id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.469 Rolnummer: A. 79832/XII-1552 Zaak: Arrest 155469 - - 23/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 10:40 Fiche Arrest nr 155.469 van 23 februari 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.469 van 23 februari 2006 in de zaak A. 79.832/XII-
- In zake : Luc VAN ROY, die woonplaats kiest bij advocaat M. Smout, kantoor houdende te Steenokkerzeel, Tervuursesteenweg 286, bus 2 tegen : de HOGESCHOOL SINT-LUKAS BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. Peeters, kantoor houdende te Brussel, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Van Roy op 17 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de examencommissie van het tweede meesterjaar audio-visuele kunst, optie animatie, van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel van 19 juni 1998 waarbij hij in de eerste examenperiode wordt afgewezen; Gelet op het arrest nr. 122.884 van 16 september 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1552-1/8 Gelet op de beschikking van 20 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Smout, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Vandaele, die loco advocaat P. Peeters verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Tijdens het academiejaar 1997-1998 volgt Luc van Roy de lessen van de tweede meestergraad audiovisuele kunst, optie animatie, aan de Hogeschool Sint-Lukas te Brussel. In de eerste examenperiode krijgt hij volgende cijfers : “Ethiek van de media 8 Maatschappijstudie 14 Kunstactualiteit 10 Recht 3 Electronische Beeldvorming 15 Tekenen 13 Illustratie en Beeldverhaal 16 Jaaroefeningen Animatiefilm 0 Stage & Scriptie 14 Eindejaarswerk Animatiefilm 9”. Met een totaalscore van 46% van de punten wordt hij op 19 juni 1998 door de examencommissie afgewezen. In het proces-verbaal wordt naast de vermelding “onvoldoende globale resultaten” volgende motivering gegeven : XII-1552-2/8 “
- Onvoldoende voor Jaaroefeningen animatiefilm. Motivatie: De evaluatie van de jaaroefeningen was onmogelijk, hetzij als gevolg van afwezigheden, hetzij als gevolg van het niet presenteren van de gevraagde opdrachten.
- Onvoldoende voor Eindejaarswerk animatiefilm. Motivatie: Het gepresenteerde eindejaarswerk voldoet niet aan de gestelde artistieke eisen”. Verzoeker is aanwezig op de proclamatie, die onmiddellijk volgt op de deliberatie, en krijgt diezelfde dag ook zijn rapport met de cijfers. Aanvankelijk richt verzoekers vader zich tot de ombudsman van de hogeschool om mededeling van een aantal gegevens te krijgen, onder meer de samenstelling van de jury en de motivering van de beslissing. Op 27 juni 1998 heeft ook een ontmoeting plaats met de directie. Bij brief van 10 juli 1998 richten verzoeker en zijn vader volgende brief aan de directeur, tevens voorzitter van de examencommissie : “Op onze herhaalde vraag aan de ateliertitularissen van de vakken Wat echter ontbrak, was de materiële motivering, waarop iedere student recht heeft, in het kader van de openbaarheid van bestuur in het onderwijs. Gezien deze materiële motivering geheel ontbreekt en gezien het berokkende nadeel aanzienlijk is, is het voor ons onmogelijk om de redelijkheid en de billijkheid van de genomen beslissing in te zien; temeer omdat ook de resultaten van de voorgaande studiejaren nooit aanleiding tot argwaan gaven. Enkel al de 0/20 -met een gewicht van 13 studiepunten op 60- voor 1998 van de Hogeschool, getuigen opnieuw van onbillijkheid. Bovendien illustreren precedenten dat het afwijzen en dus het ontzeggen van een tweede zittijd voor een student met een totaalscore van 46 % (ondanks de 0/20 en de 9/20) van weinig redelijkheid. Uiteraard hopen wij om alsnog te komen tot een evenwichtig eindoordeel, en dit drie weken voor de aanvang van de tweede zittijd. Hopend op een spoedig antwoord verblijven wij”. Een antwoord blijft uit en verzoeker stelt op 17 augustus 1998 het voorliggend beroep tot nietigverklaring in; XII-1552-3/8 De ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt omdat verzoeker nagelaten heeft om tijdig het administratief beroep uit te putten dat, ter uitvoering van artikel 56 van het hogescholendecreet, wordt georganiseerd in artikel 75 van het examenreglement; dat zij argumenteert, rekening houdend met de dag van de proclamatie, dat bezwaren uiterlijk op 24 juni 1998 schriftelijk moesten worden voorgelegd aan de voorzitter van de examencommissie en dat verzoeker dergelijke bezwaren evenwel slechts op 9 juli 1998 via een aangetekend schrijven aan de voorzitter heeft meegedeeld; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert door te verwijzen naar de verwerping van dezelfde exceptie in het tussenarrest nr. 76.957 van 17 november 1998; dat hij voorts opmerkt dat bij zijn contacten, ná de proclamatie, met de ombudsman, de ateliertitularissen of de directie, nooit toespeling is gemaakt op de te volgen procedure, dat zijn betwisting niet een “materiële vergissing” in de enge zin van schrijf- en rekenfouten betreft zodat het examenreglement niet ter zake is en dat hij dienvolgens nooit een georganiseerd beroep heeft ingesteld om de eenvoudige reden dat hij dat niet hoefde te doen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie handhaaft het begrip “materiële vergissing” altijd beschouwd te hebben als een misslag in de enge zin van het woord “zo niet dan zou hij in de dagen welke volgden op de deliberatie - proclamatie van vrijdag 19 juni 1998 zeker gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid een materiële vergissing (in de ruime zin dan) te doen herzien”; dat volgens verzoeker een “georganiseerd” administratief beroep voor de rechtszoekende een duidelijke tekst vereist; dat verzoeker uitvoerig de rechtspraak van de Raad van State overloopt in verband met het uitputten van de beroepsmogelijkheden tegen examenbeslissingen en telkens wijst op de overeenkomsten en verschillen met de gegevens van zijn zaak; dat die zaak voor hem er in wezen op neerkomt dat er na afsluiting van de examenperiode geen mogelijkheid meer is om een inhoudelijke herwaardering van prestaties te verkrijgen; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie er aan herinnert dat de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 65.179, D’Haene, van 12 maart 1997 een ruime interpretatie gaf aan de term “materiële vergissingen” zoals XII-1552-4/8 die vermeld staat in het hogescholendecreet; dat een en ander volgens haar “duidelijk geregeld [is] in het examenreglement” en er dan ook een verplichting bestaat om het georganiseerd administratief beroep uit te putten voor alle vergissingen naar de inhoud;
- Overwegende dat artikel 56 van het toentertijd toepasselijke decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (ook: hogescholendecreet) bepaalt : “Het hogeschoolbestuur stelt een examenreglement op. Dit omvat ten minste : [...] 9/ de procedure waarbij conflicten tussen de studenten en de leden van de examencommissie voor de beraadslaging, of vermoede materiële vergissingen vastgesteld na het afsluiten van de beraadslaging, worden behandeld.”; Overwegende dat in deze decreettekst met “materiële vergissingen” blijkbaar alle “vergissingen naar de inhoud” bedoeld moeten zijn, welk begrip heel wat meer dekt dan schrijf- of rekenfouten; dat immers moeilijk te begrijpen valt waarom bepaaldelijk en wel uitsluitend voor dat laatste soort van gemakkelijk recht te zetten vergissingen de decreetgever gewild zou hebben dat een hele procedure wordt opgezet; dat de Raad van State dan ook aanneemt dat de decreetgever van het hogeschoolbestuur heeft gewild dat het bij examenreglement een volwaardige procedure tegen beslissingen van de examencommissie uitwerkt, die dan ook een georganiseerd administratief beroep vormt, dat moet worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd;
- Overwegende dat de aangehaalde decreetsbepaling aldus het hoge- schoolbestuur tot nader handelen verplicht, met name tot het opstellen van een examenreglement dat op het vlak van de georganiseerde beroepsprocedure bovendien beantwoordt aan de voorgeschreven criteria; dat de vraag te dezen rijst of de verwerende partij aan die decreetsbepaling ten behoeve van de studenten ook naar behoren uitvoering heeft gegeven; Overwegende dat ter uitvoering van de bedoelde decreetsbepaling effectief een examenregeling van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel is vastgesteld; dat in hoofdstuk XIV ervan wordt gehandeld over “herziening van beslissingen” : “Art.
- Betwistingen over vermoede materiële vergissingen, vastgesteld na het afsluiten van een examenperiode, worden bij de voorzitter van de XII-1552-5/8 examencommissie of zijn plaatsvervanger schriftelijk aanhangig gemaakt uiterlijk binnen de 3 werkdagen na de proclamatie. Art.
- Voor zover de materiële vergissing vastgesteld is en geen invloed heeft op het globaal examenresultaat van de betrokken student, dient de voorzitter van de examencommissie of zijn plaatsvervanger ze zonder meer recht te zetten. In het andere geval roept hij/zij de examencommissie opnieuw samen. Deze beslist binnen de 3 werkdagen en maakt haar beslissing schriftelijk bekend aan de betrokken student. De voorzitter van de examencommissie oordeelt over het aanwezigheidskworum tot geldig beraadslagen.”; dat artikel 52 van de examenregeling - opgenomen in hoofdstuk VII, “Bekendmaking van de examenresultaten” - de mogelijkheid tot herziening in beginsel koppelt aan het nog aan de gang zijn van de beraadslaging van de examencommissie : “De beraadslaging wordt door de voorzitter van de examencommissie voor gesloten verklaard nadat over alle studenten van het betrokken studiejaar een beslissing is genomen. Zolang de beraadslaging niet gesloten is, zijn de beslissingen voor herziening vatbaar.”; dat in artikel 53 van de regeling onder meer wordt bepaald : “De proclamatie is onherroepelijk, behalve in geval van materiële vergissing zoals voorzien in de artikels 75 en 76 van dit examenreglement.”;
- Overwegende dat verwerende partij niet wordt bijgevallen in haar stelling dat zij het hogeschooldecreet duidelijk in een examenreglement heeft uitgevoerd; dat de verwerende partij die omzetting spijts haar verklaringen in de memories niet zo correct lijkt te hebben uitgevoerd, maar de mogelijkheid om, na het sluiten van de beraadslaging, de herziening van een beslissing van de examencommissie alsnog op grond van “materiële vergissingen” te verkrijgen blijkens de aangehaalde bepalingen strikt beperkt blijkt te hebben tot vergissingen in de enge zin van schrijf- en rekenfouten; dat zulks verklaart waarom zij verzoeker niet tegenspreekt, na de deliberatie op geen ogenblik gewezen te hebben op het bestaan van een georganiseerde beroepsprocedure; dat het ook verklaart waarom verwerende partij de voorlopige zienswijze van de Raad in voornoemd tussenarrest nr. 76.957 van 17 november 1998 niet betwist, of er alleszins geen concrete argumenten tegenover plaatst om aan te tonen dat verzoeker door het reglement en haar voorstellingswijze ervan toch niet in verwarring werd gebracht en wel degelijk verondersteld moet worden de beweerd ruime betekenis van de beroepsprocedure in het examenreglement te hebben begrepen; dat integendeel verzoeker, op grond van de voorliggende teksten, mocht geloven dat er geen georganiseerde mogelijkheid was om een inhoudelijke herwaardering van zijn prestaties te verkrijgen, daar het door de examenregeling georganiseerd administratief beroep naar de letter niet gericht is op XII-1552-6/8 het herstellen van inhoudelijke fouten, en het integendeel de indruk wekt, en door verwerende partij toentertijd ook zo blijkt opgevat, dat zulke mogelijkheid wordt uitgesloten, inzonderheid gelet op het bepaalde in de artikelen 52 en 53 van de examenregeling dat beslissingen voor herziening vatbaar zijn zolang de beraadslaging niet gesloten is en dat de proclamatie in beginsel onherroepelijk is; dat de student niet het slachtoffer mag zijn van een gebrekkige omzetting van het decreet in een examenreglement; dat de exceptie niet wordt aangenomen,
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie de ontvankelijkheid van het beroep ook nog betwist wegens de ontstentenis van actueel belang van verzoeker; dat zij argumenteert dat verzoeker ófwel niet alle kansen heeft benut met het oog op het behalen van het diploma, indien hij de studies stopgezet zou hebben, ófwel inmiddels in een andere hogeschool het diploma gehaald heeft zodat dan het vernietigingsarrest hem geen bijkomend voordeel meer kan opleveren; Overwegende dat verzoekers raadsman ter terechtzitting verklaart dat verzoeker de studies niet heeft voortgezet en in zijn onderhoud moest kunnen voorzien, dat de gevorderde nietigverklaring leidt tot een nieuwe beraadslaging van de examencommissie en dat hij verwacht dat die nieuwe beslissing voor hem gunstig zal zijn; dat verzoeker aldus afdoende heeft duidelijk gemaakt welk voordeel het beroep hem nog steeds kan opleveren; dat het actueel belang erbij hem niet kan worden ontzegd; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat het auditoraatsverslag tot een onderzoek van de eerste besproken exceptie is beperkt; dat er reden is tot een aanvullend onderzoek, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. XII-1552-7/8 Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1552-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.469 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.957 ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.854 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.122.884 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.920 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.