id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.614 Rolnummer: A. 93031/IX-2449 Zaak: Arrest 155614 - - 27/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 11:14 Fiche Arrest nr 155.614 van 27 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.614 van 27 februari 2006 in de zaak A. 93.031/IX-
- In zake : Rudy WAUTERS, wonende te LEDE, Essestraat 115 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy WAUTERS op 27 juni 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 april 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtmaatregel van de tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit voor de duur van zes weken wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 133.166 van 28 juni 2004 waarbij de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 15 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2006; IX-2449-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 133.166 van 28 juni 2004; dat dit arrest het eerste middel, waarin verzoeker aanvoerde dat het bestreden besluit tegen het advies van de onderzoeks- raad in, het veroorzaken van een verkeersongeval als tuchtfeit in aanmerking genomen heeft, ongegrond verklaard heeft; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in het bestreden besluit niet op afdoende wijze gemotiveerd wordt waarom de door de onderzoeksraad voorgestelde tuchtschorsing van één week tot zes weken wordt verzwaard en doordat de minister hem gestraft heeft voor feiten die hem door de onderzoeksraad niet ten laste waren gelegd -het veroorzaken van een verkeersongeval- zonder daarvoor een motivering op te geven; dat hij van oordeel is dat, aangezien voor het afwijken van een advies van de onderzoeksraad een strengere motivering vereist is, er in het besluit onvoldoende argumenten worden aangedragen voor de verzwaring van de tuchtstraf, nu de onderzoeksraad zelf reeds zijn ervaring, de ernst van de feiten en de deontologie van de politieambtenaren in zijn besluitvorming betrokken had; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat aan de motiveringsplicht voldaan is wanneer uit de beslissing duidelijk blijkt waarom er van het advies afgeweken wordt, dat de zogenaamde verzwaring van de sanctie gerelativeerd moet worden omdat de minister en de onderzoeksraad enkel van mening verschillen wat de duur van de tuchtstraf betreft en dat de minister de verzwaring van de straf verantwoordt door de verwijzing naar de ruime ervaring van verzoeker waardoor hij zich bewust moest zijn van de deontologische inbreuken die IX-2449-2/5 hij had begaan; dat zij daar aan toevoegt dat de minister discretionair over de op te leggen straf beslist en dat in dit geval de redelijkheid van zijn beslissing verantwoord wordt door te verwijzen naar de motieven die naar zijn oordeel een zwaardere sanctie verantwoorden dan de onderzoeksraad had voorgesteld en door daarenboven een nieuw motief aan te voeren, te weten de ervaring van verzoeker als politieambtenaar die hem bewust had moeten maken van de deontologische inbreuken die hij beging; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de door de onderzoeksraad voorgestelde straf ernstig wordt verzwaard -van één week schorsing naar zes weken- en het bestreden besluit daarom explicieter gemotiveerd had moeten worden, dat de motivering niet voldoet omdat uit het advies van de onderzoeksraad blijkt dat hij rekening gehouden heeft met alle elementen die de minister aangenomen heeft en dat hij in ieder geval ook gestraft is voor een feit dat de onderzoeksraad niet in zijn advies betrokken had; dat hij in zijn laatste memorie nog benadrukt dat de motiveringsverplichting vereist dat de minister, bij het afwijken van het advies van de onderzoeksraad, “nieuwe verzwarende argumenten” aanvoert die de onderzoeksraad bij zijn onderzoek van de zaak niet in overweging genomen heeft, dat het bestreden besluit die argumenten niet bevat en dat het duidelijk is dat de minister hem toch gestraft heeft voor het veroorzaken van een verkeersongeval; 2.4.
- Overwegende dat in het arrest nr. 133.166 van 28 juni 2004 aangenomen is dat de minister zich, voor wat de ten laste gelegde feiten betreft, aangesloten heeft bij het advies van de onderzoeksraad en dat hij, ondanks de bewoordingen van het bestreden besluit, net zomin als de onderzoeksraad zelf, het feit van het veroorzaken van een verkeersongeval in zijn besluitvorming betrokken heeft; dat verzoeker ten onrechte naar dat gegeven verwijst om de gebrekkige motivering van het bestreden besluit aan te tonen; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker niet gevolgd kan worden waar hij betoogt dat de minister alleen regelmatig van het advies van de onderzoeksraad kan afwijken wanneer hij nieuwe argumenten aanhaalt die de onderzoeksraad niet in zijn beoordeling betrokken heeft; dat inderdaad de discretionaire bevoegdheid van de minister hem toelaat andere accenten te leggen en aldus op basis van dezelfde gegevens tot een andere -in dit geval strengere- beoordeling te komen; dat in dit geval de minister het ernstig karakter van de tuchtvergrijpen en de redenen die de onderzoeksraad te dien aanzien heeft vermeld, bijgevallen is, maar dat hij dan toch, bij het bepalen van de straf, “de goede staat van dienen, het foutbesef, het vermoede- IX-2449-3/5 lijk eenmalig karakter van de gepleegde feiten en het blanco-strafblad” terzijde gelaten heeft om meer belang te hechten aan de “ruime ervaring als politieambtenaar” op grond waarvan hij zich “terdege bewust diende te zijn van de deontologische inbreuken”, aan “de ruim verspreide deontologische normen” inzake “mogelijke misbruiken naar aanleiding van herbergbezoeken”, aan de omstandigheid dat verzoeker feiten heeft gepleegd die hij zelf moet beteugelen en dat hij valse verklaringen afgelegd heeft om te verdoezelen dat hij zich wou onttrekken aan de vaststellingen en tenslotte ook aan het feit dat verzoeker slechts na twee weken en na aanmaningen van zijn collega’s het bestuur ingelicht heeft over het gebeuren; dat de minister daarmee binnen de grenzen van zijn discretionaire beoordelingsbevoegd- heid gebleven is; dat het niet kennelijk onredelijk is om op grond van die motieven de door de onderzoeksraad voorgestelde straf van één week tuchtschorsing te verzwaren tot zes weken; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2449-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2449-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.614 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.166 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.