← België

Arrest 155679 - - 28/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.679 Rolnummer: A. 109323/XIV-6232 Zaak: Arrest 155679 - - 28/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 11:31 Fiche Arrest nr 155.679 van 28 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 155.679 van 28 februari 2006 in de zaak A. 109.323/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. DE MULDER, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47-49, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 8 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 februari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-6232-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN DEN HOLE, die loco advocaat K. DE MULDER verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 29 december 1999; dat op 22 februari 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 6 juli 2001 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 10 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Dharnani loco Mr. Callewaert. Betrokkene verklaarde de Kameroense nationaliteit te bezitten, afkomstig te, zijn uit Yaoundé, maar sinds jonge leeftijd woonachtig te zijn in Buea. Hij was sinds 1996 lid van het 'Social Democratic Front (S.D.F.1 -Ward three (Buca-district)- en sloot zich in juni 1996 ook aan bij het SCNC (Southern Cameroons National Council). Op 21 januari 1996 werd betrokkene na een betoging -om de vervalsing van de verkiezingsresultaten onder de aandacht te brengen- gearresteerd en opgesloten m een cel te Buea gedurende twee weken. Op 23 april 1997 werd hij gearresteerd in een nachtclub nadat hij valselijk beschuldigd werd van medeplichtigheid aan de terroristische aanvallen in de Noordwestelijke provincie. Na vier weken detentie werd hij mits tussenkomst van zijn ouders, vrijgelaten. Op 8 oktober 1997, toen betrokkene pamfletten aan het uitdelen was om de boycot van de presidentiële verkiezingen van 12 oktober 1997 aan te moedigen, werd hij gearresteerd en naar 'Buca Central Prison, gebracht. Op 8 juli 1998 tekende hij een document en werd hij vrijgelaten. Op 12 november 1998 schreef betrokkene een artikel waarin hij zijn protest uitte aan de Minister van justitie, de rijkswacht en de president en gaf dit artikel aan een man waarvan hij vermoedde dat deze voor de krant 'Cameroon Post, werkte. Deze protestbrief werd nooit gepubliceerd. Op 16 november 1998 werd betrokkene thuis gearresteerd door leden van de geheime dienst van Yaoundé die het artikel bij zich hadden. Gedurende negen maanden zat hij alweer gevangen in de centrale gevangenis van Buea. Na zijn vrijlating nam zijn vader hem mee naar Bamenda en vervolgens naar Douala waar betrokkene een vriend ontmoette die alles organiseerde opdat hij het land zou kunnen verlaten. Op 27 december 1999 nam betrokkene te Douala het vliegtuig en op 29 december 1999 meldde hij zich aan op de Dienst Vreemdelingenzaken. Allereerst kunnen een aantal vraagtekens worden geplaatst bij betrokkenes beweerde (actieve) liddmaatschap van het SDF. Zo blijkt betrokkene tijdens het verhoor op het Commissariaatgeneraal de structuur -zowel de verschillende organen als de niveaus binnen deze partij- foutief te beschrijven. Betrokkene kon slechts drie wards benoemen binnen het district van Buea en het aantal wards binnen dit district was hem onbekend. Behalve de schatbewaarder, de ‘spokesman’, en de ‘organiser’, meende betrokkene geen andere functies te kennen binnen de ward en ook op nationaal niveau was het voor betrokkene slechts mogelijk vier functies te benoemen binnen het SDF. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat de spokesman, en organiser, niet vernoemd worden in de lijst van functies binnen het SDF waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Verder verklaarde betrokkene verkeerdelijk dat Victor Ngoh de chairman zou zijn van de partij in Buca en dat de chairman van South-West Province Lyfongoh zou zijn (verhoorverslag CGVS, p.3). Betrokkene verklaarde zich geen namen meer te kunnen herinneren van leden van de naflonal convention, van het SDF noch kon hij preciseren wie de door hem vernoemde ‘national executives’, zouden kunnen zijn. (zie verhoorverslag CGVS p.3 t e.m. p.6 - internet http://www.sdfpany.org) XIV-6232-2/8 Hoe dan ook is het weinig waarschijnlijk dat betrokkene nu nog zou worden vervolgd wegens zijn lidmaatschap en activiteiten van het SDF. Op 21 januari 1996 werden in Kameroen immers gemeenteraadsverkiezingen gehouden, die door internationale waarnemers als vrij en correct werden omschreven (zie Country reports on Human Rights Practices for 1996, Washington, februari 1997). Uit de verkiezingsstrijd kwamen de CPDM (Cameroon Peoplels Democratic Movemerit) en oppositiepartijen zoals het SDF als zwaargewichten naar voor. Het SDF haalde haar slag thuisin 68 gemeenten (van de 336 gemeenten) en won in vier provinciale hoofdsteden namelijk Douala, Bafópsiam, Bamenda en Buea (zie 'Le Nouvel Affique Asiel, maart 1996, 13 en ANB, 15 april 1996). Het Hooggerechtshof vernietigde met respect voor de wet achttien verkiezingsuitslagen (zie Country Reports on Ruman Rights Practicesfor 1996, Washington, februari 1997). Hieruit blijkt dat politieke oppositievoering in Kameroen duidelijk mogelijk is en het broze democratische systeem kan worden onderworpen aan de rechtspraak van een Hooggerechtshof. Ook tijdens de parlementaire verkiezingen van 17 mei 1997 kwam het SDF als een krachtige oppositiepartij naar voor en sleepte zij 43 zetels in de wacht. Deze verkiezingen werden door internationale en Commonwealth waarnemers geobserveerd. In een aantal kiesdistricten werden de resultaten vernietigd omwille van onregelmatigheden (zie West Africa, dd. 23 juni 1997-29 juni 1997 en 30 juni 1997-6 juli 1997 - Africa Intelligence, dd. 31 oktober 1997). Afgevaardigden van het SDF zetelen zowel in het Parlementaire Bureau als in belangrijke parlementaire commissies en nemen -als belangrijkste oppositiepartij- deel aan het besluitvormingsproces (zie West Africa, dd. 23 juni 199729 juni 1997 en 30 juni 1997-6juli 1997 -Africa Intelligence, dd. 31 oktober 1997). Het SDF doet trouwens een beroep op de administratieve overheden om interne partijconflicten op te lossen (zie l’Autre Afrique, ‘Cameroun, l’argument de la forcé’ dd 23 december 1998-5 januari 1999 en Africa International, l’opposition en quête d’un second souffle’ nr 324, mei 1999) Verder is het weinig waarschijnlijk dat betrokkene als SCNC-lid nu nog zou worden vervolgd omdat hij verdacht werd van deelname aan terroristische aanslagen in de Noordwest provincie einde maart
  5. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal blijkt immers dat er in april 1999 een zeventigtal verdachten in verband met de terroristische aanslagen van einde maart 1997 voor de militaire rechtbank van Yaoundé werden gebracht en officieel in beschuldiging werden gesteld. Op 6 oktober 1999 werden de verdachten berecht door de militaire rechtbank van Yaoundé (zie La lettre d’Amnesty, nr 165 dd 15 oktober 1998). Verder kunnen een aantal vraagtekens worden geplaatst bij het artikel verklaarde geschreven te hebben. Zo verklaarde betrokkene tijdens het verhoor op het COM~generaal dat hij deze Protestbrief overhandigde aan een man in de straat waarvan hij vermoedde dat deze bij 'Cameroon Post' werkte (verhoorverslag CGVS, p. 13). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou betrokkene het artikel gegeven hebben aan iemand werkzaam bij de post die het naar de redactie van de krant zou brengen (verhoorverslag DVZ, punt 42); in het verzoekschrift schrijft betrokkene - dat hij het artikel naar een postbode heeft gebracht om het te laten publiceren in 'Post News'. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat in de brief van betrokkenes advocaat Ashu Tantang Tanjong te Kameroen (dd. 3 maart 2000) melding wordt gemaakt van een artikel dat zou gepubliceerd worden in The Post News én een protestbrief geadresseerd aan de minister van justitie. Hoe dan ook dient te worden opgemerkt dat het artikel nooit gepubliceerd werd. Betreffende de detentie van betrokkene In 'Buea Central Prison’, kan worden vastgesteld dat betrokkenes verklaringen hieromtrent zeer vaag bleven hoewel betrokkene viermaal zou zijn opgesloten in deze gevangenis. Betrokkene verklaarde tijdens de eerste detentieperiode niet te weten met hoeveel hij zich in de cel bevond (verhoorverslag CGVS, p.9). Betrokkene verklaarde dat andere partijleden ook werden gearrresteerd, maar wist verder niets over hun eventuele vrijlarijg (verhoorverslag CGVS, p.9). Ook tijdens de volgende (vier weken durende) detentie zou betrokkene niet weten met hoeveel hij zich in de cel bevond noch wat met zijn vrienden -die op hetzelfde moment werden gearresteerd en in dezelfde cel werden opgesloten- gebeurde na betrokkenes vrijlating (veihóorverslag CGVS, p. 11). Betrokkene verklaarde bevrijd te zijn met de medewerking van zijn advocaat dan wel van zijn ouders, maar verklaarde niet te kunnen preciseren hoe (of er een proces is geweest, of er een borgsom werd gegeven, ... ) (verhoorverslag CGVS, p. 1l). Het door betrokkene aan het Commissariaat-generaal overhandigde attest van zijn advocaat Ashu Tantang Tanjong, dd. 3 maart 2001, doet geen afbreuk aan hogervermelde vaststellingen en overwegingen, mede gelet op het feit dat deontologische regels een advocaat verplichten om loyale bijstand te verlenen aan zijn cliënt en diens belangen te behartigen. De door betrokkene voorgelegde identiteitskaart (met nummer 10075é3) doet evenmin afbreuk aan bovenstaande vaststelimgen aangezien de afkomst van betrokkene geenszins in twijfel wordt getrokken. Voor wat betreft de door betrokkene voorgelegde lidkaart van S.D.F. dient gewezen te worden op bovenstaande vaststellingen met betrekking tot betrokkenes lidmaatschap. Er dient bovendien opgemerkt te worden dat dergelijke lidkaarten via een eenvoudige aankoop binnen worden aangeschaft en dat een lidkaart geen bewijs levert van een daadwerkelijke politieke inzet binnen deze partij in het land van herkomst. Tevens valt op dat in de voorgelegde lidkaart het jaartal van betrokkenes lidmaatschap werd gewijzigd (1997 dan wel 1998) terwijl XIV-6232-3/8 betrokkene zelf verklaarde sinds 1996 lid te zijn. In de vragenlijst van het Commissariaat- generaal liet betrokkene na de datum waarop hij zich aansloot bij het SDF en het SCNC in te vullen. De lidkaart van betrokkene van SCNC doet geen afbreuk aan bovenstaande, vaststellingen daar zij evenmin een bewijs levert van een daadwerkelijke inzet van betrokkene in haar land van herkomst. Daarenboven kan worden opgemerkt dat betrokkene tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal aanvankelijk verklaarde lid te zijn van het SCNC sinds 1 juli 1997 waarna hij dit corrigeerde tot juni 1996 (verhoorverslag CGVS, p.2), terwijl op de lidkaart van betrokkene staat vermeld dat hij zich aansloot bij het SCNC op 10 januari
  6. De brief van Christiana Mofor (dd. 28 mei 2000) doet geen afbreuk aan voorgaande overwegingen omdat privé-correspondentie bezwaarlijk als objectief bewijsmateriaal kan worden bestempeld. Tenslotte bevat het verzoekschrift van betrokkene geen ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem', betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren,.In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 25 februari
  7. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Met betrekking tot de motivering van bestreden beslissing, maakt verzoeker volgende opmerkingen:
  9. Vooreerst dient gesteld te worden dat verzoeker een reeks gegevens heeft overgemaakt dewelke perfect verifieerbaar zijn. Het betreft juiste informatie waarmee geen rekening wordt gehouden; Het wordt verzoeker kwalijk genomen dat hij slechts binnen zijn ward de structuur kon uitleggen. De aandacht dient te worden gevestigd op het feit dat vele leden bekend zijn met de plaatselijke structuur maar minder of niet met de nationale organisatie van de partij
  10. Tegenpartij wekt verkeerdelijk de indruk dat er geen problemen zouden bestaan omdat het SDF in een aantal gemeentes bij de verkiezingen een "slag" heeft binnengehaald. Het zou maar al te simpel zijn ervan uit te gaan dat aangezien er verkozenen zijn in de gemeenteraad, dat er geen mensenrechtenschendingen meer zijn. Bovendien dient te worden benadrukt dat verzoeker niet alleen vervolgd wordt omwille van zijn lidmaatschap van het SDF maar vooral om zijn SCNC-lidmaatschap die geen verkozenen heeft en bijgevolg geen deel uitmaakt van de heersende politiek;
  11. Tegenpartij stelt tevens in de bestreden beslissing dat een zeventigtal verdachten in verband met de terroristische aanslagen van einde maart 1997 voor de militaire rechtbank van Yaoundé werden gebracht en officieel in beschuldiging werden gesteld. Dit betekent niet dat verzoeker niet meer officieel in beschuldiging kan gesteld worden. Meer nog, verzoeker heeft geen enkele zekerheid dat hij niet in beschuldiging werd gesteld. Uit de informatie van de Commissaris Generaal wordt enkel afgeleid dat 70-tal personen konden gearresteerd worden en voor de Militaire Rechtbank werden geleid.
  12. Met betrekking tot de vermeende tegenstrijdigheden rond de protestbrief herhaalt verzoeker dat hij deze heeft overgemaakt aan een postbode opdat deze die zou geven aan de krant. Post news wordt in de volksmond Cameroon Post genoemd. Het gaat dus in feite om dezelfde krant waardoor er geen tegenstrijdigheid bestaat in de verschillende verhoren;
  13. Zoals uit de nota's duidelijk blijkt, heeft verzoeker details gegeven over zijn detentie; 6.Verder haalt tegenpartij deontologische regels aan om een bewijsstuk aan te vechten. Dit is absurd. Een advocaat heeft de verplichting om loyale bijstand te verlenen aan zijn cliënt en diens belangen te behartigen maar mag hierbij niet zonder meer leugens verkondigen (dit is bovendien een andere deontologische regel). Elke twijfel had men perfect kunnen wegwerken door eventueel contact op te nemen met deze raadsman. Er is bijgevolg geen enkel ernstig onderzoek gebeurt naar dit element.”; XIV-6232-4/8 2.1.
  14. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het eerste middel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing een schending van de motiveringsverplichting inhoudt, meer specifiek van artikel 62 van de Vreemdelingenwet alsook van artikel 1,2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet. - Verzoeker stelt dat hij een reeks gegevens heeft overgemaakt die perfect verifieerbaar en correct zijn. Met deze informatie werd, volgens verzoeker, bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening gehouden. Verweerder antwoordt dat verzoeker niet duidelijk aangeeft welke gegevens hij correct heeft aangebracht, alsook overtuigt zijn uitleg niet waarom hij sommige belangrijke vragen in verband met de structuur van de SDF niet kon beantwoorden. Verzoeker verklaart namelijk dat hij op zeer lokaal niveau binnen de partij werkzaam was. Nochtans hebben sommige van de vragen die verzoeker tijdens het interview niet kon beantwoorden specifiek betrekking op het lokale niveau van de SDF-partij (bvb. hoeveel functies binnen uw ward). Betreffende de bewering van verzoeker dat het feit dat zijn partij, het SDF in een aantal gemeenten de verkiezingen zou hebben gewonnen, niet impliceert dat er geen mensenrechtenschendingen meer zouden zijn antwoordt verweerder, dat het niet verweerder maar verzoeker is die de zaken simplifieert. Verweerder baseert zich op tal van geciteerde onafhankelijke bronnen, dewelke stellen dat het weinig waarschijnlijk is dat verzoeker, omwille van zijn SDF-lidmaatschap zou worden vervolgd. Bovendien is dit element slechts één van de vele opgesomd in de bestreden beslissing die als geheel moet worden gelezen met het voorgaande uit de bestreden beslissing opgesomde elementen, met name met het feit dat verzoeker zijn SDF-lidmaatschap niet echt aannemelijk kan maken. - Betreffende verzoekers SCNC-lidmaatschap en het feit dat er in april 1999 een zeventigtal verdachten in verband met deze terroristische aanslag voor een militaire rechtbank werden veroordeeld. Verzoeker leidt hieruit af dat hij geen enkele zekerheid heeft dat hij niet zal worden gearresteerd. Verweerder antwoordt dat de informatie geciteerd in de bestreden beslissing stelt dat reeds in april 1999 deze verdachten voor de rechtbank werden gebracht. Uit verzoekers asielrelaas blijkt dat hij op 16 november 1998 thuis werd gearresteerd en gedurende negen maand werd vastgehouden. Gedurende die periode - waarin het proces zich afspeelde - zat verzoeker opgesloten en werd hij niet met de verdachten voor de rechtbank gebracht. Redelijkerwijze kan worden verwacht dat de autoriteiten, indien zij er hem verdachten mee de aanslag te hebben georganiseerd, ze hem effectief voor de rechtbank hadden gebracht. Verzoekers uitleg is dan ook niet ernstig. - Betreffende de opgesomde tegenstrijdigheden : verweerder blijft bij zijn stelling uiteengezet in de bestreden beslissing. Tijdens het interview op het Commissariaatgeneraal verklaren dat het artikel wordt gepubliceerd in de 'Cameroon Post', terwijl in een ander interview wordt verklaard dat het gepubliceerd werd in 'Post News' is tegenstrijdig. Verzoekers uitleg dat het om dezelfde krant zou gaan wordt niet bewezen. - Betreffende de detentie herhaalt verweerder zijn stelling uiteengezet in de bestreden beslissing. Verzoeker blijft hierover bijzonder vaag. - Betreffende de opmerking omtrent het door de advocaat neergelegde stuk. Verweerder stelt vast dat verzoeker hierover op dezelfde lijn zit. De taak van een advocaat bestaat erin bijstand te verlenen aan zijn cliënt. De bestreden beslissing voldoet aan de motiveringsverplichting. Zowel de feitelijke als de juridische motieven op dewelke de bestreden beslissing werd genomen worden in de bestreden beslissing vermeld. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoeker deze motieven kent en begrepen heeft. Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.
  15. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in de memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.1.
  17. Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 XIV-6232-5/8 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op verscheidene motieven en dat deze in hun geheel dienen te worden gelezen en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de verzoekende partij zich in wezen beperkt tot de bevestiging van haar eigen standpunt dat zij vervolgd wordt en tot het louter tegenspreken van de bevindingen van de commissaris-generaal zonder deze in concreto te weerleggen; dat uit het feit dat het SDF, de partij waarin de verzoekende partij beweert actief lid te zijn geweest, tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van januari 1996 in 68 gemeenten (van de 336 gemeenten) en in vier provinciale hoofdsteden, waaronder Douala en Buea, won, dat het als de belangrijkste politieke partij wordt aanzien, en dat het gerecht effectief waakt over de geldigheid van de verkiezingsuitslagen, de commissaris-generaal redelijkerwijs kon twijfelen aan de vervolging van de verzoekende partij omwille van haar lidmaatschap en activiteiten binnen het SDF; dat, in de mate dat de verzoekende partij beweert dat zij “vooral” vervolgd werd voor haar SCNC-lidmaatschap, de verzoekende partij nalaat de daaromtrent vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen, alhoewel deze mede de bestreden beslissing mede kunnen dragen; dat voorts de verzoekende partij heeft verklaard dat zij op 16 november 1998 thuis werd gearresteerd en gedurende negen maanden werd vastgehouden; dat die periode van haar aanhouding blijkens de informatiebronnen van de commissaris-generaal samenvalt met deze waarin het proces tegen de verdachten van de terroristische aanslagen zich afspeelde; dat de verzoekende partij niet verduidelijkt waarom zij niet met de andere verdachten werd berecht, alhoewel zij gezocht zou zijn op grond van dezelfde tenlastelegging; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Miskenning - Schending van de bewijskracht gehecht aan een akte: Schending van de artikelen 1319-1320-1322 van het Burgerlijk Wetboek: XIV-6232-6/8 Dat verzoekster een attest heeft overhandigd aan de Commissaris Generaal, opgesteld door de raadsman van verzoeker op 3/10/2000, bevattende een referentienummer en de adresgegevens van het advocatenkantoor; In dit document wordt melding gemaakt van de problemen die verzoeker naar aanleiding van zijn politieke activiteiten gekend heeft en meer nog, de gevaren die hij riskeert in geval van een eventuele terugkeer; Dat de Commissaris Generaal geen rekening met dit document, hoewel het duidelijk een (akte) document is dat een bewijs is van de problemen van verzoeker. Dat het document zich bevindt in het administratief dossier. Dat de CG dient te antwoorden op alle elementen in het administratief dossier. Dat bij dit in casu niet doet en dus de artikelen 1319-1320-1322 schendt. Dat hij bijgevolg niet aannemelijk maakt waarom geen rekening kan worden gehouden met het desbetreffend document en dat de gegeven argumentatie aldus elke ernst mist.”; 2.2.
  19. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het tweede middel werpt verzoeker op dat de bestreden beslissing de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schenden. Evenmin zou verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing niet antwoorden op alle elementen van het administratief dossier. Vooreerst antwoordt verweerder dat het Commissariaat-generaal bij het nemen van een bevestigende beslissing van weigering van verblijf handelt als orgaan van het actief bestuur en bijgevolg, in tegenstelling tot jurisdictionele verhalen, niet verplicht is te antwoorden op alle door de verzoeker ingeroepen argumenten (R.v.St., nr. 79.574 van 30 maart 1999; R.v.St., nr. 92.212 van 15 januari 2001). Indien het Commissariaat-generaal niet antwoordt op alle door de kandidaat-vluchtelingen opgeworpen argumenten, dienden de in de bevestigende beslissing opgenomen motieven van die aard zijn de onontvankelijkheidsbeslissing te dragen hetgeen in casu het geval is. Betreffende de opgeworpen schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek antwoordt verweerder dat het bewijsrecht in asielzaken vrij is. De regels van het bewijsrecht zoals geregeld in het burgerlijk recht kunnen niet zomaar worden getransponeerd naar de asielprocedure waarbij uitspraak wordt gedaan over het al dan niet toekennen van een politiek recht. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.
  20. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in de memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.2.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.2.
  22. Overwegende dat de in het middel ingeroepen artikelen betrekking hebben op het civielrechtelijke bewijs van verbintenissen en van betaling doch geenszins van toepassing zijn op de beslissingen genomen in het kader van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel derhalve niet-ontvankelijk is;
  23. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-6232-7/8 Artikel
  24. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6232-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.