id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.544 Rolnummer: A. 156190/X-12073 Zaak: Arrest 155544 - - 24/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 11:00 Fiche Arrest nr 155.544 van 24 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.544 van 24 februari 2006 in de zaak A. 156.190/X-12.
- In zake :
- Geert VERMEERSCH,
- Luc VANHESTE,
- Hugo DEVOLDERE,
- Henk SCHOTTE,
- de stad IZEGEM, die woonplaats kiezen bij Advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- tussenkomende partij : de CVBA ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS, die woonplaats kiest bij Advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Geert VERMEERSCH, Luc VANHESTE, Hugo DEVOLDERE, Henk SCHOTTE en de stad IZEGEM op 4 oktober 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren van 9 augustus 2004 waarbij aan de CVBA WIND- en WATERKRACHT VLAANDEREN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van twee windturbines met bijbehorende electriciteitscabines op een perceel gelegen te Izegem, Lodewijk de Raetlaan, kadastraal bekend onder 4de afdeling, sectie D, nrs. 108L, 115B2 en 115S; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.073-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RODTS die loco Advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat Y. FRANÇOIS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. DE MAEYER die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de CVBA ELECTRABEL GREEN PROJECT FLANDERS met een verzoekschrift van 24 oktober 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.073-2/8 Overwegende dat, wat de voorwaarde betreffende het aanvoeren van ernstige middelen betreft, de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het "motiveringsbeginsel" doordat de bestreden vergunning stelt dat rekening gehouden werd met "de ter zake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en zijn wijzigingen", terwijl onduidelijk is welke bepalingen precies werden toegepast en waarom; dat zij doen gelden dat de bestreden beslissing niet afdoende de juridische en feitelijke gegevens vermeldt waarom de bestreden beslissing is genomen door (twee) gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren in plaats van door het college van burgemeester en schepenen; dat zij toelichten dat een verwijzing naar de volledige toepasselijke wetgeving veel te ruim, onduidelijk en niet voldoende precies is, dat zij blijkbaar moeten vermoeden dat het een aanvraag betreft die beslist werd overeenkomstig artikel 127 van het voornoemde decreet van 18 mei 1999; dat zij voorts stellen dat waarom de aanvraag aan het voornoemde artikel 127 zou zijn onderworpen, onduidelijk blijft; Overwegende dat, wat het niet-preciseren van de toepasselijke bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) betreft, op het eerste gezicht niet uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen kan worden afgeleid dat de verwijzing in een bestuurshandeling naar een wet of reglement altijd moet gepaard gaan met het vermelden van artikelen van die wet of dat reglement; dat de kritiek van verzoekende partijen bovendien is gericht tegen het feit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet formeel de rechtsgrond - artikel 127 van het DRO - zou hebben vermeld waarop haar beslissingsbevoegdheid steunt; dat op het eerste gezicht niet uit de voornoemde wet van 29 juli 1991 kan worden afgeleid dat een vergunningverlenende overheid de verplichting heeft op formele wijze de rechtsgrond waarop zij steunt om te handelen, in de beslissing zelf op te nemen; dat het al dan niet bevoegd zijn van een orgaan van het actief bestuur geen uitstaans lijkt te hebben met de verplichting om op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan haar beslissing ten grondslag liggen te meer daar, zoals in casu, de verzoekende partijen in een navolgend middel kritiek uitoefenen op deze bevoegdheid; dat op het eerste gezicht het middel niet ernstig is; X-12.073-3/8 Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 goedgekeurd gewestplan Roeselare-Tielt juncto de artikelen 7, 2.0., en 8, 2.1.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, doordat de bestreden windturbines beschouwd worden als zone- eigen bouwwerken in een zone voor milieubelastende industrie, terwijl windturbines gemeenschapsvoorzieningen en algemene nutsvoorzieningen zijn die niet (zonder meer) in industriegebied kunnen worden vergund; dat zij toelichten dat bij het verlenen van de vergunning geen toepassing werd gemaakt van artikel 20 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972, dat de "windmolens" - de verzoekende partijen hebben het steevast over windmolens - geen industriële installaties zijn, dat het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972 niet definieert wat onder industriële of ambachtelijke bedrijven dient te worden verstaan, dat bij gebreke aan definitie de spraakgebruikelijke en taalkundige betekenis moet worden gehanteerd, dat deze van industrie is "een economische bedrijvigheid waarbij grondstoffen technisch worden verwerkt tot (half)producten; - bedrijfstak die zich met de verwerking van grondstoffen tot (half)producten bezighoudt", dat essentieel is dat het gaat om grondstoffen die verwerkt worden tot producten, dat dit bij een windturbine niet het geval is, dat wind geen grondstof is, dat de wind ook niet wordt verwerkt tot een product : bij windenergie is het de wind die actief is en die de turbine aandrijft en de wind ondergaat ook geen transformatie van grondstof naar product, dat er ook geen verwerking is van een (afval) stof zoals het geval is bij een waterzuiveringsinstallatie, dat electriciteit uit energie niet het product is van een industrieel proces in tegenstelling tot het winnen van electriciteit uit fossiele brandstoffen en splijtstof, dat een windturbine geen grondstof verwerkt, maar energie verwekt hetgeen iets wezenlijk anders is, dat ook de overheid weet dat een windturbine in principe niet thuishoort in een industriegebied maar in een ander gebied, met name in een gebied voor gemeenschapsvoorziening of een nutsvoorziening; Overwegende dat luidens artikel 7, 2.0., van het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972, industriegebieden bestemd zijn voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven; dat luidens artikel 8, 2.1.2., van hetzelfde besluit, gebieden voor milieubelastende industrieën bestemd zijn voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd; X-12.073-4/8 Overwegende dat de bestreden vergunning betrekking heeft op twee windturbines met bijbehorende electriciteitscabines met een electrisch vermogen van max. 2 MW, een maximale ashoogte van 100 m, een maximale rotordiameter van 80 m en een totale maximumhoogte van 140 m; dat deze windturbines of windmotoren, die worden vergund in een gebied voor milieubelastende industrieën, strekken tot het aanmaken van electriciteit door middel van windkracht als energie- of krachtbron; dat zij luidens de bestreden vergunning worden aangesloten op het openbare (electriciteits)net en derhalve lijken te worden ingeschakeld in de openbare electriciteitsproductie; dat daargelaten de vraag of dergelijke "publieke" windturbines ook niet als bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen worden beschouwd of op een andere wijze al dan niet kunnen participeren aan de bestemmingen die in de plannen van aanleg zijn vastgesteld, de windturbines die te dezen het voorwerp van de vergunning uitmaken, op het eerste gezicht verenigbaar zijn met de in het plan van aanleg aan het gebied gegeven bestemming; dat in deze stand van het geding de argumenten van de verzoekende partijen niet overtuigen; dat op het eerste gezicht de in het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972 opgenomen bestemmingen een planologische inhoud hebben die niet uitsluiten dat constructies of installaties als verenigbaar kunnen worden beschouwd die om reden van de evolutie van de techniek en technologie totaal verschillend kunnen zijn van wat in het verleden doorging als typisch industriële constructies; dat, op het eerste gezicht, vanuit planologisch oogpunt, niet zonder meer kan worden gesteld dat installaties die, zoals te dezen, energie opwekken, niet kunnen worden beschouwd als "industrie" in de zin van het genoemde koninklijk besluit van 28 december 1972; dat hiertoe de door deze installaties voor het maken van het product - electriciteit - gebruikte energiebron - primaire, fossiele, duurzame of hernieuwbare - niet bepalend lijkt; dat dit blijkbaar ook geldt inzake het gehanteerde productieproces; dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van de artikelen 103 en 127, § 1, van het DRO en van de artikelen 2, 4/ en 3, 7/, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester, doordat de beslissing werd genomen door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar terwijl de aanvrager geen publiekrechtelijke rechtspersoon is en de aanvraag geen betrekking heeft op een werk van algemeen belang in de zin van het voornoemde besluit van 5 mei 2000; dat zij verder toelichten dat, veronderstellend dat de beide windturbines X-12.073-5/8 technisch een "lokale installatie voor de productie van alternatieve vormen van energie" zou zijn, ze niet openbaar zijn, zodat ze geen "klein werk van algemeen belang" zijn in de zin van artikel 3 van het voornoemde besluit van 5 mei 2000; dat volgens hen een windturbine openbaar is indien hij beschouwd kan worden als een "gemeenschapsvoorziening of een openbare nutsvoorziening", dat dit niet het geval is daar de tussenkomende partij een winstbejag nastreeft wat onverenigbaar is met de aard van een gemeenschapsvoorziening; dat zij voorts betogen dat een windturbine ook geen "gewoon werk van algemeen belang" is, dat uit de samenlezing van de artikelen 2, 4/ en 3, 7/ van het voornoemde besluit van 5 mei 2000 blijkt dat daarvan enkel sprake is indien niet alleen de elektrische leidingen waarop aangesloten wordt, openbaar zijn, maar ook de installaties zelf; Overwegende dat uit artikel 127 DRO volgt dat de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning moet afleveren ofwel indien de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is ofwel indien de aanvraag betrekking heeft op werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang die zo aangewezen zijn overeenkomstig artikel 103 DRO; dat op het eerste gezicht het volstaat dat aan één van beide voornoemde hypothesen is voldaan opdat toepassing moet worden gemaakt van de regeling vervat in artikel 127 DRO; Overwegende dat luidens artikel 103, § 1, eerste lid en vierde lid, DRO de Vlaamse regering de lijst bepaalt van de werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang (eerste lid) alsook welke van die werken, handelingen en wijzigingen als klein kunnen worden beschouwd (vierde lid); dat het met toepassing van deze bepalingen genomen besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester in zijn artikel 3, 7/ bepaalt dat als kleine werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 103, § 1, vierde lid, DRO worden beschouwd, "de openbare lokale installaties voor de productie van alternatieve vormen van energie"; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de in artikel 3, 7/ van het voornoemde besluit van 5 mei 2000 bedoelde "openbare" installaties voor de productie van alternatieve vormen van energie, werken van algemeen belang zijn; dat in deze stand van het geding kan worden aangenomen dat ter bepaling van wat onder "openbaar" in de zin van de voornoemde bepaling dient te worden begrepen, niet X-12.073-6/8 relevant lijkt, het gegeven dat de vergunningsaanvraag al dan niet uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon of, indien ze uitgaat van een private rechtspersoon, deze al dan niet winstbejag nastreeft; dat ter bepaling of een installatie voor de productie van alternatieve energie al dan niet "openbaar" is in de zin van de genoemde bepaling, veeleer van belang lijkt de omstandigheid of de productie van alternatieve energie werkelijk ten dienste staat van de gemeenschap; dat determinerend lijkt het criterium of deze installatie is aangesloten op het openbare electriciteitsnet en aldus lijkt te worden ingeschakeld in de openbare electriciteitsproductie; dat aldus het adjectief "openbare" ter bepaling of een werk van algemeen belang is in de zin van artikel 103 DRO, veeleer lijkt te moeten worden afgezet tegenover "particuliere" of "private" installaties voor de productie van alternatieve vormen van energie wier product niet wordt ingeschakeld in de openbare electriciteitsproductie; dat op het eerste gezicht de verwijzing door de verzoekende partijen naar het begrip "gemeenschapsvoorziening of een openbare nutsvoorziening" niet lijkt op te gaan; dat dit een planologische begrip is dat gehanteerd wordt in het raam van de (algemene) bestemmingen die in een gewestplan kunnen worden vastgesteld en die met toepassing van de artikelen 200 en 201 DRO nog van toepassing blijven; dat het derhalve op het eerste gezicht niet kan worden gehanteerd ter omschrijving van de werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang zoals bedoeld in de zin van artikel 103 DRO dat, in tegenstelling tot de in een gewestplan bepaalde bestemmingen, betrekking heeft op het vergunningenbeleid; Overwegende dat, zoals reeds werd gesteld, beide windturbines dienen om electriciteit op te wekken en worden aangesloten op het openbare net; dat op het eerste gezicht derhalve de in casus vergunde windturbines kunnen worden beschouwd als "openbare lokale installaties voor de productie van alternatieve vormen van energie" als bedoeld in artikel 3, 7/, van het voornoemde besluit van 5 mei 2000; dat het derhalve werken van algemeen belang zijn zoals bedoeld in artikel 103 DRO; dat zij aldus dienen vergund te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 127 DRO; dat de in het middel aangehaalde bepalingen niet geschonden lijken; dat het derde middel niet ernstig is; X-12.073-7/8 Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de CVBA ELECTRABEL GREEN PROJECT FLANDERS in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.073-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.544 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.