id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.470 Rolnummer: A. 102435/XII-3030 Zaak: Arrest 155470 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 10:40 Fiche Arrest nr 155.470 van 23 februari 2006 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.470 van 23 februari 2006 in de zaak A. 102.435/XII-
- In zake : Hugo VAN ROUSSELT, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coulier, kantoor houdende te Nieuwpoort, Oostendestraat 20 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Riddersstraat 2, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo van Rousselt op 27 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van 13 december 2000 en 24 januari 2001, genomen door de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs, waarbij hem een tuchtstraf van terbeschikking- stelling van twee jaar wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3030-1\12 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Coulier, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat O. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is sedert 1 januari 1976 aangesteld als leraar in de Stedelijke Academie voor Woord en Muziek te Veurne en is er sedert 1981 vast benoemd. 1.
- In de loop van het schooljaar 1998-1999 blijkt uit brieven van ouders van leerlingen, van een collega, van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en van de inspecteur voor woordkunst dat er klachten zijn over de wijze van lesgeven van verzoeker. Verzoeker zou tijdens de lessen seksistische en racistische uitspraken doen. 1.
- Tijdens de zitting van het college van burgemeester en schepenen van 25 augustus 1999 wordt aan verzoeker meegedeeld dat het niet de bedoeling is om terug te komen op de eerder gemaakte afspraak “dat geen maatregelen tegen hem zouden worden genomen mits hij, door pensionering aan te vragen of op grond van ziekteverlof niet meer voor de klas zou staan vanaf 1 september 1999”. 1.
- Het stadsbestuur zendt verzoeker op 27 augustus 1999 een aangetekend schrijven waarin hij wordt verzocht om de notulen van de zitting van 25 augustus 1999 voor akkoord te ondertekenen. Verzoeker gaat hier niet op in. 1.
- Vanaf 1 september 1999 tot 5 juli 2000 is verzoeker afwezig wegens ziekte. Verzoeker dient hiervoor periodiek medische attesten in. XII-3030-2\12 1.
- Op 17 november 1999 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Veurne om een tuchtprocedure in te stellen tegen verzoeker wegens een negatieve houding tegenover de school, racistische en seksistische uitspraken en het lage peil van de lessen. Hierbij wordt de terbeschikkingstelling als tuchtstraf voorgesteld en wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 december
- 1.
- Op 17 december 1999 ontvangt de stad Veurne een doktersattest waaruit blijkt dat verzoeker niet naar de hoorzitting kan komen. 1.
- Met een schrijven van 18 januari 2000 wordt verzoeker opnieuw uitgenodigd voor een hoorzitting op 31 januari 2000, waarna verzoeker weer een doktersattest indient. 1.
- Op de zitting van 16 februari 2000 wordt besloten om een controlegeneesheer naar verzoeker te zenden. In zijn verslag van 1 maart 2000 stemt de controlegeneesheer in met de ongeschiktheid van verzoeker tot 3 april
- 1.
- Met een schrijven van 5 mei 2000 vraagt het stadsbestuur van Veurne of verzoeker zich nu in staat acht om te verschijnen op een hoorzitting, zo niet wordt voorgesteld om schriftelijk zijn verweer te formuleren. 1.
- Op 29 mei 2000 deelt verzoeker mee dat hij met zijn raadsman aanwezig zal zijn op de hoorzitting en dat hij op 1 juni 2000 zijn dienst hervat. 1.
- Op de dag van de hoorzitting van 26 juni 2000 deelt verzoeker telefonisch mee dat hij niet aanwezig kan zijn en verwijst hij daarbij naar een medisch attest dat zijn ziekteverlof rechtvaardigt voor de periode van 5 juni tot 5 juli
- In dezelfde zitting van de gemeenteraad wordt besloten om bij wijze van tuchtstraf een schorsing van vier jaar op te leggen met ingang van 27 juni
- Tevens wordt besloten een klacht neer te leggen bij de rechtbank van eerste aanleg wegens racistische uitspraken. 1.
- Op 12 juli 2000 gaat verzoeker in beroep bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs tegen de gemeenteraadsbeslissing van 26 juni
- XII-3030-3\12 1.
- Op de zitting van de gemeenteraad van 24 juli 2000 wordt de opgelegde tuchtstraf ingetrokken en vervangen door de terbeschikkingstelling bij wijze van tuchtstraf voor de duur van twee jaar aangezien artikel 65, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: het rechtspositiedecreet) bepaalt dat de schorsing één jaar niet kan overtreffen. Deze beslissing wordt op 28 juli 2000 aan verzoeker betekend. 1.
- Na kennisname van de beslissing van 24 juli 2000 stelt verzoeker op 28 augustus 2000 ook tegen deze beslissing beroep in bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. 1.
- Op 29 augustus 2000 wordt door het college van burgemeester en schepenen besloten om verzoeker met ingang van 30 augustus 2000 preventief te schorsen in afwachting van een beslissing over het door hem ingestelde beroep. 1.
- De kamer van beroep houdt een hoorzitting over de zaak op 11 oktober 2000, zonder getuigen op te roepen, en een eerste beraadslaging op 22 november
- 1.
- Op 22 november 2000 overweegt de kamer van beroep dat de eerste tuchtbeslissing “manifest onwettig was” en naderhand werd ingetrokken, dat het tweede tuchtbesluit “werd genomen zonder dat het betrokken personeelslid de gelegenheid had zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeenteraad ter kennis te brengen”, dat “met het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000 enkel de tuchtmaatregel werd ingetrokken en de vaststelling van de tekortkomingen werden behouden zoals vermeld in het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2000”, dat “de beslissing van de gemeenteraad van 24 juli 2000 wat de tenlastelegging betreft, het besluit van 24 juni 2000 laat bestaan, maar de opgelegde tuchtmaatregel vervangt door [een] andere maatregel [en] aldus één geheel vormt met het besluit van 26 juni 2000” en dat het “aangewezen is de partijen te horen over de tekortkomingen die [verzoeker] ten laste worden gelegd alsmede over de kwalificatie van deze tenlasteleggingen”, om finaal te besluiten de debatten te heropenen, de behandeling van de zaak voort te zetten en op 13 december 2000 getuigen te horen. 1.
- Op 13 december 2000 overweegt de kamer van beroep dat de burgemeester in de pers verklaringen over de zaak heeft afgelegd die strijden met het XII-3030-4\12 beginsel van de onpartijdigheid in tuchtzaken zodat de beslissing van 26 juni 2000 dient te worden vernietigd, dat verzoeker niet de gelegenheid had, voorafgaand aan de uitspraak bij raadsbesluit van 24 juli 2000, om zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeenteraad ter kennis te brengen hetgeen eveneens aanleiding geeft tot de nietigverklaring van de tuchtstraf en dat de kamer van beroep in laatste aanleg uitspraak doet over het beroep met dezelfde onderzoeksbevoegdheden als het bestuur dat in eerste aanleg de tuchtmaatregel heeft uitgesproken waarbij de kamer van beroep de beoordeling van de tuchtoverheid kan corrigeren wanneer zij naar het oordeel van de kamer van beroep te streng is uitgevallen voor het personeelslid, om dan te besluiten de behandeling voort te zetten op 24 januari 2001 en dan bij name genoemde getuigen te horen. 1.
- Op 24 januari 2001 hoort de kamer van beroep de getuigen en verwoordt zij haar besluit als volgt : “[...] Over de gegrondheid van de beroepen Overwegende dat om de redenen uiteengezet in de beslissing van de Kamer van Beroep dd. 22 november 2000, het beroep dat tegen het gemeenteraads- besluit van 26 juni 2000 werd ingesteld, moet worden geacht ook te zijn ingesteld tegen het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000; Overwegende dat de Kamer van Beroep in de beslissing dd. 13 december 2000 heeft geoordeeld dat wegens een schending van de regel van de onpartijdigheid het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2000 waarbij ook de heer Van Rousselt de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 4 jaar werd opgelegd, dient te worden vernietigd; Overwegende dat de Kamer van Beroep in de voormelde beslissing van 13 december 2000 eveneens heeft geoordeeld dat het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000 eveneens dient te worden vernietigd wat de opgelegde tucht- maatregel betreft, daar de betrokkene niet de gelegenheid had, voorafgaand aan de uitspraak, zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeente- raad ter kennis te brengen; Overwegende dat, na de vernietiging van de gemeenteraadsbesluiten van 26 juni 2000 en 24 juli 2000 wat de tuchtstraf betreft, de Kamer van Beroep de tenlasteleggingen opnieuw dient te onderzoeken en zich over de zaak moet uitspreken; Overwegende dat uit de overeenstemmende getuigenverklaringen blijkt dat de heer Van Rousselt in zijn lessen meermaals uitspraken deed die door de nadrukkelijke associatie van allochtone bewoners met bepaalde toestanden in sommige Antwerpse buurten onomwonden als racistisch kunnen worden bestempeld; dat het tonen van een mes -door sommige getuigen een knipmes genoemd- en de daarmee gepaard gaande commentaar over het mogelijk gebruik van het mes, voormeld besluit nog versterkt; dat dergelijke handelwijze ontoelaatbaar is en niet kan verwacht worden van iemand met een pedagogische scholing en met meer dan 20 jaar dienst als leraar; Overwegende dat uit de klachten van ouders en leerlingen en uit de getuigenverklaringen eveneens blijkt dat de heer Van Rousselt een ondermaatse invulling gaf aan de lestijden daar hij tijdens de lessen, zonder aanwijsbare aanleiding, herhaaldelijk en gedurende geruime tijd uitspraken deed en verhalen XII-3030-5\12 vertelde die met het lesonderwerp geen uitstaans hadden en een normale lesverloop in de weg stonden; Overwegende dat de voormelde vaststellingen ernstige tekortkomingen zijn in hoofde van de heer Van Rousselt; dat hieruit blijkt dat de wijze waarop de heer Van Rousselt tijdens de periode die de Kamer van Beroep in aanmerking mag nemen, zijn taak als leraar uitoefende volstrekt ontoelaatbaar is en een zware tuchtstraf rechtvaardigt. Beslissing Gelet op de artikelen 64 tot 72 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 juli 1998, 1 december 1998 en 18 mei 1999; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 1996, van 13 januari 1998 en 15 september 2000; Gelet op het huishoudelijk reglement van de Kamer van Beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs van 13 oktober 1999; Gelet op de hoorzittingen van 22 november 2000 en 13 december 2000 en op de tussenkomende beslissingen van dezelfde data; Gelet op de hoorzitting met getuigenverhoor van 24 januari 2001; Na beraadslaging; Met meerderheid van stemmen. Artikel 1 De beslissing van de gemeenteraad van Veurne dd. 26 juni 2000 waarbij aan de heer Hugo Van Rousselt de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 4 jaar wordt opgelegd, wordt vernietigd. Artikel 2 Artikel 2 van de beslissing van de gemeenteraad van Veurne dd. 24 juli 2000 waarbij aan de heer Hugo Van Rousselt de tuchtstraf van de terbeschikking- stelling voor de duur van 2 jaar wordt opgelegd, wordt vernietigd. Artikel 3 Aan de heer Hugo Van Rousselt wordt de tuchtstraf van de terbeschikking- stelling voor de duur van 2 jaar opgelegd. Aldus uitgesproken te Brussel op 24 januari
- [...]”; De ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat in het inleidend verzoekschrift de nietigverklaring wordt gevorderd van “de beslissingen dd. 13/12/2000 en 24/01/2001” van de kamer van beroep waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van terbeschikkingstelling van twee jaar wordt opgelegd; dat, ambtshalve, vastgesteld wordt dat die tuchtstraf aan verzoeker wordt opgelegd bij artikel 3 van de beslissing van 24 januari 2001, en dat bij de artikelen 1 en 2 van hetzelfde besluit ook de oorspronkelijke raadsbesluiten worden vernietigd; dat de kamer van beroep -welke ook de overwegingen zijn die zij daarbij formuleert- op 13 december 2000 formeel enkel heeft besloten om de zitting voort te zetten en getuigen te horen; dat die laatstgenoemde beslissing -zoals overigens ook de nog éérder genomen en niet door XII-3030-6\12 verzoeker bestreden beslissing van 22 november 2000 om de debatten te heropenen- dan ook slechts een louter voorbereidende handeling is ten opzichte van de eindbeslissing van 24 januari 2001, en geen voor nietigverklaring vatbare rechtshan- deling; dat het beroep in die mate niet ontvankelijk is; De aanwijzing van de verwerende partij 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vraagt om buiten de zaak te worden gesteld gezien de structurele onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de kamer van beroep; dat zij ter terechtzitting afstand doet van dit verzoek; De gegrondheid van het beroep 4.
- Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift tegen de beslissing van 24 januari 2001 een derde annulatiemiddel put uit de schending “van de gevolgen verbonden aan de nietigverklaring aan de tuchtstraffen zoals opgelegd bij beslissing van 26/6/2000 en 24/7/2000, onbevoegdheid ratione materiae voor de kamer van beroep om na nietigverklaring een nieuwe tuchtstraf op te leggen aan verzoeker”, doordat de kamer van beroep de tuchtstraffen vernietigt wegens schending van het onpartijdigheidsbeginsel en schending van de hoorplicht en de zaak aan zich trok, terwijl de nietigverklaring van de tuchtstraffen door de kamer van beroep minstens de terugwijzing van het dossier diende mee te brengen naar de inrichtende macht, zoals is uiteengezet in het arrest nr. 56.153, Sint-Katelijne-Waver, van 8 november 1995, zodat de kamer van beroep zich op 24 januari 2001 niet kon uitspreken over het opleggen van een tuchtstraf; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de kamer van beroep beschikt over een hervormingstoezicht en dat het beroep devolutieve werking heeft; dat volgens haar de stelling van verzoeker volgen zou impliceren dat de omvang van de devolutieve werking van het beroep bij gebreke aan enige decretale of ondersteunende bepaling afhankelijk zou zijn van het bestaan, dan wel van de aard of van de vorm van de in eerste aanleg door de gemeente of gemeenteraad begane procedurefouten waardoor de inrichtende macht, op voorwaarde dat ze een gemeente is, en dan vanuit de gemeentelijke autonomie, een bevoegdheid zou terugvinden in geval ze onherstelbare [bedoeld is wellicht: herstelbare] procedurefouten zou hebben begaan, daar waar haar dezelfde bevoegdheid, ingevolge het bij decreet instellen van XII-3030-7\12 een hervormingstoezicht in plaats van een goedkeuringstoezicht, wordt onthouden in het geval haar geen procedurefouten kunnen worden aangewreven; dat de rechtsfiguur van het hervormingstoezicht, met de daarmee gepaard gaande totale devolutieve werking van het beroep, zich volgens verwerende partij verzet tegen zulk onderscheid; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt en dupliceert dat zijn argumenten door verwerende partij niet werden weerlegd; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie volhardt in het middel en voorts uiteenzet dat andere door hem aangevoerde middelen eveneens onderzoek behoeven, omdat ze zouden toelaten vast te stellen dat onherstelbare procedurefouten zijn begaan door de gemeenteraad; dat hij in fine van zijn laatste memorie de Raad van State ook verzoekt om aan het Arbitragehof twee prejudiciële vragen te stellen over een vermeende ongelijke behandeling, door de artikelen 57 en 64 van het rechtspositiedecreet, tussen personeelsleden die wel of niet ouder zijn dan zestig jaar of wel of geen dertig dienstjaren tellen op het ogenblik dat de tuchtstraf van de terbeschikkingstelling van twee jaar ingaat of eindigt; 4.
- Overwegende dat verzoeker geen grote nauwkeurigheid aan de dag legt om aan te geven welke de rechtsregel is die geschonden zou zijn; dat, nu hij gewaagt van de “onbevoegdheid” van de kamer van beroep, aangenomen wordt dat hij een schending van het artikel 69 van het rechtspositiedecreet bedoelt, waarin immers de bevoegdheid van de kamer van beroep wordt omschreven; dat dit artikel zulks formuleert als volgt : “§
- Er worden kamers van beroep ingesteld ten behoeve van het personeel waarop dit decreet van toepassing is [...] §
- De kamers van beroep doen in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat door een personeelslid werd ingesteld tegen een door de inrichtende macht opgelegde tuchtmaatregel. [...]”; 4.
- Overwegende, vooraf, dat de door verzoeker in de laatste memorie voorgestelde vragen aan het Arbitragehof over de artikelen 57 en 64 van het rechtspositiedecreet en de beweerde discriminerende behandeling van personeelsleden op grond van leeftijd of dienstjaren, vreemd zijn aan het aldus begrepen en thans te bespreken middel over de uitgestrektheid van de bevoegdheid van de kamer van beroep; dat de Raad van State dan ook binnen het raam van dit middel aan het XII-3030-8\12 verzoek tot vraagstelling mag voorbijgaan, nu het antwoord op die vragen niet dienstig kan zijn om het middel aan te nemen of om het te verwerpen; 4.
- Overwegende dat verzoeker voor zijn zienswijze steun zoekt in het arrest nr. 56.153, gemeente Sint-Katelijne-Waver, van 8 november 1995; dat de Raad van State in dit arrest overwoog, redenerende op grond van “het recht van de inrichtende macht op een eerste en fundamentele tuchtrechtelijke beoordeling, voor de gemeente versterkt door de haar bij de Grondwet verleende autonomie”, dat de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs die geconfronteerd wordt met procedurefouten die het niet onmogelijk maken dat de gemeente de beoordeling van de zaak overdoet, “in dat geval alleen maar de gemeentebeslissing kan vernietigen en aan de gemeente het overdoen van de beoordeling overlaten”; dat de Raad die overwegingen echter maakt, zoals het arrest overigens zelf aangeeft, “in de huidige stand van het geding”, met andere woorden als een prima facie beoordeling bij het onderzoek van het ernstig karakter van een middel in een tussenarrest over de schorsing; dat de Raad van State thans -en overigens voor het eerst- gevraagd wordt zich ook ten gronde uit te spreken; 4.
- Overwegende dat de Raad ook voor deze zaak aanneemt dat de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap om via de kamer van beroep uitspraak te doen over het beroep van een personeelslid van het gemeentelijk onderwijs tegen een door de gemeente opgelegde tuchtmaatregel, een beperking is van de gemeentelijke autonomie, zoals vastgelegd in artikel 162 van de Grondwet en dat die bevoegdheid dus restrictief geïnterpreteerd moet worden; dat de Vlaamse regering met respect voor dit uitgangspunt, bij artikel 13, § 3, van het toepasselijke tuchtbesluit van 22 mei 1991 heeft bepaald dat de kamers van beroep de uitgesproken tuchtsanctie niet kunnen verzwaren; 4.
- Overwegende dat een personeelslid van het gesubsidieerd officieel onderwijs bij de kamer van beroep een beroep kan instellen tegen een opgelegde tuchtmaatregel; dat de kamer van beroep, optredend als administratieve overheid, “in laatste aanleg” uitspraak doet over het beroep en de bevoegdheid heeft om de tuchtstraf te hervormen; dat de hervormingsbevoegdheid een in het administratief recht gekende rechtsfiguur is, waarvan kenmerkend is dat de zaak in haar geheel aanhangig wordt gemaakt bij het orgaan dat wordt belast met de afhandeling van het beroep, met de daarmee gepaard gaande devolutieve werking van het beroep; dat dit laatste de verplichting omvat voor het beroepsorgaan om zich over de zaak een eigen XII-3030-9\12 oordeel te vormen en ze definitief te beslechten met een beslissing die in de plaats komt van degene waartegen beroep wordt ingesteld; dat, met andere woorden, “in laatste aanleg” beslissen geen ruimte laat voor een terugwijzing van de zaak naar het in eerste aanleg beslissend bestuur of voor het herleven van diens beslissingsbevoegdheid; Overwegende dat de Raad van State, dit voor ogen, van de decreetgever een uitdrukkelijke aanwijzing verwacht in de tekst, minstens in de parlementaire bespreking ervan, wanneer hij in een bepaald geval toch andere plannen heeft en aan een beroep “in laatste aanleg” een sui generis invulling wil geven die afwijkt van het wezen zelf van een hervormingsberoep; dat een dergelijke aanwijzing ontbreekt; dat de Raad van State bij nader onderzoek van het rechtspositiedecreet en van zijn parlementaire totstandkoming geen indicaties vindt die kunnen ondersteunen dat de decreetgever met het instellen -in overigens gelijke bewoordingen zowel voor het gesubsidieerd officieel onderwijs als voor het gesubsidieerd vrij onderwijs- van kamers van beroep die “in laatste aanleg” beslissen over beroepen een dergelijke afwijkende regeling voor ogen stond; dat de problematiek integendeel in het geheel niet aangesneden wordt; dat de Raad daaruit enkel kan concluderen dat de decreetgever wel degelijk aan de kamer van beroep de bevoegdheid van een “klassiek” hervormingsberoep heeft opgedragen; Overwegende dat te dezen de kamer van beroep op 24 januari 2001 met het bestreden besluit de gemeenteraadsbesluiten vernietigt wegens schending van het onpartijdigheidsbeginsel, eensdeels, en van de hoorplicht, anderdeels, en vervolgens, doende wat de overheid in eerste aanleg had moeten doen, onder meer verzoeker hoort over de tenlasteleggingen om dan ten gronde tot een nieuw eindoordeel te komen; dat die wijze van besluitvorming de devolutieve werking, zoals zij besloten ligt in het artikel 69 van het rechtspositiedecreet, naleeft; dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat, zelfs aangenomen dat de in het middel aangevoerde grieven ook zo moeten worden begrepen, dat die inmenging van de Vlaamse Gemeenschap in de gemeentelijke autonomie een schending zou zijn van grondwettelijke bepalingen, zulks vast te stellen niet aan de Raad van State toekomt; XII-3030-10\12 4.
- Overwegende dat in haar verslag de auditeur zich heeft beperkt tot het onderzoek van het besproken middel; dat het middel de oplossing van de zaak niet mogelijk maakt; dat verder onderzoek nodig is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep, voor zover het is gericht tegen de beslissing van de kamer van beroep van 13 december 2000, wordt verworpen. Artikel
- De debatten worden heropend voor wat betreft het beroep tegen de beslissing van de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs van 24 januari
- Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Artikel
- De uitspraak over de kosten van het beroep wordt in beraad gehouden. XII-3030-11\12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3030-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.470 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.