id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.613 Rolnummer: A. 78825/IX-4676 Zaak: Arrest 155613 - - 27/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 11:14 Fiche Arrest nr 155.613 van 27 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.613 van 27 februari 2006 in de zaak A. 78.825/IX-
- In zake : Arsène DE KEYZER, wonende te GENT, Gaverlandstraat 62 tegen : het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Arsène DE KEYZER op 2 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 30 maart 1998 van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (hierna : RSVZ) waarbij vastgesteld wordt dat hem op 17 januari 1995 ten onrechte het voordeel van gelijkstelling wegens ziekte werd toegekend, waarbij wordt bepaald dat hij als vereffenaar van een vereniging of vennootschap die zich met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt verzekeringsplichtig blijft en dat derhalve niet aangenomen kan worden “dat elke beroepsactiviteit werd stopgezet in de zin van artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 22 december 1967”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4676-1/6 Gelet op de beschikking van 13 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij; ; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 17 januari 1995 deelt het RSVZ, ingaande op zijn aanvraag van 19 oktober 1994, aan verzoeker mee dat ingevolge de erkenning van zijn arbeidsong- eschiktheid door de adviserend geneesheer van zijn mutualiteit, de periode van arbeidsongeschiktheid vanaf 1 oktober 1994 gelijkgesteld wordt met een periode van activiteit als zelfstandige. Blijkens die mededeling kan het document dienstig zijn wanneer verzoeker in het kader van de geldende pensioenregeling zijn loopbaan moet bewijzen. 1.
- Blijkens de memorie van antwoord heeft de verwerende partij “na verloop van tijd” vastgesteld dat de beslissing van 17 januari 1995 niet overeen- stemde met de bestaande reglementen in die zin dat verzoeker nog bedrijvig was als vereffenaar van de BVBA “Firma O. DE KEYSER & ZONEN”, dat dit mandaat weliswaar kosteloos werd uitgeoefend maar dat krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, de uitoefening van een mandaat in een vennootschap die zich met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt, vermoed wordt de uitoefening te zijn van een bedrijvigheid die de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandi- gen met zich brengt en dat bijgevolg een “periode van inactiviteit ten onrechte met een periode van werkelijke beroepsbezigheid werd gelijkgesteld”, hetgeen strijdig is IX-4676-2/6 met artikelen 28, § 3, en 29 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen; 1.
- Op 30 maart 1998 deelt het RSVZ aan verzoeker mee wat volgt : “BETREFT : beslissing genomen door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen betreffende gelijkstelling van periodes van ziekte of invaliditeit met periodes van beroepsbezigheid. Bij beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen dd. 17/01/1995 werd u met ingang van 1 oktober 1994 het voordeel van de gelijkstelling wegens ziekte toegekend. Een grondig onderzoek bracht echter aan het licht dat het bedoelde voordeel U ten onrechte werd toegestaan. Deze nieuwe beslissing wordt genomen bij toepassing van de bepalingen van hoofdstuk I, sectie 3 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandi- gen omdat u nog steeds het mandaat bekleedt van vereffenaar van de BVBA De Keyser & Zonen. In dit verband vestigen wij uw aandacht op het feit dat ingevolge de wijziging van artikel 2 van het algemeen reglement sociaal statuut der zelfstandigen door het koninklijk besluit van 1 juli 1992 (verschenen in het Belgisch Staatsblad van 3 juli 1992), met ingang van 1 juli 1992 elk mandaat in een vereniging of vennootschap die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt, op onweerlegbare wijze wordt vermoed een beroepsbezigheid te zijn die verzekeringsplicht in het sociaal statuut der zelfstandigen tot gevolg heeft. In concreto betekent dit dat u als vereffenaar van de BVBA ‘Firma De Keyser en Zonen’ - ook al wordt het mandaat kosteloos uitgeoefend - verzekeringsplichtig blijft. Dientengevolge kan niet worden aangenomen dat elke beroepsbezigheid werd stopgezet in de zin van artikel 28 § 3 van het koninklijk besluit van 22 december
- Overeenkomstig de beschikkingen van het gerechtelijk wetboek kunt u tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Arbeidsrechtbank. (...)” 1.
- Op 2 juni 1998 dient verzoeker het onderhavige annulatieberoep in. Op 25 juni 1998 stelt hij tegen dezelfde beslissing beroep in bij de arbeidsrecht- bank te Gent. Hij beklaagt er zich daar over dat het bestreden besluit hem het eerder toegekend voordeel van de gelijkstelling wegens ziekte met terugwerkende kracht ontneemt. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord aanvoert dat de Raad van State geen kennis kan nemen van de betwisting omdat krachtens artikel 581, 1/ en 2/ van het Gerechtelijk Wetboek de geschillen betreffende de verplichtingen en rechten die voortvloeien uit de wetten en verorde- ningen inzake sociaal statuut en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioenen IX-4676-3/6 ten voordele van zelfstandigen tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken behoren; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten niet insluit dat de Raad van State ook niet bevoegd kan zijn wanneer het administratiefrechtelijk aspect van het geschil in discussie is; dat hij in zijn laatste memorie uiteenzet dat de verwerende partij zelf verwijst naar “een grondig onderzoek” -hetgeen duidt op het uitoefenen van een appreciatiebevoegdheid door de verwerende partij- en dat het bestreden besluit betrekking heeft op de vraag of zijn mandaat als vereffenaar een winstgevende bezigheid behelsde, waarvoor een beslissing dient genomen te worden over de feitelijke gegevens van zijn geval; dat hij tot staving van zijn stelling verwijst naar het arrest VAN HEES -nr. 98.860 van 13 september 2001- waarin de Raad van State zich bevoegd verklaard heeft voor een beslissing van het RSVZ en naar het arrest DEVILLE -nr. 82.420 van 27 september 1999- waarin de Raad van State zich bevoegd verklaard heeft voor een beslissing tot indisponibiliteitstelling van een ambtenaar omdat het bestuur die beslissing niet kon nemen zonder de feitelijke situatie van de ambtenaar te analyseren; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de arbeidsrechtbank bevoegd is zodra “het geschil een subjectief recht betreft”, hetgeen te dezen het geval is, aangezien de vraag rijst naar “het toekennen van een gelijkstelling bij ziekte en invaliditeit” en de betrokkenen een recht op gelijkstelling hebben wanneer aan de wettelijke voorwaarden voldaan is; dat zij betoogt dat, in het geval van verzoeker, de toepasselijke regeling haar verplichtte geen gelijkstelling toe te kennen en haar eerdere beslissing dienaangaande in te trekken wegens het niet vervuld zijn van de wettelijke voorwaarden, aangezien verzoeker tijdens de periode van gelijkstelling het mandaat van vereffenaar uitgeoefend heeft en artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 het onweerlegbaar vermoeden instelt dat de uitoefening van een mandaat in een vennootschap een verzekeringsplichtige bedrijvigheid vormt; dat zij voorts verwijst naar een “constante rechtspraak” waaruit blijkt dat de arbeidsgerechten bevoegd zijn voor geschillen over de toekenning -dus ook over de intrekking- van een gelijkstelling en dat zij er ook op wijst dat de arresten naar dewelke verzoeker verwijst haar standpunt niet tegenspreken, aangezien zij een ander geschil tot voorwerp hadden: het arrest VAN HEES heeft betrekking op de kwijtschelding van bijdrageverhogingen, hetgeen een zuiver discretionaire beslissing is in een aangelegenheid waarin de betrokkene geen enkel recht op IX-4676-4/6 vrijstelling heeft; het arrest DEVILLE betreft de indisponibiliteitstelling van een ambtenaar na het uitputten van zijn ziekteverlofkrediet en in dergelijke aangelegen- heid spreekt het bestuur zich uit over het vervullen van de voorwaarden; 2.4.
- Overwegende dat artikel 581, 1/ en 2/, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt : “De arbeidsrechtbank neemt kennis : 1/ van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen; 2/ van geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en verordeningen”. 2.4.
- Overwegende dat in dit geval de verwerende partij met het bestreden besluit vastgesteld heeft dat verzoeker gedurende een bepaalde periode, wegens de uitoefening van een mandaat in een vennootschap -het mandaat van vereffenaar- en in toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, verzekeringsplichtig is geweest in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen en dat derhalve, toepassing makend van artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zijn periode van ziekte die ingegaan is op 1 oktober 1994 niet gelijkgesteld kan worden met een tijdvak van beroepsbezigheid; dat de verwerende partij daarmee de rechten van verzoeker anders vastgesteld heeft dan zij hem op 17 januari 1995 had medegedeeld; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij daarmee een beslissing genomen heeft ten aanzien van de vaststelling van de rechten en verplichtingen die de reglementering inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen voor verzoeker inhouden; dat verzoeker essentieel betwist dat zijn kosteloos mandaat van vereffenaar een beroepsactiviteit uitmaakt die hem verzekeringsplichtig maakt en die uitsluit dat zijn periode van ziekte, met het oog op de toepassing van de reglementering inzake het rust- en overlevingspensioen, gelijkgesteld wordt met een tijdvak van beroepsbe- zigheid; dat dergelijke betwisting overeenkomstig artikel 581 van het Gerechtelijk Wetboek tot de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort; dat de omstandigheid dat de administratie nu terugkomt op een vroeger besluit, waarbij de rechten van verzoeker reeds waren vastgesteld, die bevoegdheid niet aantast; dat de IX-4676-5/6 verwijzing die verzoeker maakt naar het bestaan van een administratieve beslissing en naar de mogelijke uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, in het licht van artikel 581 van het Gerechtelijk Wetboek irrelevant is; 2.4.
- Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4676-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.613 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.