat een politicus zich inlaat met maffiose praktijken derhalve op zich niets afdoet aan het gemeenrechtelijk karakter van de feiten, zoals reeds werd vastgesteld door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de beroepen beslissing; dat op het in zijn beroepschrift ontwikkelde argument omtrent het binnenlands conflict, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam antwoordt waar zij overweegt “dat de situatie in Colombia bijzonder verontrustend is”, “dat de reeds veertig jaar durende oorlog een complex conflict geworden is (...)” en zij van mening is “dat de advocaat van appellant terecht verwijst naar het (de) uitzonderlijke situatie in Colombia”, en zij terecht stelt “dat de beoordeling van het recht op verblijf in België omwille van klemmende humanitaire redenen echter niet behoort tot de bevoegdheden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen”; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.392-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.460 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div