id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.598 Rolnummer: A. 164886/X-12425 Zaak: Arrest 155598 - - 24/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 04:23 Fiche Arrest nr 155.598 van 24 februari 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.598 van 24 februari 2006 in de zaak A. 164.886/X-12.425. In zake : 1. Bert DE BRAUWER, 2. Ludo BERX, 3. Alain WOUTERS, die woonplaats kiezen bij Advocaten K. GEELEN en K. WAUTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Chr. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60. tussenkomende partij : de naamloze vennootschap MOBISTAR, die woonplaats kiest bij Advocaten B. VANHALLE en M. WENDRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bert DE BRAUWER, Ludo BERX en Alain WOUTERS op 15 september 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15 juni 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende, eensdeels, intrekking van het besluit van 8 juli 2004 waarbij aan de naamloze vennootschap MOBISTAR de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een GSM-vakwerkpyloon met technische installatie op een perceel gelegen te Kuringen, Simpernelstraat, kadastraal bekend onder Hasselt, 12de afdeling, sectie B, nr. 397b, en anderdeels, afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de naamloze vennootschap MOBISTAR voor dezelfde werken op hetzelfde perceel; Gelet op het arrest nr. 148.187 van 12 augustus 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de naamloze vennootschap MOBISTAR in de vordering X-12.425-1/18 tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tussenkomende partij worden gelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. WAUTERS die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat Chr. LEMACHE die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat M. WENDRICKX die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de naamloze vennootschap MOBISTAR met een verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2. Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 9 januari 2004, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een gsm-vakwerkpyloon met X-12.425-2/18 technische installatie, op een terrein gelegen te Kuringen (Hasselt), aan de Simpernelstraat, kadastraal gekend Overwegende dat, op ongunstig advies van het College van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) Limburg bij besluit van 8 juli 2004 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat dit besluit geschorst is bij arrest nr. 140.852 van de Raad van State van 18 februari 2005; Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 15 juni 2005 het geschorste besluit van 8 juli 2004 heeft ingetrokken en andermaal de gevraagde vergunning heeft verleend; dat het nieuwe besluit dezelfde motivering bevat als het geschorste besluit, met dien verstande dat de motivering aangevuld is met een bijkomende motivering inzake de verenigbaarheid van de aangevraagde installatie met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; dat het besluit van 15 juni 2005 het voorwerp vormt van de voorliggende vordering tot schorsing; Overwegende dat een vordering tot schorsing van dit laatste besluit bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen is bij arrest nr. 148.187 van 12 augustus 2005, gelet op de verklaring van de tussenkomende partij om geen aanvang te nemen met de uitvoering van de bestreden vergunning totdat de Raad van State zich in een gewone schorsingsprocedure zou hebben uitgesproken; 3. Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij aanvoert dat het enkele feit dat de percelen van de verzoekers gelegen zijn in de nabijheid van de site waarop de aanvraag betrekking heeft, te dezen niet volstaat om hun belang te beoordelen; dat zij voorts aanvoert dat de verzoekers zich evenmin op risico’s voor hun gezondheid of op visuele hinder ten gevolge van de plaatsing van de pyloon kunnen beroepen om hun belang te staven; Overwegende dat niet wordt betwist dat elk van de verzoekers woont in de onmiddellijke omgeving van het perceel waarop de ontworpen pyloon zal worden opgericht; dat zij daardoor alleen reeds blijk geven van het rechtens X-12.425-3/18 vereiste belang bij hun vordering; dat zij bovendien vanop hun eigendom een zicht zullen hebben op de pyloon; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het bouwwerk verenigbaar is met de algemene bestemming van het gebied en met het architectonisch karakter van het gebied, terwijl artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn; het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen; Overwegende dat de verzoekers in hun toelichting bij het middel stellen dat het bestreden besluit de verenigbaarheid van de ontworpen constructie met de algemene bestemming van het gebied afleidt uit de vergelijkbaarheid van de ontworpen constructie met de zone-eigen constructies, de beperkte oppervlakte en de afmetingen van de ontworpen constructie en de bestemmingsongevoeligheid X-12.425-4/18 ervan, dat de motivering op elk van die punten bestaat uit gemeenplaatsen, zonder een concrete toetsing van de concrete installatie aan het concrete KMO-gebied; dat zij voorts stellen dat de motieven met betrekking tot de verenigbaarheid met het architectonisch karakter geen aandacht besteden aan het feit dat er voor de ontworpen pyloon geen buffering is, en dat het kennelijk onredelijk is om te concluderen dat de pyloon, die 23 meter hoger zal zijn dan een in de omgeving bestaand bakstenen bedrijfsgebouw van 7 meter hoog, in overeenstemming is met de architectuur van het gebied; Overwegende dat het bestreden besluit vaststelt dat de aanvraag strikt genomen niet in overeenstemming is met de bestemming "gebied voor ambachtelijke bedrijven en gebied voor KMO", waarin het betrokken perceel volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen is; dat het evenwel oordeelt dat de aanvraag beantwoordt aan de voorwaarden gesteld bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, en de ontworpen constructie toch vergund kan worden; Overwegende dat het genoemde artikel 20 luidt als volgt : "Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied"; Overwegende dat in het eerste middel ervan uitgegaan wordt dat het voornoemde artikel te dezen toepassing kan vinden; Overwegende dat het vereiste van de verenigbaarheid van een bouwwerk met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied zo moet worden begrepen dat het ontworpen bouwwerk, gelet op zijn functie en zijn omvang, niet in strijd mag zijn met de algemene bestemming van het betrokken gebied, te dezen als gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor KMO's, en met het daarmee gepaard gaande architectonisch karakter van dat gebied; dat met andere woorden het oprichten van het ontworpen bouwwerk de realisatie van de algemene bestemming van het betrokken gebied, met inbegrip van het architectonisch karakter dat uit die bestemming voortvloeit, niet teniet mag doen of de verdere realisatie ervan niet onmogelijk mag maken; dat de beoordeling van de X-12.425-5/18 verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter moet steunen op concrete en precieze gegevens; Overwegende dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel bevoegd is om na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met de verenigbaarheid van het ontworpen bouwwerk met de algemene bestemming van het betrokken gebied de volgende motieven bevat, overgenomen uit het besluit van 8 juli 2004 : "Uit het stedenbouwkundig voorschrift van het 'gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen' blijkt dat bouwwerken in dergelijke gebieden in se niet verboden zijn en dat de algemene bestemming van voormeld gebied derhalve niet wordt geschonden door het toelaten van een bouwwerk. De installatie (pyloon, technische kast en omheining) neemt slechts een beperkte oppervlakte in (ca. 60 m2). Bovendien is de pyloon qua hoogte (30
- m)niet echt als uitzonderlijk of storend te beschouwen in een KMO-zone. Bovendien staat de pyloon ten dienste van de volledige bevolking, ongeacht in welk bestemmingsgebied ze zich bevinden. Ook de mensen die in dit gebied (KMO-zone) aanwezig zijn, zullen een beroep op de pyloon doen. Een dergelijke pyloon is dus als het ware bestemmingsongevoelig. GSM-infrastructuur op deze plaats zorgt voor een optimale kwaliteit van de mobilofoonverbindingen voor wie zich in de KMO-zone en de onmiddellijke omgeving bevindt. Door de infrastructuur in te planten in KMO-zone wordt eventuele overlast voor het nabijgelegen woongebied vermeden. Deze mogelijke overlast blijft bovendien beperkt tot de bouw en het onderhoud van de installatie en genereert geen druk verkeer zoals het geval is bij sommige bedrijven in deze zone. Gelet op deze drie argumenten (de vergelijkbaarheid van de constructie met zone-eigen const ruct ies, de beperkt e oppervlakt e en de bestemmingsongevoeligheid), kan in alle redelijkheid gesteld worden dat er verenigbaarheid is met de algemene bestemming van het gebied"; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met de verenigbaarheid van het ontworpen bouwwerk met het architectonisch karakter van het betrokken gebied in de eerste plaats de volgende motieven bevat, overgenomen uit het besluit van 8 juli 2004 : X-12.425-6/18 "De installatie (pyloon, technische kast en omheining) neemt slechts een beperkte oppervlakte in (ca. 60 m2). Bovendien is de pyloon qua hoogte (30
- m)niet echt als uitzonderlijk of storend te beschouwen in een KMO-zone. De eventuele visuele hinder voor de omgeving wordt beperkt door de inplanting tussen een bestaande hangar en een bomenrij, zodat enkel de top van de werkmast zichtbaar is. Een eerder voorstel, dat geweigerd werd omwille van het storend karakter, werd om die reden ook in hoogte teruggebracht tot 30 m. De afstand van de pyloon tot het woongebied (30
- m)en de dichtstbijzijnde woning (50
- m)is voor een pyloon van 30 meter voldoende groot, aangezien zelfs de soms in woongebieden gehanteerde, niet-bindende vuistregel die de '45/-graden regel' genoemd wordt, gerespecteerd wordt (afstand van bouwwerk tot een bepaalde plek moet minstens zo hoog zijn als de hoogte van het bouwwerk). Deze regel dient om de bezonning van aanpalende eigendommen te vrijwaren en visuele hinder te vermijden. De regel wordt daarom meestal gehanteerd bij hinderlijke gesloten bouwwerken. Aangezien het hier gaat over een open, visueel doorzichtige vakwerkstructuur, zou een geringere afstand kunnen worden toegestaan. Dus lijkt deze afstand van 30 meter zeker aanvaardbaar te zijn"; Overwegende dat het bestreden besluit voorts de volgende bijkomende motivering bevat : "De ligging van het gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen kan als volgt beschreven worden (zie ook foto's in bijlage). Komende van de Gebrandestraat begint het betrokken gebied aan de linkerzijde van de Simpernelstraat op perceel 397b (perceel van de aanvraag). Links ervan ligt perceel 396z in woongebied (perceel van één van de verzoekers). Aan de overzijde ligt een recreatiegebied (perceel 390f), waarop een grootschalig gebouw staat in functie van de watersport. Het betrokken KMO-gebied loopt verder langs de Simpernelstraat en reikt tot tegen het Albertkanaal. De smalle strook tussen Simpernelstraat en kanaal (rechterzijde van de weg) is ook KMO-gebied, doch is te smal voor het oprichten van gebouwen. Aan de linkerzijde is het gebied wel breed genoeg (perceel 458n). Aan de achterzijde paalt het KMO-gebied aan een woongebied. Het perceel van de aanvraag kan als volgt beschreven worden (zie ook foto's in bijlage). Op het perceel komt een vrij grootschalig bedrijfsgebouw voor, dat een groot deel van het perceel inneemt. Het bedrijfsgebouw is ongeveer 7 meter hoog en afgewerkt met een plat dak. De gevels zijn uitgevoerd in metalen bardageplaten, voornamelijk grijs van kleur, maar er zijn ook witte gedeelten aangebracht, om het geheel visueel onder te verdelen. Aan de linkerzijde van het bedrijfsgebouw is een uitbreiding gerealiseerd. Deze bestaat uit twee bouwlagen, eveneens afgewerkt met een plat dak. Om een integratie en overgang naar het naastgelegen woongebied te realiseren is dit deel uitgevoerd in gevelmetselwerk en is een bekleding met leien aangebracht ter hoogte van de eerste verdieping, met de bedoeling een hellend dak te simuleren. Aan de rechterzijde van het bedrijfsgebouw is een luifel aangebracht en zijn op nogal slordige wijze materialen gestapeld. Het gehele perceel geeft ongetwijfeld uit visueel oogpunt een industriële indruk. Dit komt door de grootschaligheid van het gebouw, de dakvorm en de gekozen materialen. Het perceel 458n (eveneens KMO-gebied) kan als volgt beschreven worden (zie ook foto's in bijlage). Aan de linkerzijde is een deel vooralsnog onbebouwd. Hier is beplanting (bomen) aanwezig. Of deze beplanting gewild (aangeplant) is, dan wel of het hier wildgroei betreft, kan niet uitgemaakt worden. Verderop zijn een aantal X-12.425-7/18 opslagtanks gelegen. Het betreft drie grote in wit metaal uitgevoerde tanks. Deze tanks zijn cilindervormig, ongeveer 10 meter hoog en afgewerkt met een afsluiting. Op het perceel zijn ook nog kleinere tanks en andere constructies aanwezig. Deze zijn echter moeilijk zichtbaar vanaf de straat, omwille van de aanwezige beplanting. Ook hier moet gesteld worden dat het geheel een industriële indruk geeft, door deze aanwezige constructies. Deze op de KMO-zone aanwezige gebouwen en constructies met visueel en industrieel karakter zijn zichtbaar vanaf de Simpernelstraat. Zoals op de foto in bijlage te zien, zijn de opslagtanks ook zichtbaar vanuit de Vlierstraat. De bestaande constructies zullen in alle redelijkheid momenteel ook zichtbaar zijn vanuit de tuinen en woningen langs Vlierstraat, Gebrandestraat en Simpernelstraat. De stelling van de gemeente dat de pyloon 23 meter hoger is dan de bedrijfsgebouwen, en dat hij deels zichtbaar zal zijn voor de bewoners in het aanpalende woongebied is uiteraard correct. Maar dit betekent niet noodzakelijkerwijze dat de aanvraag daarom onaanvaardbaar zou zijn, zich niet zou integreren in de omgeving of onaanvaardbare visuele hinder zou veroorzaken voor de omwonenden. De aangevraagde constructie betreft immers slechts een GSM-pyloon, uitgevoerd in een ijle vakwerkconstructie (geen buispyloon). Hij is 30 meter hoog en wordt uitgevoerd in metaal. Op de grond wordt de noodzakelijke bijhorende technische infrastructuur opgericht. De constructie heeft door zijn materiaalgebruik en ontwerp een industrieel ambachtelijk karakter, vergelijkbaar met de reeds aanwezige en te verwachten constructies in een KMO-gebied. Hij past in de omgeving en zal niet storend overkomen door zijn doorzichtige vakwerkopbouw, zijn beperkte hoogte in verhouding tot de afstand tot het woongebied en de voldoende grote afstand tot het woongebied en de aanpalende woningen (zoals vroeger reeds uiteengezet). In alle redelijkheid kan de conclusie dus enkel zijn dat de aangevraagde constructie verenigbaar is met het architectonisch karakter van het betrokken gebied"; Overwegende dat uit die motieven blijkt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar vooreerst van oordeel is dat de bestemming van een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen het optrekken van bouwwerken in dat gebied niet zonder meer verbiedt; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar voorts in de bijkomende motivering een gedetailleerde en concrete beschrijving geeft van het hele gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, van het perceel waarop de aanvraag specifiek betrekking heeft (perceel 397
- b)en van de ontworpen pyloon; dat uit de samenlezing van de oorspronkelijke motivering en de bijkomende motivering kan worden afgeleid dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van oordeel is dat de ontworpen pyloon, in het bijzonder gelet op de uitvoering ervan in metaal en op de vormgeving ervan, een industrieel-ambachtelijk karakter vertoont, vergelijkbaar met de reeds aanwezige en te verwachten constructies in het betrokken gebied; dat hij voorts van oordeel is dat de ontworpen pyloon, in het bijzonder gelet op de hoogte ervan -die niet als uitzonderlijk wordt beschouwd voor een KMO-zone- X-12.425-8/18 en op de ijle vakwerkconstructie past in de omgeving en niet storend zal overkomen; dat hij op grond van die motieven concludeert dat de ontworpen constructie verenigbaar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; Overwegende dat de aangehaalde motieven niet lijken uit te gaan van onjuiste gegevens, en dat evenmin blijkt dat de conclusie die de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar uit die gegevens in verband met de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 heeft getrokken, kennelijk onredelijk zou zijn; dat de motieven integendeel afdoende lijken te zijn; dat het middel niet ernstig is; 6. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, doordat in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat de visuele hinder voor de omgeving beperkt wordt en de afstand van 30 meter tot het woongebied zeker aanvaardbaar lijkt te zijn, terwijl artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen en dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, en dat op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit, en terwijl artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven wordt zo X-12.425-9/18 de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, en terwijl artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn, en terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen, en terwijl op grond van het vertrouwensbeginsel een burger moet kunnen vertrouwen op de door de overheid gewekte verwachtingen; Overwegende dat de verzoekers in hun toelichting bij het middel stellen dat het bestreden besluit geen aparte motivering bevat in verband met de verenigbaarheid van de ontworpen constructie met de goede ruimtelijke ordening, dat, in elk geval, de motieven die verband houden met het beperkt karakter van de visuele hinder voor de omgeving niet aanvaard kunnen worden, dat niet valt in te zien waarom de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar eerder oordeelde, in verband met een eerste aanvraag, dat een pyloon van 33 meter hinderlijk zou zijn, terwijl een pyloon van 30 meter thans wel aanvaardbaar wordt geacht, dat het bestreden besluit geen concreet antwoord geeft op de bezwaren van het college van burgemeester en schepenen in verband met de visuele hinder; dat zij concluderen dat een onaanvaardbare landschapsverontreiniging ontstaat door het plaatsen van de pyloon als blikvanger in de omgeving, zodat de vergunning niet in overeenstemming is met het begrip goede ruimtelijke ordening; Overwegende, daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht genomen moet worden, uit het bestreden besluit in elk geval blijkt dat er voor het gebied waarin de ontworpen constructie gelegen is, geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg bestaat, en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling; dat het in dat geval de taak is van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit onder meer artikel 110, § 2, van het genoemde decreet; dat het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid, van X-12.425-10/18 het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen een bevestiging inhoudt van het bedoelde beginsel; Overwegende dat volgens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de motivering van een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking "afdoende" moet zijn; dat dit concreet betekent dat de opgegeven redenen het betrokken besluit moeten kunnen dragen; dat, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, uit de voornoemde wetsbepaling volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt; dat deze redengeving des te concreter en preciezer moet zijn wanneer het besluit afwijkt van een voorafgaand ongunstig advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund; Overwegende, wat het aangevoerde motiveringsgebrek betreft, dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt in zijn advies over de aanvraag onder meer heeft overwogen wat volgt : "Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het plaatsen van een vakwerkpyloon van 30 m hoogte met bijhorende technische installatie en omheining; Overwegende dat deze aanvraag ruimtelijk en architectonisch niet aanvaardbaar is; 1. Architectonische en ruimtelijke afweging : (...) - De ruimtelijke impact van deze gsm-zendmast is aanzienlijk gezien de afstand van amper 50 m tot de eerste woning in de huidige toestand en gezien de geplande verkaveling op het aangrenzende perceel dat in woongebied gelegen is; overwegende dat deze pyloon door zijn hoogte een visuele hinder veroorzaakt ten opzichte van de bestaande en geplande bouwpercelen; dat de pyloon 23 m hoger is dan het bedrijfsgebouw en de bestaande groene haag; dat er dus geen sprake is van buffering; - De pyloon wordt ingeplant op amper 30,00 m afstand van de grens met het woongebied; de visuele hinder die hieruit voortvloeit voor de omwonenden is vanuit esthetisch oogpunt onaanvaardbaar"; Overwegende dat de motieven van het bestreden besluit weliswaar geen afzonderlijk onderdeel bevatten dat specifiek handelt over de verenigbaarheid van de ontworpen pyloon met de goede ruimtelijke ordening; dat evenwel uit de bij de bespreking van het eerste middel aangehaalde motieven blijkt dat het bestreden X-12.425-11/18 besluit de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening betrekt bij de beoordeling van de verenigbaarheid met het architectonisch kenmerk van het betrokken gebied; Overwegende dat het bestreden besluit aldus in verband met de visuele hinder voor de onmiddellijke omgeving, in het bijzonder voor het aan het betrokken gebied palende woongebied, waarin de percelen van de verzoekers zijn gelegen, vooreerst in de motieven die zijn overgenomen uit het besluit van 8 juli 2004 uiteenzet dat die hinder wordt beperkt door de inplanting van de ontworpen pyloon tussen een bestaande hangar en een bomenrij, zodat enkel de top van de werkmast zichtbaar is, dat een eerste voorstel, dat eerder geweigerd werd omwille van het storend karakter, in de hoogte werd teruggebracht tot 30 meter, en dat de afstand van de pyloon tot het woongebied (30 meter) en tot de dichtstbijzijnde woning (50 meter) voor een pyloon van 30 meter voldoende groot is, gelet op de open, visueel doorzichtige vakwerkstructuur; Overwegende dat het bestreden besluit voorts in de bijkomende motivering erkent dat de ontworpen pyloon, die 23 meter hoger is dan het bestaande bedrijfsgebouw in de KMO-zone, gedeeltelijk zichtbaar zal zijn voor de bewoners van het aanpalende woongebied; dat het evenwel overweegt dat dit niet noodzakelijkerwijze betekent dat de aanvraag daarom onaanvaardbaar zou zijn, zich niet zou integreren in de omgeving of onaanvaardbare visuele hinder zou veroorzaken voor de omwonenden; dat het besluit erop wijst dat de ontworpen constructie vergelijkbaar is met de reeds aanwezige en te verwachten constructies in een KMO-gebied, dat ze past in de omgeving, en dat ze niet storend zal overkomen, gelet op de doorzichtige vakwerkopbouw, de beperkte hoogte in verhouding tot de afstand tot het woongebied, en de voldoende grote afstand tot het woongebied en de aanpalende woningen; Overwegende dat het bestreden besluit met de aangehaalde redenen duidelijk maakt waarom de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van oordeel is dat, niettegenstaande de hoogte van de ontworpen constructie, deze toch geen onaanvaardbare visuele hinder veroorzaakt; dat die beoordeling met name steunt op het ijle of doorzichtige karakter van de vakwerkconstructie, op de afscherming van de basis van de constructie, op het feit dat de constructie wordt ingeplant in een KMO-gebied en dat ze, gelet op haar industrieel-ambachtelijk karakter, vergelijkbaar is met de daarin reeds aanwezige en te verwachten X-12.425-12/18 constructies, welke geheel of gedeeltelijk zichtbaar zijn vanuit de tuinen en de woningen in het woongebied, op de verhouding tussen de hoogte van de constructie en de afstand tot het woongebied, en op de afstand zelf tussen de constructie en het woongebied en de aanpalende woningen; dat het besluit aldus op voldoende concrete gegevens lijkt te steunen, en dat zijn motieven, die aan de goede ruimtelijke ordening zijn ontleend, de beslissing lijken te kunnen dragen; dat de motivering dan ook afdoende lijkt te zijn; Overwegende, wat de aangevoerde miskenning van het begrip goede ruimtelijke ordening betreft, dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel bevoegd is om na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat de kritiek van de verzoekers weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, maar dat de verzoekers voorshands niet aannemelijk maken dat die ambtenaar in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; Overwegende ten slotte, wat de aangevoerde miskenning van het vertrouwensbeginsel betreft, dat de verzoekers zich ertoe beperken te stellen dat het niet te verantwoorden valt dat de vergunningverlenende overheid naar aanleiding van een eerste aanvraag heeft geoordeeld dat een pyloon van 33 meter hinderlijk is, en dan, naar aanleiding van de voorliggende aanvraag, oordeelt dat een pyloon die met 3 meter is verlaagd wel verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; dat evenwel uit de motieven van het besluit van 8 juli 2004, overgenomen in het bestreden besluit, blijkt dat de visuele hinder uitgaande van een pyloon van 30 meter aanvaardbaar wordt geacht, mede gelet op het feit dat de afstand tot het aanpalende woongebied 30 meter bedraagt, d.w.z. even groot is als de hoogte van het bouwwerk; dat de verzoekers niet aantonen dat het thans door de vergunningverlenende overheid ingenomen standpunt steunt op in feite onjuiste motieven, en dat zij voorshands niet aannemelijk maken dat de afwijking van het X-12.425-13/18 eerdere standpunt, in het licht van de gewijzigde hoogte van de constructie, onredelijk zou zijn; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 7. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 23, eerste lid en derde lid, 4/, van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het voorzorgsbeginsel, doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vergunningverlenende overheid er in alle redelijkheid van kan uitgaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en dat dit aspect het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat, terwijl artikel 23, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden, en artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet bepaalt dat (de in het tweede lid) bedoelde rechten inzonderheid het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu omvatten, en terwijl het voorzorgsbeginsel vereist dat een overheid een correcte inschatting maakt van de effecten van de risico’s die een bepaalde constructie met zich brengt opdat zij zou kunnen anticiperen op de mogelijke negatieve gevolgen, en zij deze moet verbieden indien deze onaanvaardbare gevolgen zou hebben voor mens of milieu; Overwegende dat de verzoekers in hun toelichting bij het middel stellen dat er grote meningsverschillen bestaan over de invloed van de stralingen afkomstig van een gsm-zendmast, dat het koninklijk besluit van 29 april 2001 houdende de normering voor zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz weliswaar een blootstellingsnorm per zendmast bepaalt, maar dat in het verslag aan de Koning bij dit besluit uitdrukkelijk wordt erkend dat er thans geen zekerheid is over de effecten op lange termijn en dat er nood is aan bijkomend wetenschappelijk onderzoek, dat dit koninklijk besluit aldus zelf genomen is met miskenning van het voorzorgsbeginsel, dat immers, zolang het niet zeker is dat schadelijke gevolgen zijn uitgesloten, het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu voorrang moet krijgen en zendmasten niet toegestaan mogen worden; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met mogelijke risico's voor de gezondheid overweegt wat volgt : X-12.425-14/18 "Met betrekking tot het gezondheidsaspect kan verwezen worden naar het koninklijk besluit houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, dat door de federale overheid werd uitgevaardigd. Dit koninklijk besluit legt gezondheidsnormen vast die vier keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger zijn dan de effectieve risicogrens. Op die wijze wordt het voorzorgsprincipe volledig gerespecteerd. Alle nieuwe en bestaande installaties moeten aan de normen van dit koninklijk besluit voldoen. Het BIPT heeft tot taak via metingen toe te zien op de naleving ervan. De vergunningverlenende overheid kan er dan ook in alle redelijkheid van uitgaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat"; Overwegende dat uit de aangehaalde motieven blijkt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het mogelijk gevaar voor de gezondheid van de omwonenden bij de beoordeling van de bij hem ingediende aanvraag heeft betrokken; dat hij geoordeeld heeft, met verwijzing naar de normen vervat in het genoemde koninklijk besluit van 29 april 2001, dat het gezondheidsrisico voldoende onder controle is, en dat het voorzorgsbeginsel te dezen niet dwingt tot een weigering van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat, zo op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat de overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening, voor de beoordeling van de risico’s van een constructie voor de gezondheid in beginsel kan voortgaan op de beoordeling van de terzake bevoegde overheid, zoals die haar uitdrukking gevonden heeft in een bij koninklijk besluit vastgestelde normering, er te dezen evenwel moet worden opgemerkt dat het koninklijk besluit van 29 april 2001, op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, vernietigd was, met name bij het arrest nr. 138.471 van de Raad van State van 15 december 2004; dat de normen waarnaar het bestreden besluit verwijst op dat ogenblik dus niet meer bestonden; dat het in die omstandigheden aan de vergunningverlenende overheid stond, gelet op de bij haar ingediende bezwaren, om in concreto na te gaan of de elektromagnetische golven geen onaanvaardbaar risico voor de gezondheid zouden opleveren; dat noch het bestreden besluit, noch het administratief dossier blijk geven van een dergelijk onderzoek; Overwegende dat de omstandigheid dat een nieuwe normering inmiddels is opgenomen in een koninklijk besluit van 10 augustus 2005 met hetzelfde opschrift als het vernietigde besluit, aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat aan het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 immers geen terugwerkende kracht is X-12.425-15/18 verleend; dat dit besluit overigens het voorwerp vormt van een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging bij de Raad van State (zaak ingeschreven op de algemene rol onder nummer A. 167.934); dat het bestaan van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 niet tot gevolg heeft dat de verzoekers hun belang bij het derde middel verloren zouden hebben, noch dat het middel noodzakelijk ongegrond verklaard zou moeten worden; Overwegende dat het middel in zoverre ernstig is; 8. Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat de pyloon een voortdurende visuele hinder en landschapsverontreiniging zal veroorzaken, hetgeen hen een reëel esthetisch nadeel zal berokkenen, dat het landschap ter plaatse een eerder "laag karakter" heeft, dat zelfs de industriële bebouwing laag is, dat zij daarom een vrij ongestoorde horizon hebben, dat zij verwijzen naar de door hen aangebrachte foto's, waaruit blijkt dat een pyloon van 30 meter zeer hinderlijk zal zijn in het landschap; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat er voor hen een ernstig risico voor de gezondheid bestaat omwille van de blootstelling aan stralingen; dat zij ten slotte aanvoeren dat een schorsing noodzakelijk is, omdat de pyloon anders zou worden opgericht vooraleer er een uitspraak van de Raad mag worden verwacht in de annulatieprocedure en het dan bijzonder moeilijk zou worden om het nadeel terug ongedaan te maken; Overwegende, wat betreft de aangevoerde visuele hinder en landschapsverontreiniging, dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het woonperceel van de eerste verzoeker paalt aan de woonpercelen van de tweede en de derde verzoeker en dat deze woonpercelen op hun beurt palen aan het betrokken bouwperceel; dat, zoals bij de bespreking van het tweede middel is gebleken, het bestreden besluit het plaatsen van een vakwerkpyloon van 30 meter hoogte heeft vergund, in te planten op een afstand van 30 meter tot het woongebied en van 50 meter tot de dichtstbijzijnde woning; dat de pyloon 23 meter hoger is dan het bedrijfsgebouw en de bestaande groene haag; dat de verzoekers een fotoreportage hebben neergelegd van de bestaande toestand; dat zij op voldoende concrete wijze aantonen dat de vergunde pyloon, gelet op de hoogte ervan en de inplanting ten opzichte van hun eigendommen, een ernstige visuele hinder kan veroorzaken; dat het feit dat die visuele hinder bij de beoordeling van de verenigbaarheid met goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar geacht zou kunnen worden, gelet op de X-12.425-16/18 concrete ligging van de betrokken percelen, zoals voorlopig bij het onderzoek van het tweede middel is aangenomen, aan de ernst van het nadeel geen afbreuk doet; Overwegende dat, als de pyloon eenmaal opgericht is, het aangevoerde nadeel alleen maar hersteld kan worden door de afbraak ervan; dat het nadeel in de gegeven omstandigheden beschouwd kan worden als moeilijk te herstellen; Overwegende dat het, gelet op hetgeen voorafgaat, niet nodig is om na te gaan of de verzoekers aannemelijk maken dat er ook nog een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is ten gevolge van het bestaan van een risico voor hun gezondheid; 9. Overwegende dat is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen; BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de naamloze vennootschap MOBISTAR in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 15 juni 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende, eensdeels, intrekking van het besluit van 8 juli 2004 waarbij aan de naamloze vennootschap MOBISTAR de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een GSM-vakwerkpyloon met technische installatie op een perceel gelegen te Kuringen, Simpernelstraat, kadastraal bekend onder Hasselt, 12de afdeling, sectie B, nr. 397b, en anderdeels, afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de naamloze vennootschap MOBISTAR voor dezelfde werken op hetzelfde perceel. Artikel 3. X-12.425-17/18 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.425-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.598 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.187 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div