id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.597 Rolnummer: Zaak: Arrest 155597 - - 24/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 11:04 Fiche Arrest nr 155.597 van 24 februari 2006 - Beslissing : Bevolen Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.597 van 24 februari 2006 in de zaken A. 167.683/X-12.554 A. 167.938/X-12.
- I. In zake :
- Nico HACHÉ,
- Julien DE MEY, die woonplaats kiezen bij Advocaten B. ROELANDTS en R. SLABBINCK, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : de naamloze vennootschap MOBISTAR, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MALLIËN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir
- II. In zake : de gemeente MERELBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ROELANDTS en R. SLABBINCK, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nico HACHÉ en Julien DE MEY op 10 november 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 september 2005 van de gewestelijke X-12.554-1/13 stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan de naamloze vennootschap MOBISTAR van de stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een vakwerkpyloon te Merelbeke aan de Molenstraat 54, op een perceel kadastraal bekend 6de afdeling, sectie B, nr. 203 b3 (A. 167.683/X-12.554); Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Merelbeke op 21 november 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A. 167.938/X-12.571); Gezien de nota van de verwerende partij in de zaak A. 167.683/X-12.554; Gezien de verslagen opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 13 januari 2006 en 20 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS in beide zaken; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. SLABBINCK die verschijnt voor de verzoekende partijen in beide zaken, van Advocaat V. TOLLENAERE die verschijnt voor de verwerende partij in beide zaken, en van Advocaat P. MALLIËN die verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak A. 167.683/X-12.554; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; X-12.554-2/13
- Overwegende dat de vorderingen in de zaak A. 167.683/X-12.554 en in de zaak A. 167.938/X-12.571 gericht zijn tegen hetzelfde besluit; dat de twee vorderingen samenhangend zijn, en dan ook samengevoegd worden;
- Overwegende dat de naamloze vennootschap MOBISTAR met een verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding in de zaak A. 167.683/X-12.554 te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 10 augustus 2004, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een gsm-vakwerkpyloon op een terrein gelegen te Merelbeke, Molenstraat 54, kadastraal gekend Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag negen bezwaarschriften zijn ingediend, waaronder die van de verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554; dat, op ongunstig advies van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) Oost-Vlaanderen bij besluit van 16 september 2005 de gevraagde vergunning heeft verleend; Overwegende dat met de werken een aanvang is genomen op 7 november 2005; dat de verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554 op 8 november 2005 bij de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent een eenzijdig verzoekschrift hebben ingediend, strekkende tot het doen stilleggen van de werken in afwachting van een definitieve rechterlijke beslissing ten gronde; dat de voorzitter bij beschikking van 9 november 2005 bevel heeft gegeven aan de tussenkomende partij om de werken onmiddellijk stil te leggen, onder verbeurte van een dwangsom, en dat hij voor recht gezegd heeft dat het bevel zou vervallen indien door de verzoekende partijen niet binnen acht dagen na de betekening van het bevelschrift zou worden gedagvaard in kort geding of voor de bevoegde rechter ten gronde, of door de tussenkomende partij geen derdenverzet zou worden gedaan, of door de verzoekers geen vordering tot schorsing en beroep tot vernietiging zou worden ingesteld bij de Raad van State; dat de tussenkomende partij tegen deze beschikking X-12.554-3/13 derdenverzet heeft gedaan; dat uit de verklaringen van de partijen ter terechtzitting is gebleken dat dit derdenverzet nog aanhangig is; Overwegende dat de verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554 bij een op 10 november 2005 ter post aangetekend schrijven tegen het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 16 september 2005 de voorliggende vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld; dat de verzoekster in de zaak A. 167.938/X-12.571 bij een op 21 november 2005 ter post aangetekend schrijven tegen hetzelfde besluit de voorliggende vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554 een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het gewestplan "Gentse en Kanaalzone", vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een vergunning verleent voor de oprichting van een gsm-zendmast en bijhorende technische installatie in een agrarisch gebied, met toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, terwijl, enerzijds, de vergunningverlenende overheid er, overeenkomstig de laatstgenoemde uitzonderingsbepaling, toe gehouden is een dubbele toetsing door te voeren, met name dat de gemeenschapsvoorziening verenigbaar is met de algemene bestemming van het gebied en met het architectonisch karakter ervan, en anderzijds, artikel 4 van het decreet van 18 mei X-12.554-4/13 1999 gebiedt om de ruimtelijke behoeftes van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar af te wegen, waarbij moet worden rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, zodat -zoals de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar overigens zelf heeft erkend- moet worden beoordeeld wat de impact is van de werken op de onmiddellijke omgeving; en terwijl een grondig onderzoek van het aanvraagdossier onmiskenbaar tot de conclusie had moeten leiden dat de aanvraag strijdig is met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied en bovenal niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, nu : - de inplanting van de gsm-mast het uitzicht van deze rustige, landelijke en open woonomgeving ten zeerste zou verstoren en het karakter ervan op onomkeerbare wijze zou aantasten; - de gsm-mast trouwens zou worden opgericht in agrarisch gebied, zonering waarin dergelijke constructie uiteraard niet thuishoort; - de gsm-mast en de industrieel ogende impressie van deze pyloon zich geenszins laten verzoenen met de heersende architectuur van de in deze omgeving voorkomende eengezinswoningen en glasserres; - de visuele stoornis voor de inwoners van de Hoorndriesstraat (met inzonderheid beide verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554) buitensporig voorkomt, gelet op het feit dat de 30 m hoge gsm-mast ter hoogte van de achterste perceelsgrenzen van de percelen aan de Hoorndriesstraat zou worden ingeplant, zodat deze inwoners zowel vanuit hun woningen (zie bijv. de woningen van beide verzoekers die zich op ongeveer 25 m van de pyloon zouden bevinden) als vanuit hun tuinen direct zouden uitkijken op de gsm-mast; - de inplanting van de gsm-mast, meer algemeen, zou leiden tot een ernstige verstoring van het woon- en leefklimaat van de buurtbewoners en derhalve onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; de voornoemde onverenigbaarheid en stoornisaspecten bovendien makkelijk zouden kunnen worden vermeden aangezien zich in de omgeving negen gsm-ankerpunten bevinden waarop de Mobistar-antennes zouden kunnen worden aangebracht (hetgeen in overeenstemming is met het algemeen vooropgezette bundelingsprincipe); en terwijl minstens dient vastgesteld te worden dat het bestreden besluit op dit punt kennelijk mangelt (sic), nu : 1/ niet met alle (afgeleide) hinderaspecten rekening is gehouden en, meer nog, zelfs een aantal uitermate relevante hinderaspecten expliciet en geheel ten onrechte onbehandeld werden gelaten; de X-12.554-5/13 bezwaren nopens de mogelijke gezondheidsrisico's verbonden aan gsm-straling aldus zonder meer als irrelevant voor een stedenbouwkundige beoordeling werden aangemerkt, terwijl gezondheidsrisico's en milieueffecten van gsm-masten wel degelijk moeten worden beoordeeld in het kader van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een gsm- mast en zij derhalve niet als irrelevant kunnen worden afgedaan (...); ook de veiligheidsrisico's, veroorzaakt door de inplanting vlakbij de gasleiding van Fluxys, net zoals de gezondheidsrisico's en andere hinderaspecten betrokken moeten worden in het kader van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een gsm-mast, en die veiligheidsrisico's in het bestreden besluit in geen enkel opzicht aan bod komen; 2/ voorts in geen enkel opzicht rekening is gehouden met de impact van de werken op de vlakbij gelegen woonkavels; niettegenstaande de argumenten inzake de bestaanbaarheid met de gewestplanbestemming en de verenigbaarheid met de omgeving door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar wél eerst als relevant worden weerhouden en de behandeling ervan in het vooruitzicht wordt gesteld in het beschikkend gedeelte, in dit beschikkend gedeelte -waarin de toetsing van de beoogde constructie aan artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen wordt behandeld- enkel te lezen staat dat
(1)de residentiële aard van het gebied en de bebouwde omgeving "uiteraard" het aanbrengen van een gsm- mast rechtvaardigen, en
(2)door de inplanting nabij de serres een in architecturaal opzicht harmonisch geheel wordt verkregen, hetgeen beide nietszeggende en vage overwegingen uitmaken, die geenszins blijk geven van een gedegen beoordeling van de feitelijke situatie, de impact op de onmiddellijke omgeving en de aanpalende bebouwing; een overheidsbesluit de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze afdoende moeten zijn, hetgeen impliceert dat melding moet worden gemaakt van de concrete gegevens (de ligging, de eigen kenmerken, ...) betreffende de in de omgeving van het betrokken perceel bestaande bebouwing waarop de X-12.554-6/13 vergunningverlenende overheid zich steunt om tot de conclusie te kunnen komen dat de aanvraag in overeenstemming is met een goede ruimtelijke aanleg; in casu evenwel moet worden vastgesteld dat in het bestreden besluit geen concrete gegevens worden aangereikt inzake de omliggende bebouwing en er, meer specifiek, volstrekt abstractie wordt gemaakt van de situering van de aanpalende bebouwing, de afmetingen van de inplantingsplaats van de gsm-mast ten aanzien van de aanpalende percelen en bebouwing, de concrete impact op de omliggende woonfuncties, zoals de visuele hinder en de daarmee gepaard gaande verstoring van het woon- en leefklimaat; dit des te meer klemt, nu de gemotiveerde bezwaren en het ongunstig advies van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke noopten tot een grondige evaluatie van de verenigbaarheid (met) en de impact op de onmiddellijke omgeving en aanpalende bebouwing door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; in verscheidene bezwaarschriften, waaronder die van de twee verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554, precies uitvoerig werd gewezen op de onverenigbaarheid met de (onmiddellijke) omgeving en, meer bepaald, op de aanzienlijke visuele hinder en verstoring van het woon- en leefklimaat ten gevolge van een 30 m hoge gsm-mast, die zou worden ingeplant net naast de percelen van de verzoekers en volkomen in het gezichtsveld vanuit hun woningen en tuinen; het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke deze bezwaren gegrond heeft bevonden en bovendien uitdrukkelijk heeft gestipuleerd dat de gsm-mast aanzienlijke visuele hinder zou veroorzaken en de ruimtelijke draagkracht van de omgeving zou overschrijden; in zijn toelichtend schrijven van 11 april 2005 aan AROHM Oost- Vlaanderen tevens wordt benadrukt dat de pyloon onmiddellijk zou palen aan de tuinen van de woningen aan de Hoorndriesstraat; dan ook bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vergunningverlenende overheid op enige wijze de impact van de werken op de vlakbij gelegen woonkavels in rekening zou hebben gebracht; X-12.554-7/13 Overwegende dat de verzoekster in de zaak A. 167.938/X-12.571 een tweede middel aanvoert, dat in bijna identieke bewoordingen is geformuleerd; Overwegende, daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht genomen moet worden, uit het bestreden besluit in elk geval blijkt dat er voor het gebied waarin de ontworpen constructie gelegen is, geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg bestaat, noch een ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling; dat het in dat geval de taak is van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit onder meer artikel 110, § 2, van het genoemde decreet; Overwegende dat volgens de artikelen 2 en 3 van de wet van eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissingen ten grondslag liggen, en dat die motivering "afdoende" moet zijn; dat, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, uit de voornoemde wetsbepalingen volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt; dat deze redengeving des te concreter en preciezer moet zijn wanneer het besluit afwijkt van een voorafgaand ongunstig advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund; Overwegende, wat het aangevoerde motiveringsgebrek betreft, dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke in zijn beoordeling van de ingediende bezwaren en zijn advies over de aanvraag onder meer heeft overwogen wat volgt : "Overwegende dat de bouwplaats zich (...) situeert in een binnengebied tussen de bouwzones langsheen de Hoorndriesstraat en de Molenstraat; dat de inplanting van een gsm-mast aanzienlijke visuele hinder zal veroorzaken binnen X-12.554-8/13 deze overwegend residentiële omgeving; dat het voorgesteld ontwerp bijgevolg ook de ruimtelijke draagkracht van de omgeving overschrijdt"; Overwegende dat het bestreden besluit, na te hebben vastgesteld dat het voorgelegde ontwerp voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, in verband met de verenigbaarheid met de omgeving overweegt als volgt : "Zowel het schepencollege als verscheidene bezwaarindieners zijn het eens over de algemene 'residentiële' aard van het gebied (veroorzaakt door de inklemming tussen twee woongebieden), wat uiteraard het aanbrengen van (voorzieningen als bedoeld in de aanvraag) rechtvaardigt. Uit voorliggende plannen blijkt overigens duidelijk dat het om een zo goed als volledig bebouwde omgeving gaat, en niet om een landelijke, of om open ruimte. De pyloon zelf wordt ingeplant nabij serres, m.a.w. naast constructies met een gelijkaardig, eerder industrieel voorkomen (hoofdzakelijk bestaand uit metaal en met wit als overheersende kleur), zodat een in architecturaal opzicht harmonisch geheel wordt bekomen"; Overwegende dat het feit dat het betrokken agrarisch gebied is "ingeklemd" tussen twee woongebieden, waardoor de omgeving een residentieel karakter heeft, voor het college van burgemeester en schepenen een reden is om de ontworpen constructie vanuit het oogpunt van de ruimtelijke draagkracht ongunstig te beoordelen; dat het bestreden besluit daarentegen overweegt dat het residentieel karakter van de omgeving "uiteraard" het oprichten van de ontworpen constructie verantwoordt, maar dat het niet nader verduidelijkt waarom het op dit punt, dat essentieel is in de beoordeling van de aanvraag door het college, afwijkt van diens advies; dat voorts, in het licht van de door het college aangevoerde "aanzienlijke visuele hinder" voor de genoemde omgeving, de algemene verwijzing in het bestreden besluit naar het feit dat het om een volledig bebouwde omgeving gaat, niet beschouwd kan worden als een op voldoende concrete gegevens steunende beoordeling van de visuele impact van de ontworpen constructie op de bestaande woningen; dat ten slotte de vaststelling dat de ontworpen pyloon een architecturaal harmonisch geheel vormt met de bestaande serres niet beschouwd kan worden als een afdoende verantwoording van de conclusie dat de pyloon verenigbaar is met de residentiële omgeving; dat het middel, in zoverre het gebreken in de motivering met betrekking tot de beoordeling van de impact van de ontworpen constructie op de vlakbij gelegen woonkavels inroept, ernstig is; 6. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekers in de zaak A. 167.683/X-12.554 onder meer een visuele hinder en X-12.554-9/13 bijgevolg een ernstige verstoring van hun woon- en leefklimaat inroepen, ten gevolge van de inplanting van de 30 meter hoge gsm-zendmast onmiddellijk naast hun eigendom; dat zij preciseren dat de gsm-mast zou worden ingeplant op ongeveer 5 meter van de perceelsgrens van de tweede verzoeker en op ongeveer 10 meter van de perceelsgrens van de eerste verzoeker, en dat de mast zich op ongeveer 25 meter van de woningen van de twee verzoekers zou bevinden; dat zij voorts aanvoeren dat de belangrijkste leefruimtes van de woningen van de twee verzoekers naar de inplantingsplaats van de mast zijn gericht, en dat zij ook vanuit hun tuinen geconfronteerd zullen worden met de mast; dat zij concluderen dat het voortdurend moeten uitkijken op een zichtverstorende installatie een ernstig en moeilijk karakter geeft aan de zichthinder welke, eenmaal ondergaan, niet meer kan worden goedgemaakt; dat zij hieraan toevoegen dat men tevergeefs zou opwerpen dat zij reeds geconfronteerd worden met zichthinder afkomstig van het serrebedrijf, nu de impact van een vlakbij gelegen gsm-mast van 30 meter hoog van een geheel andere orde is dan die van serres in laagbouw; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de woonpercelen van de twee verzoekers palen aan het bouwperceel, en dat de ontworpen gsm-mast zou worden ingeplant onmiddellijk achter de tuinen en op korte afstand van de woningen van de verzoekers; dat de mast 30 meter hoog zou zijn; dat de verzoekers aannemelijk maken dat de inplanting van de mast een ernstige visuele hinder zal veroorzaken; dat aan het ernstig karakter van die hinder geen afbreuk wordt gedaan door het door de tussenkomende partij aangevoerde bestaan van een groenscherm achteraan de tuinen van de twee verzoekers; dat aan het ernstig karakter van de hinder evenmin afbreuk wordt gedaan door het door de tussenkomende partij aangevoerde feit dat met name de tweede verzoeker thans reeds visuele hinder ondervindt van de aanwezige serres, nu deze serres zich door hun ligging minder in het gezichtsveld van deze verzoeker bevinden dan de ontworpen mast en nu de mast in elk geval vóór de serres geplaatst zal worden en ver boven de serres zal uitsteken; Overwegende dat het bedoelde nadeel, dat geleden zal worden telkens de verzoekers met het zicht op de mast geconfronteerd zullen worden, bovendien moeilijk te herstellen is; X-12.554-10/13 Overwegende dat het, gelet op deze conclusie, niet nodig is om nog te onderzoeken of ook de verzoekster in de zaak A. 167.938/X-12.571 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te lijden; 9. Overwegende dat is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen; X-12.554-11/13 BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 167.683/X-12.554 en A. 167.938/X-12.571 worden samengevoegd. Artikel 2. Het verzoek tot tussenkomst van de naamloze vennootschap MOBISTAR in de vordering tot schorsing in de zaak A. 167.683/X-12.554 wordt ingewilligd. Artikel 3. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 16 september 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan de naamloze vennootschap MOBISTAR van de stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een vakwerkpyloon te Merelbeke aan de Molenstraat 54, op een perceel kadastraal bekend 6de afdeling, sectie B, nr. 203 b3. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure in de zaak A. 167.683/X-12.554, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.554-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.554-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div