id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.615 Rolnummer: A. 167974/IX-5140 Zaak: Arrest 155615 - - 27/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 11:15 Fiche Arrest nr 155.615 van 27 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.615 van 27 februari 2006 in de zaak A. 167.974/IX-
- In zake : Marc DEVOS, die woonplaats kiest bij advocaat D. HOLLEVOET, kantoor houdende te BREDENE, Prinses Elisabethlaan 57 tegen : De Post, die woonplaats kiest bij advocaat C. VAN OLMEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc DEVOS op 22 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 september 2005 waarbij hij met ingang van dezelfde datum wordt afgezet uit zijn functie van eerstaanwezend onderpostontvanger; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-5140-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. MICHELS die, loco advocaat D. HOLLEVOET verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. VAN OLMEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker was onderpostontvanger in het kantoor Oostende
- Hij deed er loketdienst. Alle verrichtingen die aan de kassen van een kantoor worden gedaan, ook de onderlinge verrichtingen tussen de loketten en de centrale kassier, worden geregistreerd in een programma dat “Poststation” noemt. Dit programma maakt op het einde van de dienst een afrekening van alle kassen. Daarnaast moet elke loketbediende op het einde van zijn dienst zijn kas opmaken. Beide bedragen moeten overeenkomen. Bij het afsluiten van de verrichtingen van 3 januari 2005 stelt de centrale kassier van het kantoor Oostende 3 een tekort vast in haar kas ten bedrage i van 165,
- Wanneer de postmeester de kas van de rekenplichtige zelf nog eens natelt blijkt er ook nog een rolletje muntstukken ten bedrage van i 50 te zijn verdwenen tussen de eerste telling van de kas en de tweede. Teneinde dit rolletje terug te vinden controleert de postmeester zelf na het vertrek van de personeelsleden nog eens alle loketten, kasten, vuilnisbakken van het kantoor, evenwel zonder resultaat. De volgende morgen wordt er nog eens gecontroleerd hoeveel muntstukken elkeen nog heeft maar alles blijkt te kloppen. IX-5140-2/17 Bij verzoeker wordt vastgesteld dat hij de avond tevoren zijn kas tweemaal heeft geteld. i Bij de eerste telling had hij 172,67 over, bij de tweede telling had hij i 170,00 tekort. Bij vergelijking van de twee afrekeningen blijkt dat verzoeker bij zijn herberekening 9 briefjes van i20 minder opgegeven heeft en i i i 2 briefjes van 5 meer of 170,00 minder. Hij zou dus 170,00 minder in kas gehad hebben dan bij zijn eerste afrekening. Omdat het programma “Poststation” de laatste afrekening als nieuwe begintoestand neemt komt hij ten opzichte van zijn eerste berekening i i 170,00 tekort maar klopt het op 2,67 na met de eerste berekening van het programma “Poststation”. Het kasverschil bij de hoofdkassier wordt dan gevonden. Het is i veroorzaakt door een verkeerde boeking: een bedrag van 86 door de kassier aan verzoeker overgemaakt is verkeerd geboekt als een storting door verzoeker aan de i i kassier van 86 . Daardoor heeft de centrale kassier 2x86 of 172 tekort en moest i verzoeker 172 teveel in kas hebben. De postmeester vraagt verzoeker om uitleg over het feit dat hij twee afrekeningen heeft gemaakt. Verzoeker antwoordt dat hij zich bij het tellen van de briefjes van i i 20 en 5 heeft vergist en dat hij daarom opnieuw zijn kas heeft opgemaakt. De postmeester antwoordt dat hij normaal, gelet op de boekhoud- i kundige fout van de hoofdkassier, 172 teveel in kas moest hebben gehad. Volgens de postmeester gaat verzoeker niet akkoord met dat bedrag en biedt onmiddellijk aan te gaan kijken aan zijn loket of er niet ergens geld verloren ligt. Hij vindt onder de i i lade achteraan in een kast 1 briefje van 100 , 3 briefjes van 20 en 3 briefjes van i 5 , half samengevouwen en rechtstaand tegen de achterwand van een kast. Hij verklaart dat het waarschijnlijk gaat om de tegenwaarde van door hem verkochte boetezegels die hij misschien vergeten heeft te boeken. Op de opwerping van de postmeester dat zij dit geld niet heeft gevonden toen zij de vorige avond alle kasten en loketten heeft doorzocht op zoek naar een vermist rolletje munten antwoordt verzoeker dat hij zojuist nog een aantal zaken in zijn kast heeft verplaatst en dat die briefjes waarschijnlijk tussen of achter die zaken zaten. IX-5140-3/17 1.
- Verzoeker wordt op 5 januari 2005 uit de dienst verwijderd. 1.
- Tijdens het daaropvolgend intern onderzoek van de dienst Investigations van DE POST, onder meer over de herkomst van de gevonden 175 i verklaart verzoeker dat hij wellicht op 3 januari 2005 boetezegels voor een bedrag i van 175 heeft verkocht en het geld naast zijn schuif heeft “gesmeten”, dat het er zo waarschijnlijk achter gevallen is en dat hij vergeten is de verkoop van die zegels in te tikken in Poststation. Nadat hem onder meer gewezen wordt op de toch wel grote toevalligheid dat juist het geld van de transactie die hij vergeet in te tikken achter de schuif valt en dat er geen tekort is in de stock van de boetezegels zodat zijn uitleg niet kan kloppen geeft verzoeker toe dat hij op 3 januari 2005 heeft gezien dat i hij een overschot had van ongeveer 170, dat hij “in een moment van zwakte” het teveel heeft weggenomen en opnieuw zijn kas heeft gemaakt zodat het “gewoon op een verkeerde kastelling zou lijken” en dat hij het geld de volgende morgen terug gestoken heeft in zijn kas toen hij hoorde dat iedereen naar het geld op zoek was en vernam dat er een kastekort was bij de centrale kassier. Diezelfde namiddag legt DE POST klacht neer bij de politie te OOSTENDE. Verzoeker wordt diezelfde avond nog ondervraagd door de politie en geeft er het volgende relaas : “...aanvankelijk bleek er een kasoverschot te zijn van 175 Euro. Ik dacht dat ik gemist was met het inbrengen van de boetezegels, nl. dat ik twee boetezegels verkocht had en deze had vergeten in te geven. Ik heb vervolgens 175 Euro uit de kassa genomen en aan de kant gelegd met de bedoeling de volgende dag de boetezegels in te brengen. Ik heb de 175 Euro onder de lade gelegd in een mapje bestemd voor uittreksels van spaarrekeningen. De volgende morgen werd ik aangesproken over het kasoverschot. Ik heb hen gezegd dat het overschot vermoedelijk afkomstig was van een verkeerde invoering bij de verkoop van boetezegels. Blijkbaar heeft men achter het geld gezocht en het niet gevonden, maar het was er toch aanwezig. Ikzelf heb het de volgende dag gevonden: het stond recht aan de achterkant van de tweede lade. Ik kan geen echte verklaring geven hoe het komt dat het geld plots uit het mapje verdween en ik het in de tweede lade terugvond. Mogelijks is het eruit geschoven. Ik kan enkel verklaren dat ik het geld niet heb meegenomen naar huis en het ook niet in mijn portefeuille of jaszak heb gestopt. Het heeft al die tijd in de kassa gezeten.” IX-5140-4/17 In haar onderzoeksverslag van Investigations wordt ook nog melding gemaakt van het feit dat de onderzoekster enkele dagen na het verhoor van verzoeker werd opgebeld door de vakbondsafgevaardigde Allossery die het verhoor had bijgewoond met de vraag of het mogelijk was dat de bekentenis van verzoeker nog zou kunnen worden ingetrokken. Zij geeft daarbij het volgende commentaar : “Blijkbaar was Devos enorm geschrokken van het feit dat hij werd opgepakt door de politie en hij heeft daar verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest het geld te stelen en dat het dus wel al die tijd in zijn kas lag. Hij wil nu zijn verklaring bij ons aanpassen zodat die overeenstemt met wat hij bij de politie heeft verklaard. Ik meld Allossery dat gelezen en getekende verklaringen niet meer uit het dossier kunnen genomen worden, maar dat ik enkel de opmerkingen van Allossery en Devos kan noteren.”. Zij besluit haar onderzoeksverslag met de volgende conclusie: “De bekentenis van DEVOS klopt met het voorhanden bewijsmateriaal. Hij heeft inderdaad het geld uit zijn kas genomen met de bedoeling het voor zich te houden, maar kwam de dag erna in de problemen doordat het te traceren was en probeerde zijn sporen uit te wissen en zijn onschuld te bewijzen door het geld ‘terug te vinden’. Het feit dat DEVOS nu op zijn bekentenissen wil terugkomen, heeft alles te maken met de schrik die hij heeft gekregen van het doorgedreven optreden van de politie. Hij is bang voor de gevolgen van zijn daden. Hij had niet gedacht dat hij nog strafrechtelijk vervolgd zou kunnen worden. Het bewijsmateriaal in deze zaak spreekt echter voor zich. De ‘ik ben niet schuldig-versie’ van DEVOS kan op alle punten weerlegd worden. Verder onderzoek in een gelijkaardige zaak enkele jaren terug in Oostende 1, kan echter niet gebeuren door gebrek aan een dossier en bewijsmateriaal. We kunnen dus niet met zekerheid zeggen of het om toeval gaat, of dat het om dezelfde modus operandi gaat. i i De diefstal van het rolletje van 2 , twv 50 , blijft onopgehelderd. DEVOS bekent de feiten niet. Ook enkele andere bedienden waren in de mogelijkheid op het gegeven tijdstip langs het loket van LANCKRIET te gaan en eventueel geld weg te nemen en ook de bediendes LANCKRIET en SIBIET kunnen de daders zijn. Er zijn te weinig bewijzen om hier een dader met zekerheid te kunnen aanduiden. Het is aangeraden alle bediendes nog eens te wijzen op de mogelijke gevolgen van diefstal en op het belang van elkaar te kunnen vertrouwen in een werkomgeving. Een strikte opvolging is aangewezen”. 1.
- Op 23 februari 2005 stelt adviseur Vanwulpen voor om verzoeker af te zetten wegens : “op 3januari 2005 in het postkantoor Oostende 3 door i manipulatie en valsheid in geschriften zich een kasoverschot van 172,67 te hebben toegeëigend en verschillende leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd toen het kasoverschot werd ontdekt door de postmeester van Oostende 3”. IX-5140-5/17 Verzoeker dient een rechtvaardiging in. Daarin betoogt hij dat hij zich op 3 januari 2005 geen kasoverschot heeft toegeëigend en dat hij dit niet op 9 februari 2005 heeft bekend. Hij stelt vooreerst dat er in zijn verklaring van 28 januari 2005 een materiële vergissing is geslopen in de weergave van zijn antwoord nopens zijn handelwijze bij het verwerken van het geld op 3 januari
- Hij verklaart formeel dat hij heeft gezegd dat hij, nadat hij het kasoverschot had vastgesteld en vermoedde dat het was veroorzaakt door het verkeerdelijk niet inbrengen van een verkoop van i twee boetezegels voor in totaal 175, het geld heeft opzij gelegd in zijn kast met de bedoeling ze de volgende dag te boeken. Bij nalezing van het verslag van het verhoor door de dienst Investigations stelt hij evenwel vast dat werd genotuleerd dat hij zou verklaard hebben dat hij het geld de dag nadien terug in de kast zou hebben gestoken. Dit is compleet onjuist, zo betoogt hij, en hij heeft de volgende dag onmiddellijk telefonisch contact opgenomen met de onderzoekster om te wijzen op de voormelde onjuistheid in het proces-verbaal. Er werd voorgehouden, zo stelt hij, dat het proces-verbaal zou worden aangepast door de vermelding van de datum van 4 januari 2005 te wijzigen in 3 januari en om het woord “dan” in de tweede zin van de tweede alinea te schrappen. Hij kreeg, zo stelt hij, evenwel geen schriftelijke bevestiging van deze aanpassing. Hij vraagt dan dat er een bijkomend onderzoek zou worden gevoerd aangaande die aanpassing van zijn verklaring. Hij betoogt verder dat hij niet het bedrieglijk inzicht had om zich wederrechtelijk gelden toe te eigenen. Uit zijn verklaringen blijkt volgens hem duidelijk dat hij de mening toegedaan was dat hij vergeten was de verkoop van i 2 boetezegels ten bedrage van 175,00 te boeken, dat hij dit dus nog diende te doen maar dat hij dat dezelfde dag niet meer kon aangezien zijn kas afgesloten was en dat hij het de volgende dag wilde doen. Hij ontkent ook de valsheid in geschrifte omdat er geen bedriegljk inzicht aanwezig is. Er kan, volgens hem, alleen sprake zijn van een verkeerde manipulatie bij het afsluiten van de kas die uitsluitend was veroorzaakt door een misvatting en dwaling in zijnen hoofde. Die misvatting wijt hij aan de werk- en tijdsdruk aan het loket. Hij was daarenboven bevreesd voor de reactie van zijn IX-5140-6/17 postmeester indien zij het niet boeken van de verkoop van de boetezegels zou opmerken. Hij betoogt verder dat hij onder de indruk was van de ondervraging en dat hij, toen hij naar aanleiding van zijn eerste schriftelijke uitleg die hij op 4 januari 2005 zeer vlug en zonder al te veel nadenken heeft neergeschreven, werd geconfronteerd met het ongewisse ervan, er onmiddellijk allusie op heeft gemaakt dat er door hem een verkeerde boeking bij de verkoop van boetezegels was gebeurd waarvoor hij geld opzij had gelegd in zijn kas. Dat dit geld niet werd gevonden door de postmeester heeft naar zijn oordeel waarschijnlijk te maken met het feit dat zij in de eerste plaats munten zocht en er gezien de plaats over kan hebben gekeken. De adviseur beslist op 16 maart 2005 verzoeker te straffen met de afzetting. Hij motiveert deze beslissing als volgt : “(...) Tijdens het tellen van het inkas en het ingeven van de biljetten en munt- stukken in Poststation op 03/01/2005 heeft Marc Devos de voorgeschreven procedure niet gevolgd. Het systeem laat weten dat er een kasverschil is en laat toe een tweede telling te doen. Alle kasverschillen dienen door tussenkomst van de postmeester/rekenplichtige te worden geregeld. Het na afsluiten van de kas opstarten van een nieuwe sessie om een kasverschil te regelen kan niet. Marc DEVOS brengt meermaals naar voren in zijn verweer dat hij bij het vaststellen van een kasoverschot op 03/01/05 onmiddellijk vermoedde dat dit overschot het gevolg was van het niet boeken van verkochte boetezegels (punt 2, 2e alinea, punt 3 tweede alinea, punt 7, 2e alinea). Hij zou dit ‘s anderendaags onmiddellijk rechtzetten( punt 3, 3e en 4e alinea) Dit is pertinent onjuist. Hij verklaarde immers eerst schriftelijk op formulier 9 dat hem op 04/01/05 door Mevr. Ingelbrecht wordt voorgelegd dat hij het kasverschil weet aan een i i verkeerd telling van de briefjes van 20 en 5 ( zie wijziging op kasblad). Hij spreekt niet over boetezegels!. Pas nadat Mevr. hem confronteert met de verkeerde boeking van een subventie van muntstukken die in zijn kas een overschot van 172 i moest hebben veroorzaakt, verklaart hij onmiddellijk akkoord te gaan met het verschil en aan zijn loket te gaan kijken of er niet ergens i i geld tussen zat. Hierna vindt hij 175 in bankbiljetten (1 x 100 , 3 x 20 i i en 3 x 5 ) onder de lade op de legplank en pas dan zegt hij dat dit waarschijn- lijk geld is van boetezegels die hij niet geboekt had. Hij acht het niet nodig zijn kas na te tellen om te zien of het verschil niet van de dag zelf is. Bovendien heeft hij op 04/01/05 niet onmiddellijk een rechtzetting gedaan zoals hij beweerde te gaan doen (punt 3,3e en 4e alinea). In zijn ondervraging door Investigations dd. 28/01/05 regel 48, 49 en 50 zegt hij immers dat hij op 04/01/05 op kantoor is gekomen en onmiddellijk is beginnen werken, en dat hij in de loop van de voormiddag bij de postmeester is geroepen, waarna hij opnieuw in zijn kas is gaan kijken en 175 i aantrof. Hij had dus nog niets geregeld. Verder beweert hij in zijn verweer punt 2, 1e en 4e alinea dat er een fout zou geslopen zijn in het verslag van zijn ondervraging op 28/01/05 door Mev. Goosen van Investigations. Hij zou niet verklaard hebben dat hij het geld uit zijn kas had genomen. Nochtans zijn de door hem afgelegde verklaringen IX-5140-7/17 (regels 125 t/m 133) duidelijk en heeft hij hier toe in een moment van zwakte het geld uit zijn kas te hebben genomen en het ‘s anderendaags toen hij hoorde van een tekort van een collega, te hebben teruggelegd. Deze verklaring werd door hem zelf ondertekend en de melding gelezen en goedgekeurd werd eigenhandig geschreven aangebracht na ze eerst voor lezing te hebben gekregen. Door getuige Marc Alossery, aanwezig bij de ondervraging werden ook geen opmerkingen gemaakt. Zoals blijkt uit het eindverslag van Mev. GOOSEN heeft de Investigator wel degelijk melding gemaakt van het feit dat zij op 29/01/2005 door de Politie Oostende werd gecontacteerd omdat Marc Devos tegenover wachtofficier Jonckheere alles ontkende. Hij zou zichzelf tegenspreken en zijn verklaringen zouden nogal wat lacunes bevatten. Er werd eveneens melding gemaakt van het telefonisch contact dat marc Alossery (Transcom) met de investigator op maandag 30/01/2005 heeft genomen om het verslag aan te passen met wat DEVOS bij de Politie Oostende heeft verklaard. Door Marc DEVOS wordt in zijn rechtvaardiging en aanvullende verklaringen geen nieuwe elementen naar voor gebracht die een ander licht werpen op deze kwestie. De verschillende en elkaar tegensprekende versies die betrokkene geeft, doen zijn geloofwaardigheid geen goed. Op professioneel vlak is eerlijkheid een absolute vereiste om in vertrouwen te kunnen werken. Gezien Marc DEVOS hier een ernstige beroepsfout heeft gemaakt en het vertrouwen van zijn werkgever en collega*s ernstig heeft beschaamd, meen ik dat de afzetting de enig straf is die in aanmerking komt”. 1.
- Verzoeker tekent beroep aan bij de commissie van beroep die op 7 september 2005 unaniem adviseert akkoord te gaan met de opgelegde afzetting. Zij motiveert haar advies als volgt : “De verdedigers en betrokkene zelf beweren dat alles zou berusten op een ongelukkige samenloop van omstandigheden en er nooit de intentie was om gelden achter te houden. Het blijft evenwel een feit dat op het einde van de werkdag betrokkene zijn kas afsloot, een verschil opmerkte en zijn kas opnieuw maakte om het verschil te verbergen. Op die manier de kas manipuleren is misbruik maken van het systeem. Die handeling op zich is reeds een emstig vergrijp. Daarbij is het allerminst logisch dat men aan niemand melding maakt van een verschil in kas dat diezelfde dag om een of andere reden niet meer kan geboekt worden. De bankbiljetten dan nog op dergelijke manier opgeplooid wegsteken in een schuif is geenszins een normale werkwijze van een geroutineerde loketbediende. Wanneer dan daarover in de loop van het onderzoek nog strijdige verklaringen worden afgelegd verliest men zijn geloofwaardigheid. Betrokkene bekende aan de Investigator dat hij het geld, waarvan hij dacht dat het een kasoverschot was, die avond uit zijn kas had genomen maar het de dag nadien terug in zijn kast had gestoken als hij hoorde dat een collega kampte met een kastekort en een kasnazicht van alle loketten zou volgen. Hij heeft zijn verklaring ondertekend zodat geen betwisting meer mogelijk is. Ongeacht alle door de verdedigers opgeworpen elementen om te proberen de bewijslast te ontkrachten staat vast dat betrokkene de bedoeling had het geld achter te houden. Dat kan onmogelijk getolereerd worden. Hij heeft het vertrouwen dat zijn collega’s en De Post in hem hadden dermate geschaad dat een verdere samenwerking onmogelijk is geworden”. IX-5140-8/17 1.
- Op 22 september 2005 behoudt de adviseur zijn oorspronkelijke beslissing. Zij wordt op 27 september 2005 aan verzoeker betekend. Dit is de bestreden beslissing;
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aange- voerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat, met betrekking tot de eerste voorwaarde verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsplicht; dat hij betoogt, eerste onderdeel, dat hij wordt gestraft omdat hij i zich een kasoverschot van 172,67 zou hebben toegeëigend terwijl niet is bewezen dat hij inderdaad de intentie heeft gehad om zich die som toe te eigenen ten nadele van De Post; dat uit de verklaring die hij tegenover de onderzoekster van Investigations heeft afgelegd helemaal niet blijkt dat hij bekend zou hebben dat hij het geld in zijn zak of zijn portefeuille zou hebben gestoken teneinde het aan zijn werkgever te onttrekken; dat hij bovendien formeel betwist dat hij zou gezegd hebben dat hij het geld op de 4e januari terug in zijn kast heeft gestoken en dat hij hierbij naar de contacten verwijst die er nadien nog zijn geweest tussen de onder- zoekster en de reeds genoemde vakbondsafgevaardigde Allossery en naar de verklaring die deze laatste heeft afgelegd; dat ook het feit dat de postmeester de avond van 3 januari 2005 bij het doorzoeken van de kasten geen geld in zijn kasten heeft gevonden, niet bewijst dat het er niet meer zou geweest zijn: de postmeester was immers op zoek naar een rolletje munten en niet naar biljetten; dat evenmin is bewezen dat hij valsheid in geschrifte pleegde; dat het immers niet zijn bedoeling was toen hij een tweede maal zijn kas maakte op 3 januari, om het kasoverschot te verber- gen: hij had integendeel de intentie om het de volgende dag in orde te brengen; dat hij zulks niet meer kon doen op 3 januari omdat toen het computersysteem van zijn kassa al was afgesloten en het op 4 januari niet kon doen vooraleer hij werd geïnterpelleerd door de postmeester; dat als hij op 4 januari op het formulier 9 geen melding maakt van het feit dat hij boetezegels die hij de dag voordien had verkocht IX-5140-9/17 was vergeten te boeken, dit te wijten is aan het feit dat hem slechts om uitleg is i gevraagd omtrent een regeling van 9 briefjes van 20 en 2 briefjes van i 5; dat i indien hij had geweten dat zijn kas inderdaad 172 overschot moest hebben, hij dat bij aanvang op het formulier 9 al verklaard zou hebben; dat hij, tweede onderdeel, bestrijdt dat hij leugenachtige verklaringen zou hebben afgelegd; dat hij op het formulier 9 niet over de boetezegels heeft gesproken omdat er hem geen uitleg over gevraagd werd en hij dat formulier vlug en zonder er veel bij na te denken heeft ingevuld; dat daarbij ook niet wordt aangegeven over welke verklaringen het gaat noch welke norm er zou zijn geschonden door het afleggen van leugenachtige verkla- ringen; dat hij, derde onderdeel, bestrijdt dat hij aan de onderzoekster van Investiga- tions zou hebben bekend dat hij de gelden voor zich wilde houden; dat hij hierbij verwijst naar de contacten die er nadien nog zijn geweest tussen de onderzoekster en de vakbondsafgevaardigde Allossery en de verklaring die deze laatste heeft afgelegd; dat daarbij nergens bewezen wordt dat er frauduleuze achterhouding van gelden uit de kas is geweest zodat dit geen in rechte en in feite aanvaardbaar motief is; dat, vierde onderdeel, de motivering die wordt gegeven voor de zwaarte van de sanctie slechts een vage stereotiepe formulering is en er geen concrete elementen worden aangegeven die de zwaarte ervan ondersteunen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop met betrekking tot de formele motiveringsplicht antwoordt dat de bestreden beslissing duidelijk de juridische grondslag aangeeft waarop wordt besloten tot het behoud van de sanctie, dat er tevens zeer omstandig de feiten in worden vermeld die er aan de basis van liggen en dat er wordt geantwoord op de verweermiddelen die de verzoeker voor de commissie van beroep heeft opgeworpen; dat, wat de materiële motivering betreft, verzoeker de feiten die in de beslissing zijn vermeld wel degelijk heeft begaan: hij gaf tijdens de ondervraging door Investigations uitdrukkelijk toe dat hij in een moment van zwakte het geld uit de kas heeft genomen; dat hij die verklaring voor gelezen en goedgekeurd heeft ondertekend; dat ook de neutrale observator een verklaring ondertekende met de vermelding dat hij geen opmerkingen te maken had; dat ook uit het proces-verbaal van verhoor van de politie van Oostende blijkt dat verzoeker niet ontkend heeft dat hij op 3 januari 2005 bij het afsluiten van zijn kas een kasoverschot vaststelde, dat hij daarna met overschrijding van de toegelaten procedure zelf een tweede maal de kas telde en het geld apart heeft genomen om het ontstane kasverschil op nul te doen uitkomen; dat hij de volgende morgen de postmeester daarvan niet op de hoogte brengt maar pas als hem via een model 9 gevraagd wordt het kasverschil te verklaren als uitleg geeft dat zulks het gevolg was van een IX-5140-10/17 i i verkeerde telling van briefjes van 20 en van 5, zonder melding te maken van de boetezegels; dat hij pas als hij geconfronteerd wordt met het feit dat hij een overschot i van 172 moest hebben, akkoord gaat met dat verschil en aan zijn loket gaat kijken i of er niet ergens geld tussen zit waarna hij 175 vindt en dan pas verklaart dat het waarschijnlijk van boetezegels afkomstig is die hij niet heeft geboekt; dat die tegenstrijdige verklaringen, gecombineerd met het feit dat verzoeker op 4 januari niet zelf is overgegaan tot een verklaring omtrent het kasoverschot en de door hem gevolgde procedure en niet is overgegaan tot een onmiddellijke rechtzetting op 4 januari van de door hem beweerde vergetelheid, er toe hebben geleid dat de verwerende partij geen geloof heeft gehecht aan zijn verklaringen en haar beslissing heeft gebaseerd op de enig mogelijke werkelijk gebeurde feiten zoals deze werden toegegeven tijdens het verhoor van verzoeker; dat die feiten ook overeen te brengen zijn met het feitenrelaas; dat in de beslissing wel degelijk rekening werd gehouden met het telefonisch verzoek van verzoeker om het verslag achteraf aan te passen aan de verklaringen die hij afgelegd had aan de politie van Oostende maar dat werd geoordeeld dat zijn rechtvaardiging en aanvullende verklaringen geen nieuwe elementen naar voor brachten; dat de kwestie te weten of verzoeker de gelden nu effectief mee naar huis heeft genomen of ze integendeel in zijn kast heeft verstopt weinig relevant is voor de beoordeling van de vraag of er effectief een toeëigening van gelden is geweest; dat verzoeker heeft verklaard dat hij het geld terug in zijn kast heeft gelegd toen hij van het tekort bij de centrale kassier hoorde; dat het, steeds volgens de verwerende partij, vaststaat dat verzoeker de som in strijd met de voorgeschreven procedure, uit zijn kas heeft genomen, dit de volgende dag niet heeft rechtgezet en heeft verklaard dat hij dat heeft gedaan opdat het op een verkeerde kastelling zou lijken; 2.1.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht de betrokkene moet toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de beslissing hebben gebracht; dat zulks in tuchtzaken betekent dat de motivering aan de bestuurde duidelijk moet maken welke feiten het bestuur in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, wanneer zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tucht uitmaken en waarom zij de uiteindelijk opgelegde tuchtstraf rechtvaardigen; dat de motiverings- plicht wat dit laatste punt betreft stringenter moet worden opgevat wanneer het gaat om tuchtstraffen die, zoals de afzetting, sterk op de persoonlijke levenssituatie van de betrokken ambtenaar ingrijpen; dat te dezen de bestreden beslissing een uitgebreide motivering bevat, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de feiten die aan verzoeker worden ten laste gelegd; dat er ook wordt verwezen naar IX-5140-11/17 artikel 118, § 2, tweede lid, van het administratief statuut van de postambtenaren, naar de feiten die in aanmerking werden genomen met hun tuchtrechtelijke vertaling, naar de redenen waarom die feiten bewezen worden geacht en de redenen waarom daarvoor die welbepaalde sanctie wordt opgelegd; dat de motivering ook afdoende is aangezien zij aan verzoeker toelaat een zodanig inzicht te krijgen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat in zoverre de schending van de formele motiveringsplicht wordt aangevoerd het middel niet ernstig is; dat met betrekking tot de aangevoerde schending van de materiële motiverings- plicht, verzoeker in de eerste drie onderdelen aanvoert dat niet bewezen is dat hij de i bewuste som van 175 wilde verduisteren, dat hij geen leugenachtige verklaringen heeft afgelegd en dat er niet concreet wordt aangegeven om welke verklaringen het gaat en dat hij niet heeft bekend dat hij de gelden voor zich wilde houden; dat het in deze aan de Raad van State alleen toekomt om na te gaan of de verwerende partij op grond van de elementen waarover zij beschikte in rechte en in redelijkheid de feiten voor bewezen kon houden; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij heeft vastgesteld dat door een fout in de boeking van een verrichting tussen de centrale kassier en verzoeker de kas van laatstgenoemde noodzakelijkerwijze op 3 januari 2005 een overschot van i 172 diende te vertonen; dat de kasafsluiting van verzoeker op die datum eerst een i overschot van 172,65 vertoont, maar dat verzoeker dat in een tweede afsluiting gecorrigeerd heeft zodat er geen overschot meer is; dat dit terecht bij de verwerende partij de vraag doet rijzen hoe verzoekers kas kon kloppen terwijl hij, indien zijn verrichtingen correct waren ingegeven, een overschot moest hebben; dat, onder- vraagd over de reden van de correctie, verzoeker verklaart dat hij zich heeft misteld, dat bijgevolg zijn nieuwe kastoestand, dus zonder overschot, de juiste toestand is; dat hij, geconfronteerd met de onhoudbaarheid van zijn versie, op zoek gaat in zijn kast i om na te gaan of er “niet ergens geld tussen zit” en 175 “vindt”; dat hij daarover in het model 9 verklaart “dat het waarschijnlijk geld is van de verkoop van boetezegels waarvan (hij) niet zeker was dat (hij) ze geboekt had”; dat de post- meester verzoeker er dan op wijst dat zij dat geld de avond ervoor niet heeft gezien hoewel zij alle kasten had doorzocht; dat hij daarop dan verklaart dat hij die morgen van 4 januari al enkele dingen in zijn kast heeft verplaatst en dat dit geld daarmee tegen de achterwand is terechtgekomen waar het voordien tussen documenten zat; dat wanneer verzoeker drie weken later wordt ondervraagd door een medewerkster van de dienst Investigations, hij eerst opnieuw verwijst naar zijn initieel kasoverschot IX-5140-12/17 dat het gevolg was van een mistelling, terwijl hij op dat ogenblik reeds goed moest weten dat deze versie niet geloofwaardig was; dat hij het daarbij eerst voorstelt alsof het geld dat hij heeft gevonden per ongeluk achter de kassalade was gevallen en dat het afkomstig was van de verkoop van boetezegels die hij vergeten was te boeken; dat hij, wanneer hem wordt gewezen op die ongelooflijke toevalligheid dat het precies het geld is van een niet geboekte verrichting dat zoek geraakt was, antwoordt dat hij geen andere verklaring heeft; dat hij, op de vraag waarom hij er zo zeker van was dat het geld dat hij vond van de dag ervoor was, antwoordt dat hij ervan overtuigd was dat zulks zo was omdat het bedrag overeenkwam met het bedrag dat de postmeester zocht; dat hij vervolgens toegeeft dat hij het geld op 4 januari terug in zijn kast had gestoken en dat hij inderdaad op 3 januari had vastgesteld dat hij een i kasoverschot van ongeveer 170 had en dan “in een moment van zwakte, (hij) weet zelf niet waarom, of hoe (hij) het zover (heeft) laten komen, het geld uitgenomen (heeft) en opnieuw (zijn) kas gemaakt, zodat het gewoon op een verkeerde kastelling zou lijken”; dat de dag daarop iedereen op zoek was naar het geld en dat hij daarop het geld teruggelegd heeft in zijn kast; dat hij zelf dacht dat het overschot van 3 januari ontstaan was door boetezegels die hij had vergeten “in te tikken”; dat verzoeker evenwel op dezelfde dag ondervraagd door de politie van Oostende verklaart reeds op 3 januari het geld opzij gestoken te hebben in zijn kast na eerst zijn kas te hebben doen kloppen “om geen last te krijgen”, teneinde het de volgende dag te regelen met het inboeken van de verkoop van boetezegels waarvan hij dacht dat hij vergeten was ze op 3 januari te boeken en dat het verkeerdelijk in zijn verklaring aan Investigations is genoteerd dat hij dat geld op 4 januari terug in zijn kast heeft gestoken; dat uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij er terecht van uit mocht gaan dat de feiten, zoals zij ze in de bestreden beslissing heeft aangegeven, niet kennelijk in feite of in rechte onaanvaardbaar zijn; 2.1.
- Overwegende dat wat het vierde onderdeel betreft verzoeker aanvoert dat de motivering van de zwaarte van de tuchtstraf onvoldoende is; dat het motief in dat verband verwijst naar de verbreking van de noodzakelijke vertrouwens- relatie tussen verzoeker, zijn collega’s en de verwerende partij; dat vanuit de formele motiveringsverplichting het middel bijgevolg niet ernstig is; dat in zoverre het middel de materiële motiveringsplicht betreft, het samen behandeld wordt met het tweede middel; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij hierbij uiteenzet dat, zelfs indien hij IX-5140-13/17 de feiten zou hebben gepleegd die hem ten laste worden gelegd, wat hij betwist, hij dan nog de straf als te zwaar ervaart; dat hij immers 25 jaar lang zonder enig incident tewerkgesteld is geweest bij de verwerende partij; dat hij een voorbeeldige werkhouding heeft op het vlak van de stiptheid, de orde, het professionalisme, de loyauteit, de betrouwbaarheid en dat zonder dat er enige voorgaanden zijn geweest hem “bij een eerste en enig voorval onmiddellijk de afzetting (wordt) opgelegd”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij als antwoord erop wijst dat de Raad van State in dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat tot de afzetting werd besloten omdat men door de feiten al het vertrouwen verloren had in verzoeker die dagelijks met gelden van klanten en van de verwerende partij omgaat; dat in een aantal arresten reeds is aanvaard dat iemand wordt afgezet omdat hij geld heeft verduisterd; dat zij verder niet verplicht was verzoekers professioneel verleden te onderzoeken bij het bepalen van de tuchtstraf omdat de feiten op zich deze sanctie reeds rechtvaardigden; dat het trouwens onjuist is dat er nooit enig incident is geweest in de loopbaan van verzoeker aangezien hij zelf aan de politie van Oostende verklaarde dat hij vijf jaar geleden ook al eens betrokken was bij een feit waarbij er een kastekort was; dat zij ook nog wijst op het unaniem advies van de commissie van beroep; 2.2.
- Overwegende dat de Raad van State ten aanzien van de aard en de zwaarte van een oplegde tuchtstraf slechts beschikt over een marginale toetsingsbe- voegdheid zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de tuchtfeiten staande straf onwettig kan bevinden en dat voor het overige de tuchtoverheid op discretionaire wijze oordeelt over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf; dat de Raad van State aldus alleen die sancties onwettig kan bevinden die kennelijk buiten verhouding staan tot de feiten waarvoor ze werden opgelegd, dit wil zeggen die sancties die als dermate buiten verhouding staand tot de feiten moeten worden beschouwd dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen; dat dit het geval zou kunnen zijn indien hij vaststelt dat het bestuur, rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak, met de persoonlijke toestand van de ambtenaar en vooral met het belang van de dienst, redelijkerwijze niet tot de conclusie kon komen dat de opgelegde straf gepast was; dat in deze de verwerende partij er terecht van uitgaat dat verzoeker niet alleen gepoogd heeft gelden te ontvreemden ten nadele van zijn werkgever, doch dat toen hij op 3 januari zijn werkplaats verliet die gelden effectief had verduisterd; dat hij daags nadien, nadat het kasttekort was vastgesteld, zichzelf verstrikt heeft in IX-5140-14/17 leugenachtige verklaringen om ten slotte enkele weken later te moeten toegeven dat hij het geld op 4 januari terug in zijn kast heeft gelegd nadat hij het op 3 januari uit zijn kas had genomen en een nieuwe kastoestand had gemaakt “zodat het gewoon op een verkeerde kastelling zou lijken”; dat de loketdienst een vertrouwensdienst is aangezien dergelijke dienst enerzijds de band legt met de klanten van de verwerende partij die in deze optreedt als bankier, en anderzijds uit de behandeling van grote geldbedragen bestaat; dat de verwerende partij er derhalve mag van uitgaan dat haar personeelsleden die dergelijke dienst bevolken volstrekt onbesproken zijn en dat verduistering van gelden middels manipulatie van de kastoestand de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen haar en haar personeelslid zeer ernstig en onherstelbaar verstoort; dat een onbesproken verleden daaraan geen afbreuk vermag te doen precies omwille van de niet te herstellen vertrouwensbreuk; dat weliswaar andere straffen konden worden uitgesproken doch dat de verwerende partij niet onredelijk heeft gehandeld nu ook de raad van beroep unaniem en met zeer strenge bewoordingen heeft geadviseerd om verzoeker te straffen met afzetting; dat bijgevolg wel een in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen en dat de Raad van State in deze dit advies bijtreedt; dat het middel niet ernstig is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij hierbij uiteenzet dat de bestreden beslissing in hoge mate steunt op het onderzoek dat door de dienst Investigations werd gevoerd en dat dit onderzoek niet zorgvuldig is gebeurd; dat de persoon die het onderzoek voerde partijdig was en dat dit blijkt uit het feit dat de onderzoekster van de dienst Investigations, als werkneemster van DE POST niet onafhankelijk kan optreden en dat zij alles in het werk zal stellen om een slachtoffer te vinden teneinde haar werkgever niet te ontgoochelen, uit het feit dat de onderzoekster eerst de post- meester heeft ondervraagd en zonder meer haar verklaringen voor waar heeft aangenomen en uit de reactie van de onderzoekster dat zij het toevallig vindt dat het net het geld is van die ene bewerking die niet zou zijn ingetikt dat achter de kassalade valt; dat ook de adviseur tijdens het onderzoek plots gewag maakt van een gelijkaardig incident dat zich enkele jaren voordien in het postkantoor Oostende 1 had voorgedaan en waarbij verzoeker betrokken zou zijn geweest, terwijl er nooit in dat verband van enige tuchtactie sprake is geweest, dat het integendeel om een vergissing bleek te gaan; dat niet alleen de adviseur verzoeker alzo valselijk heeft beschuldigd maar dat ook de onderzoekster in haar verhoor voormelde valse aantijging gebruikt heeft om verzoeker onder druk te zetten; dat dit volgens IX-5140-15/17 verzoeker erop wijst dat zij haar informatie niet controleerde of op een grondige wijze een onderzoek naar de feiten deed; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij stelt dat zij alle procedure- regels die in het tuchtstatuut zijn vastgelegd, heeft nageleefd en dat zij aldus op een zorgvuldige manier is tewerk gegaan; dat zij zorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek niet te laten uitvoeren door verzoekers hiërarchische meerdere maar wel door de onafhankelijke en onpartijdige dienst Investigations; dat verder, verzoeker niet aangeeft waarom de dienst Investigations zich ten onrechte zou hebben gebaseerd op de verklaringen van de postmeester; dat verzoeker met die verklaringen is geconfronteerd en dat hem bijgevolg de kans geboden is om die te weerleggen of te verhelderen; dat tijdens de ondervraging nooit beweerd is dat er tuchtrechtelijke voorgaanden zouden zijn geweest; dat wel aan verzoeker is gevraagd naar feiten die zich enkele jaren geleden hebben voorgedaan omtrent verdwenen geld; dat trouwens verzoeker tijdens het verhoor door de politie van Oostende zelf dit voorval ter sprake heeft gebracht; Overwegende dat, indien verzoeker van oordeel is dat de onderzoekster van de dienst Investigations niet onpartijdig kan opgetreden zijn omdat zij als werkneemster van DE POST niet onafhankelijk kan zijn en alles in het werk zal stellen om een slachtoffer te vinden teneinde haar werkgever niet te ontgoochelen, hij evenwel nalaat daaromtrent meer concrete gegevens aan te brengen zodat zijn algemene en op theoretische overwegingen gesteunde bewering niet kan volstaan om aan te tonen dat in deze het onderzoek niet onpartijdig zou zijn gevoerd; dat er evenmin een partijdig optreden kan worden gekoppeld aan de loutere omstandigheid dat de onderzoekster van de dienst Investigations eerst de postmeester ondervraagt; dat trouwens het maar logisch is dat eerst de aangever of de getuige van een tucht- rechtelijk feit wordt gehoord om vervolgens met voldoende kennis van zaken te kunnen overgaan tot het verhoor van diegene die van een tuchtvergrijp wordt verdacht; dat ook de omstandigheid dat geloof is gehecht aan de verklaring dat de postmeester de avond van 3 januari alle kasten, mappen en vuilnisbakken heeft nagekeken, geen afbreuk doet aan een onpartijdig optreden; dat verzoeker trouwens geen enkel element aanreikt dat die verklaring twijfelachtig zou maken; dat de opmerking van de onderzoekster dat zij “het wat toevallig (vindt) dat het net die ene bewerking die (verzoeker) vergeten (is) in te tikken dan ook nog eens gepaard gaat met die enen keer dat geld achter de schuif valt” een volstrekt voor de hand liggende opmerking is die bijgevolg niet getuigt van enige vooringenomenheid; dat verzoeker IX-5140-16/17 trouwens hierop als antwoord die vaststelling beaamt en er zelfs aan toevoegt dat zulks een “ka(n)s (is) op één miljoen”; dat hij daarmee zelf aangeeft dat die opmerking van de onderzoekster voor de hand ligt; dat indien door de adviseur is gewag gemaakt van een incident uit het verleden, zulks op zich geen vooringenomen- heid bewijst; dat verzoeker trouwens niet betwist dat er zich een dergelijk incident heeft voorgedaan waarbij hij betrokken was; dat dit incident als een feitelijk gegeven wordt vermeld en niet is voorgesteld alsof verzoeker daarvoor tuchtrechtelijk is vervolgd; dat het middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5140-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.615 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.