id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.609 Rolnummer: A. 167337/IX-5116 Zaak: Arrest 155609 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 27/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 11:11 Fiche Arrest nr 155.609 van 27 februari 2006 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.609 van 27 februari 2006 in de zaak A. 167.337/IX-
- In zake : Philippe VANDE CASTEELE, wonende te SCHOTEN, Klamperdreef 7 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegen- woordigd door zijn afgevaardigd bestuurder, dat woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VANDE CASTEELE op 29 oktober 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de weigering van SELOR om de dossiers van de examens ENG05822 en EFG05822 openbaar te maken in toepassing van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5116-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VANDENBULCKE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. DE MAEYER die, loco advocaat E. JACUBOWITZ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker heeft deelgenomen aan de door SELOR georganiseerde Nederlandstalige en Franstalige selectie voor de werving van een ombudsman voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers (examennummers ENG05822 en EFG05822). 1.
- Op 30 mei 2005 vraagt hij per e-mail aan SELOR om dringend -met het oog op een tussenkomst in een geding dat door een afgewezen kandidaat bij de Raad van State was ingediend- inzage te krijgen van de examendossiers betreffende de voorselectie. Het antwoord van SELOR is negatief. 1.
- Verzoeker, die voldoende punten behaalde in de voorselectie, neemt vervolgens deel aan de volgende proef -een interview door een selectie- commissie-, maar hij wordt door de commissie “niet geschikt” bevonden. Dat wordt hem op 29 juni 2005 medegedeeld en de motivering van de selectiecommissie wordt bijgevoegd. De selectiecommissie bevindt drie kandidaten voor de Nederlands- talige functie “geschikt” en twee voor de Franstalige functie. Voor beide functies worden de geslaagden ook gerangschikt. 1.
- Op 20 juli 2005 stelt verzoeker SELOR in gebreke om hem inzage te geven van de examendossiers “met inbegrip van alle gegevens omtrent de preselectie-proeven”. IX-5116-2/8 De afgevaardigd bestuurder van SELOR bericht verzoeker op 28 juli 2005 dat hij het advies van de Commissie voor de Toegang tot Bestuurs- documenten afwacht. 1.
- Op 17 augustus 2005 zendt verzoeker een adviesaanvraag naar de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten en richt hij het volgend verzoek tot heroverweging aan SELOR : “[...] Ik ervaar moeilijkheden bij de raadpleging van bestuursdocumenten die in het bezit zijn van SELOR, meer bepaald de stukken betreffende de selectieproeven EFG05822 en ENG
- U weigert (nogmaals) deze aanvraag bij schrijven van 28 juli
- Ik vraag u om deze weigering te heroverwegen. Voor de goede orde vindt u in bijlage mijn aanvraag tot advies van de Commissie voor de toegang tot bestuurs- documenten, eveneens heden verstuurd. Voor de duidelijkheid herhaal ik de draagwijdte van mijn aanvraag tot openbaarmaking. Mijn aanvraag tot inzage, uitleg en kopie heeft tot doelstelling u ertoe te brengen:
- inzage te verlenen van alle bestuursdocumenten (in de zin van artikel 32 van de Grondwet, met inbegrip van informaticabestanden) betreffende de selectie in de procedures EFG05822 en ENG05822, meer bepaald van: 1.a de bestuursdocumenten die alle antwoorden bevatten die alle kandidaten tijdens de twee gestandaardiseerde computergestuurde preselectietesten op 13 mei 2005 hebben ingebracht, inzonderheid alle antwoorden van de kandidaten J. Debulpaepe, P. De Becker, G. Schuermans, P.Y. Monette, C. De Becker, H. Wuyts en P. Vande Casteele; 1.b. elk bestuursdocument dat voor elke vraag van beide preselectieproeven, afgenomen op 13 mei 2005, het juiste antwoord aangeeft; 1.c. de bestuursdocumenten waarbij de relatieve verhouding tussen beide gestandaardiseerde computergestuurde preselectietesten, afgenomen op 13 mei 2005, bepaald wordt; 1.d. de ‘motivatiefiches’ van de geslaagd verklaarde kandidaten J. Debulpaepe, P. De Becker, G. Schuermans, P.Y. Monette en C. De Bruecker (selectie-onderhoud, week: 13-17 juni 2005); 1.e. indien ze bestaan, de documenten die het verloop van het selectie- onderhoud van voormelde geslaagde kandidaten met de jury weergeven (week: 13-17 juni 2005) 2.a bevestigd of ontkennend te antwoorden op vraag of de kandidaten de mogelijkheid hadden om tijdens het afnemen van beide gestandaardi- seerde computergestuurde testen op 13 mei 2005 terug te komen op een vorige (al of niet beantwoorde) vraag of een antwoord te verbeteren; 2.b aan te geven op welke wijze de informaticabestanden met de antwoor- den van beide computergestuurde testen worden bewaard en deze bestuursdocumenten vaste datum verkrijgen; 2.c aan te geven welke berekeningswijze is van het eindresultaat van de preselectie, afgenomen op 13 mei 2005, met inbegrip van de verwerking van de antwoorden per selectieproef en van de ponderatie tussen beide gestandaardiseerde computergestuurde testen; 3.a afschrift te geven in papiervorm of informaticabestand, tegen de eventueel voorziene retributie, van elk voormeld bestuursdocument; IX-5116-3/8 3.b in het geval dat dergelijk bestuursdocument of een afschrift ervan nooit heeft bestaan of niet meer bestaat, dit aangeven in een gedagtekende en gehandtekende verklaring. [...]” 1.
- Met een brief van 3 oktober 2005 antwoordt de afgevaardigd bestuurder van SELOR als volgt op die vraag : “[...] De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten heeft geen advies verleend binnen de haar toegekende termijn. U vraagt de bekendmaking van documenten m.b.t. de examenresultaten van de andere kandidaten. Examenresultaten zijn bestuursdocumenten van persoonlijke aard (Veny, L.M. en De Maertelaere, J., ‘De federale openbaarheidswet en de bestuurs- praktijk’, C.D.P.K. 1998, 13; F. Schram, Openbaarheid van bestuur, Admini- stratieve rechtsbibliotheek, Die Keure, 2003, nr. 6.1.2.). Dit is nog meer zo nu zowel de preselectie als de beoordeling door de selectiecommissie betrekking hadden op karaktertrekken zoals blijkt uit het functieprofiel. Artikel 4, tweede lid van de Wet voorziet dat voor documenten van persoon- lijke aard vereist is dat de verzoeker van een belang doet blijken. U heeft in onderhavig geval geen belang bij de inzage van de selectie- procedure van andere personen. U werd immers met niemand vergeleken. Dit blijkt inderdaad uit beslissingen van de selectiecommissie waarin de geslaagde kandidaten, na onderlinge vergelijking, in een welbepaalde volgorde aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers voorgesteld werden, terwijl de niet- geslaagde kandidaten, zoals U, slechts in alfabetische volgorde vermeld worden. Ook de Raad van State heeft in zijn arrest nr. 147.554 van 11 juli 2005 geoordeeld dat er geen sprake was van een vergelijking van de kandidaten : ‘Overwegende dat verwerende partijen (i.e. de Belgische Staat en Selor) onder meer repliceren dat verzoeker (de Heer VANDE CASTEELE) geen belang heeft bij dit middel omdat hij hoe dan ook toegang had tot de eigenlijke selectie, omdat géén van de kandidaten die volgens verzoeker op grond van de voorselectie moest worden afgewezen uiteindelijk door Selor ‘geschikt’ is bevonden én omdat de beoordeling ‘niet geschikt’ niet is toegekend aan de kandidaten op grond van een onderlinge vergelijking van ieders aanspraken en verdiensten, maar wel op grond van een toets van elke kandidaat afzonderlijk aan het gewenste profiel zoals die in de oproep tot de kandidaten werd opgenomen, waarna pas daarna, tussen de ‘geschikt’ bevonden kandidaten - waaronder niet meer verzoeker- een effectieve vergelijking is gebeurd; dat op zicht van de stukken van het administratief dossier, en zonder te onderzoeken of de grief feitelijke grondslag heeft, dit drievoudig verweer de Raad vooralsnog overtuigt; dat het derde middel niet ernstig is; [...]” Deze beslissing vormt het voorwerp van de onderhavige vordering. 1.
- Met een brief van 17 oktober 2005 deelt de voorzitter van de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten aan verzoeker mee wat volgt : IX-5116-4/8 “Op 17 augustus 2005 hebt u bij de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten een verzoek om advies ingediend op grond van artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. U ondervond toen immers moeilijkheden om inzage te krijgen in de stukken die betrekking hebben op de preselectieproeven en de selectieproeven EFG05822 en ENG
- Op haar vergadering van 17 oktober 2005 heeft de Commissie dat verzoek behandeld en volgend advies uitgebracht. De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten is van mening dat SELOR onterecht inroept dat de aanvraag om toegang van 20 juli 2005 tot de bestuursdocumenten die verband houden met de preselectieproeven EFG05822 en ENG05822 moet worden beschouwd als een verzoek tot heroverweging. De Commissie is immers van mening dat een e-mail van 30 mei 2005 niet als een schriftelijk verzoek in de zin van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kan worden beschouwd tenzij een bestuur uitdrukke- lijk binnen de wettelijk voorgeschreven termijn duidelijk maakt dat ze dit wel als dusdanig beschouwt. Aangezien SELOR slechts reageert op de brief van 20 juli 2005 moet de brief van 20 juli 2005 worden beschouwd als de initiële vraag in de zin van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de brief van 17 augustus als het verzoek tot heroverweging. De Commissie is van mening dat voor zover SELOR geen uitzonderings- gronden aanvoert zoals die aanwezig zijn artikel 6 van de wet van 11 april 1994 en ze deze op pertinente wijze in concreto weet te motiveren, ze ertoe gehouden is de gevraagde bestuursdocumenten openbaar te maken op de wijze die de aanvrager wenst. Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur huldigen immers de principiële openbaarheid van alle bestuursdocumenten”;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet wat volgt: hij betwist bij de Raad van State het resultaat van de selectie- proeven ENG05822 en EFG05822; voortgaande op de excepties die de verwerende partij in die dossiers aanvoert, is het mogelijk dat de Raad van State zich in die zaken onbevoegd verklaart maar dan moet hij een vordering bij een andere rechter voorbereiden en de bestreden beslissing verhindert hem om met kennis van zaken zijn situatie “keurig en volledig” te evalueren, wat tot gevolg heeft dat hij thans niet in staat is om de zin van zo een vordering bij de gewone rechter te beoordelen; dergelijke miskenning van de finaliteit van een grondwettelijk beschermd recht vormt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; een schorsingsarrest zal hem in staat stellen IX-5116-5/8 om binnen de beroepstermijn, die hij voor zijn vordering bij de gewone rechter moet eerbiedigen, inzage van de dossiers te verkrijgen, hetgeen ook die gewone rechter tot voordeel zal strekken, aangezien hij na inzage zijn vordering beter zal kunnen opstellen of ze misschien zelfs niet zal indienen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat de mogelijke aanwending van de documenten in het kader van een beroep bij de rechter niet automatisch met zich brengt dat de weigering tot inzage een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; dat zij ook erop wijst dat verzoeker voorbijgaat aan de bevoegdheid van de rechters om de voorlegging van stukken of andere onderzoeksmaatregelen te bevelen wanneer zij zulks nuttig achten en dat uit de procedures die verzoeker bij de Raad van State aanhangig gemaakt heeft blijkt dat hij perfect in staat is om zijn standpunt te bepalen; dat zij daar aan toevoegt dat het nadeel dat verzoeker aanvoert zeker niet onmiddellijk dreigt, gelet op de verjaringstermijnen -vijf jaar- die voor gewone vorderingen bij de burgerlijke rechter gelden en op het feit dat wegens het tijdsverloop het thans niet meer mogelijk is om daar een kortgedingprocedure aan te spannen; dat zij besluit dat de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 121.123 van 1 juli 2003 gesteld heeft dat de miskenning van het grondrecht van de openbaarheid van bestuursdocumenten op zich niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangemerkt kan worden en dat het nadeel, dat verzoeker aan de rechterlijke macht toemeet, geen persoonlijk nadeel uitmaakt; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker bij de Raad van State beroep ingesteld heeft tegen de resultaten van de voorselectie en tegen de beslissing van de selectie- commissie om hem niet geschikt te verklaren; dat hij in zijn desbetreffende verzoekschriften niet aanvoert dat hij, door de weigering van de verwerende partij om zijn vraag van 17 augustus 2005 positief te beantwoorden, belet is geweest die vorderingen, als gewenst, te adstrueren; dat hij in de onderhavige zaak evenmin aanduidt op welk vlak de inzage van de stukken die het voorwerp vormen van het geschil hadden kunnen bijdragen tot het accuraat formuleren van die vordering, en dat de omstandigheid dat de Raad van State zich onbevoegd kan verklaren om over zijn beroepen uitspraak te doen, aan de situatie van verzoeker -wat zijn kennis van de examendossiers betreft- niets verandert; dat immers uit een onbevoegdverklaring niet volgt dat verzoeker niet langer zijn eigen toestand in het kader van de benoemingsprocedure van de federale ombudsmannen kan beoordelen en in functie daarvan zijn standpunt bepalen met betrekking tot het indienen van een vordering bij de rechter die terzake dan wel bevoegd is; IX-5116-6/8 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij er terecht op wijst dat de rechter, bij wie verzoeker een vordering indient, zal moeten oordelen of de stukken die hem voorgelegd worden toereikend zijn om het geschil op te lossen en of er geen onderzoeksmaatregelen bevolen moeten worden; dat die onderzoeksmogelijkheid voor de organen van de Raad van State ingeschreven is in artikel 16 van het algemeen procedurereglement van 23 augustus 1948, terwijl de gewone rechter overeenkomstig de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek elke partij in een geding kan bevelen het bewijsmateriaal waarover zij beschikt bij het dossier te voegen; dat derhalve in de onmogelijkheid om aan de rechter de gewenste stavingsstukken voor te leggen geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden onderkend; 3.3.
- Overwegende dat, zoals de Raad van State ook reeds in het arrest nr. 121.123 van 1 juli 2003 heeft gesteld, de omstandigheid dat de verwerende partij met het bestreden besluit een grondwettelijk erkend recht van verzoeker zou miskend hebben op zich niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangemerkt; dat voorts, waar verzoeker ook een nadeel ziet in het feit dat de rechter bij wie hij een vordering instelt, niet volledig voorgelicht zal zijn en moeilijkheden kan onder- vinden om zijn stelling te begrijpen, hij verwijst naar een nadeel dat hij niet persoonlijk ondergaat; 3.
- Overwegende dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat; dat de vordering om die reden verworpen moet worden, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2000 en zes, door : IX-5116-7/8 de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5116-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.609 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.