id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.617 Rolnummer: A. 64582/X-6666 Zaak: Arrest 155617 - - 27/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 11:17 Fiche Arrest nr 155.617 van 27 februari 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.617 van 27 februari 2006 in de zaak A. 64.582/X-
- In zake : Pierre WINCKEL, die woonplaats kiest bij Advocaat M. RAATS, kantoor houdende te 2660 ANTWERPEN, Broydenborglaan 119 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partijen :
- Gilbert STUYCK,
- Bea GOOLAERTS, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 2900 SCHOTEN, Kopstraat 50-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre WINCKEL op 19 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 september 1994 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende eensdeels, inwilliging van het beroep van Gilbert STUYCK en Bea GOOLAERTS tegen het besluit van 13 april 1993 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij hun de vergunning wordt geweigerd voor het uitvoeren van tuinwerken op een perceel te Schoten, Nachtegalenlei 17, en anderdeels, verlening van de stedenbouwkundige vergunning; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 april 1996 ingediend door Gilbert STUYCK en Bea GOOLAERTS; Gelet op de beschikking van 1 juli 1996 die de tussenkomst van Gilbert STUYCK en Bea GOOLAERTS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-6666-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 21 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. PROOST die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat M. WENDRICKX die loco Advocaat J. PEETERS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de tussenkomende partijen op 15 maart 1993 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten een regularisatieaanvraag hebben ingediend voor het uitvoeren van tuinwerken op een perceel gelegen te Schoten, Nachtegalenlei 17; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen is gelegen in een woonpark; dat het niet is gelegen binnen een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat het gemeentebestuur van Schoten op 17 maart 1993 de verzoekende partij, als buur, op de hoogte heeft gesteld van deze aanvraag; dat de verzoekende partij op 29 maart 1993 een bezwaarschrift heeft ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten bij besluit van 6 april 1993 is ingegaan op het bezwaarschrift "voor wat de bouw van het houten scherm betreft"; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 13 X-6666-2/7 april 1993 de gevraagde regularisatievergunning voor het houten scherm heeft geweigerd; dat de tussenkomende partij op 7 juni 1993 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen "de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 6 april 1993 waarbij de afbraak werd gevorderd van het houten scherm dat werd aangebracht naast de perceelschei- ding" en wordt gevraagd "toelating te verlenen tot oprichting en behoud van een scherm in gevlochten hout, dienstig voor snelgroeiende klimop en de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 6 april 1993 te vernietigen in de mate dat zij de afbraak van het houten scherm oplegt"; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de tussenkomende partijen heeft aanzien als gericht tegen voormeld besluit van het college van burgemeester en schepenen van 13 april 1993 en bij besluit van 15 september 1994 dit beroep heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt; dat zij aanvoert dat het annulatieberoep buiten de termijn werd ingesteld; dat uit het dossier blijkt dat de op 15 september 1994 vergunde afsluiting reeds geruime tijd aanleiding heeft gegeven tot een burenruzie, dat de regularisatieaanvraag ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij, die een bezwaar heeft ingediend, dat het besluit van de bestendige deputatie op 18 oktober 1994 werd betekend aan de aanvrager, aan het gemeentebestuur en aan het bestuur ruimtelijke ordening, dat ervan uitgegaan dient te worden dat de verzoekende partij -rekening houden met het bovenstaande- op geregelde tijdstippen bij het gemeentebestuur inzage is gaan nemen van het dossier, dat het verzoekschrift van de verzoekende partij echter dateert van 20 juli 1995 en dus buiten de termijn is ingesteld; Overwegende dat de verzoekende partij antwoordt dat aan derden geen voorafgaande kennisgeving wordt gedaan, dat zij met een brief van 10 juni 1995 gericht aan het gemeentebestuur heeft geïnformeerd naar de zogenaamde "provinciale toelating", dat de gemeente de provinciale toelating heeft bevestigd, dat zij na kennisname van de provinciale vergunning tijdig een annulatieverzoek heeft ingediend; Overwegende dat, aangezien bouwvergunningen noch bekendge- maakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij X-6666-3/7 kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de mogelijkheid die hen krachtens het alsdan geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partij kennis had van een bestuurs- handeling, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat de omstandigheid dat een verzoeker kennis heeft van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, en dat hij hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend, hem niet de verplichting oplegt om zich op regelmatige tijdstippen naar het gemeentehuis te begeven om aldaar te informeren of de gevraagde vergunning verleend of geweigerd is; Overwegende dat uit het schrijven van 10 juni 1995 van verzoeker aan het College van burgemeester en schepenen van Schoten blijkt dat verzoeker bij het opstellen van het proces-verbaal van 27 mei 1995 heeft vernomen dat er een "provinciale toelating" zou zijn verleend; dat verzoeker het gemeentebestuur per brief van 10 juni 1995 heeft verzocht om een afschrift van deze toelating; dat het college van burgemeester en schepenen op 14 juni 1995 een afschrift van de bestreden bouwvergunning aan verzoeker heeft overgemaakt; dat de verwerende partij geen gegevens bijbrengt waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 60 dagen vóór het instellen van de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit, kennis had van dit besluit; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat er geen beroep werd aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van 13 april 1993 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten en dat de beroepstermijn inmiddels verstreken is, dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat de tussenkomende partij beroep heeft ingesteld tegen voormeld besluit van 13 april 1993, dat de bestendige deputatie dit besluit niet kon vernietigen aangezien daartegen nooit beroep werd ingesteld, dat het besluit van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 13 april 1993 nog steeds van kracht is; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit het dossier is gebleken dat het besluit van 6 april 1993 de afbraak van een houten scherm oplegt, dat het besluit geen weigering van bouwvergunning betreft zodat hiertegen geen beroep kon worden ingesteld, dat het college van burgemeester en schepenen X-6666-4/7 de bouwvergunning op 13 april 1993 heeft geweigerd, dat er bijgevolg dient van uitgegaan te worden dat het beroep werd ingesteld tegen het besluit van 13 april 1993; Overwegende dat de verzoekende partij dupliceert dat de verwerende partij enkel veronderstelt dat het beroep werd ingesteld tegen het besluit van 13 april 1993, dat zij uitgaat van die veronderstelling omdat zij het zelf niet mogelijk acht dat tegen het besluit van 6 april 1993 beroep kon worden ingesteld, dat zij in dat geval het beroep onontvankelijk diende te verklaren, dat de tussenkomende partij wel degelijk beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 6 april 1993, dat het niet aan het provinciebestuur toekomt om zich in de plaats te stellen van een bij haar in beroep komende partij en naar eigen goeddunken de ene beslissing door de andere te vervangen terwijl de betrokkenen de beslissing ondubbelzinnig in hun beroepschrift hebben aangeduid, dat de verwerende partij zich niet mag baseren op gissingen, maar alleen op feiten; Overwegende dat de tussenkomende partijen antwoorden dat uit hun beroepschrift duidelijk blijkt dat zij beroep hebben aangetekend tegen de beslissing van het gemeentebestuur van Schoten waar dit oordeelde dat het voor het gevlochten scherm, dat dient als steun voor de klimop welke zij als afsluiting tussen hun erf en dat van de verzoekende partij hebben opgericht, geen bouwtoelating kon afleveren, dat het college van burgemeester en schepenen zijn besluit op 14 mei 1993 ter kennis heeft gebracht, dat door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen terecht werd verondersteld dat beroep werd aangetekend tegen deze weigering van bouwvergunning, dat uit de stukken van het administratief dossier duidelijk blijkt dat de tussenkomende partijen beroep hebben ingesteld tegen de weigering van de bouwvergunning en de beslissing tot afbraak van de houten schermen voor klimop, dat het duidelijk is dat zij beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 13 april 1993 daar tegen het besluit van 6 april 1993 geen georganiseerd beroep mogelijk was; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niet betwist dat het beroepschrift woordelijk is opgemaakt in functie van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 6 april 1993, dat de ervaring echter aantoont dat beroepers vaak foutieve gegevens aanreiken, dat het beroepschrift als datum van kennisgeving van het bestreden besluit 14 mei 1993 heeft opgegeven, hetgeen volgens de stukken van het gemeentelijk dossier enkel betrekking kan hebben X-6666-5/7 op de weigering van bouwvergunning van 13 april 1993, en dat op de hoorzitting dienaangaande geen opmerkingen werden geformuleerd; Overwegende dat het voorwerp van het beroep in het beroepschrift van de tussenkomende partijen, gericht aan de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen, als volgt wordt omschreven : "Bij huidig schrijven wensen wij beroep aan te tekenen tegen de beslissing van het College van burgemeester en schepenen d.d. 6 april 1993, ons afgeleverd op 14 mei 1993, waarbij de afbraak werd gevorderd van het houten scherm dat werd aangebracht naast de perceelsgrens tussen het erf Nachtegalenlei 17, aan ons toebehorend, en het erf Nachtegalenlei 15 te Schoten, toebehorend aan de heer en mevrouw Winckel"; dat de tussenkomende partijen, na hun middelen te hebben uiteengezet, aan de bestendige deputatie vragen "toelating te verlenen tot oprichting en behoud van een scherm in gevlochten hout, dienstig voor snelgroeiende klimop en de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 6 april 1993 te vernietigen in de mate dat zij de afbraak van het houten scherm oplegt"; dat uit voormelde bewoor- dingen van het beroepschrift blijkt dat hun beroep is gericht tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot weigering van de gevraagde bouwvergunning, welke hen werd betekend op 14 mei 1993; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten de gevraagde vergunning op 13 april 1993 heeft geweigerd op grond dat "als afsluiting (...) in een open bebouwing enkel groene hagen of een aanplanting (zijn) toegelaten"; dat deze weigeringsbeslissing op 14 mei 1993 aan de tussen-komende partijen ter kennis is gebracht; dat de bestendige deputatie derhalve terecht heeft geoordeeld dat deze weigeringsbeslissing het werkelijke voorwerp uitmaakt van het beroep dat door de tussenkomende partijen is ingesteld; dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat haar op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State opgemaakte verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft beperkt tot het onderzoek van het eerste middel van het verzoekschrift; dat het noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht; X-6666-6/7 BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, staatsraad. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-6666-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.617 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.759 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.