← België

Arrest 155473 - - 23/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.473 Rolnummer: A. 135980/VII-29621 Zaak: Arrest 155473 - - 23/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 10:42 Fiche Arrest nr 155.473 van 23 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.473 van 23 februari 2006 in de zaak A. 135.980/VII-29.

  1. In zake :
  2. Arnold DE SCHEPPER,
  3. Robert PELEMAN,
  4. Patrick DE SWAEF,
  5. Jan LORIE,
  6. André VAN DEN BOSSCHE, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Marc VAN CAUTER, die woonplaats kiest bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Arnold DE SCHEPPER, Robert PELEMAN, Patrick DE SWAEF, Jan LORIE en André VAN DEN BOSSCHE op 28 april 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 13 februari 2003 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere van 24 september 2002 waarmee aan Marc VAN CAUTER de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een pluimveekwekerij aan de Driepikkel 1 in 9420 Erpe-Mere; Gelet op het arrest nr. 124.562 van 23 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-29.621-1/12 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de eerste verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 29 december 2003 ingediend door Marc VAN CAUTER; Gelet op de beschikking van 19 januari 2004 die de tussenkomst van Marc VAN CAUTER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de eerste verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 2 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VANBINST die, loco Advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Bestuurssecretaris-jurist Ch. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-29.621-2/12 Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt :
  8. De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  9. De tussenkomende partij baat te Erpe-Mere, Driepikkel 1 een kippenfokkerij uit. De inrichting ligt in agrarisch gebied, onmiddellijk grenzend aan woongebied met landelijk karakter. 1.
  10. Op 1 juni 1988 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan Paul SCHEERLINCK een exploitatievergunning voor een termijn van vijftien jaar, voor de verderzetting van een pluimveebedrijf met 25.000 mestkippen, 2 voedersilo's van 10 ton en 9.000 liter stookolie. Een uitbreiding tot 45.000 mestkippen wordt geweigerd. 1.
  11. Met een brief van 28 september 1990 meldt de tussenkomende partij de overname van de inrichting. 1.
  12. Op 17 december 1995 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor een bouwvergunning. Op 13 augustus 1996 wordt de bouwvergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen. 1.
  13. Op 27 december 1995 dient de tussenkomende partij ook een aanvraag in voor een milieuvergunning voor de verandering van het bedrijf, door toevoeging van een kippenstal voor 3.390 dieren (waarbij het totale aantal dieren evenwel ongewijzigd op 20.155 zou blijven), voor een mestopslagplaats voor 450m³ droge mest, en voor de opslag van 5.000 liter mazout in een bovengrondse houder. 1.
  14. Op 13 juni 1996 wordt de milieuvergunning verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, met volgende bijzondere voorwaarden: “
  15. Het aantal kippen dient beperkt tot maximaal 19.641 (hanen en leghennen)
  16. Rondom de stallen dient tijdens het eerstvolgende plantseizoen en op de reglementaire afstand van de perceelsgrenzen een winterharde en landschappelijk geïntegreerde groenaanplant bestaande uit streekeigen struiken en bomen gerealiseerd. Deze groenaanplant moet voldoende dicht zijn van structuur.
  17. Bij opzegging van één van de afzetcontracten die bij deze aanvraag in rekening gebracht werden voor de afzet van de mest door één van beide partijen in desbetreffend contract, dient voor de desbetreffende VII-29.621-3/12 mestproduktie een door de Mestbank aanvaard alternatief afzet-, export- of verwerkingscontract aangeboden te worden, anders dient de dierenpopulatie beperkt te worden tot een niveau waar wel een aanvaardbare mestafzet voorhanden is.
  18. De nieuwe stal dient voorzien te worden van een lengteventilatie met uitlaat aan de oostgevel, weg van de dichtste woningen.
  19. De mestopslag dient ingeplant op perceel 1167 (ten oosten) palend aan 1165, verst verwijderd van de woningen langsheen de Delestraat.
  20. De open mestopslag moet worden afgedekt zodat stof- en geurhinder worden beperkt.
  21. Aanbrengen van geluidsisolatie zowel aan dak als zijwanden van de nieuwbouwstal zodat het lawaai van kraaiende hanen tot een minimum beperkt wordt.
  22. De toegang tot de stallen blijft voorzien langs Driepikkel 1 en zal niet gebeuren via de Delestraat. Dit geldt dus ook voor het verkeer bestemd voor de nieuwe stal en mesthoop”; 1.
  23. Met een brief van 16 juli 1996 wordt door negentien buurtbewoners gezamenlijk beroep aangetekend bij de verwerende partij. 1.
  24. Op 16 december 1996 worden de beroepen gegrond verklaard en de vergunning geweigerd omwille van onaanvaardbare geur- en geluidsoverlast. 1.
  25. Op 28 mei 2002 vraagt de tussenkomende partij de hernieuwing van de milieuvergunning, en tegelijk een verandering. 1.
  26. Tijdens het openbaar onderzoek worden één collectief en negentien individuele bezwaarschriften (waarvan sommige identiek) ingediend, onder meer door verzoeker. 1.
  27. Op 24 september 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere de gevraagde vergunning, voor het houden van 19.641 kippen in 3 stallen, de opslag van 450 m³ dierlijke mest, de opslag van mazout en het stallen van voertuigen en aanhangwagens. Volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd : - de mestopslag dient afgedekt te worden zodat geur- en stofhinder beperkt wordt; - de nieuwe stal dient voorzien te worden van een lengte-ventilatie met uitlaat langs de oostgevel, het verst verwijderd van de dichtste woningen; - er dient een voldoende dicht groenscherm rond de oude en nieuwe stallen aangelegd te worden: het voorstel hiervan dient aan het college van VII-29.621-4/12 burgemeester en schepenen bezorgd te worden binnen de drie maand na de vergunning, de aanplanting dient te gebeuren het eerstvolgende plantseizoen; - er dient geluidsisolatie aangebracht te worden aan het dak en wanden van de nieuwe stal om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken; - de opgevangen spoelwaters mogen niet geloosd worden in grachten of riolering; - de toegang naar de inrichting, ook voor de nieuwe stal, dient te blijven geschieden langs de Driepikkel. 1.
  28. Er wordt administratief beroep aangetekend door een groep buurtbewoners, waaronder de oorspronkelijke verzoekers. 1.
  29. De Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig. Aminal- Milieuvergunningen, buitendienst Oost-Vlaanderen, de provinciale Milieuvergun- ningscommissie en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren gunstig, mits het opleggen van volgende, enigszins gewijzigde bijzondere vergunningsvoorwaarden: “
  30. M.b.t. de nieuwe stal. - er dient een uitvoeringsplan opgesteld waaruit duidelijk blijkt dat de dieren worden gekweekt in het gedeelte van de stal het verst verwijderd van de woningen uit de Delestraat; - de stal wordt voorzien van een lengteventilatie met uitlaat langs de kopgevel het verst verwijderd van de woningen uit de Delestraat; - de stal dient doeltreffend te worden geïsoleerd om de geluids- en luchtemmissies zoveel mogelijk te beperken;
  31. M.b.t. de vaste mestopslag. - de mestopslag wordt enkel als tussenopslag gebruikt bij het reinigen van de stallen vooraleer de mest wordt afgevoerd en deze periode wordt zo kort mogelijk gehouden; - de mestopslag wordt afgedekt zodat geur- en stofhinder wordt beperkt;
  32. M.b.t. de visuele hinder. Tijdens het eerstvolgend plantseizoen dient in overleg met en volgens de richtlijnen van het gemeentebestuur een winterharde en landschappelijk geïntegreerde groenaanleg gerealiseerd. Deze aanplant moet voldoende dicht zijn van structuur en bestaan uit streekeigen hoogstammige bomen, struiken en heesters.
  33. M.b.t. de toegang tot het bedrijf. De toegang tot het bedrijf, ook voor de nieuwe stal, blijft gebeuren langs de bestaande oprit in de Driepikkelstraat.” 1.
  34. Op 13 februari 2003 wordt de bestreden beslissing genomen : de beroepen worden verworpen, de beroepen beslissing wordt bevestigd. De motivering luidt als volgt : VII-29.621-5/12 "(...)
  35. Geen behoorlijke motivering door het College van Burgemeester en Schepenen inzake aanvaardbare hinder; Juist, maar door het opleggen van bijzondere voorwaarden wordt de hinder echter beperkt voor de omgeving;
  36. Overmatige hinder van de mesthoop, nl. geurhinder, stofhinder en last van ongedierte; Niet terecht, door het feit dat de mestopslag eerder als een tussenopslag van zeer beperkte duur (enkele dagen per jaar) dient te worden aanzien zal de hinder ervan als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd;
  37. Overmatige hinder door de nieuwe stal, nl. op ongeveer 20 meter van twee woningen, geluidshinder door de ronkende motoren van de ventilatoren en het gekraai van de duizenden hanen, geurhinder, zware vervoer in de straat, aantasting van het grondwater bij het reinigen van de stallen, afvalwaters komen in de open gracht; Niet terecht, zoals uitvoerig uitgelegd zal de hinder tot een aanvaardbaar niveau kunnen beperkt worden omdat de stalruimte van de nieuwe stal verder van de woningen komt, het aantal ventilatoren eerder beperkt is, het gekraai van de 1.400 hanen door de aangebrachte isolatie als niet storend wordt ervaren, geurhinder eveneens kan beperkt worden, het vervoer niet met zware transporten gebeurt gezien de smalle oprit naar de inrichting en het reinigingswater opgevangen wordt in citernes;
  38. Het bestreden besluit schendt artikel 5.9.2.1 en 5.9.2.2 van Vlarem II; Niet terecht, de hinder wordt beperkt tot de normale burenlast;
  39. De afstand van de stal en de mestvaalt tot de dichtstbijgelegen woningen en de aard van de exploitatie brengen mee dat zelfs bij het opleggen van de strengste voorwaarden, de burenhinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; Niet terecht, zoals reeds gesteld kan de hinder mits het opleggen van passende voorwaarden wel tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt;
  40. De afstand van de nieuwe stal tot de woningen is trouwens in strijd met de bepaling van artikel 5.9.5.3, §5 van Vlarem II; de minimum afstand voor een dergelijke hoeveelheid dieren wordt voorzien op 100 meter; Niet terecht, voor de hernieuwing zijn de verbods- en afstandsregels niet van toepassing terwijl ze voor de verandering slechts van toepassing zijn bij een vergroting met 100 %; dat, zelfs indien de verbods- en afstandsregels van artikel 5.9.5.3 §5 toegepast worden, er een minimum afstand nodig van 200 meter naar de hindergevoelige gebieden is (bij een aantal waarderingspunten (...)"; 1.
  41. Het beroep tot nietigverklaring tegen het sub 1.8 vermelde besluit van 16 december 1996 wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 155.472 van 23 februari
  42. VII-29.621-6/12
  43. De rechtspleging Naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Met het arrest nr. 124.562 van 23 oktober 2003 werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. Aangezien enkel eerste verzoeker een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest, geldt ten aanzien van de andere verzoekers een vermoeden van afstand van het geding geldt. De afstand van het geding moet aldus worden vastgesteld in hoofde van tweede, derde, vierde en vijfde verzoeker.
  44. Ten gronde 3.
  45. De standpunten van de partijen 3.1.
  46. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 30, §1, 6/, c, en 30bis, §§ 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het motiveringsbeginsel. 3.1.1.
  47. In een eerste onderdeel voert verzoeker aan dat de bestendige deputatie in haar besluit van 13 juni 1996 "tal van bijzondere milieuvoorwaarden" had opgelegd en dat tijdens de administratieve beroepsprocedure in verschillende adviezen bijzondere vergunningsvoorwaarden werden voorgesteld, die een antwoord inhielden op hun bezwaren. Zij stellen dat in het beschikkend gedeelte, noch in de overwegenden van het aangevochten besluit, deze specifieke milieuvoorwaarden worden ontmoet en dat de overweging dat "een exploitant steeds alle maatregelen dient te nemen om schade en hinder te voorkomen" geen afdoend antwoord is op de concreet door verzoeker tijdens het openbaar onderzoek geuite bezwaren. VII-29.621-7/12 3.1.1.
  48. In een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat in de bestreden beslissing bij de bespreking van de bezwaren van de beroepindieners wordt gesteld : "
  49. Geen behoorlijke motivering door het College van Burgemeester en Schepenen inzake aanvaardbare hinder; Juist, maar door het opleggen van bijzondere voorwaarden wordt de hinder echter beperkt voor de omgeving". Verzoeker stelt dat aldus enerzijds zijn klachten "nadrukkelijk worden onderschreven en beaamd", maar dat de bestreden beslissing anderzijds nalaat bijzondere voorwaarden op te leggen, "zodat het aangevochten besluit niet afdoende is gemotiveerd aangezien niet valt in te zien hoe er toe te komen is aan de ene kant vast te stellen dat de door verzoekers voorgedragen bezwaren moeten/zouden kunnen worden opgevangen door bijzondere voorwaarden, maar aan de andere kant uiteindelijk in het beschikkend gedeelte geen sprake is van deze bijzondere voorwaarden". 3.1.1.
  50. In een derde onderdeel laat verzoeker gelden dat het gegeven dat de inrichting zou voldoen aan alle wettelijke voorschriften, niet wegneemt dat de overheid de aanvraag moet onderzoeken rekening houdend met alle feitelijke gegevens. Hij stelt daarover het volgende : "Terzake ligt een fysiek waarneembare uitbreiding voor van de exploitatie en liggen de woningen van verzoekers in de onmiddellijke omgeving. In die context hebben verzoekers alsook ernstige vragen bij de degelijkheid van de voorbereiding van het getroffen besluit: - In de maand januari werd bij koud weer voorzien in een niet tegensprekelijk plaatsbezoek. Uiteraard heeft niemand dan last van geurhinder - niemand komt buiten - ; de koude onderdrukt de geurhinder. - Het steeds herhaald argument van de windrichting (veelal zuidwestenwinden) is zinloos. De exploitatie ligt inderdaad aan de noord- oostzijde van de meeste woningen. Wanneer komen de meeste bewoners evenwel buiten? Bij goed weer wanneer de wind meestal uit het noord-oosten blaast ... - De voorziene mestvaalt in open lucht zou uitsluitend dienstig en voor zover nodig zijn, voor de tussenopslag voor enkele dagen, hierdoor zou de geurhinder van de mestopslag beperkt zijn in de tijd. Maar de mest wordt volgens de exploitant maar éénmaal per jaar opgehaald ... (pag. 8, advies provinciale milieudeskundige dd. 21.01.2003). - In het administratief dossier bevindt zich een advies van de deskundige grondwater dd. 7 januari 2003 waarvan het voorwerp niks vandoen heeft met de aanvraag van dhr. M. Van Cauter". 3.1.
  51. De verwerende partij antwoordt daarop het volgende : "In casu werd de beslissing genomen op grond van de unaniem gunstige adviezen die in het administratief dossier voorkomen, op grond van dewelke de VII-29.621-8/12 vergunning kan toegestaan worden, en die in het besluit opgenomen werden. De aspecten geur- en lawaaihinder worden uitvoerig in het besluit behandeld en weerlegd. Daarenboven worden er algemene en bijzondere voorwaarden opgelegd in het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen die bevestigd werden door het bestreden besluit van de Bestendige Deputatie en werd er een nieuw uitvoeringsplan voorgelegd waardoor het gedeelte van de nieuwe stal waar de dieren zullen verblijven op minstens 40 m van de naaste vreemde woning zal liggen. In het bestreden besluit worden alle beroepsargumenten daarenboven besproken en voldoet het bestreden besluit bijgevolg aan de voorwaarden van de wet op de motivering van bestuurshandelingen". 3.1.
  52. De tussenkomende partij laat vooreerst gelden dat het middel feitelijke grondslag mist, omdat in artikel 1 van de bestreden beslissing de door het college van burgemeester en schepenen verleende vergunning - dus met inbegrip van de bijzondere vergunningsvoorwaarden - uitdrukkelijk wordt bevestigd. Deze voorwaarden waren identiek aan deze die in beroep werden voorgesteld door adviesverlenende instanties, op twee voorwaarden na, die niet meer dienden te worden opgelegd. De tussenkomende partij verwijst hier naar een eerdere uiteenzetting, op pagina 4 van haar verzoekschrift. Het ging in die twee voorwaarden om een uitvoeringsplan voor de nieuw te bouwen stal, dat intussen reeds werd voorgelegd, en om de wijze van gebruik van de mestopslag, die inherent is aan de aanvraag. Zij stelt voorts dat het derde onderdeel van het middel niet op ontvankelijke wijze is geformuleerd : "De verzoekende partijen dienen een middel aan te voeren tegen de bestreden beslissing. Het feit dat vragen rijzen wijst er niet op dat de beslissing in strijd zou komen met een beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij komt dat de bewuste 'vragen' weinig ernstig zijn : - De verzoekende partijen vinden het niet ernstig dat in januari werd overgegaan tot een niet tegensprekelijk plaatsbezoek. Geen enkele bepaling legt evenwel de administratie op om een plaatsbezoek te organiseren, laat staan hier omtrent enige tegenspraak te organiseren. De bewering dat 'koude' geurhinder onderdrukt wordt door de verzoekende partijen niet gestaafd. - De verzoekende partijen beweren dat bij warm weer de wind meestal uit het noordoosten komt. Ook dit element wordt niet bewezen. De bestreden beslissing stelt overigens niet dat de wind uitsluitend uit zuid-westelijke richting komt, wel dat deze hoofdzakelijk uit die richting komt. - De mest wordt inderdaad slechts éénmaal per jaar opgehaald, hetgeen niet tegenstrijdig is met de bewering dat het gaat om een tussenopslag voor enkele dagen. Het gaat hier om droge kippenmest, die uit de stallen wordt gehaald na een volledige levenscyclus van de in het bedrijf aanwezige grootouderdieren, die op continue wijze worden geselecteerd, en die in het totaal 60 à 62 weken op het bedrijf blijven. Dit is overigens ook de werkwijze die in de bestaande stallen wordt toegepast, zij het dat de mest dan rechtstreeks uit de stallen naar de vrachtwagen die de mest komt ophalen moet worden gevoerd. VII-29.621-9/12 - De aanwezigheid in het dossier van een advies dat vreemd is aan het dossier is een materiële vergissing, die enkel kan leiden tot de onwettigheid van het besluit indien aangetoond wordt dat deze de beslissing heeft beïnvloed, quod non". 3.1.
  53. Verzoeker stelt in de memorie van wederantwoord het volgende : "
  54. De bevestiging van een beslissing in beroep heeft betrekking op het dispositief van de beslissing en impliceert niet dat de beslissende overheid zomaar de integrale motivering van het bevestigde besluit zou onderschrijven. In casu voorzien de [in het middel geschonden genoemde] artikelen in specifieke vormvoorschriften (o.a. nadrukkelijke opname van de dan wel door de beroepsinstantie opgelegde voorwaarden in het dispositief van de beslissing) die terzake met de voeten werden getreden. In het beschikkend gedeelte van de aangevochten beslissing werden zelfs geen bijzondere voorwaarden opgenomen. De specifieke vormvoorwaarde der beslissing, als voorgestaan door de wetgever, werd niet zorgvuldig ingevuld.
  55. Desbetreffend werd door het bestuur niet voorzien in een eigen omstandige motivering". 3.
  56. Beoordeling 3.2.
  57. Het college van burgemeester en schepenen had in zijn beslissing van 24 september 2002 bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden opgelegd en de bestreden beslissing bevestigt deze door het gehele besluit te bevestigen. Het tweede onderdeel van het middel, waarin wordt gesteld dat de bestreden beslissing geen bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden oplegt, mist feitelijke grondslag. 3.2.
  58. In het eerste onderdeel wordt in hoofdzaak eveneens kritiek geleverd op het feit dat de bestreden beslissing geen bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden zou opleggen. Die kritiek mist, zoals hierboven reeds is vastgesteld, feitelijke grondslag. Voorts moet worden vastgesteld dat de door het college van burgemeester en schepenen opgelegde -en door de bestreden beslissing bevestigde- voorwaarden grotendeels overeenstemmen met hetgeen door de adviesverlenende instanties werd voorgesteld. De verwerende partij kon in redelijkheid beslissen dat deze voorwaarden tegemoet kwamen aan de door verzoeker geformuleerde bezwaren. Tenslotte voert verzoeker niet aan dat alleen de voorwaarden, opgelegd in het besluit van de bestendige deputatie van 13 juni 1996, de hinder tot aanvaardbare normen zouden hebben beperkt zodat het thans bestreden besluit deze volledig had moet hernemen. VII-29.621-10/12 3.2.
  59. De vragen en veronderstellingen van verzoeker, geformuleerd in het derde onderdeel, tonen niet aan dat de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden met alle relevante feitelijke gegevens en dat de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk zou zijn. De vermelding van het plaatsbezoek en van de overheersende windrichting, worden in de bestreden beslissing gevolgd door overwegingen over de aard van de exploitatie, de voorziene ventilatiesystemen, de voorziene isolatie, de afstand tot de woningen,... De wijze van exploitatie van de inrichting houdt inderdaad in dat de mestopslag buiten slechts ongeveer jaarlijks gedurende enkele dagen wordt gebruikt, omdat de stallen slechts ongeveer jaarlijks worden geruimd. Dat het dossier een stuk zou hebben bevat dat vreemd is aan de aanvraag, doet niet ter zake. Het middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
  60. De afstand wordt vastgesteld in hoofde van tweede, derde, vierde en vijfde verzoeker. Artikel
  61. Het beroep wordt verworpen in hoofde van eerste verzoeker. Artikel
  62. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 875 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een vijfde. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van eerste verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-29.621-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-29.621-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.473 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.