id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.596 Rolnummer: A. 154619/X-11998 Zaak: Arrest 155596 - - 24/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 11:04 Fiche Arrest nr 155.596 van 24 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.596 van 24 februari 2006 in de zaak A. 154.619/X-11.
- In zake : Luc STROOBANTS, die woonplaats kiest bij Advocaat I. KEMPENEERS, kantoor houdende te 3300 TIENEN, Kabbeekvest 24 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3,
- de Bestendige Deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat
- tussenkomende partij : Herman VERBAET, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc STROOBANTS op 10 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van 15 juni 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende verwerping van het beroep ingesteld door de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 21 juni 2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan Herman VERBAET de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de sloop van een bestaande woning en de bouw van 28 appartementen te Boortmeerbeek, Bieststraat, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 523e, f en g, 631h, 630c en 522h, en X-11.998-1/11
- het voornoemde besluit van 21 juni 2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep ingesteld door Herman VERBAET tegen het besluit van 14 november 2000 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Boortmeerbeek houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor de genoemde werken wordt ingewilligd; de eerste bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 24 maart 2005 ingediend door het Vlaamse Gewest; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 april 2005 ingediend door Herman VERBAET; Gelet op de beschikking van 27 april 2005 die het verzoekschrift tot voortzetting van het geding voor het verdere verloop van de procedure aanziet als een verzoek tot tussenkomst en die de tussenkomst van Herman VERBAET toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2006; X-11.998-2/11 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN HERCK die loco Advocaat I. KEMPENEERS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat M. van DIEVOET die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat M. LECOUTERE die loco Advocaat D SOQUET verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat T. RYCKALTS die loco Advocaat C. GYSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de tussenkomende partij op 30 augustus 2000 een aanvraag heeft ingediend strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van een bestaande woning en het bouwen van 28 appartementen op percelen gelegen te Boortmeerbeek, Bieststraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 523e, f en g, 631h, 630c en 522h; dat deze percelen volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, zijn gelegen in een woongebied met landelijk karakter; dat er voor het gebied waarin de percelen zijn gelegen geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en die percelen evenmin gelegen zijn binnen een vergunde verkaveling; dat de verzoeker eigenaar is van een woning gelegen te Boortmeerbeek, Ida Vermeulenstraat 3, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 625g; dat dit perceel aan de achterzijde grenst aan de percelen waarvoor de tussenkomende partij de vergunningsaanvraag heeft ingediend; dat tijdens het openbaar onderzoek 13 bezwaarschriften zijn ingediend, waaronder één van de verzoeker; dat de gemachtigde ambtenaar op 31 oktober 2000 een ongunstig advies heeft uitgebracht; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Boortmeerbeek bij besluit van 14 november 2000 de stedenbouwkundige vergunning heeft geweigerd; dat de tussenkomende partij tegen voormeld weigeringsbesluit beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de bestendige deputatie bij het bestreden besluit van 21 juni 2001 het beroep heeft ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 8 augustus 2001 tegen X-11.998-3/11 voormeld besluit van de bestendige deputatie beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij het bestreden besluit van 15 juni 2004 het beroep heeft verworpen;
- Overwegende dat de tweede verweerster een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, in zoverre dit gericht is tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant van 21 juni 2001; dat zij stelt dat het beroep ingesteld door de gemachtigde ambtenaar tegen dit besluit een georganiseerd beroep betreft, waarbij de minister, uitspraak doende in beroep, over een volheid van bevoegdheid beschikt; dat zij voorts aanvoert dat ook de middelen onontvankelijk zijn, in zoverre deze grieven bevatten die gericht zijn tegen het voornoemde besluit; Overwegende dat de verzoeker onder meer de nietigverklaring vordert van het voornoemde besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant; dat tegen deze beslissing een administratief beroep is ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister, met toepassing van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat ingevolge de devolutieve werking van dit beroep het besluit van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie van 15 juni 2004 in de plaats is gekomen van het besluit van de bestendige deputatie; dat het beroep, in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, niet ontvankelijk is; Overwegende dat de onontvankelijkheid van het beroep, in zoverre dit gericht is tegen het tweede besluit, de onontvankelijkheid van de middelen met zich brengt, in zoverre deze grieven bevatten die gericht zijn tegen dat besluit; Overwegende dat de exceptie in haar beide onderdelen gegrond is;
- Overwegende dat de tweede verweerster en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpen, op grond van het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker; X-11.998-4/11 Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het perceel van de verzoeker onmiddellijk paalt aan de achterzijde van de percelen waarop het voorliggende project betrekking heeft; dat de verzoeker hierdoor alleen reeds van het wettelijk vereiste belang doet blijken; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
- Overwegende dat de verzoeker een derde middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, minstens van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, evenals uit machtsoverschrijding, doordat in de bestreden beslissing de aanvraag geenszins op afdoende wijze wordt getoetst aan de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, minstens ter zake slechts een stereotiepe en nietszeggende motivering wordt gegeven, terwijl de vergunningverlenende overheid, indien voor het gebied waarbinnen het perceel is gelegen waarop de aanvraag betrekking heeft geen bijzonder plan van aanleg noch een niet vervallen verkavelingsvergunning bestaat, de stedenbouwkundige vergunning dient te beoordelen volgens de voorschriften van het gewestplan op grond van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de verzoeker in zijn toelichting bij het middel uiteenzet, in verband met het eerste bestreden besluit, dat daarin enkel wordt verwezen naar "op de betreffende locatie gangbare woningbouwconcepten qua bouwlagen en dakvorm" en naar "concepten van meergezins-woningbouw en gekoppelde ééngezins-woningbouw die reeds op verschillende locaties in de Bieststraat werden toegepast", en dat in dat besluit nog wordt opgemerkt dat "het achterliggende landschap niet meer impact zal hebben dan in het geval er op betreffend terrein meerdere aaneengesloten of vrijstaande woningen zouden zijn opgericht"; dat de verzoeker aanvoert dat het besluit volledig ten onrechte concludeert "dat het project geacht wordt in overeenstemming te zijn met het karakter en de bebouwing van de omgeving"; dat de verzoeker verwijst naar een ontwerpbesluit houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar, dat door het hoofdbestuur van de administratie ruimtelijke ordening, huisvesting en X-11.998-5/11 monumenten en landschappen aan de minister is voorgelegd, waaruit manifest blijkt dat het beoogde project geenszins in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening; dat de verzoeker ten slotte aanvoert dat wordt voorbijgegaan aan zijn bezwaren, waarin precies wordt gesteld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, dat inzonderheid wordt verwezen naar het uitzicht op het ongerepte landschap en de bezonning; 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het middel een eerste exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit de onduidelijkheid ervan; dat zij met name opwerpt dat het tegenstrijdig is om in het middel aan te voeren, enerzijds, dat de bestreden beslissing niet formeel gemotiveerd is, en anderzijds, dat de daarin vermelde motieven niet pertinent of draagkrachtig zijn; Overwegende dat uit de formulering van het middel blijkt dat de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het niet op afdoende wijze is gemotiveerd, of dat de motivering althans stereotiep en nietszeggend is; dat uit de toelichting bij het middel blijkt dat hij aan het bestreden besluit voorts verwijt dat het niet wettig tot de conclusie kon komen dat het beoogde project in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening, en dat het niet antwoordt op bepaalde bezwaren; dat het middel aldus een geheel van grieven bevat, die alle verband houden met de kwaliteit van de motivering; dat het middel niet is aangetast door enige tegenstrijdigheid, en het evenmin onduidelijk is; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het middel een tweede exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van enig belang in hoofde van de verzoeker; dat zij met name opwerpt dat de verzoeker, die niet betwist dat op het betrokken perceel gebouwd kan worden, geen belang heeft bij een middel dat betrekking heeft op een gebrek in de motivering met betrekking tot de eerbiediging van de goede plaatselijke ordening; Overwegende dat, ook al is het in beginsel mogelijk om op een bepaald perceel een bouwwerk op te richten, dit niet wegneemt dat het concrete bouwwerk moet beantwoorden aan de regels die voor het betrokken gebied gelden; dat de verzoeker belang heeft bij een middel waarin aangevoerd wordt dat het bestreden besluit niet heeft kunnen aannemen dat de ontworpen gebouwen verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening, of minstens, dat het op dit punt niet naar behoren gemotiveerd is; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; X-11.998-6/11 4.
- Overwegende, daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht genomen moet worden, uit het bestreden besluit in elk geval blijkt dat er voor het gebied waarin de ontworpen gebouwen gelegen zijn, geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling; dat het in dat geval de taak is van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen een bevestiging inhoudt van het bedoelde beginsel; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid bij de bedoelde toetsing aan de eisen van een goede plaatselijke ordening in de eerste plaats dient uit te gaan van de bestaande toestand; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is X-11.998-7/11 dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, uit de laatstgenoemde decreetsbepaling volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar in zijn ongunstig advies van 31 oktober 2000 omtrent de beoordeling van de goede plaatselijke ordening heeft gesteld wat volgt : "De nieuwbouw is door zijn volume en grootschaligheid niet in overeenstemming met de reeds omliggende bebouwing en brengt aldus het landelijk karakter van de omgeving in het gedrang. De twee volumes die samengesteld zijn uit drie aaneengekoppelde blokken hebben elk een voorgevelbreedte van 46,50 m. (...) Het feit dat hier 28 woongelegenheden voorzien worden overtreft de draagkracht van de omgeving"; dat de gemachtigde ambtenaar deze bezwaren in zijn beroepsschrift in de volgende bewoordingen heeft herhaald : "Bovendien integreert het project zich door haar vormgeving en volume niet in het straatbeeld. Zowel volume 1 als volume 3 heeft een gevelbreedte van 46 m. Het totale concept heeft een breedte van 107 m, waardoor een gesloten straatwand wordt gerealiseerd. Dergelijke grootschalige volumes harmoniëren niet met de bestaande omliggende bebouwing"; Overwegende dat het eerste bestreden besluit het beroep van de gemachtigde ambtenaar verwerpt op grond van de volgende overwegingen : X-11.998-8/11 "Overwegende dat het kwestieus eigendom gesitueerd is in de deelgemeente Hever; dat uit een consultatie van onder meer het desbetreffende kadasterplan blijkt dat ter hoogte van de beoogde projectlocatie sprake is van een gedifferentieerd bebouwd gehucht; dat de inplantingsplaats van kwestieus bouwproject zich situeert in een zogenaamd 'rastergebied', waarin de gemeente beoogt een ontwikkelingsbeleid te voeren, gericht op het bestendigen van het heterogene en verspreide woonkarakter; dat de gemeente van oordeel is dat in dergelijk gebied, gelet op het (historisch) gegeven (heterogene en verspreide bebouwing), slechts een beperkte sturing mogelijk is inzake kernverdichting en kernversterking; dat beleidsmatig op niveau van de gemeente in dergelijke 'ratsergebieden' tevens wordt beoogd andere woonvormen toe te staan, in casu urban villa's e.d., op voorwaarde dat ze de reeds aanwezige woonentititeiten niet storen of hinderen; dat de gemeente aldus in de betreffende gebiedsomschrijving opteert voor een gedifferentieerd en kwalitatief hoogstaand woningbestand; dat de geviseerde projectrealisatie kadert in de betreffende gemeentelijke beleidsoptie en de daarmee verband houdende ontwikkelingsstrategie voor deze omgeving; Overwegende dat het geviseerde bouwconcept, conform de omzendbrief d.d. 8 juli 1997, als een nieuwe structuur kan worden aanzien; dat het beoogde gebouw eerder dient te worden getypeerd als een gegroepeerde woningbouwtypologie, waarvan de afmetingen, de bouwlagen, de dakvorm en de architecturale eigenheid aansluiten bij deze van de traditionele woningen die in een groepsverband werden geplaatst; dat het in casu geviseerde bouwproject m.a.w. geen appartementsbouw betreft in de klassieke betekenis van een appartementsblok met meerdere identieke niveau's; dat twee bovengrondse bouwlagen en een zadeldak behoren tot de op de betreffende locatie gangbare woningbouwconcepten qua bouwhoogte en dakvorm; dat iedere woonentiteit alle gebruikelijke voorzieningen bevat die het maximaal functioneren van één gezin per afzonderlijke woonentiteit mogelijk (maken); dat de vernieuwende structuur er derhalve enkel in bestaat dat die individuele woningen uiterlijk gegroepeerd worden; dat de omgeving gekenmerkt wordt door een vrij heterogene bebouwingstypologie bestaande uit vrijstaande, per twee gekoppelde ééngezinswoningen en meergezinswoningen met een overwegend residentiële functie; dat de concepten meergezins-woningbouw en gekoppelde ééngezins-woningbouw m.a.w. reeds op diverse locaties werden toegepast in de Bieststraat; dat het geviseerde bouwproject betreffende bebouwingstypologie enkel aanvult doch geenszins verstoort; dat de aanpalende bewoners redelijkerwijze mochten verwachten dat het betreffende onbebouwd terrein (...) ooit zou worden bebouwd via een hedendaagse invulling én actueel tegemoet komt aan de ruimtelijke tendens inzake verdichting; dat het bouwproject, bekeken vanuit het achterliggende landschap niet meer impact zal hebben dan in het geval er op het betreffende terrein meerdere aaneengesloten of vrijstaande woningen zouden zijn opgericht; (...) Dat het project bijgevolg geacht wordt in overeenstemming te zijn met het karakter en de bebouwing van de omgeving"; Overwegende dat het bestreden besluit aldus, na herinnerd te hebben aan de beleidsopties van de gemeente voor het betrokken gehucht, en na het voorgelegde bouwconcept omschreven te hebben als een "gegroepeerde woningbouwtypologie", waarvan een aantal kenmerken aansluiten bij die van traditionele woningen die in een groepsverband zijn geplaatst, overweegt dat het X-11.998-9/11 bouwen met twee bovengrondse bouwlagen en een zadeldak behoort tot de ter plaatse gangbare woningbouwconcepten qua bouwhoogte en dakvorm, en dat ook de concepten meergezins-woningbouw en gekoppelde ééngezins-woningbouw aansluiten bij de bebouwingstypologie van de Bieststraat; dat uit de aangehaalde motivering echter niet blijkt dat de vergunningverlenende overheid het volume en de grootschaligheid van het voorgelegde project concreet bij haar beoordeling heeft betrokken; dat het bestreden besluit immers niet onderzoekt in hoeverre de ontworpen gebouwen, gelet op hun volume en op de grootschaligheid van het project als geheel, in de ter plaatse bestaande ordening kunnen worden ingepast; dat de gemachtigde ambtenaar zijn ongunstig advies en zijn beroep nochtans juist gesteund had op het feit dat het bouwproject als geheel, gekenmerkt door twee volumes met elk een gevelbreedte van 46 meter, niet in overeenstemming was met de bestaande omliggende bebouwing; Overwegende dat het bestreden besluit op dit punt niet regelmatig gemotiveerd is; dat het middel in zoverre gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 15 juni 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende verwerping van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 21 juni 2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan Herman VERBAET de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de sloop van een bestaande woning en de bouw van 28 appartementen te Boortmeerbeek, Bieststraat, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 523e, f en g, 631h, 630c en 522h. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. X-11.998-10/11 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.998-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.596 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.