← België

Arrest 155602 - - 24/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.602 Rolnummer: A. 167335/X-12543 Zaak: Arrest 155602 - - 24/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 11:07 Fiche Arrest nr 155.602 van 24 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.602 van 24 februari 2006 in de zaak A. 167.335/X-12.

  1. In zake :
  2. Gabriëlle PHILIPS,
  3. Fernand GILLIJNS, die woonplaats kiezen bij Advocaat T. DEWANDRE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  4. tussenkomende partij : de naamloze vennootschap AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaat I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriëlle PHILIPS en Fernand GILLIJNS op 29 oktober 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 31 augustus 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende intrekking van de stedenbouwkundige vergunning van 15 oktober 2004 en houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de naamloze vennootschap AQUAFIN voor het bouwen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie te Tervuren (project 92/501A) op een perceel kadastraal bekend sectie C, nrs. 48 a2 en 49 h (deel); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.543-1/15 Gelet op de beschikking van 22 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. DEWANDRE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat Ph. DECLERCQ die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. PHLIPS die loco Advocaat I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
  6. Overwegende dat de naamloze vennootschap AQUAFIN met een op 22 november 2005 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  7. Overwegende dat de tussenkomende partij op 24 februari 2004 een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie te Tervuren; dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel kadastraal bekend onder Tervuren, sectie C, nrs. 48 a2 en 49 h (deel); dat het bedoelde perceel volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen is deels in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van aanvraag een gunstig advies heeft gegeven; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) Vlaams-Brabant bij besluit van 15 oktober 2004 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat een aantal partijen, X-12.543-2/15 waaronder de verzoekers in de huidige zaak, tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing hebben ingesteld (zaak A. 161.014/X- 12.243); dat die zaak, wat de vordering tot schorsing betreft, was vastgesteld op de terechtzitting van 2 september 2005; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 31 augustus 2005 de vergunning van 15 oktober 2004 heeft ingetrokken en een nieuwe vergunning heeft verleend; dat het besluit van 31 augustus 2005 het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; dat de Raad van State bij arrest nr. 149.199 van 21 september 2005 de vordering tot schorsing van het besluit van 15 oktober 2004 zonder voorwerp heeft verklaard;
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  9. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, artikel 2, § 1,van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan, de artikelen 11.4.1, 15.4.6.1, 17.6.2 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag, doordat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) op percelen die deels in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn gelegen, en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied het gebruik van dit gebied beperkt tot de landbouw in de ruime zin en zodoende de exploitatie en de oprichting van een RWZI in zulk gebied uitsluit; wanneer een bouwaanvraag slaat op een terrein dat doorneden wordt door de grens X-12.543-3/15 tussen twee bestemmingsgebieden, de aanvraag dient te worden getoetst aan de bestaanbaarheid van het project met de beide bestemmingsgebieden; het koninklijk besluit van 28 december 1972, alsook de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997, expliciet bepalen dat bij gebruik voor landbouw in de ruime zin de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar mag worden gebracht, zodanig dat in deze gebieden het landschapskarakter zoveel mogelijk moet worden bewaard en bijzondere aandacht moet worden besteed aan de esthetische aspecten van nieuwe inplantingen of verbouwingen; naast het planologische criterium, met name de agrarische bestemming, aldus ook het criterium van de landschappelijke en esthetische warde niet veronachtzaamd mag worden door de besturen die kennis nemen van aanvragen die zich situeren in het gebied; de vergunningverlenende overheid dan ook niet alleen moet onderzoeken of de aanvraag in overeenstemming is met de in de grondkleur aangegeven bestemming van het gebied, maar tevens moet onderzoeken of de beoogde handelingen en werken wel in overeenstemming kunnen worden gebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap; ook indien het gebied reeds structureel aangetast zou zijn, de overheid steeds de plicht heeft om aan landschapsontwikkeling te doen; een groenscherm in die gevallen niet van aard kan zijn om de planologisch-esthetische bezwaren te ondervangen, doch integendeel een indicatie vormt dat de overheid de constructie als hinderlijk en onesthetisch aanziet; in casu moet worden vastgesteld dat de oprichting van een bufferzone voor een RWZI geenszins als "gebruik voor de landbouw in de ruime zin" kan worden beschouwd; dit alles des te meer klemt, nu in de bestreden vergunning nergens met een woord wordt gerept over de bestaanbaarheid van deze bufferzone met de bestemming als agrarisch gebied, laat staan over de verenigbaarheid van de installatie met het landschappelijk waardevol karakter van dit agrarisch gebied; dit stuitend gebrek aan motivering te wijten is aan het feit dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, gelet op het feit dat het agrarisch gebied enkel zal worden aangewend voor de aanplanting van een bufferzone en niet voor de oprichting van de RWZI zelf, er blijkbaar van uitgaat dat de aanleg van een bufferzone uit zichzelf verenigbaar is met het agrarisch gebied; het feit dat de werken in het agrarisch gebied beperkt zouden zijn tot de aanplanting van een bufferzone uiteraard niet automatisch met zich brengt dat deze werken verenigbaar zijn met de algemene bestemming als landschappelijk waardevol én agrarisch gebied; daarnaast, zelfs indien de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, zonder expliciet naar artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 te verwijzen, van oordeel zou zijn dat hij zich voor deze werken kan beroepen op dat artikel, hij dan nog uit het oog verliest dat dit artikel slechts kan worden aangewend in zeer uitzonderlijke X-12.543-4/15 omstandigheden, en dat dit uitgesloten is in het geval van tegenstrijdige functies; de aanplanting van de bufferzone, onlosmakelijk verbonden met de oprichting van de RWZI, niet alleen strijdig is met de gewestplanbestemming en het landschappelijk waardevol karakter ervan, maar het de bestreden vergunning tevens ontbreekt aan enige concrete motivering m.b.t. de toepassing van de uitzonderingsmaatregel bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 en de verenigbaarheid met de omliggende gebieden en bebouwing; in de bestreden beslissing evenmin wordt aangegeven waaruit zou blijken dat de in te planten bufferzone verenigbaar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; uit de lezing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 overigens hoe dan ook volgt dat deze bepaling enkel kan worden aangewend voor "bouwwerken" en dus niet voor de inplanting van een bufferzone; Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit wordt vastgesteld dat de betrokken percelen volgens het gewestplan Leuven gelegen zijn in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en in beperkte mate eveneens in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat evenwel meermaals wordt overwogen dat alle werken bedoeld in de vergunning, met inbegrip van de compenserende bebossing, enkel dienen te gebeuren in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; dat met het oog op de toepassing van deze van het bestreden besluit o.m. de volgende voorwaarde is opgenomen : "Alle werken opgenomen in deze vergunning en dus ook de compenserende bebossing dienen volledig te gebeuren binnen de grenzen van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (zie toegevoegd uittreksel uit het gewestplan schaal 1/10.000)"; Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat de bufferzone opgericht wordt in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit de aangehaalde motieven en het dispositief van het bestreden besluit lijkt te volgen dat dit uitgangspunt niet correct is; dat het middel aan het bestreden besluit niet verwijt dat het de bestemming van de betrokken percelen, overeenkomstig het gewestplan, verkeerd zou hebben weergegeven; dat het middel, dat lijkt te steunen op een verkeerde lezing van het bestreden besluit, niet ernstig is; X-12.543-5/15
  10. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 5.2.1.4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de RWZI waarvoor de bestreden stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd, deels wordt ingeplant op een in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen perceel, en dit op een afstand van slechts enkele meters van een natuurgebied en een landelijk woongebied, terwijl bij het inplanten en het inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, zoals een RWZI, o.m. rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden, industrie, landbouw- en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, enzovoorts (zie artikel 5.2.1.4 van Vlarem II); uit de inplantingsplaats van de vergunde installatie blijkt dat deze een ongemeen ongunstige ligging heeft en er zodoende bij het bepalen van deze inplantingsplaats helemaal geen rekening werd gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4 van Vlarem II vermelde gebieden en woningen; uit de toepassing van deze bepaling volgt dat een dergelijke inplantingsplaats niet kan worden vergund indien zo komt vast te staan dat de installatie op deze gebieden effecten zal ressorteren die ervoor nadelig zijn, of die met deze gebieden niet verenigbaar zijn; dit des te meer prangt, nu de zone voor openbaar nut, los van haar inkleuring op het gewestplan, zelf ook als een groengebied moet worden beschouwd dat aansluit bij een als zodanig ingekleurd natuurgebied; de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar uiteraard ook bij de behandeling van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning met deze bepaling rekening dient te houden, nu reeds van bij de aanvraag vaststaat dat hinderlijke activiteiten in de installatie zullen worden uitgeoefend; het feit dat het in casu om een stedenbouwkundige vergunning en niet om een milieuvergunning gaat, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar niet ontslaat van de taak na te gaan of de door de tussenkomende partij gekozen inplantingsplaats wel te verantwoorden is in het licht van de vereisten van artikel 5.2.1.4 van Vlarem II; Overwegende dat het middel niet aangeeft waarin de schending zou bestaan van de bepalingen, andere dan artikel 5.2.1.4 van het besluit van de Vlaamse X-12.543-6/15 regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), en van het algemeen beginsel die in het middel worden aangevoerd; dat het middel in dit opzicht niet ontvankelijk lijkt; Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 5.2.1.4 van Vlarem II, dat artikel van 1.1.1 Vlarem II bepaalt dat het genoemde besluit is uitgevaardigd, behoudens andersluidende bepaling, ter uitvoering van artikel 20 van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning; dat artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 de Vlaamse regering machtigt algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan zij, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken; dat artikel 20 voorts bepaalt dat deze milieuvoorwaarden, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, bepalingen kunnen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden; dat artikel 5.2.1.4 van Vlarem II bepalingen bevat in verband met de inrichting en de infrastructuur van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen; dat de bij artikel 5.2.1.4 opgelegde voorwaarden te beschouwen zijn als milieuvoorwaarden, in de zin van artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985; dat het bestreden besluit niet een milieuvergunning tot voorwerp heeft, maar een stedenbouwkundige vergunning, verleend met toepassing van de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening; dat de eventuele schending van een bepaling uit de milieuwetgeving, die niet van toepassing lijkt te zijn op een stedenbouwkundige vergunning, geen grond van onwettigheid van een dergelijke vergunning lijkt te kunnen opleveren; dat de schending van artikel 5.2.1.4 van Vlarem II derhalve niet dienstig lijkt te kunnen worden ingeroepen tegen het bestreden besluit; Overwegende dat het middel niet ernstig is;
  11. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 103, 106, 113 en 127 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en uit de machtsoverschrijding, X-12.543-7/15 doordat de bestreden stedenbouwkundige vergunning is afgegeven door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, terwijl de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in principe wordt ingediend bij het college van burgemeester en schepenen (artikel 106 van het decreet van 18 mei 1999), dat hierover in eerste aanleg een beslissing neemt (artikel 113 van het decreet); deze regel slechts uitzondering lijdt in het geval dat de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is of wanneer de aanvraag betrekking heeft op werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang die zo aangewezen zijn overeenkomstig artikel 103 van het decreet, in welke gevallen de aanvraag ingediend wordt bij en de beslissing genomen wordt door de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (artikel 127 van het decreet); de tussenkomende partij geen publiekrechtelijke, doch een privaatrechtelijke rechtspersoon is; het bouwen van een rioolwaterzuiveringsstation geen werk of handeling van algemeen belang is, als bedoeld in artikel 103, § 1, van het decreet, en waarvan in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 een opsomming wordt gegeven; de bestreden beslissing bijgevolg met machtsoverschrijding is genomen; het bestreden besluit enkel stelt dat de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie een werk is van algemeen belang als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, zonder te specifiëren onder welk lid van deze artikelen dit werk kan worden gecatalogeerd; de verzoekers aldus geenszins kunnen nagaan of de redenen waarom voor de gevolgde vergunningsprocedure is gekozen, in overeenstemming zijn met de geldende wettelijke voorschriften; in de beslissing nochtans alle juridische en feitelijke overwegingen moeten worden opgenomen die aan de beslissing ten grondslag liggen; de motivering bovendien duidelijk en precies moet zijn, zodat minstens moet worden verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen en de toepasselijke regelgeving, en de verwijzing naar een wettekst die verschillende hypothesen dekt, niet afdoende is; Overwegende, wat betreft de bevoegdheid van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, dat daarover in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen : "Vermits de bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur een werk is van algemeen belang zoals bedoeld in art. 103, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 en art. 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering d.d. 5 mei 2000, kan onderhavige vergunning worden afgeleverd conform art. 127, § 1, van het decreet van 18 mei 1999"; X-12.543-8/15 Overwegende dat artikel 127, §1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat, als de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is of wanneer de aanvraag betrekking heeft op werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang die zo aangewezen zijn overeenkomstig artikel 103, de aanvraag wordt ingediend bij en de beslissing wordt genomen door de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, behalve in een aantal gevallen die te dezen niet relevant zijn; dat uit die bepaling blijkt dat de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning moet afgeven ofwel indien de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is ofwel indien de aanvraag betrekking heeft op werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang die zo aangewezen zijn overeenkomstig artikel 103; dat beide voorwaarden niet gecumuleerd moeten worden, maar dat het volstaat dat aan één van beide is voldaan opdat de stedenbouwkundige vergunning dient te worden afgegeven door de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; Overwegende dat het feit dat de tussenkomende partij geen publiekrechtelijke rechtspersoon zou zijn, derhalve op zich geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; Overwegende dat de werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, als bedoeld in de artikelen 103, § 1, en 127, §1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999, zijn opgesomd in de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester; dat naar luid van artikel 2 van het genoemde besluit als werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang o.m. worden beschouwd de werken, handelingen en wijzigingen die betrekking hebben op : "5/ de openbare pijpleidingen voor het vervoer van specifieke vloeibare stoffen en gassen ..., met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur ...; 6/ de infrastructuren en leidingen op het grondgebied van twee of meer gemeenten"; dat naar luid van artikel 3 van het genoemde besluit als kleine werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang o.m. worden beschouwd : "3/ de openbare lokale leidingen voor het vervoer en de verdeling van ... afvalwater ..., met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur"; dat de aanleg van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op het eerste gezicht onder een of meer van die bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 lijkt te vallen; dat het bestreden besluit dan ook niet door machtsoverschrijding lijkt te zijn aangetast; X-12.543-9/15 Overwegende dat uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet volgt dat de vergunningverlenende overheid de bepalingen dient te vermelden waaruit zij haar bevoegdheid put; dat het bestreden besluit op dit punt dan ook niet door een motiveringsgebrek lijkt te zijn aangetast; Overwegende dat het middel niet ernstig is;
  12. Overwegende dat de verzoekers een vierde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 14 en 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de artikelen 7, § 1, 1/, en § 2, 2/, en 11, § 1, 1/ en 2/, en § 2, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van de nadere regels ter uitvoering van het genoemde decreet, doordat bij het bestreden besluit de bouwvergunning wordt afgegeven voor de bouw van een rioolwaterzuiveringsstation op twee percelen gelegen aan een holle weg (namelijk de Flosstraat, zijnde een klein landschapselement) en waarvan één perceel gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waardoor de holle weg zal worden gewijzigd en waardoor de vegetatie op het talud van deze holle weg gewijzigd of verwijderd zal worden, terwijl op grond van de zorgplicht (artikel 14 van het decreet van 21 oktober 1997) iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, verplicht is om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen; het wijzigen van een holle weg verboden is op grond van artikel 7, § 1, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998, behoudens wanneer de activiteiten tot wijziging van die holle weg worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning, afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het tegengaan van vermijdbare schade; uit de aanvraag, alsook uit de motivering van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ("maximaal herstel") nochtans duidelijk valt af te leiden dat het wel degelijk de intentie is van de tussenkomende partij om een deel van het talud van de holle weg met waardevolle X-12.543-10/15 biologische elementen te vernietigen; de tussenkomende partij bij de bevoegde minister geen aanvraag heeft ingediend tot afwijking van de verbodsbepalingen van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998, overeenkomstig artikel 8 van dat besluit; het in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden verboden is om, zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen of van de bestendige deputatie van de provincieraad, 1/) houtachtige beplantingen op weg-, waterweg- of spoorwegbermen of op het talud van holle wegen te rooien of anderszins te verwijderen of te beschadigen, 2/) de vegetatie te wijzigen, horende bij kleine landschapselementen (zoals een holle weg), met inbegrip van het wijzigen van vegetatie (afbranden en vernietigen, beschadigen of doen afsterven van de vegetatie met mechanische of chemische middelen) van perceelsrand-begroeiingen en sloten, behoudens wanneer deze activiteiten tot wijziging van vegetatie worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning, afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het tegengaan van vermijdbare schade; de schade aan de holle weg volkomen kan worden vermeden; het bestreden besluit weliswaar genomen is na advies van de afdeling Natuur van AMINAL, maar de verweerder er geen zorg voor heeft gedragen, door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning, dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan; aldus niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997; dit duidelijk blijkt uit het feit dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar weliswaar stelt te streven naar een "maximaal" herstel van de holle weg, maar voor het overige geen enkele garantie geeft dat dit herstel ook effectief kán en zál plaatsvinden; het in het bestreden besluit nagestreefde doel om de bestaande holle weg "maximaal" te herstellen (dus nadat daaraan -misschien wel onherstelbare- schade is aangebracht), op zich onvoldoende (en alleszins onvoldoende specifiek) is om te voldoen aan de aangehaalde decretale en reglementaire bepalingen; Overwegende dat artikel 14, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu luidt als volgt : "Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen X-12.543-11/15 worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen"; Overwegende dat artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 luidt als volgt : "In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen"; Overwegende dat artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bepaalt dat het wijzigen van een aantal kleine landschapselementen, waaronder holle wegen (1/), verboden is; dat artikel 7, § 2, 2/, van dat besluit bepaalt dat, voor zover uitdrukkelijk voldaan is aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 van het decreet, het in paragraaf 1 bedoelde verbod niet geldt wanneer de betrokken activiteiten "worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de (afdeling Natuur van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade"; Overwegende dat artikel 11, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 bepaalt dat o.m. in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, aangewezen met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening, een aantal activiteiten tot wijziging van kleine landschapselementen verboden zijn, behalve indien daarvoor een voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning is verkregen van het college van burgemeester en schepenen of van de bestendige deputatie van de provincieraad; dat tot die activiteiten o.m. behoren "het rooien of anderszins verwijderen en het beschadigen van houtachtige beplantingen ... op het talud van holle wegen ..."(1/, a), en "het wijzigen van de vegetatie horende bij de kleine landschapselementen ..." (1/, b); dat artikel 11, § 2, 2/, van dat besluit bepaalt dat, voor zover uitdrukkelijk voldaan is aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 van het decreet, de in paragraaf 1 bedoelde vergunningsplicht niet geldt wanneer de betrokken activiteiten "worden uitgevoerd X-12.543-12/15 op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de (afdeling Natuur van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade"; Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit wordt vastgesteld dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie en de groengordel "komen te liggen op twee percelen die gelegen zijn aan een holle weg, namelijk de Flosstraat"; Overwegende, wat betreft de zorgplicht bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997, dat die zorgplicht is opgelegd aan degenen die bepaalde handelingen verrichten of daartoe opdracht geven; dat de genoemde bepaling niet van toepassing is op een vergunningverlenende overheid; Overwegende, wat betreft de zorgplicht bedoeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, dat die zorgplicht o.m. is opgelegd aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, wanneer deze een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning dient te beoordelen; Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de afdeling Natuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; dat de door die afdeling gestelde voorwaarden uitdrukkelijk zijn overgenomen in het dispositief van het bestreden besluit, in de volgende bewoordingen : "- De toegang van alle werfverkeer tijdens de werken, evenals de definitieve toegang, dient langs de linkerzijde (noordzijde) van het perceel te liggen, zodat de holle weg gevrijwaard blijft; indien deze toegang onmogelijk kan volstaan voor het werfverkeer zal er niet meer afgegraven worden dan uiterst noodzakelijk, en dient het talud na de werken te worden hersteld, zoals voorzien in de goedgekeurde bouwplannen. Hierbij wordt dezelfde hellingsgraad gehanteerd en wordt het oorspronkelijke bodemmateriaal gebruikt. - Bij de aanleg van leidingen in de Flosstraat dient de werkbreedte beperkt te worden tot de breedte van het wegdek"; Overwegende dat aldus blijkt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar voorziet in maatregelen die erop gericht zijn om de holle weg zonder meer te vrijwaren waar dit mogelijk is; dat, indien blijkt dat tijdens de werken een afgraving van het talud noodzakelijk is, er niet meer zal mogen X-12.543-13/15 worden afgegraven "dan uiterst noodzakelijk", en dat in dat geval het talud na de werken hersteld zal moeten worden; dat aldus ook wordt voorzien in maatregelen om de schade te beperken of te herstellen; dat de opgelegde voorwaarden voldoende duidelijk zijn; dat op het eerste gezicht niet aannemelijk wordt gemaakt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tekortgekomen is aan de hem opgelegde zorgplicht; Overwegende, wat betreft het verbod bedoeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998, dat de overheid bevoegd voor het afgeven van een stedenbouwkundige vergunning een afwijking van dit verbod kan verlenen, mits zulks gebeurt na advies van de afdeling Natuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en voor zover voldaan is aan hetgeen bepaald is in artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997; dat de bestreden vergunning, daargelaten of zij geacht kan worden een afwijking van het bedoelde verbod in te houden, verleend is na advies van de afdeling Natuur; dat voorts, zoals bij de bespreking van de zorgplicht bedoeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 is gebleken, aan de bepalingen van dat laatste artikel lijkt voldaan te zijn; dat het bestreden besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met miskenning van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998; Overwegende, wat betreft het verbod bedoeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998, dat dit verbod niet geldt wanneer de betrokken activiteiten worden uitgevoerd op basis van een stedenbouwkundige vergunning, afgegeven na advies van de afdeling Natuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en voor zover voldaan is aan hetgeen bepaald is in artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997; dat, in zoverre uit artikel 11 van het besluit van 23 juli 1998 een beperking voortvloeit van de beoordelingsbevoegdheid van de overheid die bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te geven, uit de bespreking van het verbod bedoeld in artikel 7 van het genoemde besluit is gebleken dat de bestreden vergunning verleend lijkt te zijn met inachtneming van de voornoemde voorwaarden; dat het bestreden besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met miskenning van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998; Overwegende dat het middel niet ernstig is; X-12.543-14/15 BESLUIT: Artikel
  13. Het verzoek tot tussenkomst van de naamloze vennootschap AQUAFIN in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.543-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.602 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.