id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.672 Rolnummer: A. 116750/XIV-8561 Zaak: Arrest 155672 - - 28/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 11:29 Fiche Arrest nr 155.672 van 28 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 155.672 van 28 februari 2006 in de zaak A. 116.750/XIV-
- In zake :XXX die woonplaats kiest bij advocaten F. COEL en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierraleoonse nationaliteit, op 13 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 18 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8561-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaten F. COEL en R. COEL, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 september 1999 en zich vluchteling verklaart op 7 september 1999; dat op 26 september 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 15 januari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt luidt: “U verklaarde de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten en te behoren tot de Konyanka- etnie. Tot 1991 woonde u in Koindu. Toen de oorlog in Sierra Leone uitbrak, vluchtte u met uw familie naar Guinee. Op een niet nader bepaalde dag in december 1998 keerde u terug naar Sierra Leone, naar Freetown. Op 6 januari 1999 werd u er door rebellen ontvoerd en meegenomen naar een rebellenkamp in Kowadu. Op 2 augustus 1999 kon u ontsnappen. U ging via Faranah naar Conakry. In Conakry onmoette u een man die uw vlucht uit Guinee regelde. Hij hielp u in te schepen op een schip dat op 6 september 1999 in Antwerpen aanmeerde. De volgende dag startte u uw asielprocedure. Vooreerst bestaan er ernstige twijfels omtrent uw vermeende Sierraleoonse nationaliteit. Uit het verhoor door het Commissariaat-generaal blijkt immers dat u geen antwoord kon geven over een aantal elementaire vragen over Sierra Leone. Zo stelde u naast de Moa River geen andere rivier in Sierra Leone te kennen. U kende evenmin de naam van enige berg in Sierra Leone (verhoorverslag Commissariaat-generaal, p. 4). U kende niet de in Sierra Leone gangbare begrippen chiefdom en province en u kon, op Koindu na, geen enkele genoemde stad in Sierra Leone situeren (p. 4, 5, 7). U verklaarde in het geheel niet te weten wat een Kamajor is (p. 5), noch kon u uitleggen wat het CDF is (p. 10). U stelde het RUF niet te kennen (p. 4) en kende naast Foday Sankoh geen andere prominente rebellenleiders (p. 10). U kon geen enkele Sierraleoonse zanger noemen en kende evenmin het nationale of enig ander Sierraleoons voetbalteam (p. 10). In het algemeen kan worden gesteld dat uw lage scholingsgraad en uw verblijf in Guinee geen afdoende verklaring vormen om uw gebrek aan elementaire kennis over uw vermeende land van herkomst te verantwoorden. Redelijkerwijs kan bovendien worden verwacht dat u van enige zeer elementaire kennis op de hoogte bent, aangezien u uit eigen beweging, tijdens de oorlog, naar uw zogenaamde thuisland zou zijn teruggekeerd (p. 3, 6). Uw verklaringen over uw reisweg zijn eveneens ten zeerste bedenkelijk. U kende de naam van de boot, noch de nationaliteit van het schip (p. 9). U kon zelfs niet specifiëren of u al dan niet met een cargoschip in België aankwam (p. 12). In elk geval kan uw reisweg niet worden nagegaan, aangezien u geen documenten ter zake voorlegt. U blijkt evenmin in het bezit van enig document dat de controle van uw identiteit en nationaliteit mogelijk zou kunnen maken. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep geen andere elementen naar voor die vermogen de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Met uw bijgevoegde verklaring in het kader van de regularisatieprocedure zal, zoals gevraagd door uw advocaat, geen rekening worden gehouden, aangezien hierin een aantal fouten zouden zijn geslopen.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de “schending van de wettelijke opdracht” opwerpt; dat zij aanvoert dat het verhoor door de XIV-8561-2/7 commissaris-generaal beperkt is gebleven tot vragen over de toeristische bezienswaardigheden van Sierra-Leone om op grond van het gebrek aan kennis daarover de asielaanvraag als niet-ontvankelijk en bedrieglijk te beoordelen, dat de commissaris- generaal weet dat de verzoekende partij Sierra-Leone in 1991 is ontvlucht en er in 1998 is teruggekeerd om dan te worden ontvoerd door en ingelijfd bij de rebellen, hetgeen niet met een toeristische rondrit kan worden vergeleken, dat dit “diepteonderzoek” niet behoort tot de opdracht van de commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase, dat de minister van Binnenlandse Zaken of de commissaris-generaal in die fase een grond van niet- ontvankelijkheid moetenen bewijzen en genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet-tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal, dat de term “kennelijk” in artikel 52, § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet die bevoegdheid nog verder beknot, dat eventuele twijfel in het voordeel van de asielaanvrager moet gelden en dat hij tot het onderzoek ten gronde moet worden toegelaten, dat de bestreden beslissing is genomen op grond van een vergelijking van de verklaringen van de verzoekende partij en een toeristische reisgids, dat de feiten niet aan objectieve gegevens over Sierra-Leone zijn getoetst doch dat irrelevante tegenstrijdigheden zijn gezocht die de geloofwaardigheid van de verzoekende partij zouden moeten aantasten, dat de instabiliteit van de toestand in Sierra-Leone uit de rapporten van alle humanitaire organisaties blijkt, dat schending van de mensenrechten er dagelijkse kost is, dat de commissaris-generaal slechts op zoek is gegaan naar tegenstrijdigheden om de verzoekende partij te kunnen afwijzen, dat de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden geen afbreuk doen aan de consistentie van het asielrelaas, dat de commissaris-generaal zijn wettelijke opdracht heeft miskend en dat de bestreden beslissing is genomen op grond van een mank samengesteld en onvolledig dossier; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord stelt dat de verzoekende partij de werkwijze van de commissaris-generaal bij het onderzoek van de asielaanvraag betwist, dat zij niet betwist dat zij op geen enkele vraag betreffende het voorgehouden land van herkomst en de voorgehouden vlucht kon antwoorden, dat overduidelijk en dus “kennelijk” kwam vast te staan dat geen geloof kan worden gehecht aan het asielrelaas kan worden gehecht en dat de Raad van State meerdere malen heeft geoordeeld dat het niet onredelijk is tot de bedrieglijkheid te besluiten wanneer de betrokkene niet op elementaire vragen betreffende het beweerde land van herkomst kan antwoorden; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.1.
- Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de niet-ontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de XIV-8561-3/7 bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast, kan worden besloten tot de bedrieglijkheid en/of kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing niet is genomen op grond van tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij, zodat de verzoekende partij daar ook niet dienstig naar kan verwijzen; dat de toetsing van de kennis van de verzoekende partij over het voorgehouden land van herkomst niet is beperkt tot een “toeristische reis”, zoals de verzoekende partij voorhoudt, doch allerhande vragen bevat, gaande van algemene geografische feiten zoals namen van steden, bergen of rivieren tot elementen uit het dagelijkse leven, zoals namen van zangers of voetbalteams; dat daarbij rekening is gehouden met de lage scholingsgraad van de verzoekende partij; dat verder rekening is gehouden met het feit dat de verzoekende partij zelfs niet de meest voor de hand liggende feiten over haar vlucht kon geven; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal meent een aantal tegenstrijdigheden uit verklaringen te moeten aanhalen zonder die verklaringen aan de werkelijkheid te toetsen, dat het niet gaat om essentiële bestanddelen in de verklaringen doch over de kennis van lokale zangers, voetbalploegen, bergen enz., dat de commissaris-generaal niet heeft gepeild naar de reden van het asielverzoek maar enkel naar onwetendheden over toeristische gegevens en dat aldus de zorgvuldigheidsplicht is geschonden; XIV-8561-4/7 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het tweede middel samen met het eerste middel beantwoordt; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing niet op de vaststelling van tegenstrijdigheden is gesteund; dat het tweede middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende dat de verzoekende partij slechts op algemene wijze minimaliseert dat zij een totale onwetendheid aan de dag legde over haar voorgehouden land van herkomst; dat de voorgehouden afkomst van een asielzoeker precies een basisgegeven is bij de beoordeling van het asielrelaas van een kandidaat-vluchteling; dat iemand bezwaarlijk kan zijn vervolgd in een land waar hij niet eens vandaan zou zijn gekomen; dat de commissaris-generaal zich zeker niet heeft beperkt tot het vragen naar “toeristische gegevens”; dat voor het overige naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont dat de commissaris- generaal op onzorgvuldige wijze het onderzoek heeft gevoerd of op onzorgvuldige wijze tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel “afwending van macht: miskenning van feitelijkheden en de bewijskracht der stukken” opwerpt; dat zij aanvoert dat de verwerende partij door op flagrante wijze de feiten te miskennen machtsafwending pleegt, dat de bewijskracht van haar stuk 1 wordt miskend, dat de minister van Binnenlandse Zaken en de commissaris-generaal op de hoogte zouden moeten zijn van de toestand in Sierra-Leone, dat zij perfect weten dat de verzoekende partij zich niet onder de bescherming van een overheid kan stellen en niet over een binnenlands vluchtalternatief beschikt, dat het manifest miskennen van deze feiten van algemene bekendheid machtsafwending inhoudt, dat de verzoekende partij de originele “Sierre Leone Red Cross Society Refugees Travelling identification Card” van 8 september 1997 heeft getoond waaraan echter geen enkel gevolg is gegeven, dat aldus ook de beginselen van behoorlijk bestuur en de bewijskracht van stukken zijn geschonden, dat deze thans als stuk 1 neergelegde stukken essentieel zijn omdat zij zijn uitgereikt door het Rode Kruis, een nummer, plaats en datum van uitreiking, een foto en een beschrijving van de fysionomie van de verzoekende partij bevatten, dat het negeren van dergelijk stuk tot de vernietiging van de bestreden beslissing moet leiden en dat een verder verblijf in België niet aan de verzoekende partij mag worden ontzegd; dat de verzoekende partij overeenkomstig artikel 39 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de vreemdelingen vraagt dat de zaak naar een kamer met drie staatsraden wordt verwezen; XIV-8561-5/7 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord stelt dat de commissaris-generaal de feitelijke toestand in Sierra-Leone op scrupuleuze wijze volgt en met kennis van zaken kan oordelen, dat dit blijkt uit de bestreden beslissing, dat het gebrek aan kennis van deze toestand in hoofde van de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing vormt, dat het “stuk 1" van de verzoekende partij niet in het administratief dossier voorkomt en noot werd neergelegd tijdens de asielprocedure, zoals de verzoekende partij bevestigt in het verzoekschrift tot nietigverklaring, dat dit argument feitelijke grondslag mist en dat niet tot schending van een rechtsregel kan worden besloten omdat de verzoekende partij het kwestieuze stuk nooit heeft overgelegd gedurende de asielprocedure; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring vraagt dat de zaak zou worden verwezen naar een kamer met drie leden; dat de verzoekende partij, vertegenwoordigd door haar raadsman, op de terechtzitting van 21 december 2005 zonder enig voorbehoud is verschenen zodat zij moet worden geacht afstand te hebben gedaan van die vraag; Overwegende dat de verzoekende partij de kaart van het Rode Kruis van 15 september 1997 thans als stuk 1 heeft overgelegd; dat zij gedurende de asielprocedure echter geen enkel stuk heeft overgelegd, zoals blijkt uit het administratief dossier en in het bijzonder uit de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken (vraag 19) en van het commissariaat-generaal (pagina 2); dat de commissaris-generaal uiteraard geen rekening kon houden met, laat staan antwoorden op een stuk dat hem nooit ter kennis werd gebracht; dat niet valt in te zien hoe de “bewijskracht” van dergelijk stuk kan zijn geschonden; dat het derde middel in die mate feitelijke grondslag mist; dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit zou kunnen blijken dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing; dat dit alleszins niet blijkt uit het enkele feit dat haar asielaanvraag is verworpen, a fortiori niet daar de eerste twee middelen reeds ongegrond zijn bevonden; dat het derde middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-8561-6/7 Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8561-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.